Verordening afvalstoffenheffing 2011De raad van de gemeente Werkendam gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 15.33 van de Wet milieubeheer; b e s l u i t : vast te stellen de: Verordening afvalstoffenheffing 2011 Artikel 1 – Aard van de belasting en belastbaar feit. Onder de naam “afvalstoffenheffing” wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer (Stb. 1994, 80). De afvalstoffenheffing als bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het feitelijk gebruik van een perceel waarvan krachtens artikel 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Artikel 2 – Belastingplicht. De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente feitelijk gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge artikel 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Voor de toepassing van het eerste lid wordt als gebruiker aangemerkt: degene die naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit of beperkt recht of persoonlijk recht feitelijk gebruik maakt van het perceel; ingeval een gedeelte van een perceel ten gebruike is afgestaan: degene die dat gedeelte ten gebruike heeft afgestaan. Artikel 3 – Grondslag van heffing en belastingtarief. De belasting wordt geheven naar de volgende grondslagen die naast elkaar verschuldigd zijn, te weten: een vast bedrag per perceel, en; een vast bedrag per soort container per aanbieding en; een vast bedrag per omwisseling en; een vast bedrag per inworp in een ondergrondse verzamelcontainer en; een vast bedrag voor een per individueel perceel verstrekte rolcontainer en; bedragen voor het op aanvraag inzamelen van grove huishoudelijke afvalstoffen en; bedragen voor het op aanvraag inzamelen van grof tuinafval en; bedragen voor het achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen op een milieustation; een en ander naar de maatstaven en tarieven zoals opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel. Artikel 4 – Belastingtijdvak. Het belastingtijdvak is: voor de belasting verschuldigd naar de in artikel 3 onderdeel a bedoelde grondslag, het kalenderjaar; voor de belasting verschuldigd naar de in artikel 3, onderdeel b, c en d bedoelde grondslagen, 6 maanden, onderscheidenlijk omvattende de maanden januari tot en met juni; en de maanden juli tot en met december. Artikel 5 – Wijze van heffing. De belasting wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel 6 – Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang. De belasting, verschuldigd naar de grondslag als bedoeld in artikel 3, onderdeel a ontstaat bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. De belasting verschuldigd naar de grondslagen als bedoeld in artikel 3, onderdelen b, c en d, ontstaat bij het einde van elk tijdvak. Indien de belastingplicht voor de belasting verschuldigd naar de grondslag als bedoeld in artikel 3, onderdeel a in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Indien de belastingplicht voor de belasting verschuldigd naar de grondslag als bedoeld in artikel 3, onderdeel a, in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in feitelijk gebruik neemt. De belasting als bedoeld in artikel 3, onderdelen e, f en g is verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening. Artikel 7 – Termijnen van betaling. De aanslagen naar de grondslag als bedoeld in artikel 3, onderdeel a moeten worden betaald in vier gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. De aanslagen naar de grondslagen als bedoeld in artikel 3, onderdelen b, c en d moeten worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend om de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de volgende termijn een maand later. In afwijking van het eerste lid geldt, voor de aanslagen naar de grondslag als bedoeld in artikel 3, onderdeel a, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 10.000,00 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. In afwijking van het tweede lid geldt voor de aanslagen naar de grondslagen als bedoeld in artikel 3, onderdelen b, c en d in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 10.000,00 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend om de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de volgende termijn een maand later. Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c. van de Invorderingswet 1990 met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van overeenkomstige toepassing. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel 8 –Kwijtschelding Van de belasting verschuldigd naar de in artikel 3 onderdelen b, c en d bedoelde grondslagen wordt kwijtschelding verleend tot een maximaal bedrag van € 53,28 per tijdvak; Van de belasting zoals vermeld in de tarieventabel wordt geen bijdrage gemeentelijke belastingen verleend; Van de belasting zoals vermeld in de hoofdstukken 2, 3, 4, 5 en 6 van de tarieventabel wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 9 – Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de afvalstoffenheffing. Artikel 10 – Inwerkingtreding en citeertitel. De Verordening afvalstoffenheffing 2010 van 10 november 2009 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van bekendmaking. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2011 Deze verordening wordt aangehaald als Verordening afvalstoffenheffing 2011 Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad der gemeente Werkendam van 9 november 2010 De griffier, De voorzitter, mr. I. Bakker mw. drs. C.G.J. Breuer Tarieventabel afvalstoffenheffing behorende bij de Verordening afvalstoffenheffing 2011 Algemeen De bedragen genoemd in deze tabel zijn inclusief omzetbelasting indien deze verschuldigd is. Hoofdstuk
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.