Aanwijzing Kader voor Strafvordering Aanwijzing Kader voor Strafvordering Verantwoording Voorliggend kader beschrijft de systematiek van het stelsel van richtlijnen voor strafvordering. Het kader spreekt zich uit over de wijze waarop de delictspecifieke strafvorderingsrichtlijnen dienen te worden gehanteerd. Voor iedere strafvorderingsrichtlijn gelden in principe de uitgangspunten en rekenmethode, zoals die in dit kader beschreven staan. Als laatste onderdeel van deze Aanwijzing is een passage opgenomen over de gevolgen van de gefaseerde invoering van de Wet OM-afdoening. Omdat inmiddels meer strafzaken worden afgedaan met een strafbeschikking (conform art. 257a Wetboek van strafvordering) dan met een transactie (conform art. 74 Wetboek van strafrecht) is de terminologie van de Wet OM-afdoening in deze aanwijzing leidend. Zo wordt nu gesproken over geldboete in plaats van geldtransactie. In verband met de indexering van de boetebedragen met 2% conform de door de minister voorgestelde verhoging per 1 januari 2013 is de waarde van het sanctiepunt aangepast. Tevens is in deze aanwijzing verwerkt de wijziging van het Wetboek van strafrecht in verband met het beperken van de mogelijkheden om een taakstraf op te leggen voor ernstige zeden- en geweldsmisdrijven en bij recidive van misdrijven, alsmede de afschaffing van de leerstraf voor volwassenen. Achtergrond Het strafvorderingsbeleid van het Openbaar Ministerie moet eenduidig zijn. Voor vergelijkbare delicten moeten, ongeacht plaats of beoordelaar, vergelijkbare straffen worden gevorderd. Strafverzwarende en strafverminderende omstandigheden moeten daarbij op vergelijkbare wijze invloed hebben op de strafmaat. Bovendien moet de strafrechtelijke reactie op verschillende delicten onderling in juiste verhouding zijn met de relatieve ernst van de delicten. De richtlijnen hebben ten doel een beredeneerde indicatie van de modaliteit en strafmaat te geven bij de beoordeling van strafbare feiten. Het gebruik van richtlijnen uniformeert en expliciteert de beoordeling; het uitgangspunt van denken wordt landelijk uniform gebaseerd op de gepleegde feiten en de geobjectiveerde beoordelingscriteria. Het is mogelijk dat de richtlijnen voor de beoordeling van een specifieke casus tekort schieten, omdat bepaalde, voor dat geval relevante, factoren niet in de richtlijn zijn opgenomen. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als gevolg van de afwijkende verschijningsvorm van het delict, maar ook naar aanleiding van de persoon van de verdachte of andere omstandigheden die op het moment van beoordelen bekend zijn. In het kader van het strafvorderingsbeleid heeft het Openbaar Ministerie in het verleden, zowel landelijk als lokaal, richtlijnen uitgevaardigd. Deze richtlijnen boden echter onvoldoende houvast om een landelijk uniform, eenduidig, directief en samenhangend strafvorderingsbeleid te realiseren. De strafvorderingsaspecten waren met name in de landelijke richtlijnen slecht toegankelijk; de voor de beoordeling benodigde informatie was verweven in een omvangrijker geheel. Wisselende uitgangspunten bij de beoordeling van vergelijkbare omstandigheden leidden tot een gebrek aan samenhang tussen de richtlijnen. Gehanteerde begrippen werden onvoldoende gedefinieerd, waardoor interpretatieverschillen ontstonden. De richtlijnen spraken zich bovendien slechts zeer beperkt uit over concrete transactiebedragen of eisen ter zitting. Een soortgelijke constatering is aanleiding geweest voor de Europese Raad om aanbevelingen te doen ten aanzien van de onderlinge samenhang van richtlijnen voor strafvordering. De Raad beveelt aan de