← Nederland

Eindtermen praktijkopleiding Accountantsopleiding 2011

Eindtermen praktijkopleiding Accountantsopleiding 2011 Eindtermen praktijkopleiding Accountantsopleiding 2011 1 Inleiding Dit rapport bevat de eindtermen voor het praktijkdeel1Het betreft hier de praktijkstage zoals geregeld in artikel 47 Wab. (hierna praktijkopleiding) van de opleiding tot accountant-administratieconsulent en registeraccountant, zoals vastgesteld door de Commissie Eindtermen Accountantsopleiding op 19 juli 2010. Nadere informatie over het tijdstip en de termijn van invoering wordt afzonderlijk aan de beroepsorganisatie verstrekt. 1.1 Positionering eindtermen accountantsopleiding Als gevolg van de invoering van de Wet toezicht accountantsorganisaties (Wta) per 1 oktober 2006 is de Commissie Eindtermen Accountantsopleiding (CEA) ingesteld.CEA heeft onder meer tot taak het vaststellen van de (theoretische en praktijk) eindtermen van de accountantsopleidingen in Nederland. Daarnaast wijst CEA opleidingen aan die geheel of gedeeltelijk voldoen aan de eindtermen en toetst zij de mate waarin aan de eindtermen van de praktijkopleiding wordt voldaan. De Wta regelt het toezicht op accountantsorganisaties en individuele accountants die wettelijke controles uitvoeren. Met dit toezicht beoogt de wetgever het vertrouwen in de accountant en de kwaliteit van de door hem2Voor de leesbaarheid is gekozen voor de mannelijke vorm. Waar ‘hij’ staat kan ook ‘zij’ gelezen worden. ten behoeve van het publiek gegeven verklaringen te borgen. Naast het toezicht op het functioneren van accountantsorganisaties en accountants is bij invoering van deze wet ook het toezicht op de accountantsopleidingen in Nederland herzien. De opleiding tot accountant-administratieconsulent (AA) en registeraccountant (RA) bestaat uit een theoretische opleiding en een praktijkopleiding. Een kandidaat kan alleen ingeschreven worden in het register van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants3Per 1 januari 2013 is de Wet op het Accountantsberoep (Wab) ingevoerd en zijn beide beroepsorganisaties NIVRA en NOvAA gefuseerd als de NBA. (NBA), voorheen NOvAA en NIVRA, als hij een opleiding heeft gevolgd, waarbij moet zijn voldaan aan de door CEA vastgestelde eindtermen. De eindtermen vormen vervolgens de norm om de kwaliteit van de accountantsopleiding vorm te geven en te bewaken. 1.2 Verantwoording totstandkoming eindtermen De vastgestelde eindtermen zijn gebaseerd op het adviesrapport van april 2010 van de Commissie Eindtermen Praktijkopleiding (CEP) onder voorzitterschap van prof. J.C.A. Gortemaker RA. Deze commissie is ingesteld door NOvAA en NIVRA, thans NBA, als gevolg van een verzoek van CEA aan de beroepsorganisatie om gemeenschappelijke eindtermen voor de praktijkopleiding op te stellen. In de CEP zaten vertegenwoordigers van de Raad voor de Praktijkopleiding van de NOvAA en het Stagebestuur van het NIVRA. Bij het opstellen van de eindtermen zijn de volgende, door CEA vastgestelde, uitgangspunten gehanteerd: • gemeenschappelijke eindtermen voor de praktijkopleidingen AA en RA (naar analogie van de theoretische eindtermen); • de eindtermen zijn primair gericht op de (wettelijke) controlefunctie van de accountant; • de eindtermen zijn kwantificeerbaar en toetsbaar; • er wordt een verbinding gelegd naar de theoretische eindtermen. 1.3 Definitie en reikwijdte van eindtermen In zowel de theoretische opleiding als praktijkopleiding zijn eindtermen de operationalisatie van de kwalificatie-eisen, waaraan voldaan moet zijn om het getuigschrift, waar een voltooide opleiding recht op geeft, te verwerven. Zij omvatten een concrete beschrijving van de kenmerken van het ‘eindproduct’ van een opleiding. Eindtermen geven antwoord op de vraag wat een persoon die de opleiding heeft afgerond, weet, kan en kan uitvoeren. Er is, in navolging van de theoretische eindtermen, bewust voor gekozen om één set eindtermen voor zowel de praktijkopleiding tot accountant-administratieconsulent als registeraccountant te ontwerpen. De reden hiervoor is dat beide beroepsbeoefenaren dezelfde bevoegdheid hebben om wettelijke controles van jaarrekeningen uit te voeren. Algemeen wordt erkend dat de accountant-administratieconsulent en de registeraccountant deels elk een eigen markt(segment) bedienen en een specifiek op die markt toegesneden productportfolio aanbieden. Daarom wordt in de eindtermen ruimte gelaten verschillen in marktsegment en beroepsprofiel tot uitdrukking te brengen. Voorop staat echter dat de wettelijke controle van de jaarrekening uitmondend in een accountantsverklaring, aan dezelfde wet- en regelgeving dient te voldoen. Elke beroepsbeoefenaar die gerechtigd is om wettelijke controles uit te voeren moet daarom voldoen aan de basiseisen die zijn verwoord in de eindtermen. De eindtermen zien op de beginnende beroepsbeoefenaar. Dit betekent dat van een afgestudeerde accountant-administratieconsulent en registeraccountant niet verwacht mag worden dat deze zelfstandig in alle situaties alle soorten van opdrachten kan uitvoeren. De accountant-administratieconsulent en de registeraccountant hebben beiden een eigen verantwoordelijkheid, die in de geldende beroepsregels is verankerd, om voor elke opdracht/situatie afzonderlijk te beoordelen of en op welke wijze zij deze kunnen uitvoeren. 1.4 Eindtermen en opleidingsprogramma’s De eindtermen voor de praktijkopleiding zoals vastgesteld door CEA, vormen de basis voor de inrichting van de praktijkopleiding door de beroepsorganisatie. De eindtermen zijn te kwalificeren als minimumnorm voor de praktijkopleiding. De beroepsorganisatie is verantwoordelijk voor het vertalen van de eindtermen naar de opleidingsprogramma’s van de praktijkopleiding en de exameneisen die daaraan verbonden zijn. De eindtermen dienen op een juiste en evenwichtige wijze aan bod te komen. Het staat de beroepsorganisatie vrij om naast de vastgestelde eindtermen aanvullende eindtermen in het opleidingsprogramma op te nemen. 1.5 Geldigheid van eindtermen De hier beschreven eindtermen zijn naar hun aard statisch en daarom kwetsbaar voor onvermijdelijk optredende veranderingen in de beroepspraktijk en/of wet- en regelgeving. Bij de beschrijving van eindtermen is zoveel mogelijk rekening gehouden met de borging van de actualiteit. Het is echter de verantwoordelijkheid van de beroepsorganisatie om de actualiteit van de opleidingsprogramma’s en exameneisen te bewaken en te borgen. CEA zal periodiek de geldigheid en actualiteit van de eindtermen beoordelen en indien nodig updates uitbrengen. Als daar aanleiding voor bestaat zullen de eindtermen herzien worden en zal een volledig nieuwe uitgave van de eindtermen uitgebracht worden. Via de website van CEA www.ceaweb.nl is altijd de laatste versie van de eindtermen beschikbaar. 