Beleidsplan 2012 - 2013 Sociale ZakenINLEIDING Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wet werk en bijstand (Wwb), Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw), Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz), Besluit bijstand zelfstandigen (Bbz), de Wet inburgering (Wi), de Wet stimulering arbeidsparticipatie (STAP) en de Wet sociale werkvoorziening (Wsw). Het kabinet heeft de Wet werken naar vermogen (Wwnv) ter besluitvorming naar de Tweede Kamer gestuurd. Door de val van het kabinet is het op dit moment nog niet zeker of de Tweede Kamer de wet gaat behandelen of dat de wet controversieel wordt verklaard. Als dat laatste van toepassing is dan zal niet eerder dan na de verkiezingen van 12 september de wet in de Tweede Kamer behandeld worden. In dat geval is het zeer onwaarschijnlijk dat de wet per 1-1-2013 in werking zal treden. Indien de Wwnv op enig moment wordt aangenomen en van kracht wordt dan moet de Wwb in dit beleidsplan gelezen worden als de Wwnv. Al deze wetten en regelingen zullen in dit beleidsplan verder als ‘de wet’ worden aangehaald. De wet biedt aan de gemeente Vlagtwedde de ruimte om eigen beleid te vormen. De gemeenteraad heeft in verschillende verordeningen de kaders vastgelegd. Het college van burgemeester en wethouders heeft de mogelijkheid nadere beleidsregels vast te stellen voor een adequate uitvoering van de wet en de verordeningen. De beleidsregels zijn opgenomen in het voorliggende Beleidsplan Sociale Zaken 2012-2013. Bij de totstandkoming van dit beleidsplan is rekening gehouden met de voorschriften zoals die voortvloeien vanuit de wet. Dit beleidsplan treedt in werking per 1 juli 2012 en vervangt het Beleidsplan Sociale Zaken 2011-2012. Het Beleidsplan Sociale Zaken 2012-2013 is geldig totdat er een nieuw beleidsplan wordt vastgesteld en vormt een leidraad voor alle medewerkers van de afdeling Samenleving. Daarnaast is dit beleidsplan een voorlichtingsdocument voor een ieder die in het beleid van de gemeente geïnteresseerd is. Visie en doelstellingen Het beleid van de gemeente is gericht op: De bevordering van een doelmatige en rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand, alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Het stimuleren van de eigen verantwoordelijkheid van de inwoners van de gemeente met als doel de zelfstandigheid en de zelfredzaamheid te bevorderen. De bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening door middel van inschakeling van arbeid in dienstbetrekking. Het bemiddelen naar maatschappelijk actieve deelname van inwoners van de gemeente die in eerste instantie niet naar (reguliere) arbeid kunnen worden toe geleid. De gemeente onderschrijft de stelling dat arbeid een basis is voor zelfontplooiing, zelfstandigheid, ontwikkeling van vaardigheden, contacten en van sociale betrokkenheid. De gemeente stimuleert de eigen verantwoordelijkheid van de burger met als doel het bevorderen van de zelfstandigheid en zelfredzaamheid. De gemeente stelt zich dan ook ten doel om bij de uitvoering van de wet iedere inwoner van de gemeente Vlagtwedde, die niet op eigen kracht een reguliere betaalde baan kan vinden en/of behouden, daarbij te ondersteunen. Concreet is de doelstelling om ondanks de economische crisis het aantal bijstandsgerechtigden van 141 (stand 20-05-2012) terug te brengen naar 130 ultimo 2013. Uitgangspunt hierbij is: iedereen aan het werk, regulier betaald werk of als dat nog niet mogelijk is sociaal werk (vrijwilligerswerk) tenzij bepaalde beperkingen zich daar gedeeltelijk of volledig tegen verzetten. Mensen die niet in staat zijn om arbeid te verrichten, kunnen op een andere manier meedoen. Nadruk ligt bij deze groep burgers op het bevorderen van maatschappelijk actieve deelname. Dit is tevens een van de aandachtsvelden van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). In dat opzicht zijn de Wwb en Wmo sterk met elkaar verbonden. De gemeente stelt zich ten doel om maatschappelijke uitval van burgers te voorkomen, armoede te bestrijden door middel van participatiebevordering, schuldhulpverlening en ondersteuning van burgers die rond het minimum leven. De gemeente focust zich daarbij primair op de door de Wwb aan haar toegewezen doelgroepen maar stelt haar expertise ter beschikking aan iedere inwoner die ondersteuning nodig heeft. Daarnaast presenteert de gemeente zich in de markt als een professionele dienstverlener aan het bedrijfsleven in het algemeen en het MKB in het bijzonder, waarbij de toegevoegde waarde kan worden gevonden in het bieden van werving en selectie van goede arbeidskrachten, een gratis korte kennismakingsperiode, advisering op het gebied van HRM, geen bureaucratie, ondersteuning en scholing van werknemers en toegang tot (Europese) subsidiemogelijkheden. De gemeente heeft daarbij voor zichzelf de volgende principes (normen en waarden) geformuleerd: Klantvriendelijkheid Iedere klant, daaronder verstaan: inwoners en werkgevers die een beroep doen op de diensten van de gemeente, alsook interne klanten, zullen door medewerkers van de gemeente steeds naar beste kunnen worden geholpen. Maatwerk, persoonlijk contact, accuraatheid, snelheid van handelen, het principe “afspraak is afspraak” en pro-activiteit zullen hierbij een basishouding van de medewerkers zijn. Transparantie De gemeente maakt haar ambities, processen en resultaten meetbaar, kenbaar en openbaar. Professionaliteit De gemeente hecht aan een professionele, betrokken en flexibele opstelling van alle medewerkers en stelt hoge eisen aan het niveau van dienstverlening aan de klant. Van de medewerkers wordt verwacht dat zij de klant kennen, weten wat er bij de klant leeft, wat diens wensen en (on)mogelijkheden zijn. Deze mogelijkheden staan centraal in de manier waarop zij hun functie vervullen. Maatwerk De gemeente biedt aan iedere klant de 1-2-3-methode aan. Daar waar nodig wordt het aanbod op maat gemaakt om de klant te ondersteunen de hoogst haalbare trede op de participatieladder te bereiken. Resultaatgerichtheid De gemeente stelt kwantitatief meetbare doelen en maakt deze waar. Voor de jaren 2012 en 2013 zijn de navolgende meetbare doelstellingen geformuleerd; Het terugbrengen van het aantal uitkeringen van 141 naar 130 uitkeringen ultimo 2013; Het realiseren van de taakstelling Wsw; Het realiseren van de taakstelling huisvesting van statushouders. HOOFDSTUK 1 BELEID ALGEMEEN Inleiding Het streven is om de wet zo rechtmatig en doelmatig mogelijk uit te voeren. 1.1 Organisatie De afdeling Samenleving is opgedeeld in een aantal functies en werkzaamheden die we onderbrengen in een aantal taakvelden. Dit beleidsplan spitst zich toe op het taakveld Sociale Zaken. Bij het taakveld Sociale Zaken vindt er door verschillende (wets) wijzigingen een continue proces van beleidsontwikkeling en veranderingen plaats. Onderstaande beschrijvingen van functies en taken zijn dan ook indicatief. Het taakveld Sociale Zaken bestaat uit verschillende disciplines zoals Inkomen en Zorg, Werk, Inburgering, Huisvesting Statushouders, Volwassen Educatie, Beleid en Administratie. De twee Adviseurs Inkomen en Zorg (adviseur IZ) houden zich primair bezig met het beoordelen van de rechtmatigheid van de uitkering en het geven van voorlichting c.q. advies over de voorzieningen in het kader van het minimabeleid. Daarnaast is handhaving een belangrijke taak die bestaat uit het verstrekken van goede en transparante informatie over de rechten en plichten van de uitkering aan de klant, fraudepreventie, fraudebestrijding en het uitvoeren van een streng doch rechtvaardig sanctiebeleid. Daarnaast voert de adviseur IZ een sterke poortwachterfunctie uit, waardoor de instroom wordt beperkt. Werk bestaat uit twee werkcoaches die tevens accountmanagers zijn. Beide medewerkers van het taakveld Werk worden ingehuurd middels payrolling en uit het Participatiebudget (Werkdeel Wwb) gefinancierd. Daartoe voeren de medewerkers geen wettelijke taken uit. De wettelijke taken met betrekking tot re-integratie worden uitgevoerd door Beleid. De werkcoaches hebben als primaire taak klanten te begeleiden naar werk inclusief voorafgaande diagnose, verwijzing, inzet van instrumenten, geven van trainingen, presentatie van kandidaten e.d.) en hen te matchen met concrete vacatures (inclusief nazorg aan kandidaten). De werkcoaches/ accountmanagers zijn verantwoordelijk voor de acquisitie van vacatures en stageplaatsen, netwerkbeheer en het maken van afspraken met werkgevers alsook de matching van kandidaten met vacatures. Ook voor de werkcoach is handhaving een belangrijk aspect van de functievervulling, vooral door het uitvoeren van een streng doch rechtvaardig sanctiebeleid. Daartoe geeft de werkcoach signalen door aan taakveld Beleid die de inhoudelijke beoordeling doen en de beschikking opmaken. In samenspel met de Adviseur Inkomen en Zorg heeft de werkcoach, ook wat fraudepreventie / fraudebestrijding aangaat, een signalerende functie. Beleid bestaat uit één senior beleidsmedewerker en twee medewerkers beleidsondersteuning. De twee medewerkers beleidsondersteuning houden zich naast Sociale Zaken ook bezig met de Wmo. De senior beleidsmedewerker zorgt voor de ontwikkeling van het beleid. De beleidsondersteuners geven ondersteuning in de uitvoering en ontwikkeling van het vastgestelde beleid. Ze bewaken de kwaliteit en coachen de collega’s om de kwaliteit zo hoog mogelijk te krijgen c.q. houden. Daarnaast verzorgen zij de bezwaar- en beroepszaken van Sociale Zaken als ook de Wmo. Inburgering en Huisvesting Statushouders is sinds 1-1-2012 uitbesteedt aan stichting Rzijn. Educatie voor volwassenen is voor 2012 uitbesteed aan het ROC Noorderpoort. Voor 2013 zal gekeken worden welke partij het meest geschikt is om de educatie voor volwassenen uit te voeren. Administratie bestaat in de basis uit vier medewerkers, één fulltime medewerker beleidsondersteuning administratie, twee medewerkers die verantwoordelijk zijn voor betaling van uitkeringen en uitbetalingen Wmo, één medewerker voor debiteurenbeheer. De werkzaamheden met betrekking tot terugvordering en verhaal zijn als proef uitbesteedt aan de gemeente Stadskanaal. 1.2 Ontwikkelingen In deze paragraaf zal kort aandacht worden besteed aan de ontwikkelingen die relevant zijn voor het gemeentelijke beleid in het kader van de wet voor de komende jaren. Wet werken naar vermogen Het kabinet heeft de nieuwe wet werken naar vermogen (Wwnv) ter besluitvorming naar de Tweede Kamer gezonden. Door de val van het kabinet is het op dit moment nog niet zeker of de Tweede Kamer de wet gaat behandelen of dat de wet controversieel wordt verklaard. Als dat laatste van toepassing is dan zal niet eerder dan na de verkiezingen van 12 september 2012 de wet in de Tweede Kamer behandeld worden. In dat geval is het zeer onwaarschijnlijk dat de wet per 1-1-2013 in werking zal treden. Indien de Wwnv op enig moment wordt aangenomen en van kracht wordt dan moet de Wwb in dit beleidsplan gelezen worden als de Wwnv. De Wwnv komt namelijk in plaats van de Wwb. Verder worden de toelatingseisen van de Wsw en de Wajong aangescherpt, waardoor de toestroom zich zal verplaatsen naar de Wwnv. Alleen mensen die zijn aangewezen op beschut werken komen nog in aanmerking van instroom in de Wsw. De Wajong biedt alleen nog toegang voor die mensen die geen tot nauwelijks arbeidsproductiviteit hebben. Tegelijk wil het kabinet flink bezuinigen op het re-integratiebudget en Wsw. In het ‘Kunduz’ akkoord hebben vijf politieke partijen samen afspraken gemaakt voor de begroting 2013. Daarbij wordt de Wsw gespaard en is de bezuiniging voor 2013 van de baan. Het re-integratiebudget blijft vooralsnog op de hoogte van 2012 gehandhaafd. Wet werk en bijstand Deze wet vormt de basis voor de re-integratietaak van Vlagtwedde en de budgetten die zij daarvoor van het Rijk ontvangt. De budgetten zijn door het Rijk de laatste jaren sterk verlaagd. Het Inkomensdeel is het budget ter dekking van de uitkeringskosten. Het Werkdeel als onderdeel van het Participatiebudget is het budget ter dekking van de re-integratiekosten. Onderstaande tabel geeft het verloop weer. Omschrijving Bedrag Omschrijving Bedrag Inkomensdeel 2004 € 1.829.064 Werkdeel 2004 € 1.891.755 Inkomensdeel 2005 € 2.186.952 Werkdeel 2005 € 1.924.195 Inkomensdeel 2006 € 2.121.587 Werkdeel 2006 € 1.763.215 Inkomensdeel 2007 € 1.857.407 Werkdeel 2007 € 1.602.549 Inkomensdeel 2008 € 1.814.580 Werkdeel 2008 € 1.390.009 Inkomensdeel 2009 € 1.633.123 Werkdeel 2009 € 1.205.894 Inkomensdeel 2010 € 1.168.666 Werkdeel 2010 € 901.926 Inkomensdeel 2011 € 1.276.278 Werkdeel 2011 € 598.722 Inkomensdeel 2012 € 1.601.299 Werkdeel 2012 € 398.378 Wet participatiebudget Vanaf 1-1-2009 is de Wet participatiebudget in werking getreden. Deze wet regelt een bundeling van drie budgetten, het Werkdeel Wwb, de middelen op grond van de Wet Inburgering en de middelen voor volwasseneducatie. De vorming van het participatiebudget biedt de gemeente meer mogelijkheden om burgers te laten participeren. Door de economische situatie en wijzigingen in wet- en regelgeving is de toegezegde ontschotting van de drie verschillende geldstromen uitgesteld tot 1-1-2013. Wet investeren in jongeren (Wij) De Wij is op 1-10-2009 in werking getreden en is per 1-1-2012 ingetrokken. Vanaf die datum kunnen jongeren in de leeftijd tot 27 jaar een beroep doen op de Wwb. De jongere die zich meldt voor een uitkering wordt direct middels de 1-2-3-methode ondersteund om terug naar school te gaan, betaald werk te zoeken of een combinatie. Economie Het CBS verwacht dat de economie in 2012 verder krimpt met 0,75%. De vooruitzichten voor 2013 zijn onzeker. Onderzoek wijst uit dat de krimp van het aantal banen in de regio Oost-Groningen groter is dan in andere delen van het land. Door vergrijzing zal op termijn krapte op de arbeidsmarkt ontstaan. Daarbij is de verwachting dat dit vooral in de zorg en technische beroepen zal zijn. Ondanks de vergrijzing blijven de arbeidskansen voor laagopgeleiden, ouderen en langdurig werklozen ongunstig, vanwege het achterwege blijven van laaggeschoolde arbeid. Hier ligt een uitdaging voor Vlagtwedde voor de komende jaren namelijk: zoveel mogelijk scholing stimuleren, bovendien vraag en aanbod goed op elkaar afstemmen. De afdelingen Samenleving en Ruimte (Economische Zaken) werken nauw samen met ondernemers om vacatures binnen het bedrijfsleven of de non-profit sector in de regio te vervullen en nieuwe bedrijven naar Vlagtwedde te halen. Vlagtwedde bemiddelt actief tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Tevens zal er worden ingespeeld op de vervangingsvraag van werkgevers, waardoor kandidaten tijdig geschoold kunnen worden om toekomstige vrije vacatures te vervullen. Huisvesting statushouders