← Nederland

Algemene Subsidieverordening (Landerd)

Algemene SubsidieverordeningDe raad van de gemeente Landerd; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 4 mei 1999 gelet op het bepaalde in art. 147 van de Gemeentewet, de Welzijnswet en de subsidietitel van de Algemene wet bestuursrecht (art. 4:21 t/m 4:80); B E S L U I T : vast te stellen de volgende “Algemene Subsidieverordening” HoofdstukIAlgemene bepalingen Artikel1Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: a instelling : de rechtspersoon, daaronder begrepen een zelfstandig onderdeel van een rechtspersoon, met als doel zonder winstoogmerk één of meer activiteiten uit te voeren voor de inwoners van de gemeente Landerd; b subsidie : de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten (art. 4:21 Awb); c subsidieverlening : de beschikking waarbij subsidie wordt toegekend voor een bepaalde activiteit, mits de instelling de gesubsidieerde activiteit uitvoert en zich houdt aan de opgelegde verplichtingen. d subsidievaststelling : de beschikking tot subsidievaststelling stelt het bedrag van het subsidie vast en geeft aanspraak op betaling van het vastgestelde bedrag. e maatschappelijk en sociaal cultureel welzijn : het welbevinden van personen en groepen in de samenleving waarvan de ontplooiing, het dragen van verantwoordelijkheden voor zichzelf en anderen en actieve maatschappelijke deelname aspecten zijn. f jaarprogramma : een jaarlijks door het college vast te stellen overzicht van gesubsidieerde instellingen, waarbij de hoogte van het subsidiebedrag is aangegeven. g college : het college van burgemeester en wethouders; h commissie : de Commissie Welzijn en/of een andere commissie die adviseert over subsidies; i raad : de gemeenteraad; j (boek)jaar : het kalenderjaar; k begroting : een raming van inkomsten en uitgaven over een kalenderjaar; l activiteitenplan : een overzicht van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd en de daarmee nagestreefde doelstellingen. m jaarverslag : een door de Algemene Vergadering van een instelling vastgesteld inhoudelijk en financieel verslag over een jaar; Artikel2Subsidievormen 1Subsidie, als bedoeld in artikel 1 onder d, wordt verstrekt als: a. budgetsubsidie : een subsidie waarbij de instelling een maximumbedrag aan middelen krijgt toegewezen voor een periode van minimaal één en maximaal vier jaar, om een tevoren overeengekomen activiteitenpakket uit te voeren. b. activiteitensubsidie : een subsidie voor de uitvoering van een tevoren overeengekomen activiteitenpakket en voor activiteiten die het verkleinen van achterstandsituaties en de emancipatorische ontwikkeling van deelnemers beogen. De instelling krijgt een maximumbedrag aan middelen toegewezen voor een periode van één jaar in de vorm van een vast bedrag, een maximum bedrag op begrotingsbasis of een bedrag per deelnemer (aan de activiteiten) of een bedrag per activiteit. c. waarderingsubsidie : een subsidie waarmee erkenning en waardering voor instellingen tot uitdrukking wordt gebracht. d. ontwikkelingssubsidie : een subsidie voor het stimuleren of ontwikkelen van activiteiten, voor investeringen die noodzakelijk zijn voor het starten, stimuleren of ontwikkelen van activiteiten, of het experimenteren met activiteiten die naar het oordeel van het college een meerwaarde hebben voor het maatschappelijk en sociaal-cultureel welzijn van de Landerdse ingezetenen. Tevens een subsidie voor maximaal een jaar voorafgaand aan subsidiëring op grond van een (deel)verordening. e. investeringssubsidie : een subsidie ter ondersteuning van de (ver)bouw van accommodaties en de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen. 2De subsidievormen onder a t/m c sluiten elkaar uit, in die zin dat subsidieontvangers slechts op één van deze manieren subsidie kunnen ontvangen. Artikel3Verordeningen en periodieke toetsing 1De raad kan bij (deel)verordening eisen stellen waaraan instellingen moeten voldoen om voor een subsidie in aanmerking te komen, of over de grondslag, de wijze van berekening en betaling van de subsidie. 