1.6 Toezicht op de eindtermen CEA heeft de wettelijke taak om de mate waarin de praktijkopleidingen voldoen aan de eindtermen te toetsen. De eindtermen voor de praktijkopleidingen worden door de NBA vertaald naar opleidingsprogramma’s en exameneisen voor de praktijkopleidingen alsmede de toelatingsvoorwaarden vastgesteld. Vervolgens moet vastgesteld worden in hoeverre trainees bij de uitvoering van hun werkzaamheden in het kader van hun praktijkopleiding voldoen aan de eindtermen. De uitvoering van de praktijkopleidingen wordt door de NBA overgelaten aan stagebureaus van accountantsorganisaties en -diensten, waarbij deNBA ook zelf als stagebureau optreedt. Op de stagebureaus wordt door de Raad voor de Praktijkopleidingen toezicht uitgeoefend middels periodieke visitaties. De examens worden door de NBA zelf afgenomen. Ook hierop wordt toezicht uitgeoefend namens de Raad voor de Praktijkopleidingen. Gegeven de wijze waarop de praktijkopleidingen zijn georganiseerd kiest CEA voor een vorm van toezicht die uitgaat van een systeemgerichte benadering. Dit betekent dat CEA zoveel mogelijk gebruik maakt van de interne beheersingsmaatregelen die de Raad voor de Praktijkopleidingen, het verantwoordelijke orgaan van de NBA, zelf heeft getroffen om de realisatie van de eindtermen te borgen. CEA vertrouwt hierbij op het stelsel van kwaliteitsbeheersing van de praktijkopleidingen en toetst op basis van risico-analyse periodiek de adequate werking daarvan. Pro-actieve rapportering van incidenten en de wijze waarop hiermee door de NBA is omgegaan, is een voorwaarde voor deze wijze van toezicht. Alleen als CEA daartoe aanleiding ziet zal zij gegevensgerichte controles uitvoeren. 1.7 Samenloop eindtermen theoretische en praktijkopleiding Het primaire doel van de praktijkopleiding is dat studenten in de praktijk vaardigheid opdoen in het toepassen van de theoretische eindtermen, in het bijzonder voor de eindtermen van de vakgebieden externe verslaggeving, bestuurlijke informatieverzorging en audit & assurance. De theoretische opleiding wordt gevolgd bij een of meer onderwijsinstellingen. De praktijkopleiding wordt gevolgd bij een door de beroepsorganisatie erkend stagebureau. Over het algemeen volgt een student een gedeelte van de praktijkopleiding gelijktijdig met het laatste deel van de theoretische opleiding. In dat geval bestaat er een wisselwerking tussen theoretische opleiding en praktijkopleiding die als zeer nuttig wordt ervaren. CEA is van mening dat de synergie tussen theoretische opleiding en praktijkopleiding zo groot mogelijk moet zijn. CEA beraadt zich voorts op mogelijkheden om de synergie tussen theorie en praktijk, bijvoorbeeld door middel van integratie, in de toekomst verder te bevorderen. 1.8 Leeswijzer rapport Hoofdstuk 2 beschrijft de kaders waarbinnen aan de eindtermen moet worden voldaan. Dit hoofdstuk gaat in op het niveau waarop de eindtermen moeten worden gerealiseerd en aan welke kwantitatieve eisen moet worden voldaan. In hoofdstuk 3 staan de eindtermen voor de jaarrekeningcontrole centraal. Deze eindtermen zijn gebaseerd op het Assurance Framework, zoals uitgewerkt in de HRA4HRA: Handboek Regelgeving Accountancy (Deel 1). Voor de beschrijving van de eindtermen voor de jaarrekeningcontrole wordt de controlecyclus gevolgd. Deze eindtermen zijn voor beide praktijkopleidingen van toepassing. Veel trainees verrichten naast controlewerkzaamheden ook andere werkzaamheden. Hierbij kan gedacht worden aan beoordelingsopdrachten, samenstelopdrachten en overeengekomen specifieke werkzaamheden. In hoofdstuk 4 wordt een aantal eindtermen gepresenteerd met betrekking tot deze opdrachten. Deze eindtermen komen naar hun aard overeen met die van de jaarrekeningcontrole (hoofdstuk 3). De eindtermen uit hoofdstuk 4 kunnen tot op zekere hoogte (zie paragraaf 2.9) als compenserende eindtermen kwalificeren voor de eindtermen die betrekking hebben op de jaarrekeningcontrole. Hoofdstuk 5 bevat eindtermen die alleen op de praktijkopleiding AA van toepassing zijn. AA-trainees zijn veelal werkzaam in het midden- en kleinbedrijf. Als gevolg hiervan zijn voor hen de mogelijkheden om controlewerkzaamheden te verrichten beperkt. De samenstelwerkzaamheden die zij verrichten, kunnen ondersteunend zijn aan de controlewerkzaamheden die zij in het kader van hun praktijkopleiding moeten verrichten. Daarnaast kan er op onderdelen sprake zijn van gelijksoortige werkzaamheden. Vanwege het ondersteunende karakter, de mogelijkheid van compensatie en het maatschappelijk belang, is voor de praktijkopleiding AA een apart hoofdstuk met eindtermen voor de samenstelcyclus opgenomen. Deze eindtermen zijn niet van toepassing op de praktijkopleiding RA. De eindtermen die betrekking hebben op de (communicatieve) vaardigheden en de professionele beroepshouding zijn uitgewerkt in hoofdstuk 6. Deze eindtermen zijn van toepassing op beide praktijkopleidingen. Hoofdstuk 7 tenslotte bevat de aanvullende eindtermen die alleen van toepassing zijn voor de praktijkopleiding AA. 2 Randvoorwaarden voor de praktijkopleiding 2.1 Algemeen Zoals reeds in hoofdstuk 1 is beschreven, hebben de eindtermen primair betrekking op de (wettelijke) jaarrekeningcontrole. Naast de eindtermen per fase van deze controle, worden algemene eindtermen onderkend. Deze eindtermen zijn beschreven in hoofdstuk 6. De trainee dient in zijn stage-/persoonlijk ontwikkelingsplan en in de realisatie ervan aandacht te besteden aan de onderdelen van de controlecyclus, de persoonlijke groei en aan adequate dossiervorming. 2.2 Context waarin eindtermen kunnen worden gerealiseerd De werkzaamheden van een controlerend accountant omvatten een breed scala van activiteiten. De omgeving waarin trainees werkzaam zijn, is bepalend voor de aard en de diversiteit van de werkzaamheden. Sommige trainees werken op kleine accountantskantoren met vooral lokale klanten, terwijl andere trainees op middelgrote of grote kantoren werken, met veelal klanten die internationaal opereren. Veel trainees zijn werkzaam in het openbare beroep, terwijl andere trainees werkzaam zijn op interne auditafdelingen van overheidsorganisaties of bedrijven. De ene trainee start zijn praktijkopleiding na ruime werkervaring te hebben opgedaan, terwijl de andere trainee zonder substantiële werkervaring met de praktijkopleiding begint. De diversiteit in de beroepsuitoefening door zowel AA-Accountants als door registeraccountants vindt zijn weerslag op de wijze waarop de eindtermen zijn geformuleerd. Door uit te gaan van het Assurance Framework voor de ontwikkeling van gemeenschappelijke eindtermen is een gemeenschappelijke grondslag gevonden. De eindtermen voor de praktijkopleiding zijn realiseerbaar in de volle breedte van het accountantsberoep en geven tegelijkertijd een goed beeld van de werkzaamheden die binnen de controlecyclus moeten worden verricht. De eindtermen voor de jaarrekeningcontrole zijn opgesteld voor de verschillende fasen van de controlecyclus. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen wettelijke controleopdrachten en vrijwillige controleopdrachten. Alle onderdelen van de controlecyclus dienen door de trainee doorlopen te worden. De potentiële werkzaamheden van een controlerend accountant zijn echter omvangrijk en veelzijdig. Dat brengt met zich mee dat een trainee gedurende de praktijkopleiding, gezien de beschikbare tijd, binnen de verschillende onderdelen van de controlecyclus niet persé met alle potentiële werkzaamheden in aanraking hoeft te komen. De trainee dient in elk geval ervaring te hebben opgedaan met werkzaamheden in alle fasen van de controlecyclus, inclusief alle substappen die in een fase van de controlecyclus worden onderkend. Dit betekent dat de trainee in elk geval ervaring moet hebben opgedaan met werkzaamheden in alle (sub)fasen en stappen van de controlecyclus (zie vetgedrukte koppen van de (sub)paragrafen in hoofdstuk 3). Van de trainee wordt niet verwacht dat hij alle werkzaamheden die tot een subfase/controlestap behoren (genummerd 1 tot en met