Vlagtwedde heeft in 2011 veel energie gestoken in het realiseren van de taakstelling. Dankzij deze inspanningen is een voorsprong op de taakstelling ontstaan van 2. In 2012 en 2013 wordt het beleid voortgezet om de volledige taakstelling te behalen. Daarmee heeft Vlagtwedde in de afgelopen jaren in totaal zo’n 200 statushouders van een huis voorzien. Hoe het er nu naar uitziet wordt de Wet Inburgering per 1-1-2013 aangepast, waardoor de gemeente afgezien van maatschappelijke begeleiding, verder geen rol meer heeft in de inburgering. De gemeente Vlagtwedde laat de huisvesting statushouders en de maatschappelijke begeleiding door stichting Rzijn uitvoeren. Wet sociale werkvoorziening Door de modernisering heeft er sinds 2008 een herverdeling plaats gevonden van het aantal WSW dienstverbanden over alle gemeenten van Nederland. Voor Vlagtwedde heeft de herverdeling negatieve gevolgen, waardoor het aantal toegekende WSW dienstverbanden steeds verder daalt. Onderstaande tabel laat de herverdeling zien die per 2008 tot uitdrukking komt en in 2012 verder wordt voortgezet. Jaar Aantal SE’s Bedrag 2008 362,4 € 9.181.987 2009 351,53 € 9.519.428 2010 335,71 € 9.091.018 2011 328,43 € 8.459.846 2012 316,26 € 8.146.378 Voor 2012 krijgt de gemeente Vlagtwedde nog maar 316,26 SE’s (standaard eenheden: dienstverbanden van 36 uur per week) toegekend ten opzichte van 328,43 SE’s in 2011. Dit zal betekenen dat van 8 full-time dienstverbanden afscheid zal moeten worden genomen door natuurlijk verloop. Het niet verlengen van tijdelijke dienstverbanden is niet meer van toepassing, doordat de gemeenteraad in 2011 er voor heeft gekozen alle tijdelijke contracten om te zetten naar contracten voor onbepaalde tijd. De wachtlijst (70 personen op 1-5-2012) is redelijk stabiel sinds 2010 toen er ook 70 mensen op de wachtlijst stonden. Er is een kans dat in 2012 of 2013 door natuurlijk verloop WSW dienstbetrekkingen beschikbaar komen voor mensen met een WSW indicatie die op de wachtlijst staan. Door het college is een voorstel naar de raad gestuurd om een wachtlijstverordening Wsw vast te stellen. Dankzij de wachtlijstverordening Wsw kunnen vacatures die ontstaan in het kader van begeleid werken bij werkgevers ingevuld worden door de meest geschikte kandidaat. Daarmee is er hoop om de wachtlijst te laten dalen. Het kabinet is voornemens om de Wsw af te gaan bouwen van landelijk 100.000 SE naar 30.000 SE. De daling van 70% zal de komende jaren ook Vlagtwedde treffen. Om een dergelijke afbouw mogelijk te maken heeft het Rijk een herstructureringsfaciliteit in het leven geroepen van 400 miljoen euro landelijk. Voor Vlagtwedde gaat het om 1.389.314 euro voor de periode 2012 tot en met 2018. Samen met de andere gemeenten die bij werkvoorzieningschap Wedeka is aangesloten, is een aanvraag ingediend voor de herstructureringsfaciliteit. Door de val van het kabinet is het op dit moment onzeker of de herstructureringsfaciliteit wordt doorgezet of niet. Mocht de herstructureringsfaciliteit wel worden voortgezet dan zal Wedeka met deze middelen de komende jaren omgebouwd worden naar een breed werkleerbedrijf voor het re-integreren van de doelgroepen van de wet en beschut werken van de Wsw. Er zal meer nadruk komen te liggen op ‘Begeleid Werken’ (BW). Bij BW gaan mensen met een WSW indicatie in het reguliere bedrijfsleven aan de slag. Zij hebben een dienstverband bij desbetreffend bedrijf, waarvoor dat bedrijf een loonkostensubsidie krijgt van de gemeente. Doordat bedrijven zelf een deel van de kosten betalen kan de WSW enigszins betaalbaar gemaakt worden. Vlagtwedde voert de WSW-BW in eigen beheer uit. Voor acquisitie en jobcoaching wordt een specialist van Wedeka ingehuurd. Dit levert een extra voordeel op doordat het netwerk van contacten met werkgevers van Wedeka ook ingezet kan worden voor uitplaatsing. Visie en Strategie Vlagtwedde 2020 De raad van de gemeente Vlagtwedde heeft een visie op de gemeente tot en met het jaar 2020 vastgesteld. Het toekomstbeeld Vlagtwedde 2020 moet gestalte krijgen door de uitvoering van strategische projecten, waarbij – voor zover relevant – ingezet wordt op economische kansen voor de zorg; een agrocluster met intensieve veehouderij en; toerisme. Deze drie onderdelen vormen het integrale gemeentelijke beleidskader, hetgeen inhoudt dat beleidsontwikkeling op de diverse afdelingen hierop zal moeten worden afgestemd. Voor de afdeling Samenleving betekent dit in ieder geval dat haar activiteiten binnen deze sectoren – Vlagtwedde beschikt al over een relevant netwerk – zullen worden uitgebreid. HOOFDSTUK 2 RE-INTEGRATIE De activiteiten die in dit hoofdstuk staan beschreven, worden mede mogelijk gemaakt door financiering vanuit het Europees Sociaal Fonds (ESF). Voor de periode mei 2012 tot november 2013 heeft de gemeente Vlagtwedde een ESF subsidie aangevraagd om de doelgroepen: Niet uitkeringsgerechtigden (NUO’s), arbeidsbelemmerden, gedeeltelijk arbeidsgeschikten en uitkeringsgerechtigden van 55 jaar of ouder te re-integreren. Op grond van de wet heeft de gemeente de verantwoordelijkheid om werkzoekende burgers te ondersteunen bij het (her)vinden van betaald werk. Op grond van de wet heeft de gemeenteraad de kaders vastgelegd in verschillende verordeningen. In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen op grond van de ‘Re-integratieverordening gemeente Vlagtwedde’, verder te noemen de ‘re-integratieverordening’. De gemeente Vlagtwedde voert de re-integratie zelfstandig uit. De gemeente koopt sinds 2004 geen re-integratietrajecten in bij re-integratiebedrijven, maar werft zelf professionals, stuurt deze aan en koopt instrumenten in die de professionals nodig hebben voor effectieve re-integratie. De gemeente is daarmee zelf verantwoordelijk voor resultaten. De gemeente Vlagtwedde is een vooruitstrevende gemeente als het om re-integratie gaat. De gemeente Vlagtwedde heeft zijn eigen methode ontwikkeld: de 1-2-3-methode. Kern van deze methode is een directe inschakeling in arbeid van kandidaten, een directe oplossing van alle relevante belemmeringen, maximale inzet op uitstroom naar regulier werk, een werkweek van 40-uur, trajectbegeleiding vanuit het werkgeversperspectief en maatschappelijke participatie. Daarnaast onderscheidt de gemeente Vlagtwedde zich in haar zakelijke werkgeversbenadering. De gemeente beschikt over twee werkcoaches/accountmanagers die in samenwerking met bedrijvencontactfunctionaris van de afdeling economische zaken zorgdragen voor de acquisitie van stageplaatsen en vacatures, netwerkontwikkeling en relatiebeheer. De gemeente ontwikkelt zich daarmee van een dienstverlener aan kandidaten eveneens tot een dienstverlener aan werkgevers. Doelgroepen(artikel 2 re-integratieverordening) De wet bepaalt dat de gemeente verantwoordelijk is voor re-integratie van een zestal doelgroepen: Inwoners aan wie de gemeente krachtens de Wwb, Ioaw of Ioaz een uitkering tot levensonderhoud verstrekt: uitkeringsgerechtigden; Inwoners die, zonder recht op een uitkering van de gemeente of de Uitvoeringsinstelling Werknemers Verzekeringen (Uwv), bij het UWV werkbedrijf zijn ingeschreven als niet werkende werkzoekende: NUO’s; Inwoners die onder het participatiebudget vallen; Inwoners die van de Sociale Verzekeringsbank een uitkering tot levensonderhoud ontvangen op grond van de Algemene nabestaandenwet: Anw-ers; Inwoners met een dienstverband dat gesubsidieerd wordt op basis van het Wwb Werkdeel (voorheen de Wiw of het Besluit ID-banen); Inwoners met een Uwv uitkering waarvan het Uwv heeft aangegeven dat de gemeente een rol kan c.q. mag vervullen in het kader van re-integratie. In het kader van het ESF project gaat het hierbij in ieder geval om de doelgroepen: arbeidsbelemmerden, gedeeltelijk arbeidsgeschikten en uitkeringsgerechtigden van 55 jaar of ouder. De termen kandidaat, klant, cliënt en werkzoekende hebben dezelfde betekenis. Daarnaast is de gemeente verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw). Hieruit komt een zevende doelgroep naar voren: Inwoners die wegens een lichamelijke, psychische en/of verstandelijke beperking niet tot reguliere arbeid in staat zijn en aan wie derhalve een beschutte werkplek moet worden geboden: Wsw-ers. 2.1 Uitwerking artikel 3 van de re-integratieverordening Aan het re-integratiebeleid liggen een aantal uitgangspunten ten grondslag. Onderstaand worden deze uitgangspunten kort genoemd en nader geconcretiseerd. Daarnaast worden waar nodig per doelgroep aanvullende uitgangspunten geformuleerd. 2.1.1. Prioriteiten Er worden alleen dan voorzieningen aangeboden indien het beschikbare budget dit toelaat. Alle werkzoekenden in de gemeente Vlagtwedde kunnen een beroep doen op de gemeente voor ondersteuning naar (betaald) werk. De eerste prioriteit (inzet van menskracht en financiële middelen) ligt weliswaar bij de groep uitkeringsgerechtigden. Er zal echter (in overleg met de ketenpartners) gekeken worden naar optimalisering van de dienstverlening aan overige inwoners van de gemeente Vlagtwedde. Doel van de trajectbegeleiding voor deze bredere doelgroep is om de instroom in de bijstand te voorkomen en gekwalificeerd aanbod te hebben voor werkgevers. 2.1.2. Snelheid en intensiviteit Eén van de belangrijkste uitgangspunten is snelheid, oftewel beperking van onnodig tijdverlies door bureaucratie. Dit uitgangspunt komt onder meer tot uiting in de snelle intake en start van het traject en de snelle inzet van diagnose-instrumenten. Met andere woorden: kandidaten worden binnen afzienbare tijd (enkele werkdagen) naar werk of activering bemiddeld. Iedere klant heeft tijdens de trajectbegeleiding periodiek een persoonlijk gesprek met de werkcoach in samenwerking met de Adviseur Inkomen en Zorg. Uitgangspunten hiervan zijn “Ken je klant en heb hem/haar volledig in beeld”. 2.1.3. Iedereen doet mee Een minstens zo belangrijk uitgangspunt als snelheid is het opdoen en/of behouden van werkritme en –ervaring gedurende het re-integratietraject. Iedereen die een uitkering ontvangt zal zich maximaal moeten inspannen om te re-integreren c.q. zijn/haar perspectief op werk te verbeteren. Werken is daarbij noodzakelijk, of het nou plaatsvindt in het kader van een stage, het opdoen van werkervaring, het voorkomen van lacunes in een cv of sociale activering. Werken tijdens de uitkeringsperiode vergroot de inpasbaarheid in het arbeidsproces en voorkomt sociaal isolement. Tevens is het een onderdeel van de diagnose. Om die reden dient een werkzoekende zich 40 uur per week in te zetten voor het re-integratietraject. Met andere worden: iedereen aan het werk, tenzij bepaalde beperkingen zich daar gedeeltelijk of volledig tegen verzetten. In dat geval zal bij de inzet van het werk rekening worden gehouden met de mogelijkheden c.q. beperkingen en zal het aantal uren per week waarschijnlijk minder zijn dan 40 uur per week. Dit zal op een zo objectief mogelijke manier worden gemotiveerd door bijvoorbeeld een advies van de arbo-arts of een Sociaal Medisch Advies van het Uwv. Mensen die niet in staat zijn om arbeid te verrichten, kunnen op een andere manier meedoen. Nadruk ligt bij deze groep burgers op het bevorderen van maatschappelijk actieve deelname en het voorkomen van sociale uitsluiting. Een intensief traject biedt ook de mogelijkheid om zo de klant echt te leren kennen. 2.1.4. Eigen initiatief De rol van de gemeente is die van ondersteuner. Het vinden en behouden van een reguliere baan is primair de verantwoordelijkheid van de werkzoekende. Afhankelijkheid van de behoeften van de individuele klant kan de ondersteuning door de gemeente minder vergaand zijn (ondersteuning bij sollicitaties) of juist uiterst vergaand zijn (bemiddeling, het vinden van een baan). 2.1.5. Werk boven inkomen De klant zal maximaal worden geprikkeld om uit te stromen naar regulier werk. Deze prikkels zijn onder meer: een streng sanctiebeleid: iedere weigering c.q. wanprestatie van de klant zal – na waarschuwing door de werkcoach, worden bestraft met een verlaging (afstemming) die kan oplopen tot 100% van de bijstand. De duur en hoogte van deze afstemming wordt bepaald aan de hand van de afstemmingverordening van de gemeente. Daarnaast zal worden onderzocht of en in hoeverre, indien een re-integratietraject door het handelen of nalaten van de klant wordt stopgezet, de door de gemeente tot dan toe verschuldigde trajectkosten volledig van de klant kunnen worden teruggevorderd. een strikte toepassing van het begrip algemeen geaccepteerde arbeid. Dit betekent dat een klant alle arbeid moet aanvaarden, behalve arbeid die in strijd is met de wet of de goede zeden. De klant zal zich tevreden moeten stellen met alle arbeid die voorhanden is c.q. binnen de termijn van het re-integratietraject zal worden gevraagd. 