consistentie in strafvorderingsbeleid te vergroten door systematisch en expliciet rekening te houden met verzwarende dan wel verlichtende omstandigheden, met name ten aanzien van veel voorkomende of minder ernstige delicten. Een mogelijke vorm daarvoor, volgens de Raad, zijn strafvorderlijke richtlijnen voor de officier van justitie. Op deze wijze wordt de basisstraf vrijwel onafhankelijk van de persoon van de beoordelaar. Van die basisstraf kan dan, met explicitering van redenen, afgeweken worden. De mogelijkheid tot individualisering van de strafmaat blijft daarmee uitdrukkelijk bestaan. Ook doet de Raad de aanbeveling in regelgeving betreffende strafvordering veel voorkomende strafverzwarende dan wel -verminderende omstandigheden expliciet te noemen. Uitgangspunten Het voorgaande is voor het openbaar ministerie aanleiding geweest om een samenhangend stelsel van richtlijnen voor strafvordering te formuleren. De richtlijnen zijn en worden ontwikkeld voor die delicten waar het gebrek aan uniformiteit in strafvordering het meest voelbaar is; delicten die veel voorkomen of maatschappelijk gevoelig liggen. Om dezelfde redenen worden er nu tevens strafvorderingsrichtlijnen ontwikkeld voor de middelzware en zware criminaliteit. Het kader en de bijbehorende richtlijnen zijn van toepassing op meerderjarige natuurlijke personen die worden verdacht van commune, economische of milieu- of verkeersdelicten, voor zover in de bundel Polaris-richtlijnen opgenomen. De richtlijnen hebben ten doel een beredeneerde indicatie van de modaliteit en strafmaat te geven bij de beoordeling van strafbare feiten. Het gebruik van richtlijnen uniformeert en expliciteert de beoordeling; het uitgangspunt van denken wordt landelijk uniform gebaseerd op de gepleegde feiten en de geobjectiveerde beoordelingscriteria. Het is mogelijk dat de richtlijnen voor de beoordeling van een specifieke casus tekort schieten, omdat bepaalde, voor dat geval relevante, factoren niet in de richtlijn zijn opgenomen. Dit kan zich voordoen als gevolg van de afwijkende verschijningsvorm van het delict, maar ook naar aanleiding van de persoon van de verdachte of andere omstandigheden die op het moment van beoordelen bekend zijn. Gebruik Door het gebruik van richtlijnen bij de beoordeling van strafzaken wordt het uitgangspunt van denken bepaald aangaande de passende sanctie. Doel van richtlijnen is dit uitgangspunt landelijk uniform te maken. De beoordeling van een strafzaak geschiedt in twee fasen. Tijdens de eerste fase bepaalt de beoordelaar aan de hand van de richtlijnen welke sanctie passend zou zijn in soortgelijke strafzaken, gezien de gepleegde feiten en de geobjectiveerde beoordelingscriteria. De tweede fase van de beoordeling vergt het inzicht en de ervaring van de beoordelaar om te bepalen of het gevonden uitgangspunt van denken passend is in de specifieke strafzaak die ter beoordeling voorligt. Dat hierbij in voorkomende gevallen gemotiveerd van de richtlijnen kan worden afgeweken spreekt voor zich.In een aantal gevallen is in de richtlijn zelf opgenomen dat overleg met de officier van justitie is geïndiceerd om te komen tot een op maat gesneden sanctie. De toegankelijkheid van de richtlijnen is verbeterd door een eenvormige structuur van alle richtlijnen; door de vaste opbouw is in één oogopslag de kern van de richtlijn voor de beoordelaar duidelijk. In de richtlijnen wordt uitgegaan van het delict in zijn meest eenvoudige verschijningsvorm. Door middel van geobjectiveerde beoordelingsfactoren met gestandaardiseerde invloed op strafmaat en modaliteit wordt een eenduidige normstelling bereikt voor de