Reïntegratieverordening Wet Werk en Bijstand gemeente Werkendam 2007REÏNTEGRATIEVERORDENING WET WERK EN BIJSTAND GEMEENTE WERKENDAM De raad van de gemeente Werkendam, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van Werkendam van inzake het vaststellen van een reïntegratieverordening, gelet op artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet, de artikelen 7 en 8 en 10, tweede lid van de Wet werk en bijstand, de artikelen 34, 35 en 36 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers en de artikelen 34, 35 en 36 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen werknemers, gezien het advies van de cliëntenraad, gehoord de commissie Inwoners, besluit vast te stellen de volgende verordening Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand PARAGRAAF 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: uitkeringsgerechtigden: personen met een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand, de IOAW of de IOAZ; Anw-ers: personen met een uitkering volgens de Algemene nabestaandenwet die ingeschreven zijn bij het CWI; niet-uitkeringsgerechtigden: personen die als werkzoekenden zijn geregistreerd bij het CWI en die geen uitkeringsgerechtigden zijn; ouderen: uitkeringsgerechtigden vanaf 57,5 jaar arbeidsgehandicapten: personen die behoren tot de doelgroep van de Wet REA jongeren: uitkeringsgerechtigden, Anw-ers en niet-uitkeringsgerechtigden niet ouder dan 22 jaar; voorziening: een voorziening bedoeld in artikel 7 eerste lid onder a van de wet en deze verordening; de wet: de Wet werk en bijstand (WWB); REA: Wet Reïntegratie Arbeidsgehandicapten; IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; algemeen geaccepteerde arbeid: alle arbeid die niet in strijd is met de wet, met iemands geweten of met iemands persoonlijke integriteit; tot algemeen geaccepteerde arbeid wordt ook gerekend de uitoefening van een zelfstandig beroep; reïntegratietraject: een voorziening, gebaseerd op SUWI wetgeving, met het doel te komen tot het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid door de in onderdeel a tot en met f genoemde personen; vrijwilligerswerk: het verrichten van onbetaalde maatschappelijke zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maat-schappelijke participatie; opstapbaan: een arbeidsplaats van maximaal 12 maanden als een naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling en waarvoor op grond van artikel 14 van deze verordening aan de werkgever een loonkostensubsidie wordt toegekend; vangnetbaan: een arbeidsplaats van maximaal 36 maanden als een naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling voor personen die vóór 31 december 2003 werkzaam waren op een ID-baan en waarvoor op grond van artikel 14 van deze verordening aan de werkgever een loonkostensubsidie wordt toegekend; het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Werkendam; de raad: de gemeenteraad van de gemeente Werkendam; CWI: Centrum voor Werk en Inkomen Awb: de Algemene wet bestuursrecht; Werknemers in gesubsidieerde arbeid: werknemers als bedoeld in artikel 10, tweede lid van de wet. Direct-werk: een voorziening met behoud van uitkering voor de duur van maximaal zes weken van tenminste 20 uur per week, gericht op uitstroom naar algemeen geaccepteerde arbeid; Leerwerkstage: een voorziening met behoud van uitkering voor de duur van maximaal zes maanden van maximaal 32 uur per week, gericht op uitstroom naar algemeen geaccepteerde arbeid; Wettelijk minimumloon: het minimumloon, bedoeld in artikel 8 van de Wet op het minimumloon en mininumvakantietoeslag; uitvoeringsbesluit: een besluit van het College van Burgemeester en wethouders, waarin nadere regels worden gesteld voor de uitvoering van een bepaalde voorziening of regeling; langdurig werkloze: de persoon die langer dan twaalf maanden zonder onderbreking als werkloos werkzoekende staat ingeschreven bij de Centrale organisatie werk en inkomen. PARAGRAAF 2 BELEID EN FINANCIËN Artikel 2 Opdracht college Het college biedt aan personen als genoemd in artikel 3, eerste lid, ondersteuning bij de arbeidsinschakeling aan en, voor zover het college dat noodzakelijk acht, een voorziening gericht op die arbeidsinschakeling. Artikel 40, eerste lid van de wet is van overeenkomstige toepassing. Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden van voorzieningen wordt door het college een afweging gemaakt, waarbij gekeken wordt of de ondersteuning of de voorziening, gelet op de mogelijkheden en capaciteiten van een cliënt, zoals bedoeld in deze verordening in artikel 1, onder a tot en met d, het meest doelmatig is met het oog op inschakeling in de arbeid. Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod aan ondersteuning en voorzieningen. Artikel 3 Aanspraak op ondersteuning De volgende personen hebben aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en de op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling: uitkeringsgerechtigden; ANW-ers; niet-uitkeringsgerechtigden; de persoon als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet. Geen aanspraak op ondersteuning bestaat, indien sprake is van een voorliggende voorziening welke naar de mening van het college in voldoende mate bijdraagt aan de reïntegratie van de belanghebbende. Artikel 4 Verplichtingen van de cliënt Een persoon die door het college een voorziening wordt aangeboden is verplicht hiervan gebruik te maken. De persoon die deelneemt aan een voorziening is gehouden aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de Wet Structuur Uitvoering Werk en Inkomen, deze verordening, alsmede aan de verplichtingen die het college aan de aangeboden voorziening heeft verbonden. Naast de verplichting als genoemd in het eerste lid kan het college verplichtingen opleggen die strekken tot uitstroom naar algemeen geaccepteerde arbeid. Naast de verplichting, genoemd in artikel 9, eerste lid van de wet, kan het college bij uitvoeringsbesluit nadere regels stellen inzake deze verplichting. De in het eerste lid bedoelde persoon is verplicht datgene na te laten dat de realisatie van het doel van het traject of van de reïntegratie-instrumenten belemmert. Indien een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een voorziening, niet voldoet aan het gestelde in het tweede tot en met vierde lid, kan het college de uitkering verlagen overeenkomstig hetgeen hierover is bepaald in de maatregelen- en handhavingsverordening. Het niet of onjuist verstrekken van relevante informatie van personen kan leiden tot het weigeren, intrekken of beëindigen van de in lid 1 en 2 bedoelde voorzieningen. Indien de persoon, die gebruik maakt van een voorziening, niet voldoet aan het gestelde in het tweede tot en met zesde lid, als gevolg waarvan het reïntegratietraject wordt beëindigd kan het college de kosten van de voorziening dan wel de subsidie geheel of gedeeltelijk terugvorderen. Artikel 5 Rechten van de cliënt De persoon aan wie het college een reïntegratietraject aanbiedt heeft recht op voorzieningen die belemmeringen voor arbeidstoeleiding en arbeidstoetreding opheffen. De cliënt heeft het recht een aanbod dat niet aan deze voorwaarden voldoet te weigeren, als zijnde een niet-passend aanbod. Indien het college een reïntegratiebedrijf inschakelt, dient dit bedrijf te voldoen aan het kwaliteitskeurmerk van reïntegratiebedrijven. Het reïntegratiebedrijf dient over een klachtenregeling en een privacyreglement te beschikken. De cliënt heeft inzage- en correctierecht. Indien het college bij het vaststellen van het reïntegratietraject gebruik maakt van de door het CWI vastgestelde diagnose, wordt deze diagnostische informatie toegevoegd aan het trajectplan en aan de cliënt ter kennisname gebracht. Het college draagt er zorg voor dat de cliënt een vaste contactpersoon toegewezen krijgt voor de duur van het reïntegratietraject. Het college draagt zorg voor goede en begrijpelijke informatie over alle regels, rechten en plichten rondom het reïntegratietraject. De cliënt heeft het recht om iemand mee te nemen naar een keuring of een gesprek. Dit geldt eveneens in de contacten die de cliënt heeft met het reïntegratiebedrijf. Indien de cliënt aangeeft zelf actief op zoek te willen gaan naar gangbare arbeid, wordt deze cliënt actief en met voorrang ondersteund. Indien het college een reïntegratietraject aanbiedt, moet dit uitzicht bieden op volwaardige en duurzame gangbare arbeid. De reïntegratieafspraken die met de cliënt worden gemaakt worden steeds vastgelegd in een voor beroep vatbare beschikking. Dit geldt