2.1.6. Grenzen van investeringen artikel 3 lid 2 re-integratieverordening De re-integratieactiviteiten gericht op bemiddeling naar een reguliere baan zullen te allen tijde ten doel hebben de klant in een zo kort mogelijke tijd en met zo min mogelijk kosten blijvend toe te laten treden tot de reguliere arbeidsmarkt op een minimaal voor de klant bereikbaar niveau. Uitgangspunt hierbij is dat de re-integratie zich voornamelijk richt op de kortste weg naar werk en/of maatschappelijke participatie en sociale zelfredzaamheid. Kansen voor duurzame uitstroom worden zoveel mogelijk benut en bevorderd middels scholing, stages en opleidingscoaches in te zetten. De werkzoekende kan geen eisen stellen aan de investering die de gemeente doet. Als het participatiebudget besteed is, is de gemeente gerechtigd om alle voorzieningen te staken, zoals reiskostenvergoeding, premies, etc. 2.2 Uitwerking artikel 4 van de re-integratieverordening Alle algemeen geaccepteerde arbeid moet worden aanvaard, zie artikel 4 lid 1 re-integratieverordening. Het college van B&W, bepaalt in eerste instantie de reikwijdte van dit begrip en de toepassing van de criteria in individuele situaties. Bij deze beoordeling kunnen gewetensbezwaren (bijvoorbeeld uit geloofsovertuiging) een rol spelen, maar dan alleen als onderdeel van een complex van afwegingen, waarbij tevens gekeken wordt naar bijkomende omstandigheden, zoals de inspanningen die betrokkene heeft gedaan om werkloosheid te vermijden of een andere baan te vinden. Ook zal over het algemeen bekeken worden hoeveel mogelijkheden iemand heeft om op korte termijn een andere, algemeen geaccepteerde baan te vinden. Met andere woorden, "het werkloosheidsrisico" vormt een belangrijk criterium. Bovendien kan een beroep op gewetensbezwaren alleen, wanneer deze een zodanig conflict met de te verrichten arbeid oplevert, dat die arbeid in het geheel niet meer verricht kan worden. Waar het in de kern om gaat is dat iemand de financiële gevolgen van de eigen keuzes niet mag afwentelen op de maatschappij door afhankelijk te blijven van een uitkering wanneer betaald werk voorhanden is. Artikel 4 lid 2 re-integratieverordening biedt de werkzoekende de mogelijkheid om ondersteuning te krijgen van de gemeente bij arbeidsinschakeling. Vlagtwedde doet dit door het toepassen van de 1-2-3-methode. De 1-2-3-methode is sinds 2004 door Vlagtwedde ontwikkeld en houdt het volgende in: Dag 1: Voor de jongere tot 27 jaar geldt de baanzoekplicht van 4 weken zoals beschreven onder punt 2.2.10. De werkzoekende van 27 jaar of ouder meldt zich bij het Uwv-werkbedrijf als werkzoekende. De gemeente Vlagtwedde ontvangt via het Uwv de aanmelding en nodigt de werkzoekende schriftelijk uit met het verzoek om alle ontbrekende documenten in te leveren tijdens de werkintake op dag 2. De werkzoekende dient zelf en op eigen kosten te zorgen voor vervoer en kinderopvang voor zowel dag 1 als dag 2. Indien de werkzoekende op dag 2 niet verschijnt wordt de aanvraag per beschikking buiten behandeling gesteld. Als de werkzoekende alsnog in aanmerking wil komen voor een bijstandsuitkering, zal deze zich opnieuw moeten melden bij het Uwv. Het niet hebben van vervoer of kinderopvang zijn geen geldende redenen om niet op dag 2 bij de werkintake te verschijnen. Dag 2: de werkzoekende ontvangt bij de werkintake informatie over de wet en het beleid van de gemeente (de 1-2-3-methode). De wensen en (on)mogelijkheden van de werkzoekende worden besproken. Er worden afspraken gemaakt over de re-integratie en vastgelegd in het re-integratieplan. Voor jongeren in de leeftijd tot 27 jaar en alleenstaande ouders worden de gemaakte afspraken omtrent de re-integratie vastgelegd in het plan van aanpak. Het plan wordt door de werkzoekende en de gemeente ondertekend. De gemeente bevestigd de gemaakte afspraken door middel van een beschikking die separaat wordt toegestuurd. Dag 3: De werkzoekende gaat aan de slag met de afspraken die in het re-integratieplan zijn vastgelegd. Op grond van artikel 4 lid 3 re-integratieverordening is de 1-2-3-methode voor alle bijstandsgerechtigden een verplicht onderdeel waar volledige medewerking aan verleend moet worden. Binnen de 1-2-3-methode gelden de volgende uitgangspunten: 2.2.1. Huisregels en agressie Kandidaten dienen zich te houden aan de huisregels zoals beschreven in bijlage 2. Agressie wordt niet getolereerd. Mocht er op enigerlei wijze sprake zijn van agressie dan wordt het agressieprotocol van de gemeente gevolgd. Op grond van de Afstemmingsverordening Wwb kan dit leiden tot een verlaging van de uitkering. 2.2.2. Arbeidstraining / Stage Iedere uitkeringsgerechtigde klant zal zo spoedig mogelijk na aanmelding worden bemiddeld naar een stageplaats of arbeidstraining. In combinatie met de workshops van de gemeente en persoonlijke begeleiding door de werkcoach is de tijdsbelasting 40 uur per week, tenzij dit door beperkingen niet mogelijk is. In dat geval is het aantal uren per week leidend wat het hoogst haalbare is. Dit aantal uren zal zo objectief mogelijk vastgesteld worden door een arbo-arts of een Sociaal Medisch Advies (SMA) van het Uwv. In dit verband onderhoudt en vergroot de gemeente een netwerk van werkgevers. Op een stageplaats c.q. arbeidstrai-ningsplaats wordt de klant aangestuurd door de betreffende organisatie, maar onder regie van de werkcoach. De stage dient steeds een specifiek doel, met name arbeidsritme en het opdoen van werknemersvaardigheden. De werkcoach zal bij selectie van de stageplaats zoveel mogelijk rekening houden met het bemiddelingsberoep of de bemiddelingsrichting van de klant. 2.2.3. Arbodienst Waar gewerkt wordt, dient een arbodienst aanwezig te zijn, zowel in het belang van de klant (arbeidsomstandigheden, ziekteverzuimbegeleiding) als in het belang van de gemeente (verzuimpreventie). Concreet komt deze dienstverlening erop neer dat een klant die van mening is dat hij vanwege ziekte niet in staat is zijn of haar trajectverplichtingen na te komen, dat dient te melden bij zijn arbeidstrainingsplaats/stageplaats én de werkcoach. De klant dient zich aan het verzuimprotocol te houden, zoals beschreven in bijlage 1. De werkcoach registreert deze ziekmelding in het online meldingssysteem en vraagt aan de arbodienst– afhankelijk van de concrete situatie – daaraan een passend vervolg te geven. De gemeente zal in veel voorkomende gevallen ook een verzuimmedewerker inzetten om door huisbezoek vast te stellen dat iemand ziek thuis is. De zieke dient in alle gevallen bereikbaar te zijn voor de gemeente en is zelf verantwoordelijk om bij de gemeente aan te geven hoe en op welke wijze de zieke bereikbaar is. In ieder geval geldt daarbij als uitgangspunt dat de contactfrequentie van de Wet Poortwachter, die overigens niet van toepassing is, wordt nagestreefd. 2.2.4. Verlof/vakantie In de Wwb is vakantie alleen toegestaan mits dit de arbeidsinschakeling niet belemmert. Een werknemer in Nederland heeft gemiddeld 24 vakantiedagen per jaar bij een veertig urige werkweek. Kandidaten bouwen per ingezet uur 6 minuten verlof op, bij een inzet van 40 uur per week, heeft iemand na 4 weken in totaal 2 verlofdagen van 8 uur opgebouwd. Verlof kan pas worden opgenomen indien het verlof ook daadwerkelijk is opgebouwd en onder de voorwaarde dat er maximaal vier weken aansluitend vakantie mag worden genomen. Het opgebouwde verlof kan nooit omgezet worden in geld en daarmee nooit tot uitbetaling in geld leiden. Indien een klant aan de start van een traject staat, zal vakantie als belemmerend worden beschouwd en niet worden toegestaan, tenzij de werkcoach individuele omstandigheden en/of dringende redenen constateert waardoor van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. Om zo nauw mogelijk aan te sluiten bij een werksituatie, is er voor gekozen dat kandidaten via het klant re-integratiesysteem (KRS) digitaal een verzoek tot verlof dienen te doen bij de werkcoach. De werkcoach beoordeelt of het opnemen van de vrije dagen/ vakantie niet belemmerend werkt voor de voortgang van het traject. Een reden om het verzoek tot verlof af te keuren is als de kandidaat het regelmatig laat af weten op de werkplek en/of zich onvoldoende inzet op de werkplek, dan wel een arbeidshouding heeft die verbetering behoeft. Als het verlof c.q. vakantie door de werkcoach wordt goedgekeurd en door de kandidaat wordt opgenomen, dient deze het verlof wel te vermelden op het maandelijkse rechtmatigheidsonderzoeks-formulier (ROF). Ieder opgebouwd verlof vervalt aan het einde van het traject. Tijdens ziekte bouwt de klant geen verlof op. 2.2.5. Diagnose-instrumenten De werkcoach heeft de beschikking om – in geval van vermeende lichamelijke, psychische of verstandelijke beperkingen – aanvullende diagnose-instrumenten in te zetten, zoals sociaal-medisch, arbeidskundig of psychologisch onderzoek. Ieder van deze onderzoeken heeft ten doel beperkingen te signaleren, alsmede de resterende belastbaarheid en daarbij behorende beroepen. Daarnaast zijn ook instrumenten als beroepsinteresse- en intelligentietesten beschikbaar. Onderzoeken vinden binnen twee werkdagen na aanmelding plaats en rapportage wordt binnen twee werkdagen na onderzoek aangeleverd. 2.2.6. Werkgeversperspectief Hoewel de verhouding tussen de gemeente en kandidaten geen formele werkgevers-werknemersrelatie is, zal de periode in de uitkering zoveel mogelijk aansluiten bij de beoogde werksituatie. Dit om de overgang naar de werksituatie zo optimaal mogelijk vorm te kunnen geven. Dit betekent onder meer dat ieder traject van kandidaten: Ø Een tijdsinvestering van 40 uur per week zal vergen tenzij dit door omstandigheden niet mogelijk is; Ø Een arbodienst ziekteverzuimbegeleiding en risico-inventarisaties zal verzorgen; Ø Concrete situaties en vraagstukken vanuit een werkgeversperspectief zullen worden benaderd; Ø Als uitgangspunt heeft, dat de kandidaat als een normale werknemer wordt behandeld. 2.2.7. Onafhankelijkheid De gemeente is volledig verantwoordelijk voor de re-integratie van de doelgroep en wordt daar ook financieel op afgerekend. Dit betekent dat de gemeente en de partners die in dit proces zijn betrokken optimaal moeten presteren. De gemeente zal waar mogelijk hierop sturen. Daarbij zal zoveel mogelijk worden samengewerkt met de ketenpartners, zoals het UWV WERKBEDRIJF. 2.2.8. Scholing Scholing kan deel uitmaken van het re-integratietraject indien de gemeente van mening is dat de scholing bijdraagt aan de arbeidsinschakeling. Scholing is geen recht waar de klant zich op kan beroepen. In principe worden alleen vakgerichte scholingen ingezet zoals VCA, heftruckcertificaat, etc. indien dit aansluit bij het kunnen laten werken van de werkzoekende. De kosten van reguliere scholing als Bol en Bbl dient de klant zelf te voldoen om rechtsongelijkheid met medestudenten te voorkomen die geen vergoeding van de gemeente kunnen krijgen. Alleen als dit tot onbillijkheden van overwegende aard zou leiden kan het college hiervan afwijken. Alleenstaande ouders met kinderen tot 5 jaar kunnen ontheffing aanvragen van de re-integratieplicht voor de duur van maximaal 5 jaar, maar dan staat er een scholingsplicht tegenover. In dat geval zal de gemeente Vlagtwedde een scholingsaanbod aan de alleenstaande ouder doen en is een vergoeding vanuit de gemeente mogelijk. De inkoop van scholing zal steeds door de werkcoach worden gemotiveerd en is uitsluitend mogelijk indien en voor zover een relatie bestaat met reële beroepskansen na afronding. Financiering van de scholing en toestemming voor de kandidaten om scholing te starten met behoud van uitkering, vindt alleen dan plaats, indien er geen beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening zoals bijvoorbeeld studiefinanciering. Daarnaast wordt ingezet op het stimuleren van duurzame uitstroom door het in kaart brengen van de vervangingsvraag en opleidingsbehoeften bij werkgevers door de werkcoaches/ accountmanagers en dit te koppelen aan de werkzoekenden. Door werkzoekenden die werken met behoud van uitkering op te leiden naar de vraag van werkgevers, is de kans op duurzame arbeid groter. De kans van terugval op de bijstand is kleiner. 2.2.9. Bereikbaarheid De werkzoekende is zelf verantwoordelijk om op eigen kosten telefonisch bereikbaar te zijn. Het niet hebben van voldoende financiële middelen is geen argument, omdat een deel van de bijstandsuitkering hiervoor is bedoeld. Als de werkcoach een vacature heeft, dient de werkcoach bereikbaar te zijn op werkdagen van 8.00 uur tot 17.00 uur. De werkzoekende is verantwoordelijk om wijziging van telefoonnummer dan wel bereikbaarheid aan de werkcoach door te geven. 2.2.10. Baanzoekplicht jongeren tot 27 jaar De jongere tot 27 jaar die zich meldt bij het Uwv voor een bijstandsuitkering, moet eerst 4 weken zeer intensief zoeken naar betaald werk of een opleiding die valt onder de studiefinanciering. Deze 4 weken wordt ook wel de ‘baanzoekplicht’ genoemd. De gemeente Vlagtwedde verstaat onder de baanzoekplicht in ieder geval dat de jongere zich laat inschrijven bij 5 uitzendbureaus en elke werkdag minimaal 1 concrete sollicitatie op werkelijke vacatures verricht. In 4 weken zijn dat dus 20 aantoonbare sollicitaties. Open sollicitaties vallen daar niet onder. De jongere die binnen de 4 weken geen betaald werk of studie heeft gevonden kan een aanvraag indienen voor een bijstandsuitkering. Bij de werkintake dient de jongere een overzicht in te leveren van de 5 inschrijvingen bij uitzendbureaus en van 20 verrichte sollicitaties. De werkcoach beoordeelt vervolgens de inspanningsverplichting. Als uit de houding en gedragingen van de jongere ondubbelzinnig blijkt dat hij of zij de verplichtingen, bedoeld in artikel 9, lid 1 Wwb, of artikel 55 Wwb niet wil nakomen, door bijvoorbeeld maar bij 1 uitzendbureau in te schrijven en enkele sollicitaties te hebben verricht, dan wordt dat door de gemeente beoordeeld als niet voldaan aan de inspanningsverplichting. In dat geval zal de aanvraag in principe worden afgewezen. Indien de jongere alsnog voor een uitkering in aanmerking wil komen, zal deze een nieuwe aanvraag bij het Uwv moeten indienen. Indien de jongere gedeeltelijk aan de baanzoekplicht heeft voldaan door bij meer dan 1 uitzendbureau ingeschreven te staan en meer dan 3 concrete sollicitaties te verrichten, dan wordt er conform artikel 3 derde lid sub c en artikel 4 lid 1 sub c van de afstemmingsverordening Wwb een verlaging van 30% op de uitkering toegepast. 2.3 Uitwerking artikel 5 re-integratieverordening NUO’s en ANW-ers Niet uitkeringsgerechtigden ofwel niet uitkering ontvangers (NUO’