  1. n)ook bij alle opdrachten uitvoert. In verband daarmee is het van belang dat degene die de werkzaamheden van de trainee beoordeelt, nagaat of er sprake is geweest van een representatief geheel van werkzaamheden behorend bij de controlecyclus. Omdat niet sprake is van ‘zwart-wit-situaties’ dient degene die de trainee beoordeelt in staat te zijn het hiertoe benodigde ‘professional judgement’ toe te passen. Bij de beschrijving van de eindtermen staan de functie van (wettelijk) controleur en het niveau waaraan het praktijkexamen ten minste moet voldoen, centraal. Het beoogde niveau betreft dat van een beginnend beroepsbeoefenaar. 2.3 Niveau waarop de eindtermen moeten worden beheerst Voor de eindtermen wordt uitgegaan van één niveau, namelijk het niveau van de beginnend beroepsbeoefenaar. Dat wil zeggen dat voor het groeipad richting het niveau van de beginnend beroepsbeoefenaar geen aparte niveau-aanduidingen zijn opgenomen. Het niveau van de in het kader van de praktijkopleiding te realiseren eindtermen wordt bepaald door de volgende elementen: • de complexiteit van de werkzaamheden; • het inzicht dat de trainee heeft ontwikkeld; • de functie waarin de trainee werkzaam is. Een eindterm kan worden gerealiseerd, als: • er sprake is van complexe(
  2. re)werkzaamheden. Er moet sprake zijn van een integrale afweging. De complexiteit wordt bepaald door de breedte en/of diepgang van de verrichtte opdrachten. In ieder geval moet een trainee voor de gehele controlecyclus zelfstandig zowel gegevens- als systeemgerichte controlewerkzaamheden kunnen verrichten. • er sprake is van voldoende inzicht in het eigen handelen. Dat betekent dat de trainee vanuit een theoretisch kader integrale afwegingen heeft moeten maken. Werkzaamheden worden verricht vanuit een helikopterview. De trainee handelt vanuit een professioneel-kritische houding en is in staat te reflecteren op zijn eigen werkzaamheden en dat van anderen. • de trainee werkzaam is in een gevorderde functie. Dat wil zeggen dat de trainee in staat is zelfstandig afwegingen te maken. Het niveau waarop de werkzaamheden zijn verricht, komt mede tot uitdrukking in de functie waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd (bijv. relatiebeheerder, cliëntmanager, controleleider, etc.). Of de eindtermen op het niveau van de beginnend beroepsbeoefenaar zijn behaald, wordt bepaald door degene die de beoordelingen uitvoert. Op basis van ‘professional judgement’ wordt het oordeel geveld. Om inzicht te hebben in het eigen handelen dient de trainee de verworven theoretische kennis en vaardigheden geïntegreerd toe te passen in de praktijk. De belangrijkste elementen van de kernvakgebieden Externe Verslaggeving, Bestuurlijke Informatieverzorging en Auditing & Assurance, vormen de theoretische grondslag voor het verrichten van jaarrekeningcontroles. De theoretische kennis moet op een evenwichtige wijze en in samenhang met de praktijk kunnen worden toegepast om op het niveau van een beginnend beroepsbeoefenaar uit te komen. Daarmee is er sprake van een verband tussen de eindtermen voor de praktijkopleiding en de eindtermen voor de theoretische opleiding. Hierna wordt aangegeven welke theoretische kennis mogelijkerwijze nodig is om een eindterm voor de praktijkopleiding te behalen. Afhankelijk van de omgeving waarin de trainee werkzaam is, de opdrachten die door de trainee worden behandeld en de specifieke situaties waarin zijn klanten zich bevinden, zal bepaald moeten worden welke theoretische kennis nodig is om in bepaalde praktijksituaties op een juiste wijze te functioneren. Verondersteld wordt dat kennis van de kernvakgebieden nodig is, maar dat niet alle theoretische eindtermen van deze kernvakken om bovengenoemde reden noodzakelijkerwijze tijdens de praktijkopleiding aan bod komen. De eindtermen voor de praktijkopleidingen moeten worden behaald door het uitvoeren van opdrachten van enige complexiteit. De complexiteit wordt bepaald door de breedte en de diepgang waarmee praktijkcases worden behandeld. De trainee moet aan deze opdrachten een substantiële bijdrage hebben geleverd. De rol van de trainee kan variëren van zelfstandige uitvoering van de werkzaamheden tot uitvoering van werkzaamheden onder begeleiding en uitvoering van werkzaamheden in teamverband. De achterliggende gedachte hierbij is dat de trainee zelfstandig(
  3. er)moet kunnen werken naarmate de opdracht of de casus minder complex is en daarbij zijn eigen vaktechnische positie bepaalt c.q. evalueert. Dat geldt ook voor delen van een opdracht. In de opleidingsprogramma’s van de beroepsorganisatie wordt nader uitgewerkt hoe dit in de praktijkopleiding zichtbaar moet worden gemaakt. 2.4 Het dossier van de trainee De trainee dient op basis van zijn of haar dossier aan te tonen dat hij kan functioneren op het niveau van een beginnend beroepsbeoefenaar. Tijdens de praktijkopleiding maakt de trainee over het algemeen een groei door van iemand met relatief weinig praktijkervaring tot aan een beginnend beroepsbeoefenaar. Deze kwalificatie wordt bereikt op het moment dat de eindtermen zijn behaald op het niveau zoals beschreven in dit rapport. In het dossier van de trainee dient deze groei zichtbaar gemaakt te worden. Deze persoonlijke ontwikkeling wordt mede beïnvloed door de complexiteit van de werkomgeving en de aard van de door de trainee te verrichten werkzaamheden. Over het algemeen zal de trainee aan het begin van zijn of haar praktijkopleiding vooral belast zijn met uitvoerende werkzaamheden. Naarmate hij meer ervaring opdoet, zal een verschuiving in de werkzaamheden optreden van uitvoering naar voorbereiding, beoordeling, concluderen en rapporteren. In het dossier van de trainee moet deze verschuiving zichtbaar zijn. De situaties waarin trainees werkzaam zijn, kunnen sterk van elkaar verschillen. De bedoelde verschillen betreffen bijvoorbeeld de complexiteit van het businessmodel van de betreffende klant, het bedrijfstype, het wel of niet deel uitmaken van een internationaal opererend team en de omvang van de betreffende klant (een bedrijf uit het midden- en kleinbedrijf of een beursgenoteerde onderneming). De omgeving waarin de trainee werkzaam is, is daarom sterk van invloed op de mate waarin de trainee in staat is zelfstandig werkzaamheden uit te voeren. Uit het dossier van de trainee dient dit duidelijk naar voren te komen. 