2Voor zover een door de raad vastgestelde deelverordening afwijkt van deze verordening, gaat de deelverordening voor. 3Het college gaat tenminste eenmaal in de vijf jaar na of er aanleiding bestaat tot herziening van deze verordening, gehoord de commissie. Artikel4Algemeen vereiste voor subsidiëring 1Om voor een subsidie in aanmerking te komen, moet de instelling voldoen aan de bij of krachtens deze verordening of deelverordening gestelde eisen of voorschriften. HoofdstukIISubsidieverstrekking Artikel5Aanvraag subsidieverlening 1Een aanvraag tot verlening van een budget-, activiteiten- of waarderingsubsidie dient vóór 1 april van het jaar voorafgaande aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft, te worden ingediend. 2Als een aanvraag tot subsidieverlening niet vóór de in het eerste lid genoemde datum wordt ingediend, kan het college een termijn stellen waarbinnen de aanvraag moet zijn ingediend. 3Als een aanvraag na het verstrijken van deze termijn wordt ingediend, dan zal op het te verlenen subsidiebedrag een korting worden toegepast van 10%. Artikel6Over te leggen stukken bij aanvraag subsidieverlening 1.Bij de aanvraag tot verlening van een budgetsubsidie, activiteitensubsidie of waarderingsubsidie dient de instelling te overleggen: een activiteitenplan; een begroting. De begroting behelst een overzicht van de voor het desbetreffende jaar geraamde inkomsten en uitgaven. De begroting behelst een vergelijking met de begroting van het lopende boekjaar en de gerealiseerde inkomsten en uitgaven van het jaar voorafgaande aan het lopende jaar. Deze eis geldt niet als voor de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd nog niet eerder subsidie werd verstrekt. Als de aanvrager voor dezelfde activiteiten ook subsidie heeft aangevraagd bij een of meer andere bestuursorganen, meldt hij dat in de aanvraag en deelt de stand van zaken mede. 2.Bij de aanvraag tot verlening van een subsidie dient de instelling tevens te overleggen: de statuten, de stichtingsakte of het reglement van de instelling, zoals deze luiden op het moment van de indiening van de aanvraag, tenzij deze stukken reeds eerder zijn verstrekt en niet zijn gewijzigd; een opgave van de bestuurssamenstelling, de namen en adressen van de bestuursleden en de postgiro- of bankrekening van de instelling; een opgave van de gebruikte accommodatie(s); een opgave van het aantal leden of deelnemers naar de toestand op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarop de aanvraag tot subsidieverlening betrekking heeft. Instellingen die op basis van ledental/aantal deelnemers worden gesubsidieerd, overleggen hierbij een leden- of deelnemerslijst, bevattende van ieder lid/deelnemer: naam, geboorte datum en woonplaats; een overzicht van de verschuldigde contributies en opgave van de tarieven; een beschrijving hoe beroepskrachten, vrijwilligers, leden en deelnemers bij het beleid van de vereniging worden betrokken; andere dan de onder a t/m f genoemde bescheiden die naar het oordeel van het college voor een juiste beoordeling van een subsidieaanvraag nodig zijn. 3.Het college kan verlangen, dat bij het aanvragen van subsidie gebruik wordt gemaakt van door hen ter beschikking te stellen formulieren. 4.Het college kan ontheffing verlenen van de in dit artikel gestelde eisen. 5.Het college kan nadere eisen stellen met betrekking tot over te leggen gegevens. Artikel7Voorschriften voor subsidieverlening Het college verleent aan een instelling subsidie als is voldaan aan de volgende voorschriften: de instelling heeft rechtspersoonlijkheid; de instelling heeft aannemelijk gemaakt dat: de activiteiten in voldoende mate belangen dienen van inwoners van de gemeente; er in de gemeente behoefte bestaat aan de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd; de werkwijze dusdanig is, dat redelijkerwijze te verwachten is, dat de beoogde doelstellingen worden verwezenlijkt; er van de bezoekers/deelnemers/leden een redelijke bijdrage wordt gevraagd; slechts met subsidie de benodigde financiële middelen ter beschikking staan om de voorgenomen activiteiten te verwezenlijken. de instelling verricht geen activiteiten die de gemeente al subsidieert, tenzij het belang van overlap van activiteiten is aan te tonen; er kan niet via een andere regeling voldoende, naar het oordeel van het college, subsidie worden ontvangen; de activiteiten zijn niet uitsluitend van partijpolitieke, godsdienstige of levensbeschouwelijke aard; met de activiteiten wordt geen winst beoogd ter verdeling onder de deelnemers/leden van de instelling, die de activiteiten organiseert; minimaal 10 of meer deelnemers/leden van de instelling wonen in de gemeente; de instelling is zo georganiseerd, dat personeel, vrijwilligers en degenen voor wie de activiteiten zijn, in de gelegenheid zijn invloed uit te oefenen op het beleid van de instelling; de instelling draagt zorg voor een adequate verzekering van haar personeel, vrijwilligers, leden, deelnemers en eigendommen. Artikel8Weigering subsidieverlening 1.Een subsidie wordt geweigerd als de instelling niet of niet voldoende voldoet aan de in deze verordening gestelde voorschriften. 