- s)en ANW-ers, komen in aanmerking voor ondersteuning van de werkcoaches/accountmanagers in de vorm van persoonlijke begeleiding, trainingen, workshops en gesprekken. 2.3.1. Geen recht NUO’s en ANW-ers komen niet in aanmerking voor reiskostenvergoeding, premies, subsidiebanen, loonkostensubsidie en scholing, tenzij deze gekoppeld is aan betaald werk en naar het oordeel van de gemeente de investering rechtvaardigen. NUO’s en ANW-ers met een bruto inkomen boven de 115% van de voor hen geldende bijstandsnorm komen niet in aanmerking voor de inzet van overige voorzieningen, zoals scholing en voorzieningen die de gemeente geld kosten anders dan de personele inzet van werkcoaches/accountmanagers. Alleen als dit tot onbillijkheden van overwegende aard zou leiden kan het college hiervan afwijken. 2.3.2. Eigen bijdrage Op grond van artikel 8 lid 4 re-integratieverordening kan de gemeente ten alle tijden een eigen bijdrage eisen van de NUO’s en ANW-ers. Op grond van het mandaatbesluit kan de manager afdeling Samenleving daar nadere invulling aan geven. 2.4 Uitwerking artikel 6 van de re-integratieverordening ontheffingen Volledige ontheffing van alle Wwb arbeidsverplichtingen op grond van artikel 9 lid 1 sub a en sub b Wwb is alleen mogelijk indien iemand een indicatie heeft op grond van de wet sociale werkvoorziening (WSW) of een Wajong uitkering heeft. De verplichting voor het leveren van een tegenprestatie zoals benoemd in artikel 9 lid 1 sub c Wwb is wel op voorgenoemde doelgroepen van toepassing. Hoofdstuk 3 gaat nader in op het leveren van de tegenprestatie en wat de gemeente Vlagtwedde daar onder verstaat. 2.4.1. Volledige ontheffing is niet mogelijk Voor de Wwb-gerechtigden zonder WSW-indicatie is volledige ontheffing van alle Wwb arbeidsverplichtingen op grond van artikel 9 lid 1 Wwb niet mogelijk. De verplichting die altijd van toepassing is en blijft is de plicht om te participeren en sociaal actief te zijn in de mate waarin dat voor de Wwb-gerechtigde mogelijk is. Zelfs in de situatie dat een klant allerlei beperkingen heeft, is de klant niet ontheven van de plicht van sociale activering. De plicht om mee te werken aan een onderzoek naar arbeidsinschakeling blijft ook ten alle tijden van toepassing. Een gedeeltelijke ontheffing van de verplichtingen is wel mogelijk op grond van artikel 9 Wwb, lid 2 en 4. De gedeeltelijke ontheffing zal middels een beschikking aan de klant kenbaar worden gemaakt. De gedeeltelijke ontheffing is altijd voor bepaalde tijd. In beginsel nooit langer dan één jaar. 2.5 Uitwerking artikel 7 van de re-integratieverordening voorzieningen In deze paragraaf wordt het re-integratieproces en de keuzes die daarin moeten worden gemaakt, zo concreet mogelijk weergegeven en moet gezien worden als een voorziening op grond van artikel 7 lid 1 van de re-integratieverordening. In feite vormt deze paragraaf het belangrijkste onderdeel van dit beleidsplan: het beleid in uitvoering. 2.5.1. Melding, Intake en Traject (1-2-3-methodiek) 2.5.1.1 Melding (dag 1) Het proces begint op het moment dat een tot de doelgroep behorende klant zich meldt bij het UWV WERKBEDRIJF voor een uitkering of een traject op grond van de Wwb of via internet een aanvraag Wwb doet. Voor de jongere tot 27 jaar geldt de baanzoekplicht zoals beschreven onder punt 2.2.10. Na 4 weken meldt de jongere zich weer bij het Uwv. De melding komt binnen bij het UWV WERKBEDRIJF die de aanvraag doorzet naar de gemeente Vlagtwedde, met daarin de naw-gegevens van de nieuwe klant, alsmede zijn of haar telefoonnummer. De werkzoekende wordt uitgenodigd voor een werkintake en diagnose met de werkcoach bij de gemeente Vlagtwedde op dag 2. De werkzoekende dient zelf en op eigen kosten te zorgen voor vervoer en kinderopvang voor zowel dag 1 als dag 2. Indien de werkzoekende op dag 2 niet verschijnt wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld en zal de werkzoekende zich opnieuw moeten melden voor de aanvraag van een bijstandsuitkering. De ingangsdatum van de bijstandsuitkering zal in die situatie niet langer de meldingsdatum zijn bij het Uwv, maar de datum wanneer de werkintake horende bij de bijstandsaanvraag daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Het niet hebben van vervoer of kinderopvang zijn geen geldende redenen om niet op dag 2 bij de werkintake te verschijnen. 2.5.1.2 Intake en diagnose (dag 2) De klant meldt zich voor een werkintakegesprek met de werkcoach. De klant wordt informatie verstrekt over de re-integratiemethode van Vlagtwedde, ontvangt een werkmap met het verzuimprotocol, het digitale KRS systeem via www.ons-werk.nl wordt uitgelegd, de klant overhandigt aan de werkcoach een curriculum Vitae (CV) en motivatiebrief. Tijdens het gesprek stelt de werkcoach een diagnose en vormt een belangrijk onderdeel van het proces. Op basis van deze diagnose worden voor de klant en de gemeente verstrekkende besluiten genomen. Voor de klant, omdat bepaald wordt naar welk van de twee voorlopig bereikbare doelen zal worden toegewerkt.[1] Voor de gemeente, omdat een verkeerde keuze direct financiële consequenties heeft. Een goede voorbereiding, een zorgvuldige gespreksvoering en intensieve evaluatie zijn derhalve voor beide partijen noodzakelijk. Het diagnosegesprek heeft ten doel te bepalen wat het voor de klant bereikbare doel is en welk traject c.q. welke instrumenten zullen worden ingezet om dat doel te bereiken. Er wordt naar gestreefd om het traject, dat tot het gekozen doel zal moeten leiden, te starten op uiterlijk de eerstvolgende werkdag. De keuzes die – op hoofdlijnen – kunnen worden gemaakt, zijn de volgende: A. Regulier werk a. Directe bemiddeling (maximaal drie maanden) b. Kortdurend toeleidingstraject (maximaal zes maanden) c. Langdurig toeleidingstraject (maximaal drie jaar) B. Sociale activering a. Activering b. Toeleiding sociale werkvoorziening c. Flankerende maatregelen Treden 1,2 en 3 vallen onder keuze B (zorg, sociale activering, vrijwilligerswerk). Onderstaande figuur laat de 6 treden van de participatieladder zien: (nb: het is technisch niet mogelijk het figuur hier in te voegen. Trede 1 is geïsoleerd, trede 2 is sociale contacten buitenshuis, trede 3 is deelname georganiseerde activiteiten, trede 4 is onbetaald werk, trede 5 is betaald werk met ondersteuning, trede 6 is betaald werk). De procedure om tot de bovenstaande doelen te komen zal hierna op hoofdlijnen worden weergegeven. Essentieel is dat steeds een vervolgafspraak wordt gemaakt, zodat de klant in beeld blijft. 1.2.1 De werkcoach gaat na of de klant redelijkerwijs binnen maximaal drie maanden een reguliere baan kan vinden. De klant wordt dan aangemerkt als “direct bemiddelbaar” of “hot cliënt”. Als dat zo is en de klant geen belemmeringen van betekenis aanvoert, zal de klant op de volgende werkdag starten met een intensief bemiddelingstraject, dat wordt uitgevoerd door de werkcoaches en een intensief arbeidstrainingstraject van in totaal 40 uur per week. Hij/zij zal in deze 40 uur arbeidstraining doorlopen voor het behoud van arbeidsritme en eventueel opdoen van werkervaring, daarnaast is hij/zij tijdens de werkweek op uitnodiging in het gemeentehuis aanwezig voor het coachen en stimuleren en het volgen van een training of workshops dan wel naar het werkplein en uitzendbureaus op zoek naar werk. 1.2.2 Tijdens het gesprek met de werkcoach/accountmanager zal deze een goed beeld proberen te krijgen van de klant om deze zorgvuldig te bemiddelen naar een werkgever. 1.2.3 Indien een klant belemmeringen van betekenis aanvoert (zoals medische klachten, financiële problemen of een gebrek aan kinderopvang), lost de werkcoach dit in samenwerking met de Adviseur Inkomen en Zorg en de klant zoveel mogelijk ter plekke op. Hieronder zijn de verschillende mogelijkheden opgesomd: De klant voert medische (lichamelijke, psychische en/of verstandelijke) belemmeringen aan. De werkcoach maakt, indien wenselijk, tijdens het gesprek telefonisch een afspraak voor de klant bij een keuringsarts, arbeidsdeskundige of psycholoog. De keuring bij het Uwv voor een Sociaal Medisch Advies (SMA) vindt doorgaans plaats binnen tien werkdagen, de rapportage wordt binnen twee werkdagen daarna aangeleverd. De werkcoach maakt in het gesprek een vervolgafspraak voor na ontvangst van de rapportage. Ook wordt de afspraak gemaakt om de eerst volgende werkdag met een intensief bemiddelingstraject te starten, zoals beschreven onder punt 1. Belemmeringen en eventueel benodigde aanpassing van de werkplek worden doorgegeven aan de begeleider van de werkplek. Het functioneren op de werkplek wordt meegenomen bij de verdere diagnose. De klant voert praktische belemmeringen aan, zoals het ontbreken van kinderopvang of vervoersproblemen. De werkcoach gaat in geval van kinderopvang na of de klant dit zelf kan opvangen (gastouderopvang). Als dit niet mogelijk is, verwijst de werkcoach in het gesprek de klant naar de kinderopvanginstelling(
- en)om zo spoedig mogelijk kinderopvang te regelen. Dit is de proimaire verantwoordelijkheid van de klant. Voor vervoersproblemen is de klant zelf en op eigen kosten verantwoordelijk voor de aanschaf van een OV-chipkaart. De reiskosten van het verdere re-integratietrajct kunnen onder bepaalde voorwaarden worden vergoedt door de gemeente. Over het algemeen heeft de gemeente bussen aanwezig waar de klant gebruik van kan maken. Reizen binnen 10 kilometer van het huis van de klant worden niet vergoedt indien de klant in staat is de afstand per fiets af te leggen. Beschikt de klant niet over een fiets, dan kan de gemeente een leenfiets beschikbaar stellen. Ook wordt de afspraak gemaakt om met een intensief bemiddelingstraject te starten, zoals beschreven onder punt 1, wanneer de kinderopvang en vervoer geregeld zijn. 1.2.4 Indien de klant niet direct bemiddelbaar is, bepaalt de werkcoach wat het hoogst haalbare einddoel voor de klant is: regulier werk of uitsluitend een uitkering met sociale activering c.q. werken met behoud van uitkering (participatieplaats). 1.2.5 De werkcoach stelt een uitstroomgericht re-integratieplan dan wel plan van aanpak op, zie artikel 3 lid 4 en lid 5 van de re-integratieverordening. De werkcoach is regievoerder en de klant is verantwoordelijk voor de uitvoering van het traject. De werkcoach koopt waar nodig externe re-integratieproducten in. 1.2.6 Indien de werkcoach tot de conclusie komt dat regulier werk niet haalbaar is, maar de klant wel de capaciteiten heeft om regelmatige loonvormende arbeid te verrichten, leidt de werkcoach de klant toe naar een activeringstraject. Daarnaast zal de klant die geconfronteerd wordt met ingrijpende problemen (schulden, psychische problemen, verslaving, etc.) in het gesprek worden doorverwezen naar budgetbegeleiding en/of de daarvoor bestaande hulpverleningsinstanties. De werkcoach blijft het traject bewaken en regiseren. 1.2.7 Indien de klant niet in staat is tot enige vorm van loonvormende arbeid, kan aan de klant een individuele vrijstelling voor bepaalde duur worden verleend voor solliciteren naar betaald werk. Er vindt geen vrijstelling plaats voor sociale activering. Verlening van een vrijstelling vindt steeds plaats op basis van individuele omstandigheden maar in ieder geval: Indien de combinatie van zorg en arbeid of de combinatie van zorg en voorziening niet mogelijk is voor alleenstaande ouders voor maximaal de duur van deze onmogelijkheid; Indien kandidaten om psychische dan wel medische redenen niet in staat zijn om te werken voor de duur van de periode van ontheffing en in de mate waarin zij niet in staat zijn tot werken of tot maatschappelijke participatie. De onder het eerste aandachtsstreepje genoemde uitzonderingsgrond kan ook in individuele gevallen worden toegepast voor anderen dan alleenstaande ouders, waaronder pleegouders. 1.2.8 Voor jongeren geldt een bijzondere procedure op grond van de wet. De jongere is namelijk verplicht om de eerste 4 weken na melding bij het Uwv alles te doen om betaald werk te vinden of scholing die valt onder studiefinanciering. Deze 4 weken wordt ook wel de ‘baanzoekplicht’ genoemd. De gemeente Vlagtwedde verstaat onder de baanzoekplicht in ieder geval dat de jongere zich laat inschrijven bij 5 uitzendbureaus en elke werkdag minimaal 1 concrete sollicitatie op werkelijk bestaande vacatures verricht. In 4 weken zijn dat dus 20 aantoonbare sollicitaties. Open sollicitaties vallen daar niet onder. De jongere die binnen de 4 weken geen betaald werk of studie heeft gevonden kan een aanvraag indienen voor een bijstandsuitkering. Bij de werkintake dient de jongere bij de werkcoach een overzicht in te leveren van de 5 inschrijvingen bij uitzendbureaus en van 20 verrichte sollicitaties. De werkcoach beoordeelt vervolgens de inspanningsverplichting. Indien de jongere niks of nagenoeg niks heeft gedaan door bijvoorbeeld maar bij 1 uitzendbureau ingeschreven en 2 of 3 sollicitaties heeft gedaan, dan wordt dat door de gemeente beoordeelt als niet voldaan aan de inspanningsverplichting. In dat geval zal een nieuwe baanzoekplicht van 4 weken intreden en verschuift de eerst mogelijke ingangsdatum van de wwb uitkering naar de datum dat de tweede termijn van de baanzoekplicht is ingegaan. Indien de jongere gedeeltelijk aan de baanzoekplicht heeft voldaan door bij meer dan 1 uitzendbureau ingeschreven te staan en meer dan 3 concrete sollicitaties te verrichten, dan wordt er conform artikel 3 derde lid sub c en artikel 4 lid 1 sub c van de afstemmingsverordening Wwb een verlaging van 30% op de uitkering toegepast. De werkcoach gaat vervolgens met de jongere een plan van aanpak maken. Voor een jongere zonder startkwalificatie geldt als uitgangspunt: terug naar school. De werkcoach zal dit in het intakegesprek als eerste onderzoeken. Tot de uitstroom uit de bijstand is gerealiseerd is een intensief traject van 40 uur per week van toepassing op de jongere met arbeidstraining, sollicitatiebegeleiding en gesprekken met de werkcoach. Het traject voor een jongere behelst voor zover mogelijk steeds het gebruikmaken van de mogelijkheden van studiefinanciering. Aan het eind van het gesprek stelt de werkcoach samen met de klant een re-integratieplan of plan van aanpak op, waarin de uitkomst van het gesprek wordt vastgelegd in termen van einddoel, traject / instrumenten, arbeidstraining en (vervolg)afspraken. Hierna vangt het traject daadwerkelijk aan. Indien de klant tijdens het gesprek heeft aangegeven van een uitkering af te zien, wordt hiervan een verklaring ingevuld. 2.5.1.3 Intensieve coaching Iedere klant wordt gedurende zijn re-integratietraject gecoacht door een vaste werkcoach. De intensiteit van deze coaching is afhankelijk van de specifieke aandachtspunten van de klant en vindt periodiek plaats. Bij ieder contact worden de acties van klant en werkcoach steeds aan het plan getoetst en vindt waar nodig bijsturing plaats. Noemenswaardige notities worden in het logboek van het klant re-integratiesysteem (KRS) vastgelegd. Het is in principe niet mogelijk dat een klant op eigen verzoek van werkcoach kan wisselen. In het bedrijfsleven zal de klant ook met persoonlijkheden te maken krijgen die hem of haar niet zo liggen. Het kunnen omgaan met een werkcoach hoort daarom bij de training van de klant. 2.5.1.4 Het traject De invulling van deze fase vloeit voort uit de keuzes die in de eerste fase zijn gemaakt. In de meeste gevallen zal sprake zijn van een re-integratietraject met als onderdeel arbeidstraining en (sollicitatie)begeleiding in de trainingsruimte van de gemeente met een tijdsbelasting van 40 uur per week. Voor alle kandidaten geldt dat zij in ruil voor hun uitkering alles in het werk zullen moeten stellen om terug te keren in het arbeidsproces. Dit betekent dat iemand met een uitkering in principe gedurende 40 uur per week re-integratieactiviteiten zal moeten verrichten. De aard van deze activiteiten is afhankelijk van de afstand tot de arbeidsmarkt en de specifieke belemmeringen die moeten worden opgelost. Bij ieder traject is sprake van individueel maatwerk. De klant dient alle activiteiten in het klant re-integratiesysteem (KRS) bij te houden. Met de 40 urige ‘werk’week is aansluiting gezocht bij banen in het bedrijfsleven. Die zijn over het algemeen ook 40 uur per week. Een belasting van 40 uur per week is bedoeld om te voorkomen dat werkzoekenden moeilijkheden gaan ervaren met gewenning, uithoudingsvermogen en ritme, wanneer men ‘ineens’ wel 40 uur per week gaat werken. Indien de klant uiteindelijk met minder dan 40 uren onafhankelijk kan worden van de bijstand, dan treedt er eerder een positief effect op dan negatief. Om die reden is in het kader van artikel 7 lid 2 van de re-integratieverordening gekozen voor een verplichte 40 urige inzet voor arbeidstraining, sollicitatiebegeleiding en gesprekken met de werkcoach. De werkcoach voert samen met de klant het traject uit, bewaakt de met de klant gemaakte afspraken en stuurt bij waar nodig. Uitgangspunt bij de begeleiding en coaching zal het motto “Ken je klant” zijn. Dit wordt vooral bereikt door de ervaringen uit de 40 urige ‘werk’week van de klant. Persoonlijk contact en inzicht in motivatie, capaciteit en het netwerk van de klant zijn noodzakelijk om de klant optimaal te kunnen coachen. Nauwe samenwerking tussen de verschillende partijen waar de klant mee te maken heeft, is dan ook absolute noodzaak. Dit vraagt van de werkcoach en de Adviseur Inkomen en Zorg een sterke regiefunctie, een hoge mate van flexibiliteit, een pro-actieve houding, handelen volgens het principe “afspraak is afspraak” en een nauwkeurige vastlegging van contactmoment en gespreksverslagen in het logboek van de klant. 