Richtlijn voor strafvordering Binnenvaart Richtlijn voor strafvordering Binnenvaart Beschrijving Deze richtlijn heeft betrekking op overtredingen van voorschriften op het gebied van de scheepvaart op de binnenwateren (beroeps- en recreatievaart). De tarieven zijn afgerond volgens de systematiek van de Aanwijzing kader voor strafvordering en OM-afdoeningen. Inhoudsopgave I Algemeen 1 II Binnenvaartwet (en verwante uitvoeringsregelingen HRA) 2 III Scheepvaartverkeerswet en Reglementen (o.a. BPR/RPR) 3 IV Varen onder invloed 8 V Vervoer van gevaarlijke stoffen 10 I Algemeen Dit hoofdstuk bevat essentiële achtergrondinformatie voor alle in de navolgende hoofdstukken opgenomen richtlijnen. 1 Achtergrond Het strafvorderingsbeleid voor binnenvaart wijkt op een aantal punten af van het ‘Kader voor strafvordering’ en het gebruikelijke strafprocesrecht. De reden hiervoor ligt in het internationale recht. De wet- en regelgeving op de Nederlandse binnenwateren verschilt per water.1Voor een introductie in de wet- en regeling op de Nederlandse binnenwateren, en het onderwerp Rijnvaart in het bijzonder, wordt verwezen naar de Aanwijzing Binnenvaart. Op enkele scheepvaartwegen zijn een specifiek verdrag en bijbehorende voorschriften van toepassing. Van belang is met name de Herziene Rijnvaartakte (HRA, ook wel: Akte van Mannheim 1868), die in Nederland geldt op de Rijn, het Pannerdensch Kanaal, de Lek en de Waal (de zgn. ‘Aktewateren’). De HRA heeft een eigen sanctieregime. Zo berust de bevoegdheid om recht te spreken bij zgn. ‘Rijnvaartrechters’ (art. 34 HRA) en kent artikel 32 van de Herziene Rijnvaartakte uitsluitend een geldboete als sanctie. Dit betekent dat bij overtredingen op de internationale Rijn ingevolge artikel 94 Grondwet geen ruimte is voor oplegging van vervangende hechtenis. Hetzelfde geldt voor taakstraffen, verbeurdverklaring of ontzegging van de vaarbevoegdheid. De op te leggen geldboete is sinds 1 november 2011 gemaximeerd op 25.000 euro. De in deze richtlijn opgenomen tarieven zijn vergeleken met de Bussgeldkatalog van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) in Straatsburg.2De CCR heeft voor de meest voorkomende overtredingen van de voorschriften een Bussgeldkatalog vastgesteld. De (geïndexeerde) tarieven zijn met name vergeleken voor wat betreft hun onderlinge verhouding. Voor een aantal tarieven is afgeweken van de catalogus, omdat Nederland een grote bevolkingsdichtheid kent en een verhoogd veiligheidsbewustzijn nodig wordt geacht. Het hogere tarief is daarbij mede gebaseerd op de afdoeningservaringen van het OM in het verleden en het aanzienlijke gevaar dat kan ontstaan bij niet naleving van het betreffende voorschrift. Bij een groot aantal feiten is er in navolging van de Bussgeldkatalog voor gekozen om marges aan te geven. Wegingsfactoren zijn daarbij onder meer de ernst van feit, de mate van gevaarzetting, het soort schip en de omstandigheden waaronder het feit werd gepleegd. 