eveneens voor reïntegratieafspraken die liggen in de sfeer van sociale activering of vrijwilligerwerk. Artikel 6 Vrijstelling Het college kan in individuele gevallen (gedeeltelijk) tijdelijk vrijstelling verlenen van sollicitatieverplichtingen: indien is komen vast te staan, dat de persoon zorg- en opvoedingstaken niet (volledig) kan combineren met arbeid. Aard en omvang van zorgtaken worden vastgelegd in het uitvoeringsbesluit. aan personen die op grond van psychische, medische of sociale omstandigheden geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn. aan personen van 57½ jaar en ouder, indien in samenspraak met het CWI is komen vast te staan dat voor deze personen geen arbeidsperspectief aanwezig is, gelet op de situatie op de arbeidsmarkt. aan personen die een scholingstraject volgen zoals bedoeld in artikel 13, eerste lid, van deze verordening. aan personen die een traject sociale activering volgen zoals bedoeld in artikel 11 van deze verordening. Artikel 7 Budget- en subsidieplafonds Het college kan bij uitvoeringsbesluit een of meer subsidie- of budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen. Een door het college ingesteld subsidie- of budgetplafond vormt een weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke voorziening. Het college kan bij uitvoeringsbesluit een plafond instellen voor het aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifieke voorziening. PARAGRAAF 3 VOORZIENINGEN Artikel 8 Algemene bepalingen over voorzieningen Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien uit de wet en deze verordening, aan een voorziening nadere verplichtingen verbinden. Het college kan een voorziening beëindigen: indien de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in artikel 17 van de wet niet nakomt; indien de persoon die deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep van de wet; indien de persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van deze voorziening; indien naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling. Bij uitvoeringsbesluit kan het college ten aanzien van de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 8 tot en met 18 van deze verordening nadere regels stellen. Deze regels kunnen in ieder geval betrekking hebben op: de voorwaarden waaronder een voorziening wordt aangeboden; de weigeringsgronden bij het aanbieden van voorzieningen; de intrekking of wijziging van de subsidieverlening of -vaststelling; de aanvraag, van en de besluitvorming over subsidies en premies; de betaling van subsidies en het verlenen van voorschotten; overige criteria voor het aanbieden van voorzieningen en het verstrekken van subsidies. Artikel 9 Reïntegratietrajecten Reïntegratietrajecten zijn primair gericht op uitstroom naar duurzame algemeen geaccepteerde arbeid. Voor personen die nieuw instromen in de uitkering en jongeren is direct-werk als bedoeld in artikel 1, punt v, een primaire voorziening; Bij de inzet van reïntegratietrajecten wordt een zorgvuldige afweging gemaakt over de combinatie met zorgtaken c.q. opvoedingstaken. Artikel 10 Direct Werk Elke uitkeringsgerechtigde werkzoekende, waaronder elke jongere, krijgt binnen één week na inschrijving bij het CWI een aanbod voor een direct-werk voorziening, gericht op inschakeling in algemeen geaccepteerde arbeid. Het eerste lid is niet van toepassing op personen ten aanzien van wie het college heeft bepaald dat een volledige ontheffing van de arbeidsverplichting geldt en voor personen waarvan het CWI heeft vastgesteld dat zij binnen drie maanden naar algemeen geaccepteerde arbeid kunnen worden toegeleid. Het college kan in individuele gevallen afwijken van het gestelde in het eerste lid. Indien de direct-werk voorziening binnen zes weken niet heeft geleid tot rechtstreekse uitstroom naar algemeen geaccepteerde arbeid, of voor personen die op grond van het tweede lid geen direct-werk voorziening aangeboden hebben gekregen, wordt een ander reïntegratietraject ingezet waarvan onderstaande voorzieningen onderdeel kunnen uitmaken. Artikel 11 Sociale activering Onder sociale activering wordt verstaan het deelnemen aan onbetaalde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie. Het college kan aan uitkeringsgerechtigden als onderdeel van een