2.5.1.5 Bemiddeling Deze fase komt in feite alleen aan de orde in trajecten voor kandidaten met een kleine afstand tot de arbeidsmarkt, de zogehete ‘hot cliënts’. Direct bemiddelbare kandidaten kunnen daardoor meeliften op het netwerk van de gemeente naast hun eigen sollicitatieactiviteiten en vinden daardoor sneller een regulier betaalde baan. Bij kandidaten die meer moeite hebben met het vinden van een reguliere baan, zal de ondersteuning door de gemeente een verdergaand karakter hebben. De acquisitie van werkervaringsplaatsen/stages, subsidiebanen en reguliere banen is in handen van de werkcoach/accountmanagers. 2.5.1.7 Instrumenten Bij het re-integratieproces staan de werkcoach en de klant verschillende instrumenten ter beschikking. Gaandeweg kan een behoefte ontstaan aan nieuwe instrumenten. Deze kunnen dan onder toepassing van het gemeentelijke inkoopbeleid door de werkcoach middels een mandaatadvies worden ingekocht na akkoord van de medewerker beleid. Als deze nieuwe instrumenten een structureel karakter krijgen, zullen zij worden beschreven in het beleidsplan. 2.5.1.7.1 Ondersteunende instrumenten De gemeente stelt zich ten doel kandidaten zo optimaal mogelijk te steunen bij het vinden van een reguliere baan en het uitvoeren van een traject. Dit betekent dat de gemeente, afhankelijk van het traject, bepaalde ondersteunende instrumenten kan inzetten. Het gaat daarbij voornamelijk om de financiering van zaken als: Reiskosten die een klant maakt in het kader van zijn traject, daaronder begrepen het frequent bezoeken van de arbeidstrainingsplek en het gemeentehuis in het kader van het traject, mits de vergoeding is vastgelegd in het re-integratieplan. Reiskosten voor reizen binnen de 10 kilometer enkele reis worden niet vergoed. De vergoeding bedraagt de werkelijke kosten van het Openbaar Vervoer (2de klas) of, mits met eigen vervoer wordt gereisd, 0,19 euro per kilometer en kan achteraf digitaal bij de gemeente worden gedeclareerd middels het Klant reïntegratiesysteem (KRS) via www.ons-werk.nl. De klant is zelf verantwoordelijk voor het indienen van de reiskostendeclaraties. Reiskostendeclaraties voor reizen ouder dan 2 maanden op de datum van indiening worden niet vergoed. Indien de gemeente zelf vervoer geregeld heeft, bestaat geen recht op reiskostenvergoeding. Nug-ers hebben geen recht op reiskostenvergoeding. De klant heeft geen recht op vergoeding voor het bezoek aan het UWV werkbedrijf en de gemeente als het niet in het kader is van het re-integratietraject. De klant heeft geen recht op reiskostenvergoeding voor overige reizen die niet in het kader van het re-integratietraject worden gemaakt; Brommer of fiets. Aan kandidaten die in het kader van re-integratie grote afstanden moeten reizen dan wel de reisafstand niet of onvoldoende adequaat met het openbaar vervoer kunnen afleggen en over onvoldoende middelen beschikken om daar zelf adequaat in te voorzien, kan een brommer of een fiets in bruikleen worden verstrekt. Dit ter beoordeling van de werkcoach; Kleding en persoonlijke verzorging. Aan kandidaten die in het kader van re-integratie kleding en persoonlijke verzorging nodig hebben ten behoeve van sollicitatie-activiteiten, een stage of anderszins en over onvoldoende middelen beschikken om daar zelf adequaat in te voorzien, kan representatieve kleding en voorzieningen in het kader van persoonlijke verzorging worden verstrekt. Dit ter beoordeling van de werkcoach; Computer. Aan kandidaten die niet of in beperkte mate met een computer overweg kunnen en daardoor bij het vinden van een reguliere baan of andere vormen van maatschappelijke participatie in een achterstandspositie verkeren, kan computer- onderwijs worden gegeven. Hiervoor heeft de gemeente Vlagtwedde op grond van de Wet educatie beroepsonderwijs afspraken gemaakt met het regionaal opleidingscentrum (ROC). Indien de klant thuis niet over een computer beschikt, kan een vergoeding van maximaal 450 euro worden verstrekt in de tegemoetkoming van de kosten. Een voorwaarde is wel dat dit een noodzakelijkheid in het re-integratietraject is; Advisering en hulpverlening bij financiële problemen. Aan kandidaten met beginnende of vergevorderde schuldenproblematiek wordt coaching van hun bestedingspatroon, hulpverlening bij schuldsanering en/of budgetcursus aangeboden met als doel: een financieel gezonde huishouding. Dit is zowel preventief als regressief gericht. Hierin werkt de gemeente samen met eerdergenoemde ROC. Indien de klant zich onvoldoende inzet voor het re-integratietraject, dan kunnen, op grond van artikel 10 lid 1 van de re-integratieverordening, de verstrekte vergoedingen – afhankelijk van de verwijtbaarheid van de klant – worden teruggevorderd. 2.5.1.7.2 Flankerende dienstverlening In een traject kan het voorkomen dat bepaalde beperkingen de start of voortzetting van een traject onmogelijk maken. Het kan dan gaan om bijvoorbeeld verslaving, psychische problemen etc. De gemeente kan in deze gevallen – buiten de bestaande kanalen – experts inschakelen die deze problemen samen met de klant gaan oplossen. Het gaat daarbij onder meer om: Psychologische of psychiatrische hulpverlening Verslavingszorg Gezinscoaching 2.5.1.7.3 Werkgeversdienstverlening Vlagtwedde presenteert zich als dienstverlener aan bedrijven in de regio Oost-Groningen. Vlagtwedde biedt in deze markt concreet de volgende producten: Arbeidskrachten; Gratis korte kennismakings- c.q. inwerkperiode / proeftijd; Flexibele arbeidsverhoudingen; Gratis scholing en training van (potentiële) medewerkers; Advies en maatwerkoplossingen op het gebied van HRM; Een laagdrempelige toegang tot overige gemeentelijke diensten. 2.5.1.7.4 Inkoop De gemeente voert de re-integratie zoveel mogelijk in eigen beheer in en koopt bij de uitvoering van haar re-integratietaak desgewenst instrumenten in. Deze inkoop vindt plaats conform de regels die het Europese, nationale aanbestedingsrecht en het gemeentelijke inkoop- en aanbestedingsbeleid stelt. 2.5.1.7.5 Interne training Vanaf de eerste dag van het traject zal de klant geplaatst worden in de training ook wel persoonlijke begeleiding genoemd. Deze training heeft een aantal doelen namelijk: begeleiding bij solliciteren; klant in beeld krijgen c.q. hebben; arbeidsritme opdoen c.q. behouden; veranderings- en leerproces op gang brengen bij de klant; uitstroom realiseren. a. Actieve begeleiding, ondersteuning bij het solliciteren. De klant wordt gewezen op vacatures, heeft toegang tot internet om te solliciteren, heeft de beschikking over gratis postzegels voor het versturen van sollicitatiebrieven, kan gratis zijn/haar brief kopiëren, heeft de beschikking over enveloppen, krijgt indien nodig training in het solliciteren, communiceren, presenteren, etc. b. De klant is in beeld. De klant volgt een 40 urige trajectweek waarvan een aantal uren per week training. De training werkt tevens als diagnose instrument (qua gedrag, motivatie en opstelling) en heeft een signaalfunctie qua eventuele nevenactiviteiten. Het motto “ken je klant” komt ten volle tot uiting met als subdoel dat je ook als werkcoaches elkaars klanten leert kennen. c. Zie b. d. Veranderingsproces. De klant wordt gecoacht op mentaliteit, houding en mogelijkheden. Tevens wordt hij/zij gestimuleerd om maatschappelijk te participeren indien werk (nog) niet haalbaar is. Er zal veel aandacht zijn voor kernkwaliteiten, communicatie, uiterlijke presentatie, normen en waarden. e. Plaatsing op regulier, gesubsidieerd of sociaal werk. Naast de persoonlijke begeleiding zijn er ook workshops waarbij een professionele acteur wordt ingehuurd om rollenspellen te oefenen, zodat de klant beter toegerust is om zich te presenteren tijdens een sollicitatiegesprek. 2.5.2. Overige voorzieningen Naast de voorzieningen die onder punt 1 zijn benoemd, staan in artikel 7 van de re-integratieverordening nog enkele mogelijkheden benoemd. Hierna volgen de beleidsregels hieromtrent. 2.5.2.1 Subsidiebaan artikel 7 lid 5 en 6 re-integratieverordening Wegens zeer beperkte middelen in het participatiebudget, maakt de gemeente Vlagtwedde slechts in de grootst mogelijke uitzondering gebruik van subsidiebanen of loonkostensubsidies. Indien dit wordt ingezet zal dit veelal middels een mandaatadvies duidelijk beargumenteerd worden. Uitzondering hierop is het aflopende 60+ project ‘Oud is Goud’ waar loonkostensubsidie aan wordt verstrekt zolang het project loopt. 2.5.2.2 Eigen bedrijf of zelfstandig beroep artikel 7 lid 8 re-integratieverordening Primaire richting van een re-integratietraject naar werk zal een dienstbetrekking in loondienst zijn. Gedurende het traject kan de werkcoach op grond van de individuele omstandigheden van de klant tot de conclusie komen dat het vinden van een regulier dienstverband zeer moeizaam of niet realiseerbaar zal zijn, maar dat het starten van een eigen bedrijf meer kans van slagen heeft. Mocht de klant op enig moment aangeven aan de werkcoach of Adviseur Inkomen en Zorg zelfstandige te willen worden, dan zal de werkcoach volgens een stappenplan te werk. Het stappenplan is zeer intensief met een werkbelasting van 40 uur per week en wordt in een zo kort mogelijke termijn doorlopen. Stappen 1 tot en met 4 binnen 2 weken, stappen 5 tot en met 7 in 6 maanden. Dit is nodig omdat niet iedereen het in zich heeft om een zelfstandige ondernemer te zijn. Indien de aspirant ondernemer het niet op kan brengen om 40 uur per week met het traject bezig te zijn, zich niet aan afspraken kan houden en de opdrachten niet goed vervult dan ontbreekt het naar mening van de gemeente Vlagtwedde aan capaciteiten om een zelfstandige ondernemer te zijn. Dit wordt dan ook al op voorhand bij stap 1 duidelijk besproken. Als op enig moment duidelijk wordt dat het eigen bedrijf geen kans van slagen heeft, wordt de klant direct opgenomen in de (sollicitatie)begeleiding om te solliciteren naar banen in loondienst. Stap 1 is erop gericht om de klant op weg te helpen. Door middel van een intakegesprek wordt informatie verstrekt en een trajectplan opgesteld met opdrachten die de klant gaat vervullen zoals: - Korte beschrijving van het ondernemersplan - Vervolgafspraak - Werkervaring op doen in het werk waar de beoogd zelfstandig ondernemer een eigenbedrijf wil starten. Stap 2 Bespreken korte ondernemersplan Stap 3 Competentietest zelfstandig ondernemer bij het UWV WERKBEDRIJF Stap 4 Bespreken uitslag competentietest en diagnose wel of geen haalbaarheid. Indien niet, dan wordt de klant ingedeeld in de (sollicitatie)begeleiding om te solliciteren naar banen in loondienst. Indien wel, dan wordt het trajectplan bijgesteld met de vervolgstappen. Stap 5 Opstellen uitgebreid ondernemersplan. De klant wordt daar waar nodig intensief gecoacht door het ROI of een een jobcoach. Hier hoort ook het bezoeken van de Kamer van Koophandel bij, banken, verzekeringskantoren, marktonderzoek, etc. Stap 6 Aanvraag BBZ (inclusief onderzoek levensvatbaarheid door IMK). Stap 7 Start Bbz, coaching en nazorg. Naast alle stappen blijft het opdoen van werkervaring in het werk waar de beoogd zelfstandig ondernemer een eigenbedrijf wil starten, een belangrijk onderdeel van het traject met een tijdsbelasting van 40 uur per week. 2.5.2.3 Sociale activering Sociale activering is maatwerk en één van de stappen van re-integratie. Zeker indien de kandidaat nog te veel beperkingen heeft om regulier aan het werk te gaan. Ook voor kandidaten die vooralsnog geen uitzicht hebben op regulier werk is sociale activering noodzakelijk en heeft ten doel de betrokken klant maatschappelijk te laten participeren om een sociaal isolement of de dreiging daarvan op te heffen. Het instrument is daarom ook niet in aard en omvang beperkt (behoudens financiële grenzen). 2.5.2.4 Wet sociale werkvoorziening (Wsw) Inwoners van de gemeente die vanwege lichamelijke, psychische of verstandelijke beperkingen niet in staat zijn een reguliere baan te aanvaarden, kunnen in aanmerking komen voor een dienstbetrekking in de sociale werkvoorziening. Daartoe moeten zij een aanvraag indienen bij het UWV WERKBEDRIJF[2]. Het UWV WERKBEDRIJF zal op deze aanvraag binnen 16 weken een besluit nemen. Voor kandidaten die tot de doelgroep van de gemeente behoren, zal de werkcoach de klant indien gewenst ondersteunen bij zijn aanvraag. Bij een besluit tot toelating wordt de klant overgedragen aan de gemeente, bij een besluit tot afwijzing wordt de betrokkene doorverwezen naar de instantie die een vervolgtraject zal moeten uitzetten (werkgever, Uwv, gemeente, zorginstelling). De gemeente is verantwoordelijk voor plaatsing in de sociale werkvoorziening (beschut werken) en uitvoering van begeleid werken. Zie ook beleidsregel 2.4 lid 1. 2.5.2.5 Verantwoording Met ingang van het verantwoordingsjaar 2006 is ten aanzien van een aantal specifieke uitkeringen het principe “single information singel audit (“sisa”) ingevoerd. Eén van deze specifieke uitkeringen is de Wwb. Basisidee bij het principe “sisa” is dat het Rijk bij het vragen van informatie zoveel mogelijk aansluit bij de informatiebehoeften en verantwoordingsmomenten van de medeoverheden zelf. De gemeente hoeft niet speciaal meer een aparte verantwoording voor het rijk op te stellen, maar kan het eigen jaarverslag gebruiken. In een bijlage bij de jaarrekening wordt de verantwoordingsinformatie opgenomen over specifieke uitkeringen die het Rijk nodig heeft om de uitkeringen te kunnen beoordelen. “Sisa” betekent voor de gemeente; Verantwoording via toelichting op de jaarrekening. Beperkte verantwoording. Geen afzonderlijke accountantsverklaring per specifieke uitkering maar een jaarrekening inclusief accountantsverklaring is voldoende. Eén verantwoordingsmoment (uiterlijk 15 juli) aan het CBS namens het ministerie van BZK. Minder intensieve controle: reguliere jaarrekeningcontrole + enige extra controle voor Algemene Rekenkamer. Controleprotocollen vervallen. In plaats daarvan jaarrekeningcontrolevoorschriften. Rapport van bevindingen per jaarrekening volstaat + rapporten over kleinere fouten en onzekerheden in plaats van rapport per specifieke uitkering. Tot slot levert de gemeente aan het CBS statistische gegevens in het kader van de SRG-monitor, Statistiek Re-integratie Gemeenten en aan het inlichtingenbureau inzake het digitaal klantdossier (DKD). Belangrijkste gegevens die hierin worden verantwoord zijn het aantal kandidaten dat wordt bediend, het aantal kandidaten dat uitstroomt naar regulier werk en de frequentie en gemiddelde duur van de inzet van het instrument gesubsidieerde arbeid. 