← Nederland

Afstemmings- en handhavingsverordening Wet werk en bijstand 2008 (Roosendaal)

Afstemmings- en handhavingsverordening Wet werk en bijstand 2008 Afstemmings –en handhavingsverordening Wet werk en bijstand 2008: De raad van de gemeente Roosendaal, gezien het advies van de commissie samenleving, Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 25 oktober 2005, nr.

  1. gelet op de Wet werk en bijstand, overwegende dat: op grond van artikel 8, eerste lid onder b Wet werk en bijstand de gemeenteraad bij verordening regels stelt met betrekking tot het verlagen van de bijstand, bedoeld in artikel 18, tweede lid Wet werk en bijstand en op grond van artikel 8a van de Wet werk en bijstand de gemeenteraad bij verordening regels stelt voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet, BESLUIT: de “Afstemmings –en handhavingsverordening Wet werk en bijstand 2004”, zoals vastgesteld d.d. 29 april 2004 op de navolgende wijze aan te passen: Hoofdstuk
  2. Algemene bepalingen Artikel
  3. Begripsomschrijving In deze verordening wordt verstaan onder: de wet: de Wet werk en bijstand (WWB); algemene bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel b, van de wet; bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel d, van de wet; bijstand: algemene en bijzondere bijstand; bijstandsnorm: de bijstandsnorm bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de wet; langdurigheidstoeslag: de langdurigheidstoeslag bedoeld in artikel 5, onderdeel e, van de wet; maatregel: het verlagen van de bijstand of de langdurigheidstoeslag op grond van artikel 18 tweede lid van de wet; het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal; benadelingsbedrag: de brutokosten van bijstand die door de schending van de inlichtingenplicht van belanghebbende worden teruggevorderd. Artikel
  4. Het opleggen van een maatregel Als de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet of de artikelen 28, tweede lid, of 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd. De hoogte en duur van de op te leggen maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging. In deze verordening wordt dit tot uitdrukking gebracht door in de hoofdstukken 2 tot en met 4 de diverse maatregelwaardige gedragingen nader te classificeren. Bij de bepaling van de zwaarte van de maatregel wordt rekening gehouden met het feit of belanghebbende zich in het in aanmerking te nemen tijdvak al eerder schuldig heeft gemaakt aan maatregelwaardige gedragingen. Artikel
  5. Berekeningsgrondslag De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm. In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden toegepast op de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag indien: aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de wet; aan belanghebbende bijzondere bijstand betreffende de kostensoort “toeslag voormalige alleenstaande ouder” wordt verleend met toepassing van artikel 35 van de wet; de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met zijn recht op de langdurigheidstoeslag, daartoe aanleiding geeft. Artikel
  6. Het besluit tot opleggen van een maatregel In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval vermeld: de reden van de maatregel, het percentage, alsmede het bedrag, waarmee de bijstand wordt verlaagd en de duur van de maatregel. Artikel
  7. Horen van belanghebbende Indien het college het voornemen heeft om een maatregel op te leggen voor een gedraging zoals omschreven in artikel 10, categorieën 4 en 5, of artikel 13 wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen voordat een maatregel wordt opgelegd. Artikel
  8. Afzien van het opleggen van een maatregel Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien: elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte bijstand is verleend. Een maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden. Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan. Artikel