2 Wijzigingen De richtlijn is gecomprimeerd en aangepast aan het nieuwe Kader voor strafvordering3Zie de Aanwijzing kader voor strafvordering en OM-afdoeningen.. Omdat het daarin gebruikte puntensysteem is vervallen, zijn alle tarieven van punten omgezet naar euro’s. 3 Reikwijdte – Deze richtlijn geldt ook voor de conventionele (grens)wateren (Eems/Dollard, Westerschelde, Het Kanaal van Gent naar Terneuzen en de Gemeenschappelijke Maas)4Waar in deze beleidsregel wordt uitgegaan van een overtreding van een voorschrift in het BPR, respectievelijk het RPR dient op de Eems/Dollard, Westerschelde, Het Kanaal van Gent naar Terneuzen en de Gemeenschappelijke Maas conform deze beleidsregel te worden gehandeld voor zover de gedraging is te herleiden tot een overeenkomstige overtreding in het desbetreffende scheepvaartreglement.; – Tegen overtredingen op de internationale rijn wordt slechts opgetreden met inachtneming van het sanctieregime van de HRA (zie par. 1.1); – De feiten die zijn opgenomen in de ‘Tekstenbundel voor misdrijven, overtredingen en Muldergedragingen’ – en die met behulp van een feitcode geautomatiseerd kunnen worden afgedaan in de strafrechtsketen – zijn in deze richtlijn buiten beschouwing gelaten; – Taakstraffen zijn enkel geïndiceerd indien er geen sprake is van een taakstrafverbod als bedoeld in art. 22b, tweede lid, Sr; – Indien transigabele feiten tussentijds onder het bereik van de OM-strafbeschikking worden gebracht, kunnen de tarieven uit deze richtlijn mutatis mutandis worden toegepast (met inachtneming van de Aanwijzing OM-Afdoening); – Het bijbehorende opsporings- en vervolgingsbeleid is neergelegd in de Aanwijzing Binnenvaart; – Verkorte aanduidingen en gehanteerde afkortingen worden toegelicht in bijlage 1; – Deze richtlijn is geldig vanaf de datum van inwerkingtreding. II Binnenvaartwet De Binnenvaartwet (BVW) en enkele uitvoeringsregelingen van de HRA op het terrein van technische eisen voor schepen, bemanningsvoorschriften en vaar- en rusttijden worden primair bestuursrechtelijk gehandhaafd. Het strafrecht wordt nog slechts in een zeer beperkt aantal gevallen toegepast (zie hoofdstuk II van de Aanwijzing Binnenvaart). Artikel Toelichting Algemeen Rijnvaart Art. 17, vijfde lid, BVW Gebruik van een schip terwijl het gebruik is onderbroken o.g.v. artikel 17 van de Binnenvaartwet Eerste overtreding GB 3.200 of TS 160 uur ov GB 3.200 Recidive GB 3.200 en 1 mnd HTS ov GB 5.000 Art. 25, vierde lid, BVW jo. 13-17 BVB Voor de tarieven voor varen zonder in het bezit te zijn van een geldig klein vaarbewijs wordt verwezen naar de ‘Tekstenbundel voor misdrijven, overtredingen en Muldergedragingen’ Zie tekstenbundel (feitcode W300b) Zie tekstenbundel (feitcode W300b) Art. 49, eerste lid, jo. betreffende verbodsbepaling BVW Indien strafrechtelijke handhaving overigens aangewezen is, bijvoorbeeld als er sprake is van gevaar voor de openbare veiligheid (art. 49 BVW), is de gewenste sanctie sterk afhankelijk van de gevaarzetting en de omstandigheden rond de gedraging. Vertrekpunt kan zijn het voor de bewuste gedraging in de ‘bestuurlijke boete catalogus’ van de ILT (bijlage 11.1 als bedoeld in art. 11.1 van de BVR) opgenomen hoogst op te leggen boetebedrag, met een significante verhoging. Zie hoofdstuk II van de Aanwijzing Binnenvaart. Minimaal: GB 700 of TS 50 uren Maximaal: 4 mnd HTS ov Zie