sanctie die in een dergelijke situatie geïndiceerd is. De richtlijnen vormen één samenhangend geheel, hetgeen gerealiseerd is door enerzijds de ‘ernst’ van de verschillende delicten ten opzichte van elkaar te positioneren, anderzijds door de factoren die een rol spelen bij de beoordeling telkens op eenzelfde wijze te hanteren. De richtlijnen in het stelsel zijn in concrete bewoordingen geformuleerd en geven een eenduidige indicatie voor de strafmodaliteit, de hoogte van een transactieaanbod, strafbeschikking of de formulering van de eis ter terechtzitting. De praktijk van de strafrechtspleging is dynamisch. Door maatregelen voor het beheer en onderhoud van het richtlijnenstelsel te nemen is zorg gedragen voor blijvende actualiteit en consistentie van het stelsel. Nadat de richtlijnen zijn geautomatiseerd kan systematisch gevolgd worden in hoeverre de richtlijnen nog aansluiten bij het vigerend rechtsgevoel. Voor het beheer en onderhoud van het richtlijnenstelsel zijn vaste OM-medewerkers aangewezen. In beginsel zijn lokale beleidsoverwegingen of lokale waarderingen van delicten strijdig met de idee van eenduidig strafvorderingsbeleid. De strafvorderingsrichtlijnen binnen dit stelsel spreken zich eenduidig uit over de strafmaat en modaliteit ten aanzien van de diverse delicten. In het licht van de rechtsgelijkheid is het niet wenselijk afwijkende sancties te hanteren in het kader van plaatselijke projecten. Verhoogde inspanning ten aanzien van de opsporing, al dan niet gecombineerd met een aangepast vervolgingsbeleid, zijn middelen die binnen een plaatselijk project kunnen leiden tot intensievere bestrijding. Een afwijkend uitgangspunt in de strafvordering mag dat niet zijn. Dit geldt echter niet voor landelijke afspraken die het Openbaar Ministerie met ketenpartners maakt over de toepassing van snelrecht en supersnelrecht bij evenementen, zoals bijvoorbeeld bij voetbalwedstrijden of rondom de jaarwisseling. In die afspraken kan gewezen worden op het toepassen van op specifieke situaties of omstandigheden toegespitste straffen of bijzondere voorwaarden en/of het vorderen van voorlopige hechtenis, hetgeen rechtvaardigt dat gemotiveerd wordt afgeweken van de strafmodaliteit die uit de richtlijnen volgt. De richtlijnen hebben ten doel een beredeneerde indicatie van de modaliteit en strafmaat te geven bij de beoordeling van strafbare feiten. Het is mogelijk dat de richtlijnen voor de beoordeling van een specifieke casus tekort schieten, omdat bepaalde, voor dat geval relevante, factoren niet in de richtlijn zijn opgenomen. Dit kan zich voordoen als gevolg van de afwijkende verschijningsvorm van het delict, maar ook naar aanleiding van de persoon van de verdachte. Het gebruik van richtlijnen uniformeert en expliciteert de beoordeling; het uitgangspunt van denken wordt landelijk uniform gebaseerd op de gepleegde feiten en de geobjectiveerde beoordelingscriteria. In geval de beoordelaar afwijkt van dat uitgangspunt dient die afwijking dan ook gemotiveerd te worden. Die motivering draagt bij aan de explicitering van de beoordeling, maar is tevens van belang voor evaluatie en onderhoud van de richtlijnen. Puntensysteem Binnen de richtlijnen wordt gewerkt met een puntensysteem. Er wordt gewerkt met ‘strafpunten’ en ‘sanctiepunten’. De ‘strafpunten’ zijn een maat voor de ernst van het feit of het complex van feiten. De ‘sanctiepunten’ zijn bepalend voor de strafmaat die de richtlijn indiceert. Het beoordelingsproces start met de bepaling van de basisdelicten. Dat zijn de delicten in hun meest eenvoudige verschijningsvorm, zonder bijkomende strafverzwarende of -verminderende