2.5 Praktijkopleiders Trainees verrichten werkzaamheden onder verantwoordelijkheid van een praktijkopleider. De praktijkopleider beoordeelt of de trainee de gerapporteerde werkzaamheden daadwerkelijk op het juiste niveau heeft uitgevoerd, begeleidt de trainee in zijn groeiproces en creëert mogelijkheden om de in het kader van de praktijkopleiding vereiste werkzaamheden te kunnen uitvoeren. 2.6 De praktijkopleidingsplaats Trainees moeten in het kader van hun praktijkopleiding werkzaam zijn in een werkomgeving waarin zij aan het opleidingsprogramma (zie paragraaf 2.7) – en daarmee indirect aan de eindtermen – kunnen voldoen. Indien niet op de eigen werkplek aan alle eisen voldaan kan worden, moeten er voorzieningen worden getroffen (bijvoorbeeld werkzaamheden op basis van detachering verrichten) waardoor dit alsnog mogelijk is. De mate waarin op de praktijkopleidingsplaats aan de eindtermen kan worden voldaan is een belangrijk aandachtspunt voor het toezicht. Aan dit aspect wordt onder meer tijdens de visitaties (zie hoofdstuk 7) aandacht besteed. 2.7 Doorwerking van de eindtermen in de opleidingsprogramma’s De opleidingstrajecten moeten er aan bijdragen dat de afgestudeerden aan de eindtermen kunnen voldoen. De opleidingsprogramma’s voor de praktijkopleiding AA en de praktijkopleiding RA verschillen. Zo is het opleidingsprogramma voor de praktijkopleiding AA bijvoorbeeld geformuleerd in competenties. Bovendien kent het opleidingsprogramma voor de praktijkopleidingen een grotere reikwijdte dan alleen de assurance en de aan assurance verwante werkzaamheden. Er moet derhalve een vertaalslag worden gemaakt van de eindtermen naar de opleidingsprogramma’s van de NBA. De opleidingsprogramma’s moeten door CEA inhoudelijk getoetst worden, waarbij CEA vervolgens vast stelt of deze opleidingsprogramma’s voldoen aan de eindtermen. Daarmee wordt recht gedaan aan de eigenheid van beide opleidingstrajecten. De eindtermen kennen daarmee dus geen directe werking. De trainees moeten voldoen aan de opleidingsprogramma’s waarin de eindtermen impliciet zijn verwerkt. De praktijkopleidingen AA en RA hebben elk eigen toets elementen, die in dit rapport niet uitgewerkt zijn. 2.8 Verantwoording inhoud eindtermen De eindtermen zijn voor het overgrote deel gebaseerd op artikelen uit de Nadere Voorschriften Controle- en Overige Standaarden (NV COS). Ook andere regelgeving is gebruikt om tot de formulering van eindtermen te komen, bijvoorbeeld de Wet Toezicht Accountantsorganisaties (WTA), het Besluit toezicht Accountantsorganisaties (Bta), de Verordening Gedrags- en Beroepsregels Accountants (hierna VGBA), de Verordening inzake de onafhankelijkheid van accountants bij assurance-opdrachten (ViO) en de Verordening Accountantsorganisaties (VAO). 2.9 Kwantitatieve eisen Voor de toetsbaarheid van de eindtermen zijn kwantificeerbare eisen geformuleerd. Door oefening, herhaling en opbouw in complexiteit dienen de eindtermen behaald te worden. Bij het formuleren van kwantitatieve eisen is rekening gehouden met de uiteenlopende werkomgevingen waarin trainees werkzaam kunnen zijn. Daarbij wordt er van uitgegaan dat de trainee gedurende de praktijkopleiding werkzaamheden binnen verschillende typen ondernemingen verricht. Vooralsnog lopen de kwantitatieve eisen voor de praktijkopleiding AA en de praktijkopleiding RA uiteen. Dat wordt verklaard door de verschillende segmenten in de markt waarvoor de beroepsorganisatie opleidt. Het AA-opleidingstraject richt zich sterk op het midden- en kleinbedrijf. Het RA-opleidingstraject daarentegen is meer expliciet op controlewerkzaamheden gericht. Met betrekking tot de jaarrekeningcontrole voor de praktijkopleidingen wordt eenzelfde set met eindtermen gehanteerd. Er zijn voorts eindtermen voor de samenstel- en beoordelingswerkzaamheden en voor overeengekomen specifieke werkzaamheden die naar hun aard overlappen met de eindtermen voor de jaarrekeningcontrole. Deze overlappende eindtermen (zie hoofdstuk 4) mogen in beide opleidingstrajecten tot op zekere hoogte als compensatie voor de eindtermen voor de jaarrekeningcontrole gebruikt worden. De kwantitatieve eisen voor de praktijkopleiding AA en de praktijkopleiding RA zijn als volgt. • Voor de praktijkopleiding AA De praktijkopleiding voor de AA-trainees duurt 3 jaren. Trainees in de praktijkopleiding AA moeten tijdens hun praktijkopleiding minimaal twee controleopdrachten (jaarrekeningcontroles) op het niveau van de beginnend beroepsbeoefenaar uitvoeren. Ten aanzien van deze controleopdrachten kan geen compensatie met andere werkzaamheden plaatsvinden. Daarnaast is het voor AA-trainees verplicht twee samenstelopdrachten uit te voeren op het niveau van een beginnend beroepsbeoefenaar. Diverse werkzaamheden binnen de samenstelpraktijk kunnen gezien worden als ondersteunende oefening voor de werkzaamheden in de controlepraktijk. Een deel van de samenstelwerkzaamheden is gelijkvormig aan de controlewerkzaamheden, waardoor tot op zekere hoogte sprake kan zijn van compensatie (zie ook toelichting in paragraaf 2.2 over welke werkzaamheden in ieder geval bij de controleopdrachten uitgevoerd moeten worden). In hoofdstuk 5 is voor de samenstelwerkzaamheden een aparte set eindtermen opgenomen. Daar waar mogelijk, zijn deze eindtermen op dezelfde wijze geformuleerd als de eindtermen voor de controlepraktijk in hoofdstuk 3. Gedurende de praktijkopleiding dient de trainee tenminste 1.000 uren aan voornoemde controle- en samenstelwerkzaamheden te besteden. AA-trainees die tijdens hun praktijkopleiding geen samenstelwerkzaamheden verrichten, moeten voldoen aan de eis die geldt voor de RA-trainees (1.000 controle-uren)5Voor trainees die binnen hun eigen organisatie geen (geschikte) controleopdrachten kunnen verrichten, kan de beroepsorganisatie -onder door de CEA te stellen voorwaarden- de mogelijkheid bieden van het uitvoeren van jaarrekeningcontroles in een simulatieomgeving (simulatie-opdracht).. • Voor de praktijkopleiding RA De praktijkopleiding voor de RA-trainees duurt 3 jaren. De minimale tijdsbesteding van een RA-trainee, aan in het kader van de praktijkopleiding te verrichten werkzaamheden, bedraagt 500 uren per semester. Trainees in de praktijkopleiding RA dienen tijdens hun praktijkopleiding minimaal 1.000 uren te besteden aan controlewerkzaamheden. Trainees die binnen hun eigen organisatie geen (geschikte) controleopdrachten (jaarrekeningcontroles) op het niveau van de beginnend beroepsbeoefenaar kunnen verrichten, kunnen eventueel gebruik maken van een buitenstage (dit is een opleidingsplek buiten de eigen organisatie). 3 Eindtermen praktijkopleiding: de controlecyclus 3.