Aanpassingsregeling wethouders-pensioenenVerordening tot aanpassing van de pensioenen, toegekend of toe te kennen krachtens de Uitkerings- en pensioenverordening wethouders 1956 (Verz. 1957, no. 13), aan algemene bezoldigingswijzigingen (Aanpassingsregeling wethouderspensioenen). Artikel1 Deze verordening verstaat onder: a. pensioen: een pensioen, dat is of wordt toegekend of wordt geacht te zijn toegekend krachtens de Uitkerings- en pensioenverordening wethouders 1956 (Verz. 1957, no. 13; b. berekeningsgrondslag: het bedrag, dat voor de berekening van en pensioen in aanmerking is genomen of -indien het pensioen van een ander pensioen is afgeleid- dat voor de berekening van laatstbedoeld pensioen is aanmerking is genomen. Artikel2 1.Ter aanpassing van het pensioen aan algemene bezoldigingswijzigingen wordt de berekeningsgrondslag van het pensioen vermenigvuldigd met het ten aanzien van die grondslag geldende getal, vermeld in de in artikel 4 opgenomen tabel. 2.Indien herberekening van het pensioen naar de berekeningsgrondslag, die na toepassing van het eerste lid is verkregen, tot een ander bedrag leidt, wordt het pensioen op dat andere bedrag vastgesteld. Artikel3 Een pensioen, dat is of wordt toegekend aan een gewezen wethouder en dat is berekend met inachtneming van de bepalingen omtrent dat pensioen, zoals deze op 31 augustus 1956 golden, overschrijdt, na toepassing van artikel 2, niet een bedrag gelijk aan het in artikel 5 van de Algemene toeslagverordening voor gepensioneerde wethouders 1957 (Verz. 1959, no. 4) bedoelde bedrag, vermenigvuldigd met 1.3213. Artikel4 De in artikel 2, eerste lid, bedoelde tabel luidt als volgt: Vermenigvuldigingsgetal geldend voor een berekeningsgrondslag, welke laatstelijk heeft gegolden in de periode: van 01-01-1916 t/m 31-12-1920 4.6244 van 01-01-1921 t/m 31-12-1934 3.3031 van 01-01-1935 t/m 30-09-1936 3.8537 van 01-10-1936 t/m 31-07-1941 3.9525 van 01-08-1941 t/m 06-05-1945 3.7445 van 07-05-1945 t/m 31-12-1947 3.2557 van 01-01-1948 t/m 31-12-1949 2.7202 van 01-01-1950 t/m 31-08-1950 2.5907 van 01-09-1950 t/m 31-12-1950 2.4729 van 01-01-1951 t/m 15-03-1951 2.2021 van 16-03-1951 t/m 31-08-1953 2.1609 van 01-09-1953 t/m 30-09-1954 1.5415 van 01-10-1954 t/m 31-12-1955 1.4542 van 01-01-1958 t/m 01-09-1956 1.3213 van 02-09-1958 t/m 31-12-1961 1.3213 van 01-01-1962 t/m 31-12-1962 1.1250 van 01-01-1963 t/m 31-12-1963 ------ Artikel5 1.De in artikel 2 bedoelde aanpassing van het pensioen geschiedt ambtshalve door burgemeester en wethouders. 2.De aanpassing van het pensioen gaat in op de dag, met ingang waarvan de getallen, genoemd in de in artikel 4 opgenomen tabel gelden dan wel met ingang van het later tijdstip, waarop het pensioen ingaat; eindigt op het tijdstip, met ingang waarvan de pensioenen nader zullen worden aangepast krachtens artikel 18 f van de Uitkerings- en pensioenverordening wethouders 1956 (Verz. 1957, no. 13). Artikel6 Van de beslissing van burgemeester en wethouders, als bedoeld in artikel 5, eerste lid, wordt belanghebbende schriftelijk in kennis gesteld. Hierbij wordt gewezen op de mogelijkheid van beroep op de centrale Raad van Beroep overeenkomstig de bepalingen van de Beroepswet. Artikel7 Deze verordening kan worden aangehaald als 'Aanpassingsregeling wethouders-pensioenen'. Bij genoemd raadsbesluit van 14 december 1964 is tevens bepaald, dat op het tijdstip met ingang waarvan een pensioen of een daarmede gelijk te stellen uitkering krachtens de Aanpassingsregeling wethouderspensioenen op een ander bedrag is vastgesteld, de toeslag en de overgangstoeslag, die krachtens de Algemene toeslagverordening van gepensioneerde wethouders 1957 (Verz. 1959, no. 4) op dit pensioen of die uitkering zijn verleend, vervallen.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.