omstandigheden. Aan de hand van het basisdelict wordt het aantal ‘basispunten’ toegekend; het aantal strafpunten dat bij dat basisdelict behoort. Vervolgens wordt op grond van ‘beoordelingsfactoren’ die behoren bij het betreffende basisdelict het aantal strafpunten verhoogd of verlaagd. Indien er sprake is van een feitencomplex worden de strafpunten van de afzonderlijke feiten gesommeerd om tot een totaal aantal strafpunten voor de gehele zaak te komen. Het totaal aantal strafpunten is een maat voor de geïndiceerde sanctie. Als gevolg van het afnemend nut van een steeds zwaardere sanctie is het niet altijd wenselijk een cumulatie van delicten in een rechtevenredige cumulatie van straf te laten resulteren. Dit effect van ‘afnemend strafnut’ kan zowel een rol spelen bij het veelvuldig plegen van een relatief licht vergrijp, als bij een cumulatie van strafverzwarende factoren, maar ook bij het eenmaal plegen van een zwaar vergrijp. Volgens een schijvensysteem wordt het aantal strafpunten omgerekend in sanctiepunten. Na berekening van het aantal sanctiepunten kan de geïndiceerde sanctie worden bepaald, waarbij één sanctiepunt overeen komt met een vastgestelde hoeveelheid geld, met een taakstraf of gevangenisstraf van een zekere duur of met een andere sanctie. De ‘strafmaat’ wordt rechtstreeks bepaald aan de hand van het aantal berekende sanctiepunten. De strafmodaliteit wordt afgeleid van het aantal sanctiepunten, maar kan ook dwingend worden bepaald bij de beoordelingsfactor of worden vermeld bij de bijzonderheden van het basisdelict. Zo is bij openlijk geweld tegen personen bij de ‘Bijzonderheden’ vermeld dat voor dat delict in beginsel een taakstraf is geïndiceerd, maar staat bij de ‘Aard van het letsel’ vermeld dat zwaar lichamelijk letsel een contra-indicatie is voor het opleggen van een taakstraf. Ook kan er ingeval van meermalen recidive, wanneer de dader voldoet aan de definitie van stelselmatige dader en er verder geen contra-indicaties zijn, ongeacht het aantal sanctiepunten worden gekozen voor de vrijheidsbenemende maatregel plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders. Beoordelen van een strafzaak In deze paragraaf wordt ingegaan op het beoordelen van een strafzaak. Ook indien de zaak meer feiten betreft vindt de beoordeling in eerste instantie per feit plaats. Later wordt, in geval van een feitencomplex, een totaal bepaald. In geval van milieudelicten en economische delicten bestaat de mogelijkheid dat één feit uiteenvalt in een aantal deelfeiten. Een voorbeeld daarvan betreft de overtreding van vergunningsvoorschriften. De overtreding van de voorschriften is als zodanig de juridische vorm van het delict. Voor de beoordeling is echter van belang welke specifieke voorschriften zijn overtreden. In dat geval dient de beoordeling van het delict (de overtreding van de voorschriften) plaats te vinden door, na bepaling van de toepasselijke deelfeiten (de specifieke voorschriften die zijn overtreden), deze afzonderlijke deelfeiten te beoordelen als waren het afzonderlijke feiten. Bepalen van de strafpunten Voor ieder te beoordelen feit dient de navolgende rekenwijze te worden toegepast. Bepalen van het basisdelict en de basispunten Van het te beoordelen feit wordt bepaald welk basisdelict het betreft. Aan elk basisdelict is een aantal basispunten toegekend; de strafpunten die zijn toegekend aan dat basisdelict. Dit aantal strafpunten vormt het uitgangspunt van de beoordeling. Bepalen van de beoordelingsfactoren en de invloed op strafmaat en modaliteit De tweede stap in de beoordeling is het bepalen van de beoordelingsfactoren die een rol