Beleidsregel individuele bijzondere bijstandBurgemeester en wethouders van Rhenen; Gelezen het voorstel van 12 april 2011 Overwegende dat het wenselijk is kaders vast te stellen waarbinnen individuele bijzondere bijstand kan worden verleend; Gelet op artikel 4:81 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht; artikel 7, lid 1 onder b en artikel 35 van de Wet werk en bijstand; BESLUITEN vast te stellen de “Beleidsregel individuele bijzondere bijstand” Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1Begripsomschrijvingen 1.Alle begrippen die in deze regeling worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand, de Algemene wet bestuursrecht, het Burgerlijk Wetboek en de Wet op de huurtoeslag; 2.In deze beleidsregel wordt verstaan onder: college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rhenen; wet: de Wet werk en bijstand (WWB); belanghebbende: de persoon die in aanmerking wenst te komen voor bijzondere bijstand; bijzondere bijstand: de bijstand als bedoeld in artikel 35 van de wet; voorliggende voorziening: elke voorziening buiten de wet waarop de persoon of het gezin aanspraak kan maken dan wel een beroep kan doen ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven; vermogen: het vermogen volgens artikel 34, eerste lid, sub a en b van de wet tenzij expliciet anders wordt aangegeven; bijstandsniveau: de op grond van paragraaf 3.2 van de wet op de belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm, vermeerderd of verminderd met de verhoging of verlaging op grond van de Toeslagenverordening of de op grond van hoofdstuk 4 van de Wet Investeren in Jongeren (WIJ) op de belanghebbende van toepassing zijnde inkomensvoorzieningsnorm, vermeerderd met vakantietoeslag en een eventuele toeslag kop grond van de Toeslagenverordening; meerinkomen: het netto-inkomen vermeerderd met het vakantiepercentage minus het voor betrokkene geldende bijstandsniveau. Voor studenten van 21 jaar of ouder het netto-inkomen minus het bedrag voor levensonderhoud voor uitwonende studenten; meervermogen: het vermogen, dat de gestelde vermogensgrenzen op grond van artikel 34 van de wet te boven gaat; broodnood: indien belanghebbende geen geld meer kan opnemen door een ernstige debetstand op de bankrekening; overbruggingsbijstand: een eenmalige betaling op grond van de wet ten behoeve van levensonderhoud ter overbrugging naar de eerstvolgende (reguliere) betaling van de periodieke uitkering; CAZ: de collectieve aanvullende ziektekostenverzekering van Menzis; WTOS: Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; gezins- of familieleden: degenen die tot het gezin behoren, inclusief pleegkinderen, verdere familieleden in de eerste graad tot en met de tweede graad. Artikel2Toepasselijkheid beleidsregel 1.In principe komen alle kosten voor bijzondere bijstand in aanmerking als er sprake is van noodzakelijke kosten door bijzondere individuele omstandigheden op grond van artikel 35 lid 1 van de wet; 2.In deze beleidsregels worden kaders gegeven voor het toekennen van bijzondere bijstand; 3.In hoofdstuk 3 van deze beleidsregel zijn kosten vermeld waarvoor andere regels gelden; 4.Handboek Schulinck geeft nadere invulling van deze beleidsregel op detailniveau. Hoofdstuk2Vormen hoogte van de bijzondere bijstand Artikel3Vorm van de bijzondere bijstand 1.Bijzondere bijstand wordt “om niet” verstrekt, zonder terugbetalingsverplichting, tenzij anders vermeld; 2.In geval van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan bijzondere bijstand verleend worden in de vorm van een geldlening of op grond van de Maatregelenverordening geheel of gedeeltelijk worden geweigerd. Artikel4Draagkracht 1.Bij verstrekking van bijzondere bijstand wordt rekening gehouden met de draagkracht van de belanghebbende; 2.De draagkracht wordt uitgedrukt in een percentage van het voor de bijzondere bijstand in aanmerking te nemen inkomen en vermogen; 3.Bij de vaststelling van de financiële draagkracht behoeft niet het totale meerinkomen te worden ingezet; 4.Bij de berekening van bijzondere bijstand worden de volgende percentages van het meerinkomen in aanmerking genomen: 15% tussen € 0 en € 1.090 per jaar, vermeerderd met 35% tussen € 1.090 en € 2.723 per jaar, vermeerderd met 50% van € 2.723 en meer per jaar; 5.Wanneer sprake is van periodieke bijzondere bijstand voor de kosten van rente en aflossing lening Stadsbank wordt 50% van het meerinkomen in aanmerking genomen naast de van toepassing zijnde aflossingscapaciteit bij het wettelijk minimumloon zoals vastgesteld door de landelijke Organisatie Sociaal Raadslieden (LOSR); 6.Voor de bepaling van