2.De subsidieverlening kan verder in ieder geval worden geweigerd als een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat: de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden; de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen; de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn; de aanvrager in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben geleid; de aanvrager failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend, of daarvoor bij de rechtbank een verzoek is ingediend; de activiteiten van de aanvrager niet gericht zullen zijn op de gemeente of niet aanwijsbaar ten goede komen aan ingezetenen van de gemeente; de gelden niet of onvoldoende besteed zullen worden voor het doel waarvoor de subsidie beschikbaar wordt gesteld; de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten onplooit die in strijd zijn met de wet, het algemeen belang of de openbare orde; de aanvrager ook zonder subsidieverstrekking over voldoende gelden, hetzij uit eigen middelen, hetzij uit middelen van derden kan beschikken om de kosten van de activiteiten te dekken; de subsidieverstrekking niet past binnen het beleid van de gemeente. Artikel9Beslissing op aanvraag subsidieverlening 1Het college beslist op een aanvraag tot verlening van een budgetsubsidie, activiteitensubsidie of waarderingsubsidie binnen twaalf weken na vaststelling van de gemeentebegroting voor het jaar waarop de subsidie betrekking heeft. 2Het college geeft bij de verlening tot gehele of gedeeltelijke toekenning aan welke voorschriften aan het subsidie zijn verbonden. Artikel10Intrekking of wijziging na subsidieverlening 1Zolang de subsidie niet is vastgesteld, kan het college de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen, als: de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden; de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen; de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten. 2De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald. Artikel11Indiening aanvraag subsidievaststelling 1Een aanvraag tot vaststelling van het verleende budgetsubsidie, activiteitensubsidie of waarderingsubsidie dient vóór 1 april van het jaar volgend op het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft te worden ingediend. 2Een aanvraag tot vaststelling van een budgetsubsidie die voor meer dan één jaar is verleend dient binnen twaalf weken na afloop van de desbetreffende periode te worden ingediend. 3Als de aanvraag tot vaststelling niet voor deze termijn wordt ingediend, dan kan het college de subsidieontvanger een termijn stellen binnen welke de aanvraag moet zijn ingediend. 4Als de aanvraag na het verstrijken van deze termijn wordt ingediend, dan kan de subsidie ambtshalve worden vastgesteld en zal een korting worden toegepast van tenminste 10% op het verleende subsidie. Artikel12Over te leggen stukken bij aanvraag subsidievaststelling 1Bij de aanvraag tot vaststelling van een budgetsubsidie, activiteitensubsidie of waarderingsubsidie dient de instelling te overleggen: een activiteitenverslag; een financieel verslag. 2Met het activiteitenverslag toont de aanvrager aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, hebben plaatsgevonden volgens de aan de subsidie verbonden verplichtingen. 3Het financieel verslag sluit aan op de begroting waarvoor subsidie is verleend en behelst een vergelijking met de gerealiseerde inkomsten en uitgaven van het jaar voorafgaand aan het boekjaar. 4Het financieel verslag omvat de balans en de exploitatierekening met de toelichting. 5Het financieel verslag geeft volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd, een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd over: het vermogen en het exploitatiesaldo, en Voor zover de aard van het financiële verslag dat toelaat, over de solvabiliteit en de liquiditeit van de subsidieontvanger. 