reïntegratietraject activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering, met als doel de belanghebbende, met behoud van uitkering, werkritme op te laten doen danwel te behouden. Vrijwilligerswerk wordt alleen verricht bij organisaties zonder winstoogmerk. Sociale activering kan worden ingezet wanneer het college heeft vastgesteld dat de belanghebbende geen perspectief, of pas op middellange termijn een reëel perspectief heeft, op regulier werk en dat inzet van de voorziening wenselijk is. Artikel 12 Leerwerkstage Het college kan aan personen, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, een leerwerkstage aanbieden,als onderdeel van een reïntegratietraject, gericht op arbeidsinschakeling. De leerwerkstage heeft als doel de belanghebbende, met behoud van uitkering, door middel van een werkstage werkervaring en vaardigheden op te laten doen dan wel het leren functioneren in een arbeidsrelatie. De leerwerkstage kan worden ingezet wanneer het college heeft vastgesteld dat de belanghebbende op korte of middellange termijn een reëel perspectief heeft op regulier werk en een leerwerkstage geïndiceerd is. Het college kan bij uitvoeringsbesluit ten aanzien hiervan nadere regels stellen. Artikel 13 Scholing Het college kan een vorm van scholing aanbieden gericht op arbeidsinschakeling. Het college stelt bij uitvoeringsbesluit regels ten aanzien van de noodzakelijkheid van de scholing, de duur en de maximale kosten. Artikel 14 Loonkostensubsidies voor werkgevers gericht op reïntegratie Het college kan subsidie verstrekken aan werkgevers die met een persoon bedoeld in artikel 1 onder a, b, d en f een arbeidsovereenkomst sluiten ten behoeve van de in artikel 1, onder o genoemde opstapbaan. Daarnaast kan het college subsidie verstrekken aan de werkgever ten behoeve van een werknemer die voor 31 december 2003 werkzaam was op een ID-baan en geplaatst is op de in artikel 1, punt p. genoemde vangnetbaan. Bij uitvoeringsbesluit stelt het college regels ten aanzien van de duur van de subsidie, de hoogte en de verplichtingen die aan de subsidie worden verbonden. Het niet meewerken door de werkgever aan het behalen van de in het trajectplan opgenomen doelstellingen en de uitvoering van de daaraan gekoppelde activiteiten, kan leiden tot het weigeren, intrekken of beëindigen van beschikbaar gestelde loonkostensubsidie of premie. Bij het beschikbaar stellen van gesubsidieerde arbeid zal door spreiding van gesubsidieerde werknemers over diverse bedrijven of organisaties worden voorkomen dat oneerlijke concurrentie ontstaat. Hiermee worden de uitgangspunten van EC verordening 2204/2002 nageleefd. Bij het verstrekken van loonkostensubsidies aan werkgevers volgt het college de beleidsaanbeveling zoals beschreven in de circulaire van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 april 2004, kenmerk intercom/2004/24233. Artikel 15 Premie voor werkgevers bij doorstroom naar regulier werk Het college kan aan een werkgever een premie geven als een werknemer reguliere arbeid heeft aanvaard bij dezelfde werkgever. De premie wordt alleen verstrekt indien: de werkgever voor de loonkosten van de werknemer een subsidie ontvangt of heeft ontvangen op grond van deze verordening; de in het eerste lid bedoelde werkaanvaarding heeft plaatsgevonden binnen de duur waarvoor de loonkostensubsidie geldt; de werknemer bij de aanvang van de arbeidsovereenkomst bijstand ontving; de werknemer aansluitend op het gesubsidieerde dienstverband voor zijn nieuwe baan een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft gesloten; de werknemer na zes maanden na de datum met ingang waarvan het gesubsidieerde arbeidsverband is beëindigd nog arbeid in loondienst verricht bij dezelfde werkgever. Het college stelt bij uitvoeringsbesluit regels over de doelgroepen en de hoogte van de premies. Op het verstrekken van premies is artikel 14, lid 3 van overeenkomstige toepassing. Bij het verstrekken van premies aan werkgevers volgt het college de beleidsaanbeveling zoals beschreven in de circulaire van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 april 2004, kenmerk intercom/2004/24233. Artikel 16 Inkomstenvrijlating De uitkeringsgerechtigde die arbeid in deeltijd heeft of aanvaardt, waarmee een inkomen