art. 32 HRA in deze tabel Art. 32 HRA jo voorschrift voor internationale Rijn 1 Enkele uitvoeringsregelingen2 van de HRA worden – voor zover de bepalingen overeenkomen met hetgeen bij of krachtens de Binnenvaartwet is bepaald – bestuursrechtelijk gehandhaafd (bestuurlijke boete). Indien strafrechtelijke handhaving overigens aangewezen is, bijvoorbeeld als er sprake is van gevaar voor de openbare veiligheid (art. 49 BVW), is de gewenste sanctie sterk afhankelijk van de gevaarzetting en de omstandigheden rond de gedraging. Vertrekpunt kan zijn het voor de bewuste gedraging in de ‘bestuurlijke boete catalogus’ van de ILT (bijlage 11.1 als bedoeld in art. 11.1 van de BVR) opgenomen hoogst op te leggen boetebedrag, met een significante verhoging. Zie hoofdstuk II en V van de Aanwijzing Binnenvaart. GB 700 -16.000 1De mogelijkheid om bij de Binnenvaartwet van het bestuursrecht ‘op te schalen’ naar het strafrecht, wordt op de internationale Rijn niet toegepast over de band van art. 49 BVW (in verband met een voorbehoud in de strafbaarstelling in art. 1, onder 4, van de WED). Indien een overtreding strafbaar is op grond van art. 32 van de Herziene Rijnvaartakte, vormen dat artikel en het relevante voorschrift voor de internationale Rijn (bv. bepaling uit het ROSR) bij gevaar voor de openbare veiligheid de grondslag voor de strafrechtelijke handhaving. 2Het gaat met name om voorschriften ten aanzien van vaartijden, bemanningseisen, radarexamens en technische eisen. Het ROSR en RSPR zijn opgenomen als bijlagen bij de Binnenvaartregeling. III Scheepvaartverkeerswet en Reglementen (o.a. BPR/RPR) Dit hoofdstuk bevat achtereenvolgens de tarieven voor niet feitgecodeerde overtredingen van de Scheepvaartverkeerswet (SVW), het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) en het Rijnvaartpolitiereglement 1995 (RPR). Deze tarieven zijn van overeenkomstige toepassing op de conventionele (grens)wateren (Eems/Dollard, Westerschelde, Het Kanaal van Gent naar Terneuzen en de Gemeenschappelijke Maas).5Waar in deze beleidsregel wordt uitgegaan van een overtreding van een voorschrift in het BPR, respectievelijk het RPR dient op de Eems/Dollard, Westerschelde, Het Kanaal van Gent naar Terneuzen en de Gemeenschappelijke Maas conform deze beleidsregel te worden gehandeld voor zover de gedraging is te herleiden tot een overeenkomstige overtreding in het desbetreffende scheepvaartreglement. 1 Scheepvaartverkeerswet Artikel Toelichting Algemeen Rijnvaart 26 SVW Opzettelijk wederrechtelijk een aan een ander toebehorend schip gebruiken op de scheepvaartweg (‘joysailing’)1 Eerste overtreding GB 850 of TS 60 uur GB 850 1 maal recidive TS 80 uur ov2 en GS 2 wkn vw met proeftijd van 2 jaar (DV) GB 1.200–1.700 Meermalen recidive GS 2 wkn ov (DV) GB 1.700–4.300 27/1; 27/2/a; 27/2/b; 28/1; 28/2; 28a/7; 29/3 SVW ‘Varen onder invloed’ Zie hoofdstuk IV 1Omdat verondersteld wordt dat het delict vaak in groepsverband wordt gepleegd, is de factor medeplegen in het delict begrepen. 2In geval van een taakstrafverbod (art. 22b Wetboek van Strafrecht) te vervangen door een geldboete van 1.200 euro (evt. in termijnen). 