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt een inhoudelijke beschrijving van de eindtermen voor de jaarrekeningcontrole gegeven. De eindtermen worden beschreven per fase van het controleproces. Hierbij worden de volgende fasen onderkend: – Opdrachtaanvaarding en -opdrachtcontinuering – Planning – Uitvoering – Afronding Ten behoeve van een eenduidige begripsvorming is per fase aangegeven uit welke elementen de betreffende fase bestaat. De eindtermen in dit hoofdstuk zijn op de praktijkopleiding AA en de praktijkopleiding RA van toepassing. 3.2 Eindtermen met betrekking tot alle fasen 1. De trainee is in staat om, bij het accepteren en uitvoeren van opdrachten, de bepalingen uit de VGBA goed toe te passen. 2. De trainee is in staat om de werkzaamheden uit te voeren en te documenteren overeenkomstig de geldende voorschriften. 3.3 Fase: cliënt-, opdrachtaanvaarding en -continuering 3.3.1 Nadere uitleg van de fase Deze fase gaat vooraf aan de planning en de uitvoering van de betreffende controleopdracht. In deze fase gaat de accountant na of hij zowel de cliënt als de opdracht wil en kan accepteren. In de daarop volgende jaren stelt de accountant vast of hij de klantrelatie en de opdracht wil continueren. Onafhankelijkheids- en deskundigheidsaspecten spelen hierbij een rol. Daarnaast zijn een adequate acceptatie- en continuatieprocedure van belang om onnodige risico’s voor de accountant te voorkomen. 3.3.2 Eindtermen cliënt- en opdrachtaanvaarding, evenals -continuering 3.3.2.1 Beoordeling onafhankelijkheid 1. De trainee laat zien dat hij/zij vertrouwd is met de eisen van onafhankelijkheid. Hij/zij is in staat om de mogelijke bedreigingen van die onafhankelijkheid te analyseren en om adequate maatregelen te treffen die de mogelijke bedreigingen verminderen. 3.3.2.2 Beoordeling overige aspecten 1. De trainee geeft er blijk van voldoende bekend te zijn met de algemene vereisten inzake het accepteren en continueren van cliënten en opdrachten. Dat geldt ook voor de specifieke eisen, voor zover van toepassing, die gesteld worden in dit kader aan de accountantsorganisatie waarvoor wordt gewerkt. 4. De trainee laat zien dat hij/zij in staat is om de mogelijke risico’s bij het accepteren/ continueren van een klant en/of een opdracht goed in te schatten en te documenteren. Hij/zij, indien van toepassing, laat zien dat hij/zij passende maatregelen kan formuleren om de mogelijke risico’s te verminderen tot een aanvaardbaar niveau. 3.4 Fase: planning 3.4.1 Nadere uitleg van de fase In de planningsfase wordt de strategie (het ‘aanvalsplan’) van de uitvoering van de controle-opdracht vastgesteld: wie doet wat, wanneer en met welke diepgang etc.? Deze strategiebepaling geschiedt op basis van de kennis van de betreffende entiteit, kennis van haar omgeving en op basis van een risicoanalyse. Deze risico-analyse betreft de inherente risico’s en de risico’s op het niveau van het te controleren financieel verslag. Hierbij wordt ook aandacht geschonken aan de organisatie brede beheersingsmaatregelen, de ICT-omgeving, alsmede aan de relatie tussen de processen en de posten uit het financiële verslag. De strategiebepaling omvat ook het vaststellen van de materialiteit en de teamsamenstelling. De ingenomen uitgangspunten, inzake het plan van aanpak, worden op proces- en op beweringenniveau uitgewerkt in de uitvoeringsfase. 3.4.2 Eindtermen planningsfase 3.4.2.1 Verkrijgen van kennis van de huishouding en haar omgeving 1. De trainee laat zien dat hij/zij de werkzaamheden kan uitvoeren met betrekking tot het verkrijgen van inzicht in de aard van de activiteiten, de strategie en de operationele doelstellingen van de entiteit. 6. De trainee is in staat om de financiële performance van de entiteit te beoordelen op basis van gegevens van de betreffende branche, in vergelijking met de financiële performance uit het verleden en volgens de begroting (initiële cijferanalyse). 7. De trainee is in staat om de externe omgeving van de entiteit te beoordelen in het licht van de controleopdracht. 8. De trainee is in staat om het verband te laten zien tussen de transacties met derden, bepaalde gebeurtenissen, de interne verwerkingsprocessen en de posten in de jaarrekening. 3.4.2.2 Risico analyse 1. De trainee laat zien dat hij/zij in staat is om op basis van de verkregen kennis van de huishouding en haar omgeving een analyse te maken van de algemene bedrijfsrisico’s die kunnen leiden tot een afwijking van materieel belang in de financiële overzichten (bijvoorbeeld de jaarrekening). 3.4.2.3 Vaststellen van de controlestrategie 1. De trainee is in staat om een passend team samen te stellen voor de uitvoering van de opdracht. Hieronder valt ook het identificeren van specialisten die, indien van toepassing, moeten worden ingeschakeld. 3.5 Fase: uitvoering 3.5.1 Nadere uitleg van de fase De uitvoeringsfase bestaat uit de volgende hoofdactiviteiten: o Systeemgerichte werkzaamheden: – Het inventariseren en beoordelen van de opzet van de interne beheersingsmaatregelen (AO/IB). – Het vaststellen of de gepresenteerde opzet van de interne beheersingsmaatregelen bestaat. – Het toetsen van de effectieve werking van de interne beheersingsmaatregelen. o Gegevensgerichte werkzaamheden: De gegevensgerichte werkzaamheden kunnen bestaan uit gegevensgerichte cijferbeoordeling en uit detailcontroles. De trainee geeft blijk van het kunnen hanteren van verschillende technieken bij de uitvoering van de detailcontroles (controle met bewijsstukken, waarnemingen ter plaatse, informatie van de gecontroleerde etc.). De resultaten van de uitvoeringsfase kunnen aanleiding geven tot aanpassing van de controleaanpak. De trainee evalueert de uiteindelijke resultaten in de afrondingsfase. 3.5.2 Eindtermen uitvoeringsfase De eindtermen voor de uitvoeringsfase kunnen als volgt worden geformuleerd: 3.5.2.1 Systeemgerichte werkzaamheden 1. De trainee laat zien dat hij/zij in staat is om, op basis van de ingeschatte risico’s, vast te stellen of systeemgerichte werkzaamheden zinvol zijn in het kader van het totale controleproces. 3.5.2.2 Gegevensgerichte werkzaamheden 1. De trainee geeft er blijk van dat hij/zij in staat is om op basis van de resultaten van de systeemgerichte werkzaamheden en op basis van de ingeschatte significante inherente risico’s, de aard, omvang en tijdsfasering van de gegevensgerichte werkzaamheden te bepalen. 10. De trainee geeft blijk van een juiste beoordeling van de toepassing van de grondslagen in de financiële verslaggeving. 11. De trainee laat zien dat hij/zij in staat is om de controlebevindingen te evalueren op toereikendheid. 12. De trainee laat zien dat hij/zij in staat is om na te gaan of de aanpak van de controle moet worden herzien in verband met wijziging van de geconstateerde risico’s. 13. De trainee heeft zo nodig blijk gegeven van de noodzaak tot aanvullende gegevensgerichte werkzaamheden in verband met tijdsfasering, waardoor de gehele controleperiode in de controle betrokken is geweest. 