wordt verworven dat minder bedraagt dat de voor de uitkeringsgerechtigde van toepassing zijnde norm, vindt vrijlating van inkomsten uit arbeid plaats gedurende maximaal zes maanden; zoals bedoeld in artikel 31, tweede lid onder o van de wet, waarbij het percentage wordt bepaald op 25% en het maximumbedrag wordt bepaald op € 173,- per maand; zoals bedoeld in art. 3, tweede lid onder d van het Inkomensbesluit IOAW, waarbij het percentage wordt bepaald op 25% en het maximumbedrag wordt bepaald op € 272,54 per maand; zoals bedoeld in artikel 4 lid 1 onder a van het Inkomensbesluit IOAZ, waarbij het percentage wordt bepaald op 25% en het maximumbedrag wordt bepaald op € 272,54 per maand; en dit naar het oordeel van het college bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling. Artikel 17 Premies aan werknemers Het college kent een premie toe aan personen die vanuit een opstapbaan of vangnetbaan algemeen geaccepteerde arbeid aanvaarden, waardoor aanspraak op de uitkering of op de subsidie genoemd in artikel 14 van deze verordening komt te vervallen. Daarnaast komt de langdurig werkloze, de alleenstaande ouder, de arbeidsgehandicapte en degene met een dienstverband als bedoeld in artikel 20 en 21 van deze verordening in aanmerking voor een premie bij het aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid waardoor aanspraak op de uitkering of op de subsidie genoemd in artikel 14 van deze verordening komt te vervallen. Het college kent een premie toe aan ouderen, arbeidsgehandicapten en personen die vanwege sociale en/of medische omstandigheden niet volledig kunnen werken, voor het blijven verrichten van arbeid, waarbij het totale netto inkomen lager is dan de bijstandsnorm en waarbij geen recht bestaat op vrijlating op grond van artikel 16; Het college kent een premie toe aan ouderen en uitkeringsgerechtigden die wegens sociale en/of medische omstandigheden geen betaalde arbeid kunnen aanvaarden en minimaal tien uren per week vrijwilligerswerk verrichten. Voorwaarde is dat het te verrichten vrijwilligerswerk onderdeel uitmaakt van het trajectplan sociale activering als bedoeld in artikel 11. Het college kent een premie toe aan de uitkeringsgerechtigde die met goed gevolg een scholingstraject heeft afgerond dat onderdeel uitmaakt van een reïntegratietraject als bedoeld in artikel 8. Het college stelt bij uitvoeringsbesluit regels over de hoogte van de premies. Artikel 18 Overige vergoedingen Het college kan een vergoeding verstrekken voor kosten die gemaakt zijn in het kader van de arbeidsinschakeling en wel voor reiskosten; kosten voor kinderopvang; kosten voor een vervangende voorziening van mantelzorg, voor zover deze kosten niet door voorliggende voorzieningen kunnen worden bekostigd. Het college stelt beleidsregels vast ten aanzien van doelgroep, de noodzaak en de hoogte van de vergoedingen. Artikel 19 Overige voorzieningen Het college kan aanvullend op de in deze verordening genoemde voorzieningen, in experimentele zin een nieuwe, door de reïntegratiemarkt ontwikkelde voorziening aanbieden, mits deze gericht is op uitstroom naar algemeen geaccepteerde arbeid. PARAGRAAF 4 OVERGANGSBEPALINGEN Artikel 20 Subsidieduur voor bestaande dienstverbanden op grond van artikel 4 en 5 van de Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw) De subsidie die op 31 december 2003 op grond van artikel 4 en 5 van de Wiw van toepassing was blijft gehandhaafd tot uiterlijk 1 januari 2006 onder de voorwaarden die op grond van de Wiw en de andere toepasselijke regelgeving golden op 31 december 2003. In afwijking van het vorige lid blijft de subsidie voor personen die op 31 december 2003 een dienstbetrekking hadden voor onbepaalde tijd op grond van artikel 4 Wiw, gehandhaafd tot aan het einde van het dienstverband. De subsidie kan op een eerder moment worden beëindigd als niet langer aan de voorwaarden zoals die golden op 31 december 2003 wordt voldaan. Artikel 21 Subsidieduur voor bestaande dienstverbanden op grond van de Regeling In- en Doorstroombanen (I/D regeling) Voor werkgevers die op 31 december 2003 personen in dienst hadden op grond van de I/D regeling bedraagt de subsidie voor de directe loonkosten voor het kalenderjaar 2004 maximaal de subsidie geldend op 31 december 