2 Binnenvaartpolitiereglement Artikel Toelichting Transactie (GB) 1.04 BPR Als schipper niet alle voorzorgmaatregelen nemen die geboden zijn. 175–1.400 1.04 jo. 1.03/3 BPR Als lid bemanning etc. die zelfstandig koers en snelheid schip bepaalt niet alle voorzorgsmaatregelen nemen die door algemene plicht tot waakzaamheid worden gevorderd. 175–700 1.06 BPR Afmetingen etc. schip/samenstel niet verenigbaar met karakteristiek/afmetingen van de vaarweg en de kunstwerken. 350–1.000 1.07/1 BPR Schip tot over vlak onderkant inzinkingsmerken beladen 350–1.000 1.07/2 BPR Te geringe stabiliteit door onjuiste belading 350–1.000 1.07/2 BPR Niet genoeg vrij uitzicht tijdens de vaart. 350–700 1.07/3 BPR Geen controle stabiliteit (stabiliteitsberekening) bij het genoemde containervervoer 700 1.09/3 BPR Geen bekwame persoon in stuurhut snel schip die het roer bedient 275–700 1.09/3 BPR Geen (bekwame) tweede persoon in stuurhut snel schip 275–450 1.09/4 BPR In de stuurhut niet in staat alle inlichtingen en aanwijzingen te vernemen. 250 1.09/4 BPR Geen uitkijk of luisterpost aanwezig. 250 1.10/1/a BPR Niet aan boord aanwezig: Meetbrief 350 1.10/1/b BPR Niet aan boord aanwezig: ADN bescheiden. Zie hoofdstuk V – 1.10/1/c BPR Niet aan boord aanwezig: Groot vaarbewijs c.q. vaarbevoegdheidsbewijs. 350 1.10/1/c BPR Niet aan boord aanwezig: Klein vaarbewijs c.q. vaarbevoegdheidsbewijs. 175 1.10/1/d BPR Niet aan boord aanwezig: Radarpatent. 350 1.10/1/e BPR Niet aan boord aanwezig: Handboek marifonie. 100 1.10/1/f BPR Niet aan boord aanwezig: het registratiebewijs gebruik frequentieruimte (maritiem mobiel) 100 1.10/1/g BPR Niet aan boord aanwezig: Marifoon bedieningscertificaat. 100 1.10/1/h BPR Niet aan boord aanwezig: het certificaat van onderzoek, met inbegrip van het stuwplan of de ladinglijst voor de actuele beladingstoestand en, de stabiliteitsberekening etc 350 1.10/1/i BPR Niet aan boord aanwezig: Certificaat navigatielantaarns. 100 1.12 BPR Niet voldoen aan genoemde verplichtingen ter voorkoming gevaar voor uitstekende delen, niet voorhalen ankers, etc. 200–500 1.13 BPR Verplichtingen ter bescherming van verkeerstekens. 200–500 1.14 BPR Niet onverwijld autoriteit kennis geven van beschadiging kunstwerk met schip etc. 500 1.15/1 BPR Verbod te water doen geraken van voorwerpen of stoffen. 200–650 1.15/2 BPR Niet voldoen aan meldingsplicht bij te water raken van voorwerpen of stoffen. 425 1.19 BPR Als schipper geen gevolg gegeven aan een verkeersaanwijzing. 275–425 1.19 BPR Als schipper geen gevolg gegeven aan een verkeersaanwijzing. Verbod verder te varen. 650–1.000 1.20 BPR Geen medewerking verlenen aan bevoegde autoriteit 175 1.21 BPR Bijzonder transport zonder vergunning. 175–1.000 1.23 BPR Evenement of andere gebeurtenis niet tijdig melden c.q. zonder toestemming doen plaats vinden 175–700 Hfdst. 3 BPR Optische tekens van grote schepen. Bedrag per onjuist of niet gevoerd teken. (dagteken of licht/lichtcombinatie). Voor ontbrekende seinvoering bij vervoer gevaarlijke stoffen; zie hoofdstuk V 200 Hfdst. 3 BPR Optische tekens van kleine schepen. Bedrag per onjuist of niet gevoerd teken. (dagteken of licht/lichtcombinatie). 