6De balans met de toelichting geeft getrouw, duidelijk en stelselmatig de grootte en de samenstelling in actief- en passiefposten van het vermogen op het einde van het boekjaar weer. 7De exploitatierekening met de toelichting geeft getrouw, duidelijk en stelselmatig de grootte van het exploitatiesaldo van het boekjaar weer. 8Als de verleende subsidie meer dan ƒ 50.000,-- ( 22.689,01) bedraagt, dient het financieel verslag vergezeld te gaan met een getrouwheidsverklaring, opgesteld door een daartoe bevoegde accountant. 9Bij (deel)verordening of bij de subsidieverlening kan worden bepaald dat het financieel verslag tevens vergezeld gaat van een schriftelijke verklaring van de accountant over de naleving door de subsidieontvanger van de aan de subsidie verbonden verplichtingen. 10Als de subsidieontvanger bij (deel)verordening verplicht is tot het opstellen van een jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, of als dit bij de subsidieverlening is bepaald, legt hij in plaats van het financieel verslag de jaarrekening over. 11Als de subsidieontvanger voor bij de aanvraag tot subsidieverlening begrote uitgaven ook subsidie heeft aangevraagd bij een of meer andere bestuursorganen, doet hij daarvan mededeling in de aanvraag, en vermeldt de stand van zaken van de beoordeling van die aanvraag of aanvragen. Artikel13Beslissing op aanvraag subsidievaststelling 1Het college beslist op een aanvraag tot vaststelling van een budgetsubsidie, activiteitensubsidie of waarderingsubsidie binnen twaalf weken na vaststelling van de gemeentebegroting in het jaar waarin de aanvraag tot vaststelling is ingediend. 2De beschikking tot subsidievaststelling stelt het bedrag van de subsidie vast en geeft aanspraak op betaling van het vastgestelde bedrag overeenkomstig artikel

  1. 3Het college kan een subsidie lager vaststellen dan het in de beschikking tot subsidieverlening genoemde bedrag als: de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden; de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen; de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten. Artikel14Intrekking of wijziging na subsidievaststelling 1Het college kan de subsidievaststelling intrekken of in het nadeel van de ontvanger wijzigen: op grond van feiten of omstandigheden waarvan zij bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de subsidieverlening zou zijn vastgesteld; als de subsidievaststelling onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten, of als de subsidieontvanger na de subsidievaststelling niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. 2De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop het subsidie is vastgesteld, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald. Artikel15Indexering 1Het berekend, c.q. ‘vastgesteld’ subsidiebedrag wordt geïndexeerd met de in de gemeentebegroting gehanteerde indexcijfers vanaf het jaar waarop deze verordening in werking treedt. 2Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op die onderdelen van het subsidiebedrag waarop reeds indexering van toepassing is. Artikel16Betaalbaarstelling 1Budget-, activiteiten-, ontwikkelings- en waarderingsubsidies tot ƒ 20.000,-- ( 9.075,60) worden ineens bevoorschot. Het voorschot wordt voor 1 februari van het jaar waarop het subsidie betrekking heeft betaalbaar gesteld. De subsidieverlening wordt met de voorschotverlening gecombineerd in één besluit. 2Budget-, activiteiten- en waarderingsubsidies boven ƒ 20.000,-- ( 9.075,60) worden in twee gelijke termijnen bevoorschot. Het voorschot eerste termijn wordt betaalbaar gesteld voor 1 februari en het voorschot tweede termijn voor 1 augustus van het jaar waarop het subsidie betrekking heeft. 3Het verleende voorschot wordt zonodig verrekend met het in de subsidievaststelling genoemde subsidiebedrag. HoofdstukIIIFinancieel- en vermogensbeheer Artikel17Beheer en administratie 1De administratie van een instelling dient zodanig te zijn ingericht en te worden bijgehouden dat deze te allen tijde een getrouw en inzichtelijk beeld geeft van de ondernomen activiteiten en de financiële positie van de instelling. 2Tenzij bij (deel)verordening of bij de subsidieverlening anders is bepaald, stelt de subsidie-ontvanger het boekjaar gelijk aan het kalenderjaar. 3De subsidieontvanger voert een zodanig ingerichte administratie, dat daaruit te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde rechten en verplichtingen alsmede de betalingen en de ontvangsten kunnen worden nagegaan. 