spelen bij het betreffende basisdelict en de invloed ervan op het aantal strafpunten en daarmee op de strafmaat en modaliteit. De beoordelingsfactoren zijn gegroepeerd in zes categorieën. Telkens wordt na toepassing van een categorie een tussentotaal berekend, behalve bij de laatste twee categorieën. De beoordelingsfactoren zijn ingedeeld in ‘basisfactoren’, ‘delictspecifieke factoren’, ‘wettelijke factoren’, ‘recidiveregeling’, ‘draagkracht’ en ‘maatwerk. Deze verdeling is gemaakt om onderscheid te maken in de wijze en het moment waarop de factoren invloed hebben op het aantal strafpunten, maar heeft tevens een inhoudelijke basis. De categorie ‘basisfactoren’ betreft beoordelingsfactoren die alleen bij specifieke basisdelicten van toepassing worden geacht, waarbij de invloed op het aantal strafpunten niet afhangt van de relatieve ernst van dat basisdelict. De ‘delictspecifieke’ factoren zijn eveneens alleen bij bepaalde basisdelicten van invloed, maar hebben juist een invloed op de strafpunten die wel samenhangt met de ernst van het basisdelict. De categorie ‘wettelijke factoren’ betreft overkoepelende, op wetsartikelen gebaseerde, factoren die in principe bij de beoordeling van ieder basisdelict een rol dienen te spelen. De ‘recidiveregeling’ betreft een kenmerk van de persoon van de verdachte. De vijfde categorie, de ‘draagkracht’ wordt alleen toegepast bij de beoordeling van milieudelicten en economische delicten. Zij objectiveert op indicatieve wijze de draagkracht van de verdachte aan de hand van de bedrijfsgrootte. De laatste categorie ‘maatwerk’ heeft enkel invloed op de strafmaat en de modaliteit, niet op het aantal strafpunten. I Basisfactoren Afhankelijk van het specifieke basisdelict spelen bepaalde basisfactoren een rol bij de beoordeling. Basisfactoren zijn concreet aanwijsbare omstandigheden die, ongeacht het basisdelict, altijd even sterk verzwarend moeten worden geacht. De invloed van basisfactoren is daarom uitgedrukt in punten. Ongeacht het basisdelict zorgt het delictkenmerk voor een toevoeging in punten aan het aantal strafpunten. De strafpunten van deze factoren worden bij het aantal strafpunten van het basisdelict opgeteld. Enkele voorbeelden van basisfactoren zijn: ‘waarde (beoogde) goederen’, ‘wapengebruik’ en ‘letsel slachtoffer’. II Delictspecifieke factoren De delictspecifieke factoren betreffen onder meer de relatie tussen verdachte en slachtoffer of benadeelde. Nog afgezien van de overige kenmerken van het delict wordt het strafverzwarend beoordeeld indien het slachtoffer of benadeelde een willekeurig gekozen slachtoffer of een ambtenaar betreft. Ook op grond van situationele aspecten, zoals de eventuele samenhang met een evenement of indien sprake is van discriminatoire aspecten, wordt een delict als ernstiger beschouwd. De invloed van de delictspecifieke factoren vindt plaats in procenten; welk basisdelict het ook betreft, de toename is altijd evenredig met de ernst van het delict. De percentuele invloed van deze factoren wordt bij elkaar opgeteld en de uitkomst wordt toegepast op het tussentotaal van de basispunten en de strafpunten als gevolg van de basisfactoren. Enkele voorbeelden van delictspecifieke factoren zijn ‘medeplegen’, ‘discriminatoire aspecten’, ‘willekeurig gekozen slachtoffer’. III Wettelijke factoren Wettelijke factoren zijn op algemene wetsartikelen gebaseerde beoordelingsfactoren die in principe bij de beoordeling van ieder basisdelict een rol moeten spelen. De invloed van de wettelijke factoren op de strafpunten is, evenals die van de delictspecifieke factoren, uitgedrukt in een percentage. De som van deze