100 4.01/1/A BPR Als schipper met groot motorschip geen geluidsseinen geven of kunnen geven. 200 4.05 BPR Onjuist gebruik marifoon 125 4.05 BPR Marifoon niet in overeenstemming met de regels, of niet aanwezig. 350–1.000 Hfdst. 6 BPR Niet houden aan vaarregels. Geen aanvaring. 200–350 Hfdst. 6 BPR Niet houden aan vaarregels. Met aanvaring, lichte schade geen letsel. 350–700 6.18/2 BPR Varen binnen afstand van 50 m bij schip met gevaarlijke stoffen dat 2 of 3 kegels voert. 550 6.20 BPR Hinderlijke waterbeweging, geen schade. 200–350 6.20 BPR Hinderlijke waterbeweging, waarbij schade is ontstaan voor derden. 350–700 6.26–6.28b BPR Doorvaren van bruggen, stuwen en sluizen in strijd met verkeersteken dat gebod of verbod inhoudt. 200–350 6.26–6.28b BPR Doorvaren van bruggen, stuwen en sluizen in strijd met verkeersteken dat gebod of verbod inhoudt. Met aanvaring, lichte schade, geen letsel. 350–700 6.29–6.33 BPR Als schipper bij slecht zicht, niet houden aan de vaarregels. Geen aanvaring. (Uitz: transactie 6.30 lid 2 stuurboordswal houden) 425–700 6.29–6.33 BPR Als schipper bij slecht zicht, niet houden aan de vaarregels. Met aanvaring, lichte schade, geen letsel. 700–1.000 6.29–6.33 BPR Als schipper schip niet stil gelegd bij slecht zicht c.q. varen zonder radar bij slecht zicht. 550 6.32 BPR Varen op radar zonder radardiploma. 550 7.01–7.07 BPR Ligplaats nemen in strijd met de voorschriften. 125 7.07/1 BPR Minimumafstand niet in acht nemen tot schip met gevaarlijke stoffen 550 7.08 BPR Geen bewaking of toezicht. Uitz: Bewaking ADN. Tarief zie hoofdstuk V 125–700 8.03/a BPR Met snelle motorboot deelnemen aan de scheepvaart met gevaar brand/ontploffing etc. 250 8.03/c BPR Met snelle motorboot deelnemen aan de scheepvaart zonder deugdelijk stuurinrichting. 250 8.03/a jo. 8.04 BPR Als eigenaar of houder niet zorg dragen dat snelle motorboot deelneemt aan de scheepvaart zonder gevaar voor brand/ontploffing etc. 250 8.03/c jo. 8.04 BPR Als eigenaar of houder niet zorg dragen dat een snelle motorboot deelneemt aan de scheepvaart met een deugdelijke stuurinrichting. 250 8.05/2 BPR Met de motor van een snelle motorboot onnodig geluid veroorzaken. 100 8.05/3 BPR De motor van een stilliggende snelle motorboot onnodig lang of zonder redelijk doel in werking houden. 100 9.02 BPR Overschrijden van de ten hoogste toegelaten afmetingen van schepen of samenstellen. 700–1.800 9.03 BPR In strijd met de voorschriften op genoemde vaarwegen ligplaats nemen. Uitz: Verbod ontgassen. Tarief zie hoofdstuk V. 175–350 9.04/1/3/4/5 BPR Handelen in strijd met de genoemde verplichtingen. 100 9.04/6 BPR Op klein schip geen radarreflector voeren bij slecht zicht op de vaarwegen van bijlage 15 onder b. 200 9.06 BPR Handelen in strijd met de genoemde verplichtingen. 200–1.000 9.07 BPR Als schipper groot schip niet of niet juist voldoen aan meld-,uitluister- en communicatieplicht. 350 9.07 BPR Als schipper klein schip niet of niet juist voldoen aan meld-,uitluister- en communicatieplicht. 100 9.08 BPR Varend brandstof afleveren zonder toestemming van de bevoegde autoriteit op de bedoelde vaarwegen. 350 11.01/2/3 BPR Niet voldoende de ruimte laten, tekens tonen of geluidseinen geven. Geen aanvaring. 