14. De trainee heeft laten zien dat hij/zij de resultaten van de gegevensgerichte werkzaamheden kan vertalen in aandachtspunten voor de afrondingsfase. 3.6 Fase: afronding 3.6.1 Nadere uitleg van de fase In de afrondingsfase worden alle daaraan voorafgaande deelconclusies samengevat en in hun onderlinge samenhang beoordeeld. Op basis daarvan beoordeelt de trainee of hij/zij een deugdelijke grondslag heeft verkregen voor het afgeven van een accountantsverklaring. Hierbij gaat hij/zij ook na of hij/zij alle relevante risico’s, die de verantwoording raken, in voldoende mate heeft afgedekt in het controleproces. Zo nodig voert de trainee aanvullende werkzaamheden uit. 3.6.2 Eindtermen afrondingsfase 3.6.2.1 Afronding controlewerkzaamheden 1. De trainee is in staat om een afsluitende cijferanalyse uit te voeren en hierbij vast te stellen of het financiële overzicht als geheel in overeenstemming is met zijn/haar kennis van de entiteit. 3.6.2.2 Evaluatie van de bevindingen 1. De trainee is in staat om de bevindingen uit de controle zodanig te evalueren dat hij/zij in staat is om na te gaan of de uitgevoerde controle aanpassing/aanvulling behoeft. 3.6.2.3 Rapportage 1. De trainee is in staat omtrent de uitkomsten van zijn/haar werkzaamheden adequaat te rapporteren aan zijn/haar opdrachtgever afhankelijk van de aard van de opdracht. 3.6.2.4 Afronding dossier 1. De trainee geeft er blijk van dat hij/zij bekend is met de eisen te stellen aan een dossier, in overeenstemming met de relevante wet- en regelgeving en standaarden (NV COS). 4 Eindtermen praktijkopleiding: overige eindtermen 4.1 Algemeen De eindtermen in het vorige hoofdstuk betreffen de controle van jaarrekeningen. De trainees hebben daarnaast de mogelijkheid om een deel van hun praktijkopleiding te besteden aan andere assurance werkzaamheden dan controleopdrachten (Opdrachten tot het beoordelen van historische financiële overzichten) en aan assurance verwante opdrachten (‘Opdrachten tot het samenstellen van financiële overzichten’ en ‘Opdrachten tot het verrichten van overeengekomen specifieke werkzaamheden met betrekking tot financiële informatie’). Verder kunnen met betrekking tot deze en andere opdrachten werkzaamheden worden onderkend, die ook deel uitmaken van controleopdrachten of daarmee vergelijkbaar zijn. De betreffende werkzaamheden kwalificeren eveneens als eindterm voor het onderdeel Controle van de praktijkopleidingen. 4.2 Eindtermen ‘Opdrachten tot het beoordelen van historische financiële overzichten’ 1. De trainee is in staat om, bij het accepteren en uitvoeren van opdrachten, de bepalingen uit de VGBA goed toe te passen. 4.3 Eindtermen ‘Opdrachten tot het samenstellen van financiële overzichten’ 1. De trainee is in staat om, bij het accepteren en uitvoeren van opdrachten, de bepalingen uit de VGBA goed toe te passen. 4.4 Eindtermen ‘Opdrachten tot het verrichten van overeengekomen specifieke werkzaamheden met betrekking tot financiële informatie’ 1. De trainee is in staat om, bij het accepteren en uitvoeren van opdrachten, de bepalingen uit de VGBA goed toe te passen. 4.5 Overige eindtermen Het komt voor dat trainees, tijdens hun praktijkstage, ook andere opdrachten uitvoeren dan de controle, de beoordeling of het samenstellen van financiële overzichten, of het uitvoeren van overeengekomen specifieke werkzaamheden. Voorbeelden hiervan zijn: bijzondere controleopdrachten (NV COS 800) en assurance opdrachten anders dan opdrachten tot controle of beoordeling van historische financiële informatie (NV COS 3000, 3400, 3410N). Indien de trainee, bij de uitvoering van deze andere opdrachten, werkzaamheden uitvoert die als eindtermen zijn beschreven in de hoofdstukken 3 en 4 van de onderhavige rapportage, dan kwalificeren deze werkzaamheden als eindterm voor de praktijkopleiding. Voorbeelden, in het kader van advieswerkzaamheden, betreffen klant- en opdrachtacceptatie, alsmede het continueren van de klantrelatie en de opdracht. Daarnaast kan worden gedacht aan planningswerkzaamheden, cijferanalyses en het opstellen van adviesbrieven in het kader van adviesopdrachten. 5 Eindtermen praktijkopleiding: de samenstelcyclus De praktijkopleiding AA richt zich niet alleen op de controlewerkzaamheden, maar kent een breed scala aan werkzaamheden waarmee de ondernemer in het midden- en kleinbedrijf bediend wordt. Het gaat dan om samenstelwerkzaamheden, fiscale werkzaamheden, advieswerkzaamheden en administratieve werkzaamheden. Voor vrijwel alle AA-trainees geldt dat zij een substantieel deel van hun praktijkopleiding besteden aan het verrichten van samenstelwerkzaamheden. Op onderdelen geldt dat de werkzaamheden uit de samenstelpraktijk gelijkvormig zijn aan de werkzaamheden uit de controlepraktijk. Voor die overlappende werkzaamheden geldt derhalve dat er sprake kan zijn van compensatie (zie ook hoofdstuk 4). Verder kunnen de samenstelwerkzaamheden een ondersteunende functie hebben bij het uitvoeren van controleopdrachten. Ondernemers moeten kunnen steunen op verklaringen die door accountants worden afgegeven. Dat geldt zowel voor verklaringen die worden afgegeven naar aanleiding van controleopdrachten als ook voor verklaringen die worden afgegeven bij beoordelingsopdrachten en samenstelopdrachten. Vanuit maatschappelijk belang is het van belang dat CEA tevens toezicht houdt op de kwaliteit van beoordelings- en samenstelwerkzaamheden. De eindtermen in dit hoofdstuk zijn primair op de praktijkopleiding AA van toepassing. CEA beoordeelt het opleidingsprogramma van de praktijkopleiding AA hier op. De hierna volgende eindtermen gelden niet voor de praktijkopleiding RA. NV COS 4410 is als regelgevend kader van toepassing voor samenstelwerkzaamheden. De eisen die hierin zijn vastgelegd zijn echter minimumeisen. De eindtermen die in dit hoofdstuk voor de samenstelpraktijk zijn beschreven stijgen dan ook op enkele gebieden uit boven het minimum van NV COS 4410, maar sluiten aan bij wat in de beroepspraktijk gebruikelijk is. 5.1 Eindtermen samenstelopdrachten: Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de eindtermen van de praktijkopleiding per fase van het samenstelproces. Hierbij worden de volgende fasen onderkend: o Opdrachtaanvaarding en -opdrachtcontinuering 5.2 Fase: opdrachtaanvaarding en -continuering 5.2.1 Nadere uitleg van de fase Deze fase gaat vooraf aan de planning van de betreffende samenstellingsopdracht. In deze fase gaat de accountant na of hij zowel de cliënt alsook de opdracht wil en kan accepteren. In de daarop volgende jaren stelt de accountant vast of hij de klantrelatie en de opdracht wil continueren. De fundamentele beginselen uit de VGBA spelen hierbij een voorname rol. Daarnaast zijn een adequate acceptatie- en continuatieprocedures van belang om onnodige risico’s voor de accountant te voorkomen. 5.2.2 Eindtermen opdrachtaanvaarding en -continuering 1. De trainee geeft er blijk van dat hij/zij in staat is om op een integere, deskundige/zorgvuldige en objectieve wijze invulling te geven aan de acceptatie van samenstellingsopdrachten. 