2.5.2.6 Budgetplafond De hoogte van het SZW deel in het participatiebudget is leidend voor de inzet van voorzieningen. Er worden alleen dan voorzieningen aangeboden indien het beschikbare budget dit toelaat. 2.6 Uitwerking artikel 11 re-integratieverordening beëindiging Indien de voorziening, bedoeld in beleidsregel 2.5, beëindigd wordt op grond van artikel 11 lid 1 van de re-integratieverordening, dan bepaalt de werkcoach voor welke periode de voorziening niet wordt aangeboden. Tevens bepaalt de werkcoach of en in welke mate de werkzoekende in tweede aanleg in aanmerking komt voor een voorziening. 2.7 Uitwerking artikel 12 en 12A re-integratieverordening premie wet STAP In het kader van artikel 12 en 12A Wet stimuleren arbeidsparticipatie (STAP) van de re-integratieverordening wordt het instrument premie ingezet in combinatie met ‘euro-banen’. Euro-banen zijn gecreëerde alternatieve werkplekken bij werkgevers waar bijstandsgerechtigden met behoud van uitkering aan het werk gaan. De werkgever betaald in dat geval een bijdrage in de kosten van re-integratie in de vorm van een inleenvergoeding. Bij een 3 eurobaan is de inleenvergoeding die de werkgever betaald 3 euro per uur, bij een 5 eurobaan 5 euro per uur, etc. De hoogte van de eurobaan is een zaak tussen de werkcoach/accountmanager en de werkgever en heeft tot doel om de werkgevers zoveel mogelijk bij te laten dragen in de kosten van re-integratie, omdat de werkgevers uiteindelijk ook belang hebben bij goed personeel. Als het werken met behoud van uitkering gedurende minimaal zes maanden naar behoren wordt vervuld, wordt aan de klant een premie uitgekeerd van maximaal het bedrag dat in de re-integratieverordening artikel 12A is opgenomen. Indien de bijstandgerechtigde met behoud van uitkering aan het werk gaat in een zogeheten eurobaan wordt dit gezien als participatieplaats op grond van de wet. 2.7.1. Voorwaarden premie Naast hetgeen in artikel 12A van de re-integratieverordening is gesteld, zijn op grond van artikel 12A lid 7 re-integratieverordening de volgende beleidsregels van toepassing: - de klant doet een verzoek van de premie aan de werkcoach; - de premie wordt alleen dan aan de klant uitgekeerd indien er een getekende overeenkomst aanwezig is met een werkgever waarin het werken met behoud van uitkering in verband met een eurobaan is vastgelegd; - alleen de uren die in het Klant re-integratiesysteem (KRS) via www.ons-werk.nl door de klant zijn geregistreerd én in het kader van werken met behoud van uitkering zijn gewerkt tellen mee voor de premie. HOOFDSTUK 3 Beleid aangaande de tegenprestatie In artikel 9, lid 1 sub c van de Wet werk en bijstand (Wwb) en artikel 37, lid 1 onder f Ioaw respectievelijk Ioaz is de wettelijke basis vastgelegd voor de tegenprestatie die iedere bijstandsgerechtigde verplicht is te leveren. Deze plicht tot tegenprestatie geldt ook voor de Wsw en Wajong geïndiceerden. In dit hoofdstuk worden de beleidsregels beschreven die betrekking hebben op de tegenprestatie. Beleidsregel 1 Doelstelling De gemeente Vlagtwedde is van mening dat mensen die een bijstandsuitkering op grond van de Wwb, Ioaw of Ioaz krijgen of hebben aangevraagd de plicht hebben om daarvoor naar vermogen bepaalde onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten te verrichten. De werkzaamheden worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en mogen niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Men noemt dit de plicht tot het leveren van een tegenprestatie naar vermogen. Het doel van de verplichting is om een tegenprestatie te verlangen voor het beroep op de solidariteit van de samenleving. Beleidsregel 2 Eisen werkzaamheden De werkzaamheden die de gemeente oplegt voldoen aan de volgende eisen: onbeloond; maatschappelijk nuttig; geen belemmering voor het accepteren van werk; geen belemmering voor de re-integratie; beperkt in omvang; beperkt in tijdsduur; worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid; leiden niet tot verdringing op de arbeidsmarkt; de bijstandsgerechtigde moet in staat zijn ze te verrichten; de bijstandsgerechtigde is verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid en aansprakelijkheid. Beleidsregel 3 Samenloop met arbeidsplicht en re-integratie De plicht tot het leveren van een tegenprestatie staat in principe los van de arbeidsplicht en het re-integratietraject. Het is niet bedoeld als re-integratie-instrument. Beleidsregel 4 Opleggen verplichting De werkcoach/accountmanager bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de beschikbare onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten, de aard duur een omvang van de tegenprestatie. Deze worden vastgelegd in een rapport en een beschikking. Beleidsregel 5 Algemene beginselen van behoorlijk bestuur Bij het opleggen van de verplichting tot het leveren van een tegenprestatie hanteert de gemeente de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dit betekent dat de werkcoach altijd het volgende moet doen: Onderzoeken of de bijstandsgerechtigde in staat is om de werkzaamheden te verrichten (zorgvuldige voorbereiding). De werkcoach zal indien nodig (medisch) advies moeten inwinnen bij derden. Het gaat immers om een tegenprestatie naar vermogen. Aannemelijk maken in de beschikking dat de werkzaamheden voldoen aan de daaraan gestelde eisen (motiveringsplicht). De plicht niet zo maar aan iemand opleggen (verbod van willekeur). Om die reden geldt de plicht tot tegenprestatie voor alle bijstandsgerechtigden. In vergelijkbare gevallen dezelfde soort verplichting tot het leveren van een tegenprestatie opleggen (gelijkheidsbeginsel). De verplichting niet opleggen met een ander doel dan het verlangen van een tegenprestatie voor de bijstand (verbod van détournement de pouvoir). De gemeente zal de verplichting dus niet opleggen om iemand te straffen. Beleidsregel 6 Verzekering en aansprakelijkheid De partij waar de tegenprestatie wordt verricht, zorgt dat de bijstandsgerechtigde tijdens het verrichten van de werkzaamheden verzekerd is. Het gaat daarbij om het afdekken van de risico's van arbeidsongeschiktheid en aansprakelijkheid. De gemeente is niet aansprakelijk als het werk leidt tot arbeidsongeschiktheid van de bijstandsgerechtigde of tot schade bij derden. De gemeente is niet aansprakelijk voor een vergoeding of loon voor de verrichte tegenprestatie als de bijstand achteraf wordt teruggevorderd over een periode waarin de verplichting tot tegenprestatie is opgelegd, Bij de aanvraag voor een bijstandsuitkering dient de bijstandsgerechtigde zich te realiseren dat aan de aanvraag het verrichten van een tegenprestatie is gekoppeld ook al blijkt de aanvraag niet tot een bijstandsuitkering te leiden of dat de bijstandsuitkering om wat voor reden dan ook later wordt teruggevorderd. De tegenprestatie kan in geen enkel opzicht gezien worden als het verrichten van reguliere betaalde werkzaamheden, waardoor de gemeente niet aansprakelijk gesteld kan worden voor loon of een vergoeding. Beleidsregel 7 Combinatie met zorg voor gezinslid met AWBZ-indicatie De gemeente zal bij het opleggen van de verplichting tot tegenprestatie aan iemand die een gezinslid met een AWBZ-indicatie verzorgt, nagaan of die zorg te combineren is met de tegenprestatie. Daarbij is niet relevant of de gemeente het gezinslid met AWBZ-indicatie voor de WWB als alleenstaande of gezinslid beschouwt. Beleidsregel 8 Aanvullende regels De werkcoach/accountmanager kan aanvullende regels stellen ten aanzien van het opleggen van de verplichting tot het leveren van een tegenprestatie naar vermogen. Beleidsregel 9 Gevolgen niet nakomen verplichting Als een bijstandsgerechtigde de opgelegde verplichting tot het leveren van een tegenprestatie niet nakomt, kan de gemeente de bijstandsuitkering tijdelijk verlagen conform de afstemmingsverordening Wwb. Beleidsregel 10 Verschil met participatieplaats De relatie tussen de tegenprestatie en de participatieplaats is dat het gaat om twee verschillende instrumenten die gemeenten tot hun beschikking hebben. Beide instrumenten richten zich op het verrichten van werkzaamheden met behoud van uitkering waarbij het karakter van de werkzaamheden additioneel is. Beide instrumenten zijn ook duidelijk van elkaar te onderscheiden. De werkzaamheden op een participatieplaats dienen primair nuttig te zijn voor de ontwikkeling van betrokkene richting de arbeidsmarkt. De werkzaamheden in het kader van de tegenprestatie worden daarentegen verricht omdat van de uitkeringsgerechtigden een tegenprestatie wordt verwacht voor de uitkering die nuttig is voor de samenleving. In het verlengde hiervan is aan de tegenprestatie geen scholing of een opleiding gekoppeld. Dit instrument is immers niet bedoeld als re-integratie instrument. Verder zal het leveren van een tegenprestatie vaak werkzaamheden van korte duur omvatten, terwijl een participatieplaats voorziet in werken voor een langere periode van maximaal twee jaar met, onder omstandigheden, een verlengingsmogelijkheid. Een laatste verschil is dat voor het werken op een participatieplaats de gemeente een premie (eurobaan) zal toekennen aan de uitkeringsgerechtigde indien hij voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op arbeidsinschakeling, terwijl dat niet het geval is bij het verrichten van een tegenprestatie. Beleidsregel 12 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen genoemd in dit hoofdstuk, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. HOOFDSTUK 4 RICHTLIJNEN BEHANDELING AANVRAGEN EN TOEPASSING WWB, IOAW EN IOAZ Ingevolge de Wwb, Ioaw en Ioaz moet onder andere vorm worden gegeven aan een gerichte aanpak van de fraudebestrijding. Hiervoor is een handhavingsverordening opgesteld. Daarnaast is er deze beleidsnota. In deze beleidsnota is de aantoonplicht van de belanghebbende omschreven. Wie aanspraak wil maken op bijstand of een uitkering op grond van de Wwb, Ioaw/Ioaz moet dus aan bepaalde eisen voldoen. Tevens is de verificatie van de verstrekte gegevens door de gemeente (de zogenaamde poortwachterfunctie) geregeld. In deze beleidsnota is tevens de onderzoeksplicht van de gemeente geregeld. Algemeen beleid Om het vermogen bij aanvang en tijdens de periode van bijstandsverlening te kunnen vaststellen zijn in deze paragraaf richtlijnen vastgesteld. In artikel 34 en 50 Wwb zijn de bepalingen opgenomen over het recht op bijstand voor belanghebbenden die eigenaar zijn van de door hem of zijn gezin bewoonde woning. In de Wwb zijn geen echter bepalingen meer opgenomen omtrent de verlening van bijstand in de vorm van een krediethypotheek. In de Wwb is alleen opgenomen dat de bijstand in de vorm van de geldlening wordt verstrekt wanneer de hoogte van de algemene bijstand over de periode van een jaar naar verwachting meer zal gaan bedragen dan het wettelijke minimumloon en het vermogen gebonden in de woning meer bedraagt dan artikel 34, lid 2, sub d Wwb. Toch is in het kader van bijstandsverlening wenselijk om bijstand in de vorm van een hypotheek te verlenen ter zekerheidstelling van de geldlening. Vermogen Voor de toepassing van de Wet werk en bijstand wordt op grond van artikel 34 Wwb onder vermogen verstaan: De waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. De waarde van bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering; Middelen die worden ontvangen in de periode waarover algemene bijstand is toegekend, voorzover deze geen inkomsten betreffen als bedoeld in de artikelen 32 en 33. Bij de bepaling van het vermogen ten aanzien van banksaldi rekening worden gehouden met het normale uitgavenpatroon van de belanghebbende. Toevallige schommelingen in het positieve saldo moeten gedeeltelijk of geheel buiten de berekening van het vermogen blijven. Zo zal een kort voor de aanvang van de bijstand bijgeschreven uitkering of loon, niet betrekking hebbend op de lopende bijstandsperiode, buiten beschouwing blijven mits deze inkomsten niet meer bedragen dan de voor belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm (exclusief de vakantietoeslag) en het rekeningnummer waarop het inkomen is bijgeschreven een positief saldo heeft. Van enkele vermogensbestanddelen is het ongewenst of onbillijk om deze als vermogen in aanmerking te nemen en van de aanvrager te vergen deze in te zetten voor het levensonderhoud. Deze bestanddelen zijn limitatief opgesomd in artikel 34, tweede en vierde lid Wwb. Ook de langdurigheidstoeslag dient te worden vrijgelaten, voor zover van toepassing. Algemeen gebruikelijke bezittingen Bezittingen in natura worden niet in aanmerking genomen als vermogen, indien deze naar aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn. Antiek Op grond van voorgenoemde regel wordt gebruikelijke woninginrichting buiten beschouwing gelaten; een antieke kast die een aanzienlijke waarde vertegenwoordigt niet. Dit geldt evenzeer voor sieraden. Hoewel zeker niet doorslaggevend voor een te maken beoordeling, kan een eerste toets op het (on)gebruikelijke karakter van huisraad of sieraden zijn het al dan niet afgesloten hebben van een afzonderlijke kostbaarhedenverzekering. Auto De auto kan zonder meer worden beschouwd als een naar aard algemeen gebruikelijke bezitting, maar niet iedere auto kan uit oogpunt van waarde als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt. Bij welke waarde de auto het algemeen gebruikelijk karakter wordt ontzegd, moet nader worden bepaald. Uitgangspunt is dat het wettelijk criterium "algemeen gebruikelijk naar aard en waarde" niet onderscheidt naar inkomensniveau. Het gaat dus niet om de waarde van auto's waarover uitkeringsgerechtigden plegen te beschikken. Er is geen aanleiding om van een andere waarde uit te gaan dan die van de algemeen gebruikelijke auto voor privé gebruik. Vooral in een gebied als de gemeente Vlagtwedde, een behoorlijk uitgestrekt gebied waarin het openbaar vervoer niet optimaal is, is een auto bijna onmisbaar. De meeste huishoudens in de gemeente Vlagtwedde bezitten een auto. Ook veel huishoudens met een bijstandsuitkering bezitten een auto. Tevens dient te worden bedacht dat ook in het kader van uitstroom steeds hogere eisen aan de mobiliteit van mensen worden gesteld. De waarde van een algemeen gebruikelijke auto kan worden bepaald op € 5.500,=. Voor zover de waarde van de auto - inkoopprijs volgens ANWB internetkoerslijst – (dan wel en andere vorm van waardebepaling) uitstijgt boven de vermelde grenswaarde, wordt het meerdere als vermogen in aanmerking genomen. Een redelijke wetstoepassing brengt met zich mee dat de met de auto verbonden schuld niet volledig in aanmerking wordt genomen bij de vaststelling van het vermogen. Onder omstandigheden kan het voorkomen dat de belanghebbende vóór het moment waarop bijstand wordt gevraagd aanwezig vermogen, dat naar omvang in beginsel een beletsel is voor bijstand, besteedt aan de aanschaf van algemeen gebruikelijke bezittingen, die in beginsel buiten beschouwing blijven bij de middelentoets. Weliswaar staat het een ieder vrij naar eigen goeddunken zijn vermogen te besteden, mits de voorziening in de kosten van het bestaan daarbij is gewaarborgd. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende om zich niet eerder dan nodig afhankelijk te maken van bijstand. Er is dan ook reden om, als de aanvrager een zodanig verwijt valt te maken, niet aan het in de auto opgesloten vermogen voorbij te gaan, dan wel van de aanvrager te vergen het vermogen te gelde te maken. Boot/caravan/motor en auto als tweede vervoermiddel Een boot en caravan kunnen niet worden gezien als een algemeen gebruikelijke bezitting in natura. Aan de waarde daarvan kan niet worden voorbijgegaan. Ook kan niet aan de waarde van een motor voorbij worden gegaan wanneer de belanghebbende ook in het bezit is van een auto met een waarde die lager is dan algemeen gebruikelijk. Wanneer de belanghebbende in het bezit is van twee of meer auto’s wordt de auto die hoogste waarde aangemerkt als eerste auto. Tot een waarde van € 5.500,00 zal deze auto niet tot het vermogen worden gerekend. De overige auto’s worden volledig tot het vermogen gerekend. Niet algemeen gebruikelijke, maar wel noodzakelijke bezittingen Niet naar aard en waarde algemeen gebruikelijke zaken worden als vermogen aangemerkt, tenzij het gebruik daarvan noodzakelijk is. Te denken valt aan duurdere, aan een handicap aangepaste vervoermiddelen. Artikel 1 - Begripsbepalingen Deze beleidsnota verstaat onder: Aanvrager: De persoon, die voor zichzelf of voor zijn gezin een uitkering op grond van de Wwb, Bbz2004, Ioaw/Ioaz vraagt; Echtgenoot: Als gehuwd of als echtgenoot/partner wordt mede aangemerkt de gehuwde die in gezinsverband leeft met de persoon met wie hij gehuwd is, alsmede de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, zoals bedoeld in de Wet werk en Bijstand (Wwb), de Wet inkomensvoorziening voor oudere- en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) en de Wet inkomensvoorziening voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz), Wet: De Wet werk en bijstand en/of de Wet inkomensvoorziening voor oudere- en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en/of de Wet inkomensvoorziening voor oudere- en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, UWV werkbedrijf Het UWV werkbedrijf te Stadskanaal. Artikel 2 – Bevoegde instantie Een aanvraag om bijstand in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, (ingevolge de Wwb en Ioaw), wordt schriftelijk ingediend bij het UWV door middel van een daartoe uitgereikt aanvraagformulier (behoudens de in de wet genoemde uitzonderingen). Aanvragen anders dan bedoeld in het eerste lid worden schriftelijk ingediend bij de afdeling samenleving door middel van een daartoe uitgereikt aanvraagformulier. Artikel 3 – Indiening van de aanvraag Het aanvraagformulier wordt door aanvrager zelf volledig ingevuld en ondertekend. Wanneer er een partner is, ondertekent deze het aanvraagformulier eveneens. De aanvraag geschiedt door de echtgenoten gezamenlijk, dan wel door een van hen met schriftelijke toestemming van de ander. Indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, wordt de bijstand, of uitkering op grond van de Ioaw/Ioaz ambtshalve vastgesteld. Aanvrager en diens partner worden in de gelegenheid gesteld de aanvraag mondeling toe te lichten c.q. hun zienswijze over de aanvraag naar voren te brengen. Artikel 4 – Voorlichting Onder meer door het verstrekken van de zogenaamde werkmap aan de aanvrager en diens partner bij de indiening van de aanvraag wordt voorlichting verstrekt over het gemeentelijk beleid. Hierin zit een globale inhoudelijke toelichting op de wetgeving en de belangrijkste verplichtingen van de uitkeringsgerechtigden. De inhoud van de folder/brochure, zoals vermeld in lid 1, wordt uitgelegd en aanvrager en diens partner tekenen een verklaring voor ontvangst van het informatiemateriaal en kennisneming daarvan. Zonodig kan de verklaring, als bedoeld in lid 2, met relevante gegevens, welke van toepassing zijn op de specifieke situatie van aanvrager en diens partner, worden aangevuld. Deze informatie wordt afzonderlijk ondertekend, door zowel klant als diens partner. Artikel 5 - Onderzoek De identiteit van aanvrager en diens partner wordt vastgesteld aan de hand van een geldig document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, welke daartoe dient te worden getoond. Van dit document wordt een fotokopie gemaakt, waaruit aard en nummer blijkt. Aanvrager en diens partner maken voor de verstrekking van gegevens o.a. gebruik van een inlichtingenformulier, dat bij de aanvraag wordt verstrekt. Indien de aanvraag volgt binnen drie maanden na beëindiging van het recht op bijstand, kan gebruik gemaakt worden van een verkort inlichtingenformulier. Indien aanvrager en diens partner reeds een periodieke uitkering ingevolge de Wwb ontvangen, kan bij het indienen van een aanvraag om bijzondere bijstand worden volstaan met het invullen van een aanvraagformulier. Het formulier wordt door aanvrager en diens partner zelf volledig ingevuld en ondertekend. De besstukken zoals vermeld in bijlage I dienen – voor zover van toepassing - mede ter verifiëring van hetgeen op het aanvraag- en inlichtingenformulier is gesteld door aanvrager en diens partner bij het formulier ter inzage te worden verstrekt. Aanvrager en diens partner zijn verplicht aan de afdeling samenleving inzage te verstrekken in alle overige bescheiden, die van belang zijn voor de verlening van bijstand of uitkering, ter verificatie van hetgeen op het aanvraag- en het inlichtingenformulier is gesteld en/of mondeling ter toelichting op de aanvraag naar voren is gebracht. Aanvrager en diens partner doen op verzoek of uit eigener beweging onverwijld, d.w.z. bij de eerstvolgende Rechtmatigheids onderzoeksformulier (ROF) mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem/haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan hem/haar wordt betaald. De afdeling samenleving en het UWV winnen inlichtingen in betreffende de verblijfplaats, de burgerlijke staat van de aanvrager en - indien deze in gezinsverband leeft - ook over de samenstelling van diens gezin, door raadpleging van het bevolkingsregister. Er wordt tevens een uitdraai gemaakt met daarop vermeld de persoonsgegevens, adres en woonplaats en eventuele inwonenden. Verificatie van de benodigde gegevens heeft plaats bij: de klant, eventueel door middel van huisbezoek; de in de artikelen 63 en 64 Wwb, artikel 45 Ioaw/Ioaz genoemde personen, instellingen en instanties; derden, voorzover er sprake is van informatie (verklaringen en tips), die van daadwerkelijke invloed is op de uitkering/inkomensvoorziening; de Adviseur Inkomen en Zorg, aan de hand van de waarnemingen van deze functionaris in de contacten met de klant. Het inlichtingenbureau SUWI-net Indien bij verificatie blijkt dat de verstrekte informatie onjuist of onvolledig is, worden aanvrager en diens partner in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen binnen een door burgemeester en wethouders te stellen termijn. Tot het verzuim hersteld is, worden in beginsel geen voorschotten verstrekt. Artikel 6 - Huisbezoek Huisbezoek is mogelijk indien daar een redelijke grond voor bestaat. Van een redelijke grond is sprake indien op basis van concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid van de door betrokkene over zijn of haar woon- en leefsituatie verstrekte inlichtingen. Wanneer er twijfel blijft bestaan ten aanzien van de juistheid en volledigheid van de verstrekte informatie en de overige mogelijkheden om deze gegevens op waarheid te verifiëren volledig zijn benut, vindt aangekondigd huisbezoek plaats door de Adviseur Inkomen en Zorg. Wanneer de omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan huisbezoek onaangekondigd plaatsvinden. Bij onduidelijkheid over de woon- of leefsituatie wordt meteen overgegaan tot huisbezoek. Bij weigering van huisbezoek wordt niet tot (verdere) bijstandsverlening overgegaan. Hierbij wordt het ”informed consent” gehanteerd, zoals in de uitspraken van de Crvb van 11-4-2007. In geval van een huisbezoek als bedoeld in lid 1, legitimeert de Adviseur Inkomen en Zorg zich met een hiertoe door burgemeester en wethouders afgegeven identiteitsbewijs. Artikel 7 - Het horen van derden De afdeling Samenleving geeft aan een derde, die bij de aanvraag om bijstand betrokken kan zijn, op zijn verzoek gelegenheid daarover te worden gehoord. Artikel 8 - Onvolledige informatie Indien aanvrager of diens partner niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, wordt de aanvraag niet verder in behandeling genomen, tenzij aanvrager van de geboden gelegenheid gebruik maakt de aanvraag binnen de gestelde termijn aan te vullen. Het gestelde in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht blijft onverkort van toepassing. Verificatie van gegevens De afdeling samenleving en het UWV hebben op grond van de Wwb (artikel 53a) de verplichting de voor de aanvraag relevante klantgegevens te controleren. De controle kan op twee manieren: Verzamelen van gegevens op SUWI-net; Verificatie van gegevens door controle van documenten en bewijsstukken van de klant; Validering door bij externe instanties zekerheid te verkrijgen over de volledigheid van de verstrekte gegevens en inlichtingen. Dit kunnen ook digitale gegevens zijn. Uitgangspunt De gemeente is op grond van de Wet Eenmalige Uitvraag gegevens (WEU) verantwoordelijk voor het verzamelen van alle reeds beschikbare informatie in de SUWI-keten van de klant ten aanzien van de rechtmatigheid van desbetreffende uitkering; De klant is verantwoordelijk voor het leveren van bewijsstukken die de gemeente niet zelf kan krijgen. Hierbij wordt rekening gehouden dan de gegevens die in de SUWI-keten reeds zijn gevraagd niet nogmaals worden gevraagd (wet éénmalige gegevensuitvraag) Als de klant de bewijsstukken niet kan leveren, of er getwijfeld wordt over de juistheid, dan zal de afdeling Samenleving zelf externe bronnen raadplegen (validering). Welke gegevens? De te verifiëren gegevens corresponderen met de gegevens die op het gebruikte aanvraag en/of eventuele inlichtingenformulier worden gevraagd. Daarnaast kunnen aanvullende gegevens nodig zijn. De gegevens die nodig zijn voor het aanvraagformulier verstrekkingenboekje staan vermeld in het bijbehorende verstrekkingenboekje. Artikel 10.de schuifregeling Op grond van artikel 44 eerste lid Wwb gaat het recht op bijstand niet eerder in dan de dag waarop men zich heeft gemeld bij het UWV. In gevallen van verwijzing door- of afwijzende beschikking van een sociale verzekeringsinstelling, ligt de meldingsdatum voor een Wwb uitkering vaak ver na de eerste werkloosheidsdag, cq. de datum waarop de veronderstelde voorliggende voorziening in zou gaan. Daarmee zou de ingangsdatum van de Wwb uitkering onredelijk ver van het moment van laatste inkomsten liggen. Van betrokkene wordt echter wel de nodige voortvarendheid verwacht. In onderstaande “Schuifregeling” is opgenomen hoe in dergelijke gevallen de ingangsdatum van de uitkering te bepalen. Deze regeling kan ook worden toegepast bij de Ioaw/Ioaz. artikel 10.1 definities In deze regeling wordt aangemerkt als: kalenderdag: dag, waaronder ook begrepen zon- en feestdagen, als mede dagen waarop UWV werkbedrijf is gesloten; werkdag: een dag waarop het UWV werkbedrijf te Stadskanaal geopend is; tijdig: binnen 3 werkdagen na doorverwijzing of afwijzing door de sociale verzekeringsinstelling; niet tijdig: 3 doch ten hoogste 15 dagen werkdagen, na doorverwijzing, of afwijzing door de sociale verzekeringsinstelling. Artikel 10.2 Tijdige melding In geval van tijdige melding bij het UWV werkbedrijf wordt de ingangsdatum van de Wwb uitkering bepaald op de datum melding, of aanvraag, voor de sociale verzekering, dan wel de datum waarop het eerdere inkomen is beëindigd, als deze datum ligt na de meldingsdatum. Artikel 10.3 Niet tijdige melding De ingangsdatum Wwb wordt bepaald door: [datum dat de belanghebbende zich bij de voorliggende voorziening heeft gemeld of de dag dat de voorliggende voorziening van kracht zou zijn] + [het verschil in kalenderdagen tussen (dus zonder) de datum van de verwijzing- / afwijzingsbeschikking van de voorliggende voorziening en (dus inclusief) de datum van de melding bij het UWV-werkbedrijf te Stadskanaal) Artikel 10.4 Uitsluiting De schuifregeling is niet van toepassing op: Wwb aanvragen volgend op de maximale uitkeringsduur van een sociale verzekering; Wwb meldingen later dan bedoeld in artikel 10.1. sub d. Toelichting Schuifregeling Voorbeeld: Klant heeft zich op 19 april bij het UWV gemeld. Dit zou de ingangsdatum zijn van de voorliggende voorziening. Klant ontvangt een afwijzingsbeschikking, gedateerd 28 mei. Op 8 juni meldt hij zich bij het UWV werkbedrijf voor een Wwb aanvraag. Klant heeft zich niet binnen drie werkdagen na de afwijzende beschikking gemeld bij het UWV werkbedrijf. Hij is met 11 kalenderdagen te laat (van 29 mei tot en met 8 juni). Deze 11 dagen moeten bij de eerste meldingsdatum bij UWV werkbedrijf of de sociale verzekeringsinstelling opgeteld worden. Dus vanaf (inclusief) 19 april 11 kalenderdagen. De ingangsdatum wordt 29 april. Als een aanvrager zich te laat voor een Wwb uitkering meldt, in het geval zijn WW-uitkering is verstreken, dan kan de bijstand pas ingaan per datum melding. Het UWV verzendt namelijk voorafgaand aan de beëindigingsbeschikking (‘max-bericht’) ook een voorlopig max-bericht, zodat het tot de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager behoort zich tijdig te melden. HOOFDSTUK 5 HERONDERZOEKSPLAN In deze nota vindt u de uitwerking van de bevoegdheid van de gemeente om onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens in het kader van toekenning en voortzetting van een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand, IOAW en IOAZ. Het heronderzoeksplan heeft betrekking op uitkeringsgerechtigden, die een periodieke uitkering ontvangen, alsmede ex-klanten, die nog lopende verplichtingen dienen na te komen (debiteuren). Op basis van de vorming van deze doelgroepen is het heronderzoeksplan opgedeeld in twee hoofdstukken: heronderzoeken debiteuren heronderzoeken Het beleid van de gemeente is onder meer gericht op de bevordering van een doelmatige en rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand, alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Wet. en het stimuleren van de eigen verantwoordelijkheid van de inwoners van de gemeente met als doel de zelfstandigheid en de zelfredzaamheid te bevorderen. Het heronderzoek is in eerste instantie dan ook bedoeld om de juistheid en volledigheid van de verkregen gegevens in een voorliggende periode vast te stellen. Hiermee kan de rechtmatigheid van een verstrekte uitkering worden vastgesteld. Daarnaast kan worden vastgesteld of een uitkering dient te worden gecontinueerd of beëindigd. Ten aanzien van het terugbrengen van het aantal uitkeringen, is het noodzaak om middels heronderzoeken onterecht gebruik van de bijstand tegen te gaan. Het tweede en belangrijke doel van het heronderzoek is om onderzoek te doen naar (niet) gebruik van voorzieningen en in aansluiting daarop de uitkeringsgerechtigden te informeren over de bestaande voorzieningen. Wet eenmalige gegevensuitvraag (Weu) De Wet eenmalige gegevensuitvraag regelt dat gegevens van burgers die al eens gevraagd zijn vanaf 1 januari 2008 niet nogmaals aan de burger mogen worden gevraagd (niet naar de bekende weg vragen). Het vragen van gegevens uitkeringsgerechtigden die via het Digitaal Klantdossier (DKD) bij Uwv, gemeenten, LRD (persoonsgegevens) en RDW kunnen worden geraadpleegd moeten dan worden ‘hergebruikt’ en mogen niet opnieuw aan de klant worden gevraagd. Dit vergt een andere manier van werken voor wat betreft de heronderzoeken. De gegevens uit Suwi (DKD) zullen de basis vormen van het onderzoek. De relevante stukken die niet uit Suwi te verkrijgen zijn, kunnen nog bij de klant worden opgevraagd. Veel gegevens staan op bankafschriften, zodat wij bij aanvragen bijzondere bijstand veelal volstaan met het inleveren van deze afschriften. Dit in het kader van de klantvriendelijkheid. Worden deze gegevens niet vertrouwd dan kan aanvullend onderzoek worden verricht. 