het vermogen is artikel 34, lid 1 onder a en b van de wet van toepassing; 7.De draagkracht bedraagt 100% van het meervermogen; 8.Bij het samengaan van periodieke en incidentele kosten wordt de draagkracht eerst op de incidentele kosten in mindering gebracht; 9.Wanneer verschillende draagkrachtpercentages van toepassing zijn, wordt het hoogste percentage op het meerinkomen in mindering gebracht; 10.De draagkrachtperiode gaat in op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag wordt ingediend en geldt voor de duur van twaalf maanden; 11.Lid 10 van dit artikel is niet van toepassing op kosten die eerder gemaakt zijn; 12.De draagkracht wordt binnen de vastgestelde periode van twaalf maanden herzien indien wijziging van de omstandigheden daartoe aanleiding geeft. Artikel5Berekening hoogte 1.Er bestaat op grond van artikel 15 van de wet geen recht op bijzondere bijstand als een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening; 2.Bij de vaststelling van het bedrag van de bijzondere noodzakelijke kosten wordt aangesloten bij bedragen zoals opgenomen in Handboek Schulinck; 3.Bij de vaststelling van het bedrag van bijzondere bijstand voor de kosten als genoemd in artikel 6 en artikel 11 van deze beleidsregel wordt aangesloten bij het vergoedingenoverzicht van Menzis onder aftrek van de eventuele eigen bijdrage; 4.Er wordt een drempelbedrag van 75 euro per kalenderjaar toegepast bij de vaststelling van de hoogte van de bijzondere bijstand; 5.Het drempelbedrag als bedoeld in lid 7 is niet van toepassing op periodieke bijzondere bijstand. Hoofdstuk3Individuele verstrekkingen Artikel6Medische kosten 1.Met de invoering van de nieuwe zorgverzekeringswet per 1 januari 2006 wordt geen bijzondere bijstand voor medische kosten op individuele basis verstrekt, behoudens zeer dringende gevallen; 2.Indien sprake is van acute broodnood en ernstige gevolgen voor de zorgverzekering, is bijzondere bijstand voor het verplichte eigen risico ziektekostenverzekering mogelijk in de vorm van leenbijstand met aflossing volgens de LOSR normen; 3.Bijzondere bijstand voor medische kosten wordt alleen verstrekt indien de kosten gemotiveerd zijn door een medisch advies. Artikel7Uitvaartkosten 1.Indien de uitvaartkosten niet uit de nalatenschap voldaan kunnen worden en de belanghebbende niet over toereikende middelen beschikt om zijn aandeel in de uitvaartkosten te voldoen, bestaat er recht op bijzondere bijstand; 2.De bijzondere bijstand geldt voor kosten voor zover belanghebbende aansprakelijk kan worden gesteld voor deze kosten en alleen over het deel dat voor rekening komt voor de belanghebbende. Artikel8Bewindvoering, curatele en rechtsbijstand 1.Bijzondere bijstand voor kosten van bewindvoering en voor kosten van curatele is mogelijk indien de kantonrechter de vergoeding hoger heeft vastgesteld dan de hoofdregel van 5% van de netto opbrengst van de onder bewind staande goederen, tenzij dit salariskosten bewindvoerder WSNP betreffen; 2.Bijzondere bijstand voor kosten van rechtsbijstand is mogelijk indien op grond van een toevoeging krachtens de wet op de rechtsbijstand de rechtsbijstand is verleend. Daarbij is geen bijzondere bijstand mogelijk op de vertaalkosten, reiskosten van belanghebbende voor het bijwonen van rechtszittingen, de kosten gemaakt in de bezwaarfase anders dan de eigen bijdragen op grond van de wet op de rechtsbijstand en de kosten van verdergaande rechtsbijstand ten vervolge op een spreekuur, als ook de eigen bijdrage. Artikel9Jongeren van 18 t/m 20 jaar 1.Jongeren van 18 t/m 20 jaar hebben recht op bijzondere bijstand volgens artikel 12 van de wet; 2.Voor de hoogte van de bijzondere bijstand voor jongeren van 18 t/m 20 jaar die niet in een inrichting verblijven, wordt aangesloten bij het bijstandsniveau voor 21 jarigen; 3.De hoogte van de bijzondere bijstand voor zak- en kleedgeld voor jongeren van 18 t/m 20 jaar die in een inrichting verblijven, wordt afgeleid van de hoogte van het bijstandsniveau. Artikel10Kinderen tot 18 jaar 1.Een aanvraag voor babyuitzet wordt niet vóór de 6e maand van de zwangerschap afgewikkeld; 2.Voor de bepaling van de vermoedelijke datum van de bevalling dient de belanghebbende een verklaring van de verloskundige of gynaecoloog te overleggen; 3.Voor de kosten van een baby-uitzet wordt een leenbijstand verleend. Artikel11Ouderen-, zieken- en gehandicaptenzorg 1.Bijzondere bijstand voor ouderen-, zieken- en gehandicaptenzorg wordt alleen verstrekt indien de noodzaak van de kosten gemotiveerd zijn in een medisch advies als bedoeld in afdeling 3.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.