200–350 11.01/2/3 BPR Niet voldoende de ruimte laten, tekens tonen of geluidseinen geven. Met aanvaring, lichte schade, geen letsel. 350–650 3 Rijnvaartpolitiereglement 1995 (RPR) Artikel Onderwerp Transactie (GB) 1.02/7 RPR Schipper met een alcoholconcentratie in het bloed van 0,5 ‰ of meer (c.q. 220 µg/l). Zie hoofdstuk IV – 1.03/4 RPR Als dienstdoend lid bemanning etc. die zelfstandig koers en snelheid schip bepaalt en daarbij een alcoholconcentratie in het bloed heeft van 0,5 ‰ of meer (c.q. 220 µg/l). Zie hoofdstuk IV – 1.04 RPR Als schipper niet alle voorzorgsmaatregelen nemen die door algemene plicht tot waakzaamheid/goed zeemanschap worden gevorderd. 175–1.400 1.04 jo. 1.03/3 RPR Als dienstdoend lid bemanning etc. die zelfstandig koers en snelheid schip bepaalt niet alle voorzorgsmaatregelen nemen die door algemene plicht tot waakzaamheid worden gevorderd. 175–700 1.06 RPR Afmetingen etc. schip/samenstel niet verenigbaar met karakteristiek/afmetingen van de vaarweg en de kunstwerken. 350–1.000 1.07/1 RPR Schip tot over vlak onderkant inzinkingsmerken beladen (veiligheidsafstand) 350–1.000 1.07/2 RPR Niet genoeg vrij uitzicht 350–700 1.07/3 RPR Te geringe stabiliteit door onjuiste belading. 350–1.000 1.07/4 RPR Geen controle stabiliteit (stabiliteitsberekening!) bij het genoemde containervervoer. 700 1.07/5 RPR Meer passagiers dan toegestaan / onvoldoende zitplaatsen (snel schip) 450–800 1.09/3 RPR In de stuurhut niet in staat alle inlichtingen en aanwijzingen te vernemen. 250 1.09/4 RPR Geen uitkijk of luisterpost aanwezig. 250 1.09/5 RPR Geen bekwame persoon in stuurhut snel schip die het roer bedient 275–700 1.09/5 RPR Geen (bekwame) tweede persoon in stuurhut snel schip 275–450 1.10/1/a RPR Niet aan boord aanwezig: Certificaat van onderzoek of gelijkwaardig doc. 350 1.10/1/b RPR Niet aan boord aanwezig: Rijnpatent of gelijkwaardig doc. 350 1.10/1/b RPR Niet aan boord aanwezig: Sportpatent of gelijkwaardig doc. 100 1.10/1/b RPR Niet aan boord aanwezig: Dienstboekje of gelijkwaardig doc. 175 1.10/1/c RPR Niet aan boord aanwezig: Vaartijdenboek m.i.v. verklaring bijlage K (23.08 ROSR). 1.100 1.10/1/d RPR Niet aan boord aanwezig: Verklaring inzake afgifte vaartijdenboek. 100 1.10/1/e RPR Niet aan boord aanwezig: Rijnvaartverklaring. 100 1.10/1/f RPR Niet aan boord aanwezig: Meetbrief 350 1.10/1/g RPR Niet aan boord aanwezig: Verklaring inbouw/functioneren tachograaf. 125 1.10/1/h RPR Niet aan boord aanwezig: Radarpatent c.q. vervangend diploma. 350 1.10/1/i RPR Niet aan boord aanwezig: Verklaring inbouw en functioneren radar-installatie/bochtaanwijzer. 125 1.10/1/k RPR Niet aan boord aanwezig: Marifoon bedieningscertificaat. 100 1.10/1/l RPR Niet aan boord aanwezig: Vergunning gebruik frequentieruimte. 100 1.10/1/m RPR Niet aan boord aanwezig: Handboek marifonie. 100 1.10/1/n RPR Niet aan boord aanwezig: Behoorlijk bijgehouden olie-afgifteboek. 275 1.10/1/o RPR Niet aan boord aanwezig: Bescheiden betreffende stoomketels en onder druk staande vaten. 125 1.10/1/p RPR Niet aan boord aanwezig: Verklaring installaties voor vloeibaar gemaakte gassen. 