5.3 Fase: planning 5.3.1 Nadere uitleg van de fase In de planningsfase wordt uiteindelijk de voorbereiding van de samenstellingswerkzaamheden uitgewerkt. Wie doet wat, wanneer en met welke diepgang etc.? Deze strategiebepaling geschiedt op basis van inzicht in de betreffende entiteit, de wijze waarop de administratie is ingericht en kennis over waarderingsgrondslagen. Bij de voorbereiding worden ook de materialiteit en de teamsamenstelling bepaald. 5.3.2 Verwerven van inzicht in de huishouding en haar omgeving 1. De trainee heeft de werkzaamheden met betrekking tot het verwerven van inzicht in de aard, strategie en doelstellingen van de entiteit en de externe omgevingsaangelegenheden correct uitgevoerd. 5.3.3 Planning van de uit te voeren werkzaamheden 5.3.3.1 Materieel belang in de samenstellingswerkzaamheden (planningsfase) De trainee is in staat het materieel belang in overweging te nemen bij samenstellingswerkzaamheden. 5.3.3.2 Initiële cijferbeoordeling De trainee is in staat een (initiële) cijferbeoordeling te maken. 5.3.3.3 Strategie van de uit te voeren werkzaamheden De trainee is in staat te bepalen wie op basis van een op te stellen cliëntspecifiek werkprogramma de samenstellingswerkzaamheden gaat uitvoeren. Dit werkprogramma ziet er op toe dat de uitgevoerde werkzaamheden toereikend zijn om de aanvaardbaarheid van de posten en toelichting te kunnen vaststellen, de samenhang van de informatie in de jaarrekening te kunnen vaststellen en (indien van toepassing) de overeenstemming te kunnen vast stellen met de voorschriften van externe verslaggeving. 5.4 Fase: uitvoering 5.4.1 Nadere uitleg van de fase De uitvoering van de samenstelopdracht verloopt volgens een werkprogramma. In de uitwerking wordt dit programma nader uiteengezet in hoofdactiviteiten. 5.4.2 Uitwerking van deze fase De trainee is in staat de volgende werkzaamheden op een toereikende wijze uit te voeren, zoals: 1. Het kritisch doorlezen van het grootboek. 5.5 Fase: afronding 5.5.1 Nadere uitleg van de fase In de afrondingsfase worden alle daaraan voorafgaande deelconclusies samengevat en in hun onderlinge samenhang beoordeeld. Op basis daarvan beoordeelt de accountant of hij een deugdelijke grondslag heeft verkregen voor het afgeven van een samenstellingsverklaring. 5.5.2 Afrondende werkzaamheden en evaluatie 1. De trainee is in staat een afsluitend memo op te stellen waarin aspecten als continuïteit, afwijkingen van materieel belang, fraude, opdrachtcontinuering, de af te geven verklaring en conclusies en bespreekpunten worden geformuleerd. 5.5.3 Rapportage 1. De trainee is in staat omtrent de uitkomsten van zijn werkzaamheden adequaat te rapporteren aan zijn/haar opdrachtgever. 5.6 Afronding dossier 5.6.1 Nadere uitleg van de fase Inherent aan de uitvoering van opdrachten is het vormen van een gedegen dossier ter onderbouwing van de uitingen van de accountant. Achteraf moet het mogelijk zijn dat een niet bij de opdracht betrokken collega-accountant zich een oordeel kan vormen omtrent de werkwijze van de accountant om te komen tot zijn rapportage (in de vorm van een samenstellingsverklaring of een andere rapportage). 5.6.2 Afronding dossier 1. De trainee geeft er blijk van dat hij/zij bekend is met de eisen te stellen aan een samenstellingsdossier. 6 Algemene (beroeps)vaardigheden 6.1 Algemeen Naast de specifieke, op verworven kennis en inzicht gebaseerde vaktechnische eindtermen, kunnen ook op algemene gedrags- en beroepsvaardigheden gebaseerde eindtermen, die in het kader van de praktijkstage (zeer) relevant zijn, worden onderkend. De praktijkopleiding moet bijdragen aan de ontwikkeling van uiteenlopende competenties. De trainee moet daarbij in de werkomgeving in de gelegenheid worden gesteld met een toenemende mate van zelfstandigheid en verantwoordelijkheid te kunnen functioneren. Daarbij moet de trainee ook de VGBA kunnen toepassen evenals de Verordening inzake Onafhankelijkheid van accountants bij assurance opdrachten (hierna ViO). Een trainee moet kunnen omgaan met bedreigingen en waarborgen conform het ‘VGBA-conceptual framework’, waarbij de uitwerking van de principes afhankelijk is van de rol die de accountant vervult. Op overkoepelend niveau zijn in het bijzonder de volgende gedrags- en beroepsvaardigheden relevant: 1. De verworven kennis en vaardigheden op het vakgebied kunnen toepassen op (complexe) bedrijfssituaties. 6.2 Raamwerk van vaardigheden 6.2.1 Analytisch vermogen en inschattingsvermogen 1. Problemen structureren en in de organisatorische context blootleggen. 16. Adequaat reageren op veranderde prognoses en uitzonderlijke situaties. 17. Lateraal denken in een zakelijke context. 18. Het principe van materieel belang toepassen op beroepssituaties. 6.2.2 Persoonlijke en intermenselijke vaardigheden 1. Integer en professioneel handelen. 6.2.3 Organisatorische vaardigheden 1. Doelen stellen, plannen en beoordelen. 6.2.4 Integratieve en multidisciplinaire vaardigheden 1. Kennis, opgedaan op diverse werkterreinen, toepassen. 6.2.5 Waarden, normen en attitudes 1. Ethische normen en de ‘rechte rug’ voor het publieke belang te demonstreren. 7 Aanvullende eindtermen voor de praktijkopleiding AA Op verzoek van de beroepsorganisatie is voorzien in de mogelijkheid dat zij een supplement met eindtermen bij CEA kunnen indienen. De NBA heeft vanwege de breedte van het beroepsprofiel van de AA supplementen met eindtermen voor Fiscale Dienstverlening en Adviesopdrachten opgesteld. Deze eindtermen zien op twee kritische beroepssituaties uit het beroepsprofiel AA die niet worden afgedekt door de eindtermen die gelden voor de controlecyclus (hoofdstuk 3), overige eindtermen (hoofdstuk 4) en voor samenstelopdrachten (hoofdstuk 5). Deze eindtermen gelden als aanvullende eindtermen en vallen buiten de kwantitatieve norm zoals beschreven in paragraaf 2.9. Deze eindtermen gelden ook niet als compensatie zoals bedoeld in paragraaf 2.2 en 2.9. De betreffende eindtermen zijn, uit oogpunt van uniformiteit, wel volgens hetzelfde stramien geformuleerd als de andere eindtermen. 7.1 Eindtermen Fiscale Dienstverlening 7.1.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de eindtermen van de praktijkopleiding per fase van het traject fiscale dienstverlening. Hierbij worden de volgende fasen onderkend: o Opdrachtaanvaarding en opdrachtcontinuering 7.1.2 Fase: opdrachtaanvaarding en -continuering 7.1.2.1 Nadere uitleg van de fase Deze fase gaat vooraf aan de planning van de betreffende fiscale dienstverlening. In deze fase gaat de accountant na of zowel hij als de cliënt de opdracht wil en kan accepteren. De fundamentele beginselen uit de VGBA spelen hierbij een voorname rol. Daarnaast zijn adequate acceptatie- en continuatieprocedures van belang om onnodige risico’s voor de accountant te voorkomen. 7.1.2.2 Opdrachtaanvaarding en -continuering 1. De kandidaat geeft blijk dat hij in staat is om op een integere, professionele, deskundige/zorgvuldige en objectieve wijze invulling te geven aan de uitvoering van fiscale dienstverlening en ook rekening houdt met de geldende normen voor geheimhouding. 