  9. Ingangsdatum en tijdvak De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Indien over deze periode reeds een maatregel is toegepast, wordt de maatregel aansluitend op deze periode opgelegd. In alle gevallen wordt uitgegaan van de bijstandsnorm die geldt over de periode waarover de maatregel wordt opgelegd. Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt telkens na een tijdvak van drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd heroverwogen. Indien het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid niet mogelijk is, wordt in afwijking hiervan de maatregel met terugwerkende kracht opgelegd indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de wet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand en wegens beëindiging van de bijstand het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid niet (geheel) mogelijk is. Bij de herziening van het recht op bijstand op grond van artikel 54 derde lid van de wet zal in deze situatie rekening worden gehouden met de met terugwerkende kracht op te leggen maatregel, alsmede met de terugvordering van de daardoor teveel of ten onrechte verstrekte bijstand. De herziening kan niet worden toegepast over een ander tijdvak dan waarop de verwijtbare gedraging betrekking heeft. Indien een opgelegde maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 van de wet wegens voortijdige beëindiging van de bijstand en (volledige) herziening van de bijstand naar het verleden toe, niet of niet volledig kan worden geëffectueerd, wordt deze alsnog in de toekomst ten uitvoer gebracht indien belanghebbende binnen één jaar na bekendmaking van de beslissing tot oplegging van de maatregel opnieuw bijstand gaat ontvangen. Artikel
  10. Samenloop van gedragingen Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als genoemd in artikel 2, eerste lid, inhouden, wordt voor het bepalen van de hoogte en duur van de maatregel uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste maatregel is gesteld. Artikel 9 Tijdelijke opschorting recht op bijstand Indien belanghebbende, gelet op het bepaalde in artikel 54 van de wet, de informatie –en/of medewerkingsplicht niet, niet tijdig of onvolledig nakomt en de te verstrekken informatie wel noodzakelijk is voor de (verdere) verlening van bijstand, wordt het recht op bijstand opgeschort voor de duur van maximaal acht weken. Hoofdstuk
  11. Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid of gesubsidieerde arbeid Artikel
  12. Indeling in categorieën Met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, worden de gedragingen van belanghebbende(n), waardoor de verplichting op grond van artikel 9 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, onderscheiden in de volgende categorieën: Eerste categorie: het zich niet of niet tijdig als werkzoekende laten registreren bij de Centrale organisatie werk en inkomen of het niet tijdig laten verlengen van die registratie. Tweede categorie: het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, waaronder het niet daartoe verschijnen zonder bericht van verhindering. Onder een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling wordt ook verstaan een onderzoek naar de mogelijkheden tot verkrijging van gesubsidieerd werk of sociale activering als (eerste) opstap naar arbeidsinschakeling. Derde categorie het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b en artikel 10, eerste lid van de wet, waaronder begrepen sociale activering als (eerste) opstap naar arbeidsinschakeling. Andere gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren; Vierde categorie: het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid of gesubsidieerde arbeid voor een periode tot 6 maanden; het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid of gesubsidieerde arbeid voor een periode tot 6 maanden. Vijfde categorie: het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid of gesubsidieerde arbeid voor een periode van 6 maanden of langer of onbepaalde tijd; het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid of gesubsidieerde arbeid voor een periode van 6 maanden of langer of onbepaalde tijd. Artikel