125 1.10/1/q RPR Niet aan boord aanwezig: Bescheiden betreffende elektrische installaties. 125 1.10/1/r RPR Niet aan boord aanwezig: Keuringsbewijs brandblusapparaten. 125 1.10/1/s RPR Niet aan boord aanwezig: Keuringsbewijs kranen. 125 1.10/1/t RPR Niet aan boord aanwezig: ADN bescheiden, nr. 8.1.2.1, 8.1.2.2, 8.1.2.3. Zie hoofdstuk V – 1.10/1/u RPR Niet aan boord aanwezig: Stabiliteitsgegevens schip + stuwplan/ladinglijst etc. 350 1.11 RPR Geen reglement aan boord 100 1.12 RPR Niet voldoen aan genoemde verplichtingen ter voorkoming gevaar voor uitstekende delen, niet voorhalen ankers, verloren voorwerpen etc. 200–500 1.13 RPR Verplichtingen ter bescherming van verkeerstekens. 200–500 1.14 RPR Niet onverwijld autoriteit kennis geven van beschadiging kunstwerk met schip. 500 1.15/1 RPR Verbod te water doen geraken van voorwerpen of vloeistoffen. 200–650 1.15/2 RPR Niet voldoen aan meldingsplicht bij te water geraken van voorwerpen of vloeistoffen. 425 1.19 RPR Als schipper geen gevolg geven aan een verkeersaanwijzing. 275–425 1.19 RPR Als schipper geen gevolg geven aan een verkeersaanwijzing. Verbod verder te varen. 650–1.000 1.20 RPR Geen medewerking verlenen aan bevoegde autoriteit 175 1.21 RPR Bijzonder transport zonder vergunning. 175–1.000 1.23 RPR Evenement houden zonder toestemming. 175–700 2.01/1/c RPR Het officiële scheepsnummer niet op schip aangebracht. 200 Hfdst. 3 RPR Optische tekens van ‘grote’ schepen. Bedrag per onjuist of niet gevoerd teken (dagteken of licht/lichtcombinatie). Uitz: Ontbrekende seinvoering cf. ADN. Tarief zie hoofdstuk V 200 Hfdst. 3 RPR Optische tekens van kleine schepen. Bedrag per onjuist of niet gevoerd teken (dagteken of licht/lichtcombinatie). 100 4.01/1/a; 4.02 RPR Als schipper met motorschip geen geluidsseinen geven of kunnen geven. Vgl feitenbundel; indien daarin niet opgenomen, hier opnemen a+b +4.02 200 4.05 RPR Onjuist gebruik marifoon. 125 4.05 RPR Marifooninstallatie niet in overeenstemming met de regels, of niet aanwezig. 350–1.000 4.06 RPR Gebruik maken van radar met ongeschikte radarinstallatie. 550 Hfdst. 6 RPR Niet houden aan vaarregels. Geen aanvaring. 200–350 Hfdst. 6 RPR Niet houden aan vaarregels. Met aanvaring / lichte schade, geen letsel. 350–700 6.17/2 RPR Varen binnen afstand van 50 m bij schip met gevaarlijke stoffen dat 2 of 3 kegels voert. 550 6.20 RPR Hinderlijke waterbeweging. Geen schade. 200–350 6.20 RPR Hinderlijke waterbeweging. Met lichte schade, geen letsel. 350–700 6.24–6.29 RPR Doorvaren van (schip)bruggen, stuwen en sluizen in strijd met vaarregels of verkeersteken dat gebod of verbod inhoudt. Geen aanvaring. 200–350 6.24–6.29 RPR Doorvaren van (schip)bruggen, stuwen en sluizen in strijd met vaarregels of verkeersteken dat gebod of verbod inhoudt. Met aanvaring / lichte schade, geen letsel. 350–700 6.30–6.34 RPR Als schipper bij slecht zicht, niet houden aan de vaarregels. Geen aanvaring. 425–700 6.30–6.34 RPR Als schipper bij slecht zicht, niet houden aan de vaarregels. Met aanvaring, lichte schade, geen letsel. 700–1.000 6.30–6.34 RPR Als schipper schip niet stil gelegd bij slecht zicht c.q. varen zonder radar bij slecht zicht. 