4Een instelling stelt het college onverwijld schriftelijk in kennis van: een voorgenomen ontbinding; een statutenwijziging; een wijziging in de samenstelling van het bestuur; een omstandigheid die kan leiden tot het intrekken of vervallen van een subsidie. 5De administratie wordt gedurende minimaal vijf jaren bewaard. 6Als gedurende het boekjaar aanmerkelijke verschillen ontstaan of dreigen te ontstaan tussen de werkelijke uitgaven en inkomsten en de begrote uitgaven en inkomsten meldt de subsidie-ontvanger dit aan het college onder vermelding van de oorzaak van de verschillen. 7Indien dit bij deelverordening of bij de subsidieverlening is bepaald, heeft de subsidieontvanger de toestemming van het college nodig voor: het oprichten van dan wel deelnemen in een rechtspersoon; het wijzigen van de statuten; het in eigendom verwerven, het vervreemden of het bezwaren van registergoederen, als daar subsidiegelden voor zijn gebruikt, of de lasten daarvoor mede worden bekostigd uit de subsidiegelden; het aangaan en beëindigen van overeenkomsten tot verkrijgen, vervreemding of bezwaring van registergoederen of tot huur, verhuur of pacht daarvan, als deze goederen geheel of gedeeltelijk zijn verworven met de subsidie of de uitgaven daarvoor mede zijn bekostigd uit de subsidie; het aangaan van kredietovereenkomsten en van overeenkomsten van geldlening; het aangaan van overeenkomsten waarbij de subsidieontvanger zich verbindt tot zekerheidsstelling met inbegrip van zekerheidsstelling voor schulden van derden of waarbij hij zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt of zich voor een derde sterk maakt; het vormen van fondsen en reserveringen; het vaststellen of wijzigen van tarieven voor door de subsidieontvanger in de gewone uitoefening van zijn gesubsidieerde activiteiten te verrichten prestaties; het ontbinden van de rechtspersoon; het doen van aangifte tot zijn faillissement of het aanvragen van zijn surséance van betaling. 8Het college beslist binnen vier weken omtrent de toestemming van het in het voorgaande lid genoemde. 9De beslissing kan eenmaal voor hoogstens vier weken worden verdaagd. 10Als over de toestemming niet tijdig is beslist, wordt de toestemming geacht te zijn verleend. Artikel18Eigen vermogen en reserves 1De subsidieontvanger is voor een egalisatiereserve aan de gemeente een vergoeding verschuldigd naar evenredigheid van de mate waarin de subsidie aan de egalisatiereserve heeft bijgedragen als: de gesubsidieerde activiteiten geheel of gedeeltelijk worden beëindigd; de subsidieverlening of de subsidievaststelling wordt ingetrokken of de subsidie wordt beëindigd, of de rechtspersoon die de subsidie ontving wordt ontbonden. 2In de gevallen genoemd in het eerste lid, is de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van het subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor een vergoeding verschuldigd aan de gemeente. 3De vergoeding is slechts verschuldigd als: de subsidieontvanger voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen vervreemdt of bezwaart of de bestemming daarvan wijzigt; de subsidieontvanger een schadevergoeding ontvangt voor verlies of beschadiging van door de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen; de gesubsidieerde activiteiten geheel of gedeeltelijk worden beëindigd; de subsidieverlening of de subsidievaststelling wordt ingetrokken of de subsidie wordt beëindigd; de rechtspersoon die de subsidie ontving wordt ontbonden. 4De vergoeding wordt vastgesteld binnen een jaar nadat het college op de hoogte is gekomen of kon zijn van de gebeurtenis die het recht op vergoeding deed ontstaan, maar in ieder geval binnen vijf jaren na de bekendmaking van de laatste beschikking tot subsidievaststelling. HoofdstukIVOntwikkelings- en investeringssubsidies Artikel19Ontwikkelingssubsidies 1Het college kan een ontwikkelingssubsidie verstrekken voor de stimulering of ontwikkeling van activiteiten, investeringen noodzakelijk voor het starten, stimuleren of ontwikkelen van activiteiten, of het experimenteren met activiteiten die naar het oordeel van het college een meerwaarde hebben voor het maatschappelijk en sociaal-cultureel welzijn van de Landerdse ingezetenen. 2Een ontwikkelingssubsidie kan tevens worden verstrekt aan instellingen die voldoen aan de voorschriften van een (deel)verordening, maar nog niet met name genoemd zijn in de betreffende (deel)verordening. 