2003; Met ingang van 1 januari 2005 is artikel 14, juncto artikel 1 sub p. van toepassing op de in het eerste lid genoemde subsidie aan werkgevers. Bij uitvoeringsbesluit kan het college criteria vaststellen, waardoor de subsidie als bedoeld in het eerste en tweede lid vanaf 31 december 2003 lager wordt vastgesteld. PARAGRAAF 5 SLOTBEPALINGEN Artikel 22 Taakstelling en verantwoording Het college stelt jaarlijks vóór 1 januari een bedrijfsplan op, waarin een taakstelling is opgenomen ten aanzien van het reïntegratiebeleid, en legt dit ter besluitvorming voor aan de gemeenteraad. Voorafgaand aan de besluitvorming door de gemeenteraad vraagt het college de cliëntenraad advies uit te brengen. In de taakstelling wordt in elk geval opgenomen: het aantal te realiseren trajectplannen per doelgroep; de te realiseren uitstroom per doelgroep en de te realiseren gedeeltelijke uitstroom per doelgroep; de in te zetten financiële middelen per doelgroep; het aantal te realiseren (gedeeltelijke) uitstroomtrajecten uit een vangnetbaan en uit een Wiw dienstverband (art. 20). Het college legt jaarlijks, na kennis te hebben genomen van het gevraagde standpunt van de cliëntenraad, vóór 1 juli aan de gemeenteraad verantwoording af over de inzet van de voorzieningen in het voorafgaande kalenderjaar. Daarbij komt in elk geval aan de orde: Een overzicht van de doelgroepen die gebruik hebben gemaakt van het reïntegratieaanbod met daarbij een analyse in hoeverre deze doelgroepen in gelijke mate gebruik maakten van het reïntegratieaanbod; Een analyse in hoeverre niet-uitkeringsgerechtigden en ANW-ers verhoudingsgewijs in gelijke mate gebruik hebben gemaakt van het reïntegratieaanbod; Een overzicht van de ingezette financiële middelen per doelgroep; Een vergelijking tussen de vastgestelde taakstelling als bedoeld in lid 1 en de gerealiseerde taakstelling. Artikel 23 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening daartoe aanleiding geeft. Artikel 24 Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald als “Reïntegratieverordening Wet Werk en Bijstand gemeente Werkendam. Artikel 25 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 juni 2007. De reïntegratieverordening Wet werk en bijstand Werkendam 2004 wordt ingetrokken per 1 juni 2007. Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van Werkendam van 8 mei 2007. De griffier, De voorzitter, Mr. I. Bakker Drs. H.A.G. Hellegers TOELICHTING OP DE REÏNTEGRATIEVERORDENING Algemeen De aanleiding voor deze verordening ligt in artikel 8 van de Wet werk en bijstand (WWB): Artikel 8. Opdracht aan de gemeenteraad om verordeningen vast te stellen. De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot: het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a; het verlagen van de bijstand, bedoeld in artikel 18, tweede lid; het verhogen en verlagen van de norm, bedoeld in artikel 30. De regels, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, hebben in ieder geval betrekking op de evenwichtige aandacht voor de in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, genoemde groepen, alsmede voor verschillende doelgroepen daarbinnen, en op de wijze waarop rekening wordt gehouden met zorgtaken. In dit artikel wordt verwezen naar ondersteuning en voorzieningen volgens artikel 7, eerste lid WWB: Artikel 7. Opdracht college Het college is verantwoordelijk voor: het ondersteunen van personen die algemene bijstand ontvangen, personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, personen met een nabestaanden- of halfwezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet en niet-uitkeringsgerechtigden bij arbeidsinschakeling en, indien het college daarbij het aanbieden van een voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling noodzakelijk acht, voor het bepalen en aanbieden van deze voorziening. De hier geregelde premies, onkostenvergoedingen, kosten voor kinderopvang en alle andere kosten die betrekking hebben op reïntegratie, komen ten laste van het werkdeel WWB. De loonkostensubsidies worden echter uit het inkomensdeel WWB bekostigd. Artikelgewijs Artikel 1 De definities behoeven geen nadere toelichting behalve algemeen geaccepteerde arbeid (onder l), de wet REA (onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.