550 6.32 RPR Varen op radar. Geen radardiploma. 550 7.01–7.06 RPR Ligplaats nemen in strijd met de voorschriften. 125 7.07/1 RPR Minimumafstand niet in acht nemen tot schip met gevaarlijke stoffen. 550 7.08 RPR Geen bewaking of toezicht (geen vervoer van gevaarlijke stoffen). Uitz: bewaking ADN. Tarief zie hoofdstuk V 125–700 8.01 RPR Slepen van/door duwstel in strijd met verbod. 175 8.02–8.04 RPR Duwstel met ander schip dan duwbak. 175–350 8.05 RPR Onjuiste koppelingen. 175 8.06 RPR Geen telefoonverbinding. 175 8.08 RPR Onjuiste tussenruimte bij samenstel van slepen. 175 8.09 RPR ‘Blijf weg’ -sein regels niet in acht nemen 350 Hfst. 11 RPR Overschrijden van de ten hoogste toegelaten afmetingen van schepen, duwstellen en andere samenstellen. 700–1.800 12.01/1 RPR Als schipper schip niet of niet juist voldoen aan de meldplicht. 350 14.01/2/a -14.11 RPR Op de rede geen ligplaats nemen op gereserveerde ligplaats. 175–350 15.03/1 RPR Als schipper schip afgewerkte olie, bilge water, afgewerkt vet, slops, huisvuil, klein chemisch afval etc. lozen of te water doen geraken. 200–2.100 15.04/1 RPR Niet zorgen voor juiste inzameling en behandeling aan boord van de in 15.03 lid 1 genoemde afvalstoffen. 650 15.05/1 RPR Geen olie-afgifteboekje aan boord 275 15.05/1 RPR Oud olie-afgifteboekje niet tenminste 6 maanden bewaard. 100 15.05/2 RPR Niet afgeven van de in 15.03 lid 1 genoemde afvalstoffen. NB Met uitzondering van huisvuil 650 15.05/4 RPR Niet afgeven van huisvuil op daarvoor bestemde inzamelplaats. 100 15.09 RPR Buitenkant schip (scheepshuid) oliën of met niet toegelaten middelen reinigen. 650 IV Varen onder invloed Dit hoofdstuk bevat het strafvorderings- en transactiebeleid voor ‘varen onder invloed’. 1 Algemeen Tegen varen onder invloed op de internationale Rijn wordt – op grond van de Herziene Rijnvaartakte/Akte van Mannheim – opgetreden op basis van het Rijnvaartpolitiereglement 1995 (RPR); tegen varen onder invloed op de overige scheepvaartwegen wordt opgetreden op basis van de Scheepvaartverkeerswet (SVW). Uitgangspunt bij de bepaling van de transactie of strafeis is het adem- of bloedalcoholgehalte (AAG/BAG) van degene die het schip voerde of stuurde (first offender). Per schijf (zie onderstaande tabellen) zijn richtstraffen vastgesteld. Er worden drie basistabellen gehanteerd. – Tabel O wordt gebruikt als een ontzegging van de vaarbevoegdheid mogelijk is; het gaat dan om varen onder invloed met een snelle motorboot of om herhaaldelijk varen onder invloed met een binnenvaartschip (beroepsvaart). Zie hoofdstuk IV, par. 3, van de Aanwijzing Binnenvaart. – Tabel R dient voor de sanctionering op de internationale Rijn (Rijn, Waal, Lek, Pannerdensch Kanaal), waar de enige sanctiemodaliteit een geldboete is. Zie hoofdstuk V van de Aanwijzing Binnenvaart. – In overige gevallen wordt tabel A gehanteerd. Voor bijzonderheden en een toelichting per delict (artikel) zie paragraaf 2, resp. 3. Tabel A Algemeen (geen Rijnvaart, geen ontzegging mogelijk) Tabel O Ontzegging mogelijk – Snelle motorboot (recreatievaart) – Recidive 27 SVW (beroepsvaart) Tabel R Rijnvaart Schijf AAG (µg/
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.