7.1.3 Fase: planning 7.1.3.1 Nadere uitleg van de fase In de planningsfase wordt uiteindelijk de voorbereiding van de fiscale dienstverlening uitgewerkt. Wie doet wat en wanneer? Deze strategiebepaling geschiedt op basis van inzicht in de entiteit, voldoende kennis van fiscale regelgeving en de wijze hoe de administratie is ingericht en hoe de fiscaal belastbare feiten worden geregistreerd. Bij de voorbereiding wordt ook de teamsamenstelling bepaald, waarbij eveneens wordt bepaald in welke mate, alsmede in welke fase, eventueel een fiscaal deskundige wordt ingeschakeld. Verwerven van inzicht in de huishouding en haar omgeving 1. De kandidaat heeft de werkzaamheden met betrekking tot het verwerven van inzicht in de aard, strategie en doelstellingen van de entiteit en de externe omgevingsaangelegenheden correct uitgevoerd. 7.1.3.2 Planning van de uit te voeren werkzaamheden 7.1.3.2.1 Posten en procesanalyse 1. De kandidaat is in staat gevraagd en ongevraagd de processen uit de onderneming alsmede uit de privé omgeving van de cliënt te vertalen naar fiscaal relevante posities in de fiscale aangiften. 7.1.3.2.2 Strategie van de uit te voeren werkzaamheden 1. De kandidaat is (eventueel in samenwerking met een fiscaal deskundige) in staat te bepalen wie, op basis van een eventueel op te stellen cliënt specifiek werkprogramma, de fiscale dienstverlening periodiek gaat uitvoeren. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de fiscale kennis van de kandidaat zelf alsmede de fiscale kennis van de fiscaal deskundige. Dit werkprogramma ziet er op toe dat de uitgevoerde werkzaamheden voldoende zijn afgestemd op de omgeving van de cliënt en stelt de kandidaat in staat om een correcte aangifte in te vullen. Tevens maakt dit programma het mogelijk de samenhang met fiscale regelgeving te kunnen vaststellen. 7.1.4 Fase: uitvoering 7.1.4.1 Nadere uitleg van de fase De uitvoeringsfase bestaat uit de volgende hoofdactiviteiten: o Het formuleren van de opdracht op basis van de wensen van de cliënt en de geldende fiscale regelgeving. 7.1.5 Fase: afronding 7.1.5.1 Nadere uitleg van de fase In de afrondingsfase worden alle daaraan voorafgaande werkzaamheden uitgewerkt in een definitieve aangifte of in een fiscaal advies welke ter goedkeuring aan de cliënt wordt aangeboden. 7.1.5.2 Afrondende werkzaamheden De kandidaat is in staat tijdig een fiscale aangifte uit te brengen die op basis van de fiscale relevante transacties en fiscale regelgeving in het betreffende tijdvak, de fiscale consequenties juist en volledig weergeeft. De kandidaat is eveneens in staat tijdig een fiscaal advies uit te brengen die op basis van de fiscale relevante transacties, de fiscale consequenties juist en volledig weergeeft. 7.1.5.3 Afronding dossier Inherent aan de uitvoering van opdrachten is het vormen van een gedegen dossier ter onderbouwing van de fiscale dienstverlening van de accountant. Achteraf moet het mogelijk zijn dat een niet bij de opdracht betrokken collega-accountant zich een oordeel kan vormen omtrent de werkwijze van de accountant en in staat is de betreffende fiscale werkzaamheden te reconstrueren. 1. De kandidaat geeft er blijk van dat hij bekend is met de eisen te stellen aan een fiscaal dossier. 7.2 Eindtermen Advisering 7.2.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de eindtermen van de praktijkopleiding per fase van het traject advisering, waarbij met name een relatie wordt gelegd met de voor Nederland specifiek geldende COS 5500N alsmede de Verordening Gedragscode. Hierbij worden de volgende fasen onderkend: o Opdrachtaanvaarding en -opdrachtcontinuering 7.2.2 Fase: opdrachtaanvaarding en continuering 7.2.2.1 Nadere uitleg van de fase Deze fase gaat vooraf aan de planning van de betreffende adviesopdracht. In deze fase gaat de accountant na of zowel hij als de cliënt de opdracht wil en kan accepteren. De fundamentele beginselen uit de VGBA spelen hierbij een voorname rol. Daarnaast zijn een adequate acceptatie- en continuatieprocedures van belang om onnodige risico’s voor de accountant te voorkomen. 7.2.2.2 Opdrachtaanvaarding en continuering 1. De kandidaat geeft blijk dat hij in staat is om op een integere, deskundige/zorgvuldige, professionele en objectieve wijze invulling te geven aan de uitvoering van advies opdrachten en rekening houdt met de geldende normen voor geheimhouding. 7.2.3 Fase: planning 7.2.3.1 Nadere uitleg van de fase In de planningsfase wordt uiteindelijk de voorbereiding van de adviesopdracht uitgewerkt. Wie doet wat, wanneer en met welke diepgang, etc.? Deze strategiebepaling geschiedt op basis van inzicht in de entiteit, voldoende deskundigheid bij het team of bij (eventueel extern) in te schakelen deskundigen . Bij de voorbereiding wordt ook de teamsamenstelling bepaald, waarbij eveneens wordt bepaald in welke mate, alsmede in welke fase, een (eventueel extern) deskundige wordt ingeschakeld. 7.2.3.2 Planning van de opdracht 1. De kandidaat heeft de werkzaamheden met betrekking tot het verwerven van inzicht in de aard, strategie en doelstellingen van de entiteit en de externe, in het kader van de opdracht van belang zijnde, omgevingsaangelegenheden correct uitgevoerd. 7.2.4 Fase: uitvoering 7.2.4.1 Nadere uitleg van de fase De uitvoeringsfase bestaat uit de volgende hoofdactiviteiten: o Het scheppen van kaders waarbinnen de opdracht wordt uitgevoerd, rekening houdend met eventuele tussentijdse wijzigingen die door de opdrachtgever zijn aangebracht; 7.2.5 Fase: afronding 7.2.5.1 Nadere uitleg van de fase In de afrondingsfase worden alle daaraan voorafgaande werkzaamheden uitgewerkt in een definitief adviesrapport en wordt dit advies met cliënt besproken. Bij het opmaken van het adviesrapport dient, om gebruikers niet in verwarring te brengen, een duidelijk onderscheid te worden gemaakt ten opzichte van een assurance rapport. Indien van toepassing wordt, na verkregen separate opdracht van cliënt, uitvoering gegeven aan de uitvoering van dit advies. 7.2.5.2 Afrondende werkzaamheden en evaluatie en rapportage 1. De kandidaat is in staat een definitief advies uit te brengen, waarin op basis van de geformuleerde probleemstelling, de diverse alternatieven juist en volledig worden weergegeven en tot slot eventueel wordt afgesloten met een concreet advies. 7.2.5.3 Afronding dossier 7.2.5.3.1 Nadere uitleg van de fase Inherent aan de uitvoering van adviesopdrachten is het vormen van een gedegen dossier ter onderbouwing van de uitingen van de accountant. Achteraf moet het mogelijk zijn dat een niet bij de opdracht betrokken collega(-accountant) zich een oordeel kan vormen omtrent de werkwijze van de accountant om te komen tot zijn oordeel in de vorm van een adviesbrief. 1. De kandidaat geeft er blijk van dat hij bekend is met de eisen te stellen aan een adviesdossier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.