  13. De hoogte en duur van de maatregel Met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, wordt de hoogte en duur van de maatregel die hoort bij een verwijtbare gedraging als omschreven in art. 9 vastgesteld volgens onderstaande matrix. cat. 1 cat. 1 cat. 1 cat. 1 cat. 1 cat. 1 cat. 1 1e gedraging 2e gedraging 3e gedraging 4e gedraging 5e gedraging 6e gedraging 7e gedraging 10% 20% 30% 40% 100% 100% 100% 1 maand 1 maand 1 maand 1 maand 1 maand 3 maanden 6 maanden cat. 2 cat. 2 cat. 2 cat. 2 cat. 2 cat. 2 1e gedraging 2e gedraging 3e gedraging 4e gedraging 5e gedraging 6e gedraging 20% 30% 40% 100% 100% 100% 1 maand 1 maand 1 maand 1 maand 3 maanden 6 maanden cat. 3 cat. 3 cat. 3 cat. 3 cat. 3 1e gedraging 2e gedraging 3e gedraging 4e gedraging 5e gedraging 30% 40% 100% 100% 100% 1 maand 1 maand 1 maand 3 maanden 6 maanden cat. 4 cat. 4 cat. 4 1e gedraging 2e gedraging 3e gedraging 100% 100% 100% 1 maand 3 maanden 6 maanden cat. 5 cat. 5 1e gedraging 2e gedraging 100% 100% 3 maanden 6 maanden In de situatie dat door een andere organisatie dan de gemeente het periodieke inkomen van belanghebbende voor een bepaalde periode wordt verlaagd omdat belanghebbende zich schuldig heeft gemaakt aan verwijtbaar gedrag zoals omschreven in de categorie-indeling in artikel 10, wordt in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, de zwaarte van de door de gemeente op te leggen bijstandsmaatregel afgestemd op de besluitvorming van deze derde(n). Uitzondering op deze regel wordt alleen dan toegepast indien belanghebbende door de maatregeloplegging van deze derde(n) volledig zonder middelen van bestaan is geraakt waardoor deze niet langer in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan kan voorzien. Indien binnen één jaar na de voorgaande verwijtbare gedraging sprake is van herhaling van verwijtbaar gedrag, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verzwaring van de maatregel. Onder voorgaande verwijtbare gedragingen wordt verstaan de voorgaande gedraging die aanleiding is geweest tot het treffen van een maatregel. Dit geldt evenzo indien de maatregel wegens dringende redenen niet is geëffectueerd. Bij het niet aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid zoals omschreven in art. 10 lid 4 en 5, wordt de hoogte van de maatregel in afwijking van het bepaalde in lid 1 categorieën 4 en 5, vastgesteld naar de mate waarin de belanghebbende inkomen zou hebben kunnen verwerven of heeft verloren. Hoofdstuk
  14. Niet nakomen van de inlichtingenplicht Artikel
  15. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen Gelet op het bepaalde in artikel 2, tweede lid, worden de gedragingen van belanghebbende, inzake het niet, niet behoorlijk of niet tijdig nakomen van de inlichtingenplicht op grond van artikel 17 van de wet tengevolge waarvan er ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is verleend, afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag, waarbij de volgende categorieën worden onderscheiden: Eerste categorie : benadelingsbedrag tot € 1000,00; Tweede categorie : benadelingsbedrag van € 1000,00 tot € 2000,00 Derde categorie :benadelingsbedrag van € 2000,00 tot € 4000,00; Vierde categorie : benadelingsbedrag van € 4000,00 tot € 6000,00; Vijfde categorie : benadelingsbedrag van € 6000,00 of meer Met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, wordt de hoogte en duur van de maatregel die hoort bij een verwijtbare gedraging als omschreven in het eerste lid vastgesteld volgens onderstaande matrix; benadelingsbedrag tot € 1000,00 10 % van de bijstandsnorm gedurende 1 maand benadelingsbedrag van € 1000,00 tot € 2000,00 20 % van de bijstandsnorm gedurende 1 maand benadelingsbedrag van € 2000,00 tot € 4000,00 35 % van de bijstandsnorm gedurende 1 maand benadelingsbedrag van € 4000,00 tot € 6000,00 50 % van de bijstandsnorm gedurende 1 maand benadelingsbedrag van € 6000,00 of meer géén verlaging omdat benadelingsbedrag valt onder de Aangifterichtlijn sociale zekerheidswetten zodat aangifte bij Justitie dient te worden gedaan. Indien Justitie niet tot vervolging overgaat, dan wordt alsnog een maatregel van 100 % van de bijstandsnorm gedurende 1 maand opgelegd. Beleid van de gemeente is om, in navolging van het tot 01-01-2004 geldende Boetebesluit, geen recidivebepaling in de matrix op te nemen. In afwijking van het eerste lid wordt bij het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de wet zonder dat dit heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, geen maatregel opgelegd. Indien de maatregel moet worden opgelegd en de bijstand reeds is / wordt beëindigd en er sprake is van teveel of ten onrechte verstrekte bijstand, is het bepaalde in art. 7 lid 3 en 4 van toepassing. Hoofdstuk