3Een ontwikkelingssubsidie kan voor maximaal één jaar worden verstrekt. 4Een aanvraag tot verlening van een ontwikkelingssubsidie voor een specifieke activiteit dient ten minste zestien weken vóór de aanvang van de betreffende activiteit(en) waarvoor subsidie wordt aangevraagd, te worden ingediend. 5Een aanvraag tot verlening van een ontwikkelingssubsidie voor activiteiten gedurende het lopende jaar kan gedurende het desbetreffende jaar worden ingediend. 6Het college beslist op een aanvraag tot verlening van een ontwikkelingssubsidie binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag als de aanvraag een bedrag van ƒ 2.500,-- ( 1.134,45) niet te boven gaat. Het college doet van haar beslissing melding aan de betrokken commissie. 7Het college hoort de commissie als een aanvraag tot verlening van een ontwikkelingssubsidie een bedrag van ƒ 2.500,-- ( 1.134,45) te boven gaat. Zij beslissen dan binnen een termijn van zestien weken. 8Ontwikkelingssubsidies worden vier weken na afgifte van de beschikking tot subsidieverlening ineens bevoorschot. 9Een aanvraag tot vaststelling van het verleende ontwikkelingssubsidie voor een specifieke activiteit dient binnen twaalf weken na afloop van de activiteit waarvoor de subsidie is verleend, te worden ingediend. 10Een aanvraag tot vaststelling van het verleende ontwikkelingssubsidie voor activiteiten gedurende een jaar dient voor 1 april van het jaar volgend op het jaar waarop de subsidieverlening betrekking heeft, te worden ingediend. 11Als de aanvraag tot vaststelling niet voor deze termijn wordt ingediend kan het college de subsidieontvanger een termijn stellen binnen welke de aanvraag moet zijn ingediend. 12Indien de aanvraag na het verstrijken van deze termijn wordt ingediend, dan kan de subsidie ambtshalve worden vastgesteld en zal tenminste een korting worden toegepast van 10% op het verleende subsidie. 13Het college beslist op een aanvraag tot vaststelling van een ontwikkelingssubsidie voor een specifieke activiteit binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. 14Het college beslist op een aanvraag tot vaststelling van een ontwikkelingssubsidie voor activiteiten gedurende een jaar, binnen twaalf weken na vaststelling van de gemeentebegroting in het jaar waarin de aanvraag tot vaststelling is ingediend. 15Voor ontwikkelingssubsidies is jaarlijks een budget beschikbaar van ƒ 20.000,-- ( 9.075,60). Het college kan de raad verzoeken een aanvullend budget beschikbaar te stellen. Artikel20Investeringssubsidies 1Voor de (ver)bouw van accommodaties en het aanschaffen van duurzame gebruiksgoederen kan de raad een investeringssubsidie toekennen. Duurzame gebruiksgoederen zijn roerende goederen, die bij normaal gebruik een levensduur van minimaal vijf jaar hebben. 2Een aanvraag om een investeringssubsidie dient vóór 1 februari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft te worden ingediend bij het college. 3De raad beslist op een aanvraag zoals bedoeld in dit artikel, op voorstel van het college, die het voorstel aan de raad voorlegt door het op te nemen op het bestedingsplan (onderdeel van de gemeentebegroting). 4Als het college niet voornemens is een voorstel te doen aan de raad om de aanvraag zoals bedoeld in dit artikel op te nemen op het bestedingsplan, beslist de raad bij afzonderlijk besluit. 5Ingeval het bepaalde in het vorige lid zich voordoet, wordt de aanvrager hier schriftelijk van in kennis gesteld. 6Investeringssubsidies kunnen worden bevoorschot, voor zover dit bij de subsidieverlening is bepaald. HoofdstukVOnvoorziene gevallen Artikel21Onvoorziene gevallen 1Het college kan afwijken van het bepaalde in deze verordening, voor zover toepassing gelet op het belang van deze subsidieverordening leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. 2Besluiten inzake toepassing van lid 1 worden ter kennis gebracht van de raad (of commissie). HoofdstukVIOvergangs- en slotbepalingen Artikel22Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 januari
  2. De “Algemene Subsidieverordening gemeente Landerd” 14 september 1995 door de raad vastgesteld, komt op die datum te vervallen. Artikel23Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als “Algemene Subsidieverordening”. Vastgesteld in de openbare vergadering van de raad der gemeente Landerd, d.d. 1 juli
  3. De raad voornoemd, de secretarisde voorzitter

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.