percentages wordt toegepast op het tussentotaal van de strafpunten. De wettelijke factoren zijn ‘medeplichtigheid’, ‘doen plegen’, ‘uitlokking’ en ‘poging’. IV Recidiveregeling De recidiveregeling betreft het specifieke strafrechtelijke verleden van de verdachte; het is daarmee een kenmerk van de persoon van de verdachte. De invloed op het aantal strafpunten als gevolg van de mate van recidive voor een bepaald delict wordt uitgedrukt in een percentage. Dit percentage wordt toegepast op het aantal strafpunten dat op basis van bovengenoemde factoren en het aantal basispunten werd berekend. V Draagkracht Net als bij commune en verkeersdelicten dient bij milieudelicten en economische delicten de draagkracht van de verdachte mede bepalend te zijn voor de maat van een passende sanctie. Voor commune en verkeersdelicten is de verdachte meestal een natuurlijk persoon. Van een geobjectiveerde indicatie van de draagkracht in geval van dergelijke delicten wordt afgezien, vanwege de complexiteit die met dit begrip samenhangt. Bij milieudelicten en economische delicten is de verdachte in de regel een rechtspersoon. Bij die delicten wordt door middel van een enkele beoordelingsfactor een ruwe invulling aan het begrip draagkracht gegeven. De draagkracht in geval van natuurlijke personen kan in een specifieke strafzaak – bijvoorbeeld als tijdens het verhoor van de verdachte blijkt van bijzondere omstandigheden – het motief zijn om van de richtlijnen af te wijken (zie uitgangspunten). VI Maatwerk In verband met de doorontwikkeling van de richtlijnen is deze zesde categorie toegevoegd. Deze factor heeft geen invloed op de puntenaantallen, maar slechts op de modaliteit en eventueel te nemen stappen als het aanvragen van reclasseringsrapportage. Een voorbeeld is de factor ‘reclasseringsrapportage’ en ‘exceptionele gevolgen’. Bij deze factoren is specifiek aangegeven dat overleg met de officier van justitie is geïndiceerd om te kijken of er tot maatwerk moet worden overgegaan Meer feiten in een zaak Indien sprake is van meer te beoordelen feiten binnen één strafdossier, dan wordt per feit het aantal strafpunten uitgerekend en vervolgens worden die aantallen bij elkaar opgeteld. Bepalen van de sanctie Na de bepaling van het (totaal) aantal strafpunten dient de bijbehorende sanctie bepaald te worden. Afnemend strafnut In de praktijk van de beoordeling van strafzaken met andere delicten dan ernstige delicten, milieudelicten en economische delicten wijkt de beoordeling van een complex van delicten in bepaalde situaties af van de som van de beoordelingen van de afzonderlijke delicten. Hiervan is sprake indien een cumulatie van delicten optreedt of indien een combinatie van beoordelingsfactoren een onevenredig hoge sanctie indiceert. Het afnemend nut van een steeds zwaardere sanctie is uitgedrukt door de sanctie volgens een afbuiging af te leiden uit het aantal strafpunten. Het totaal aantal strafpunten wordt volgens een schijvensysteem omgerekend naar sanctiepunten; de indicatie voor de strafmaat. De toepassing van een schijvensysteem zorgt voor de gewenste afnemende invloed op de sanctie van een toename van het aantal strafpunten. Op basis van empirisch materiaal is een drietal schijven gedefinieerd, volgens welke de sanctie kan worden berekend uit de strafpunten. Telkens wordt het aantal sanctiepunten berekend op de navolgende wijze: Met het totaal aantal strafpunten wordt eerst schijf 1 gevuld. Indien deze schijf gevuld is, wordt met het restant schijf 2 gevuld. Indien ook dan strafpunten overblijven worden deze ingedeeld in schijf
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.