  16. Overige gedragingen die leiden tot een maatregel Artikel
  17. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid Indien belanghebbende blijk heeft gegeven van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt een maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht op bijstand heeft; Met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, wordt de hoogte en duur van de maatregel die hoort bij een verwijtbare gedraging als omschreven in het eerste lid vastgesteld volgens onderstaande matrix, tenzij de gedraging betrekking heeft op onverantwoorde besteding/ intering van vermogen. bij een periode van 1 tot 6 maanden 100 % van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij een periode van 6 maanden of langer 100 % van de bijstandsnorm gedurende 3 maanden In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, wordt de hoogte en duur van de maatregel die hoort bij een verwijtbare gedraging wegens onverantwoorde besteding/ intering van vermogen vastgesteld volgens onderstaande matrix. Onverantwoord besteed/ingeteerd, waardoor belanghebbende 1 tot 6 maanden eerder beroep op bijstand doet 100 % van de bijstandsnorm gedurende 1 maand Onverantwoord besteed/ingeteerd, waardoor belanghebbende 6 tot 9 maanden eerder beroep op bijstand doet 100 % van de bijstandsnorm gedurende 3 maanden Onverantwoord besteed/ingeteerd, waardoor belanghebbende 9 maanden (of langere periode) eerder beroep op bijstand doet 100 % van de bijstandsnorm gedurende 6 maanden Artikel
  18. Zeer ernstige misdragingen Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren en medewerkers, en onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet, wordt een maatregel opgelegd; Met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, wordt de hoogte en duur van de maatregel die hoort bij een verwijtbare gedraging als omschreven in het eerste lid vastgesteld volgens onderstaande matrix Eerste ernstige misdraging 50 % van de bijstandsnorm gedurende 1 maand Tweede ernstige misdraging binnen 1 jaar na de vorige misdraging 100 % van de bijstandsnorm gedurende 1 maand Derde ernstige misdraging binnen 1 jaar na de vorige misdraging 100 % van de bijstandsnorm gedurende 2 maanden Bij excessieve misdraging 100% van de bijstandsnorm gedurende 2 maanden Artikel
  19. Overige gedragingen Indien belanghebbende blijk heeft gegeven van verwijtbaar gedrag wat niet nader is geregeld in de artikelen 10 tot en met 14 van deze verordening, wordt met inachtneming van artikel 18 van de wet een maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de omstandigheden van het individuele geval. Hoofdstuk
  20. Slotbepalingen Artikel
  21. Handhavingsbeleid Gelet op het bepaalde in artikel 8a van de wet biedt het college jaarlijks aan de raad een beleidsplan aan met daarin het te voeren beleid op het gebied van handhaving, bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Wet werk en bijstand en de te verwachten resultaten; Als onderdeel van het verplichte verantwoordingsverslag over de uitvoering van de wet, rapporteert het college jaarlijks aan de raad of de in het beleidsplan gestelde doelstellingen zijn gerealiseerd en welke middeleninzet daartoe is gedaan. Artikel
  22. De inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na de datum van uitgifte van het Gemeenteblad waarin zij is geplaatst [Noot: gelet op datum publicatie: datum inwerkingtreding 30 dec. 2005]. Artikel
  23. Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: “Afstemmings –en handhavingsverordening Wet werk en bijstand 2008”. Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Roosendaal in zijn openbare vergadering van 27 december
  24. Gepubliceerd in het Gemeenteblad d.d. 29 dec. 2005 en Roosendaalse Bode d.d. 08 jan.
  25. De artikelen: 10, tweede lid, 11, derde lid en 18 zijn laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit d.d. 31 jan. 2008, welk besluit in werking is getreden op 01 febr.
  26. De raad voornoemd, De griffier, De voorzitter, Artikelgewijze toelichting Bijlage artikelgewijze toelichting

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.