1.1.1 - Algemeen De gemeente Vlagtwedde heeft een actief re-integratiebeleid waarbij alle klanten een zo intensief mogelijk traject doorlopen gericht op werk dan wel sociale activering. Tijdens het re-integratietraject kunnen er signalen naar voren komen die aanleiding geven om een heronderzoek c.q. deelonderzoek in te stellen. Het hanteren van vaste heronderzoekstermijnen wordt losgelaten, niet om geen heronderzoeken meer te doen, maar om meer maatwerk te leveren. De Adviseur inkomen en zorg schat zelf in na welke termijn een heronderzoek wenselijk is en laat deze opboeken door de uitkeringsadministratie. Er kan worden gekozen voor een verdere splitsing en verfijning, waarin middels meerdere deelonderzoeken steeds onderdelen van recht- en doelmatigheid worden getoetst. Nauwgezette controle blijft plaatsvinden van de maandelijks in te leveren rechtmatigheids onderzoeksformulieren (Rof’
- s)en daar waar nodig zullen signalen (bijvoorbeeld van het inlichtingenbureau) worden opgepakt en doorgegeven naar de betreffende medewerker. Op deze wijze kunnen risico's van eventuele terugvordering e.d., over een periode, worden beperkt. Voorts zal onderzoek naar specifieke voorwaarden worden uitgevoerd middels deelonderzoeken naar specifieke facetten. Termijn en aard zijn daarbij afhankelijk van de individuele situatie. Door de intensivering van ons re-integratiebeleid hebben wij de bijstandsgerechtigden veel beter in beeld dan voorheen. Volledige vrijstelling van de arbeidsverplichtingen is niet mogelijk, de bijstandsgerechtigde heeft altijd minimaal de plicht tot sociale activering. Voor mensen die nieuw in de bijstand instromen, kan het wenselijk zijn om een heronderzoek in te plannen bijvoorbeeld 12 maanden na instroom. Dit is echter geen verplichting. 1.2.1 -Deelonderzoeken Uitgangspunt is dat bij het reguliere heronderzoek een volledig onderzoek plaats vindt naar de rechtmatigheid van de uitkering. Daarnaast blijft het echter mogelijk dat - los van vorenstaande termijnen - naar aanleiding van bijv. Rof-jes; signalen van vermoedelijke fraude, specifieke opgelegde voorwaarden die aan termijnen zijn gebonden, ingeschatte risicofactoren etc, deelonderzoeken plaats hebben. Deze staan echter los van de reguliere heronderzoeken en de termijn hiervan wordt bepaald door de individuele omstandigheden van het de uitkeringsgerechtigde. 1.2.2 - Voorbereidende werkzaamheden Maandelijks wordt middels een selectie op de revisiedatum -door de geautomatiseerde klantenregistatie- een lijst met de voor de desbetreffende maand te verrichten heronderzoeken aangemaakt door de uitkeringsadministratie; De daartoe aangewezen adviseur inkomen en zorg raadpleegt de klantendossiers op bijzonderheden en aandachtspunten (o.a. gestelde voorwaarden), die in het heronderzoek aandacht behoeven; Er wordt een uitdraai gemaakt van uit het bevolkingssysteem met daarop vermeld persoonsgegevens, adres en woonplaats en eventuele inwonenden; Er wordt een heronderzoeksformulier opgesteld met de door de gemeente beschikbare gegevens over de klant en aan de klant ter controle toegestuurd; De desbetreffende klant en diens eventuele partner worden vervolgens schriftelijk uitgenodigd voor een gesprek in het gemeentehuis of wordt, indien de klant niet naar het gemeentehuis toe kan komen, thuis bezocht. In de uitnodiging wordt vermeld welke bescheiden klant dient mee te nemen/gereed te leggen. Daarnaast kan het heronderzoek ook schriftelijk plaatsvinden. 1.2.3 - Gegevensverzameling/verificatie 1. Het persoonlijke gesprek De klant brengt het heronderzoeksformulier mee; De adviseur inkomen en zorg vraagt de klant of de gegevens correct en volledig zijn; Indien de gegevens volgens de klant niet correct en volledig zijn, vult de klant het formulier aan met de juiste gegevens; De klant ondertekent het formulier, hetgeen ook geldt voor een eventuele partner; Desgevraagd wordt klant door de adviseur inkomen en zorg de helpende hand geboden bij het invullen van het inlichtingenformulier. Hiervan wordt mededeling gedaan op het desbetreffende formulier, onder vermelding van de reden(en). Deze verklaring wordt afzonderlijk ondertekend door klant en de eventuele partner; Er worden – voor zover nog niet in het dossier aanwezig – door adviseur inkomen en zorg fotokopieën gemaakt van gegevens met betrekking tot de identiteit, inkomsten, vermogenssituatie, huurcontract, en zorgverzekering; In het persoonlijk gesprek met de klant wordt door de adviseur inkomen en zorg voorlichting c.q. advies gegeven over flankerende voorzieningen en regelingen; In het persoonlijke gesprek met de klant en de adviseur inkomen en zorg kan, indien van toepassing, ook ingegaan worden op schuldenproblematiek en re-integratieactiviteiten; Indien er twijfel bestaat dan wel blijft bestaan t.a.v. de juistheid en volledigheid van de door klant verstrekte gegevens en de overige mogelijkheden om deze gegevens op waarheid te verifiëren volledig zijn benut, vindt huisbezoek plaats. 2. Verificatie van de benodigde en verstrekte gegevens vindt plaats bij: SUWI-net; De klant, eventueel d.m.v. huisbezoek (zie hiervoor); De in de artikelen 63 en 64 WWB, artikel 45 Ioaw/Ioaz genoemde personen, instellingen en instanties; Derden, voorzover er sprake is van informatie (verklaring of tip), die van daadwerkelijke invloed is op de bijstandsuitkering; De collega adviseurs inkomen en zorg aan de hand van de waarnemingen van deze functionarissen in de contacten met de klant; Het IB-systeem van het Inlichtingenbureau; Het kentekenregistratiesysteem. 3. Afrondende werkzaamheden van het heronderzoek Middels steekproeven kan de kwaliteit worden getoetst; Aan de hand van raadpleging van het dossier worden alle gegevens die een rol hebben gespeeld bij de toekenning van de uitkering weer onderzocht; Het heronderzoek sluit tevens aan bij het vorige (her)onderzoek. De adviseur inkomen en zorg controleert de in de tussenliggende periode verkregen gegevens op juistheid en volledigheid; Onderzocht wordt of de uitkering juist is berekend en uitbetaald (norm, verrekening inkomsten en doorvoeren kortingen/toeslagen/inhoudingen); Onderzocht wordt of en welke verplichtingen (voorwaarden en vorderingen) er zijn en of deze juist worden nagekomen dan wel dat hierin verandering dient te komen. 1.2.4 - Rapportage De adviseur inkomen en zorg rapporteert volgens een model, waarin verslag wordt gedaan van de bevindingen en adviseert omtrent eventuele continuering van de uitkering, alsmede omtrent eventueel te stellen voorwaarden en/of door te voeren wijzigingen. De adviseur inkomen en zorg maakt tevens een beschikking. 1.2.5 - Toetsing Doordat het mandaat bij de adviseur inkomen en zorg ligt worden rapportages en beschikkingen met betrekking tot heronderzoeken en deelonderzoeken niet vooraf getoetst door de kwaliteits- medewerker of juridisch medewerker. Deze kan achteraf steekproefsgewijs de rapportages en beschikkingen toetsen en adviseert de adviseurs inkomen en zorg daar waar nodig om de kwaliteit te verbeteren ten einde de rechtmatigheid te waarborgen. De adviseur inkomen en zorg heeft wel de mogelijkheid om de rapportage in overleg vooraf ter toetsing voor te leggen aan de kwaliteitsmedewerker/ juridisch medewerker. 1.2.6 – Besluitvorming Besluitvorming vindt plaats conform het mandaatbesluit, waarbij voor het gros van de besluiten de adviseur inkomen en zorg (voorheen casemanager of bijstandsconsulent) beslissingsbevoegd is. De besluiten worden maandelijks op een besluitenlijst vermeld en ter vaststelling en ondertekening aan het college van burgemeester en wethouders voorgelegd. 1.2.7 - Beschikking - Bij elk besluit n.a.v. een heronderzoek wordt een definitieve beschikking gemaakt t.b.v. de klant; - Ondertekening van de beschikking is gemandateerd aan de adviseur inkomen en zorg. 1.2.8 - Administratieve verwerking Een afschrift van de beschikking, het besluit en zonodig andere bijbehorende bescheiden, worden voor administratieve verwerking overgedragen aan de financiële uitkeringsadministratie. DEBITEUREN HERONDERZOEK Op grond van de Handhavingsverordening Wwb moeten nadere beleidsregels worden vastgesteld betreffende debiteuren heronderzoeken. Debiteurenonderzoeken zijn noodzakelijk om de voortgang van de invordering te kunnen bewaken en eventueel maatregelen te kunnen nemen wanneer de invordering niet goed verloopt. 2.1 Algemeen In een debiteurenonderzoek wordt onder meer aandacht besteed aan de vastgestelde verplichting, de daarop verrichtte aflossingen en de actualisering van de betalingscapaciteit van de debiteur. De gemeente is vrij om termijnen te bepalen waarbinnen de heronderzoeken plaats kunnen vinden. Hiertoe zijn beleidsregels opgesteld. 2.1.1 Uitgangspunten Er wordt geen heronderzoek uitgevoerd indien een schuld aan de gemeente naar verwachting binnen een periode van vijf jaar na de datum van het ontstaan van de vordering zal zijn afgelost, tenzij belanghebbende zijn verplichtingen niet nakomt. Voorwaarde is wel dat het maandelijkse aflossingsbedrag ten minste zo groot is als het bedrag dat voor de aflossing van leenbijstand zou gelden, als genoemd in artikel 6; hoofdstuk 1 van ons participatieplan. Een verzoek aan de daartoe bevoegde rechter om een verhoging van de onderhoudsbijdrage af te dwingen zal pas worden ingediend als uit de voorliggende financiële bescheiden blijkt dat er sprake is van tenminste een verschil van € 45,00 per maand tussen de nieuwe berekening en het aflossingsbedrag c.q. de bijdrage en hierover op basis van vrijwilligheid geen overeenstemming kan worden bereikt. 2.1.2 Criteria Op grond van onderstaande criteria zal differentiatie plaatsvinden naar de categorieën van vorderingen en van personen: De aard van de vordering; Debiteur ontvangt wel of geen periodieke uitkering van de gemeente; Het naar verwachting binnen 5 jaar aflossen van de vordering; Het naar verwachting wel of niet veranderen van de draagkracht; De inningsmogelijkheden. Ad a.: de aard van de vordering Hierbij kunnen de volgende vorderingen worden onderscheiden: Terugvorderingen Wwb-sec: vorderingen op de (ex-)klant zelf ontstaan uit de wet zelf. Terugvordering Wwb-besluiten: vorderingen op de (ex-)klant zelf ontstaan uit het Beleidsregels krediethypotheek bijstand gemeente Vlagtwedde of Bijstandsverlening aan zelfstandigen. Verhaal: vorderingen op derden, m.n. onderhoudsplichtigen. Ad b.: debiteur ontvangt wel of geen periodieke uitkering van de gemeente Bij terugvordering worden de volgende categorieën onderscheiden: a. Personen met een lopende periodieke uitkering van deze gemeente. b. Personen waarvan de uitkering is beëindigd. ad c.: het naar verwachting binnen 5 jaar aflossen van de vordering Het algemene uitgangspunt is dat een vordering ineens wordt voldaan, tenzij op grond van wet- en regelgeving of een overeenkomst anders is bepaald. Wanneer betaling ineens niet mogelijk blijkt, kan een betalingsregeling worden getroffen. Als de vordering op grond van de door debiteur voorgestelde regeling naar verwachting binnen 5 jaar na het ontstaan van de vordering wordt voldaan, zal geen financieel onderzoek uitgevoerd worden naar zijn aflossingscapaciteit, mits aan de betalingsverplichting wordt voldaan. Er wordt een heronderzoek uitgevoerd binnen 10 tot 12 maanden na de vermoedelijke einddatum van de vordering. Duurt aflossing naar verwachting langer dan 5 jaar, dan zal de aflossingscapaciteit worden bepaald aan de hand van een financieel onderzoek. Er wordt in elk geval een heronderzoek uitgevoerd binnen 10 tot 12 maanden na de vermoedelijke einddatum. Ad d.: het naar verwachting wel of niet veranderen van de draagkracht De verwachtingen t.a.v. de financiële situatie van de klant bepalen eveneens de heronderzoeksfrequentie. Er wordt onderscheid gemaakt tussen: a. Financiële situaties die zich naar verwachting zullen wijzigen; b. Financiële situaties die zich naar verwachting niet zullen wijzigen. Aan de hand van de omstandigheden van de klant zal een conclusie door overwegingen en argumenten dienen te worden onderbouwd. Ad e.: de inningsmogelijkheden Als er geen inningsmogelijkheden zijn, omdat bijvoorbeeld het adres of de inkomstenbron van de debiteur onbekend zijn, wordt een heronderzoek uitgevoerd na 10 tot 12 maanden. 2.1.3 Termijnen Als frequentie voor een debiteurenonderzoek wordt uitgegaan van de volgende termijnen: Debiteurenonderzoek als onderdeel van het heronderzoek periodieke uitkering. Onderzoekstermijn van 10 tot 13 maanden Onderzoekstermijn van 22 tot 25 maanden Onderzoekstermijn van 34 tot 37 maanden Geen heronderzoek. 2.1.4 Gro