Bouwverordening gemeente Sint Anthonis 2010Hoofdstuk1INLEIDENDE BEPALINGEN Artikel1.1Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: - asbest: hetgeen daaronder wordt verstaan in artik
Artikel2
.6.9Aanwezigheid van
Artikel2
.6.10Kwaliteit van
Artikel2
.6.11Gelijkwaardigheid Vervallen Artikel2.6.12Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten Vervallen Paragraaf7AANSLUITPLICHT OP NUTSVOORZIENINGEN Artikel2.7.1Eis tot aansluiting aan de waterleiding De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan het distributienet van de openbare waterleiding:a. indien het bouwwerk op ten hoogste 50 meter afstand van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen; ofb. indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 meter van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 50 meter. Artikel2.7.2Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor elektriciteit:a. indien het bouwwerk op ten hoogste 100 meter afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; ofb. indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a. bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 100 meter. Artikel2.7.3Eis tot aansluiting aan het aardgasnet
- De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor aardgas:a. indien het bouwwerk op ten hoogste 40 meter afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; ofb. indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het aardgasdistributienet dan onder a. bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 meter.Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid op woningen waarin voor het kunnen koken een andere energiebron dan gas aanwezig is en voor verwarming geen individuele aansluiting van gastoevoer nodig is
- Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid:a. voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2;b. voor woningen die niet bestemd zijn om te worden verhuurd;c. voor woningen met een aansluiting op een gemeenschappelijke of publieke voorziening voor verwarming, als bedoeld in artikel 2.69 van het Bouwbesluit (warmtedistributienet). Artikel2.7.4Eis tot aansluiting aan de openbare riolering
- a. De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën alsmede de in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde aan of in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten zijn aangesloten aan een openbaar riool, voor zover er sprake is van gemengde rioolstelsels. b. In die gebieden waar sprake is van een gescheiden rioolstelsel moeten afvalwater en faecaliën enerzijds en hemelwater anderzijds gescheiden worden aangevoerd, ieder op het daartoe aangegeven rioolstelsel, tenzij het hemelwater op eigen terrein in de bodem geïnfiltreerd wordt.c. In die gebieden waar het gescheiden rioolstelsel zodanig is uitgevoerd dat hemelwater bovengronds ontvangen wordt, moet het hemelwater bovengronds worden aangeboden.Niet van toepassing is het bepaalde onder 1.:a. in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig is;b. in de gebieden waarin geen gescheiden rioolstelsel aanwezig is:voor zover het uitsluitend hemelwater betreft dat op het eigen terrein in de bodem geïnfiltreerd wordt dan wel op het oppervlaktewater kan worden geloosd.
- Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald:a. op welke plaats, op welke hoogte en met welke binnenmiddellijn de voor het maken van de aansluiting noodzakelijke leiding of leidingen de gevel van het gebouw dan wel de grens van het erf of terrein moet of moeten kruisen;b. of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding moeten worden tussengeschakeld ter voorkoming van het terugvloeien van afvalwater en faecaliën, ingeval de leiding te laag gelegen is om op natuurlijke wijze op het openbaar riool te lozen.
- Op aanwijzing van het bevoegd gezag krachtens de Wet milieubeheer moet worden bepaald of er al dan niet voorzieningen in de bedoelde aansluitleiding moeten worden tussengeschakeld ter verzekering van de goede werking of de goede staat van het openbaar riool, dan wel ter voorkoming van hinder voor andere aangeslotenen aan het openbaar riool, ingeval de hoeveelheid of de aard van de af te voeren stoffen daartoe aanleiding geeft.
- Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op een andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem of lucht mogelijk is:a. voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 meter van een openbaar riool zijn gelegen;b. voor agrarische bedrijven. Artikel2.7.5Aansluiting anders dan aan de openbare riolering
- Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, alsmede de in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van hemelwater niet aan een openbaar riool worden aangesloten, gelden de volgende bepalingen:a. leidingen voor faecalien, afkomstig uit toiletten met waterspoeling, moeten lozen op een rottingput met overstort;b. leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder waterspoeling, moeten lozen op een mestkelder of een beerput zonder overstort, een gierput of een rottingput met overstort;c. leidingen voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden;d. leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.
- Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid onder a. en b., indien afvoer op andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem en lucht mogelijk is. Artikel2.7.6Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen 1 Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk haaks plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn aangewerkt.2 De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de dichtheid van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige zetting van het bouwwerk of de buitenriolering.3 In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen beerputten of rottingputten voorkomen.4 Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen geen vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten een vloeiend beloop hebben, alsmede een voldoende lucht- en waterdichtheid en een voldoende binnenwerkse middellijn.Aan beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, uitgave 2007.5 Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding voor de afvoer van afvalwater, faecaliën en hemelwater ter plaatse waar zij de grens van de weg kruist, een binnenwerkse middellijn hebben van ten minste 125 mm.6 Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken van leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen moeten doeltreffend zijn.Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde in de NEN-normen die zijn opgenomen in bijlage
- Artikel2.7.7Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd. Hoofdstuk3DE MELDING Artikel3.1De wijze van melden Vervallen Artikel3.2Welstandscriteria Vervallen Hoofdstuk4PLICHTEN TIJDENS EN BIJ VOLTOOIING VAN DE BOUW EN BIJ INGEBRUIKNEMING VAN EEN BOUWWERK Artikel4.1Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden Vervallen Artikel4.2Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk, aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven:a. de omgevingsvergunning voor het bouwen; b. andere toestemmingen; c. het bouwveiligheidsplan;d. een besluit ingevolge artikel 13, 13a en 14, tweede lid sub b van de Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom. Artikel4.3Wijzigingen in gegevens bouwregistratie Vervallen Artikel4.4Het uitzetten van de bouw Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend mag – onverminderd het in de voorwaarden van de omgevingsvergunning bepaalde – niet worden begonnen alvorens door of namens burgemeester en wethouders voor zover nodig:a. het straatpeil is aangegeven;b. de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet. Artikel4.5Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden
- Het bouwtoezicht dient – voor zover het betreft bouwwerken waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend en onverminderd het bepaalde in de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen – ten minste twee dagen voor de aanvang van elk der hierna te noemen onderdelen van het bouwproces in kennis te worden gesteld:a. de aanvang der werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden daaronder begrepen;b. de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het slaan van proefpalen daaronder begrepen;c. de aanvang van de grondverbeteringwerkzaamheden.
- Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te worden gesteld van het storten van beton.
- De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden. Artikel4.6Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze verordening en van het Bouwbesluit nodig acht. Artikel4.7Bemalen van bouwputten Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de veiligheid van die bouwwerken schaadt. Artikel4.8Veiligheid op het bouwterrein
- Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat, moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in de weg gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers.
- Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd moeten, wanneer er niet wordt gewerkt – rustpauzen tijdens de dagelijkse werktijd niet inbegrepen:a. de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van de uitvoering van het bouw- en grondwerk, in hun geheel op zodanige wijze zijn uitgeschakeld, dat het weer in gebruik stellen van de installaties door anderen dan daartoe bevoegde personen niet zonder meer mogelijk is;b. machines en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige toestand, dat deze dan wel mechanismen daarvan, niet zonder meer door anderen dan de daartoe bevoegde personen in werking kunnen worden gesteld;
- Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer elektrisch aangedreven bemalingpompen, indien de omstandigheden vereisen dat de voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid voldoende is gewaarborgd.
- Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit veiligheidsoogpunt nodig zijn. Artikel4.9Afscheiding van het bouwterrein
- Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of hinder te duchten is.
- De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere openbare voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt belemmerd.
- Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt, tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht. Artikel4.10Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder
- Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen, transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van goed en veilig werk en in goede staat van onderhoud verkeren.
- Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de omgeving optreedt.
- Het bevoegd gezag kan het gebruik van een werktuig, dat schade of ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan veroorzaken, verbieden.
- Het bevoegd gezag kan voorschrijven, dat voor een op een werk te gebruiken krachtwerktuig:a. uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd, en/ofb. de aandrijving elektrisch geschiedt, en/ofc. het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet mag worden gebruikt.
- Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van toepassing indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde milieuwet van toepassing is. Artikel4.11Bouwafval
- Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in de volgende fracties:a. de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9);b. steenwol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt;c. glaswol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt;d. overig afval.
- Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten op de bouwplaats gescheiden worden gehouden.
- Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container van 10 m3, mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht dit bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag. Artikel4.12Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden
- Van het gereedkomen:a. van putten en van grond- en huisaansluitleidingen van de riolering, alsmede van leidingdoorvoeren en mantelbuizen door wanden en vloeren beneden straatpeil;b. van de thermische isolatie in de spouw van wanden, alsmede van de thermische isolatie in andere besloten constructies moet het bouwtoezicht onmiddellijk na de voltooiing van de onder a. en b. bedoelde werkzaamheden in kennis worden gesteld.
- Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking heeft, mogen niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het oog worden onttrokken gedurende twee dagen na het tijdstip van kennisgeving.
- Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de omgevingsvergunning voor het bouwen verbonden voorwaarden een plicht tot kennisgeving van voltooiing is bepaald.
- Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de omgevingsvergunning voor het bouwen betrekking heeft, wordt het einde van die werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld.
- De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden. Artikel4.13Melden van werken bij lage temperaturen
- Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-, metsel- of buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten minste twee dagen vóór het begin van het desbetreffende werk in kennis worden gesteld van de te treffen maatregelen ten behoeve van:a. het niet verwerken van bevroren materialen;b. het verkrijgen van een goede binding en verharding;c. de bescherming van het desbetreffende werk na de voltooiing tegen vorstschade, zolang het nog onvoldoende is verhard of de temperatuur nog beneden 2 graden Celsius is.
- De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden. Artikel4.14Verbod tot ingebruikneming Het is verboden na de bouw van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is verleend, het bouwwerk in gebruik te geven of te nemen, indien het bouwwerk niet gereed is gemeld bij het bouwtoezicht. Hoofdstuk5STAAT VAN OPEN ERVEN EN TERREINEN, AANSLUITING OP DE NUTSVOORZIENINGEN EN WEREN VAN SCHADELIJK EN HINDERLIJK GEDIERTE Paragraaf5.1STAAT VAN OPEN ERVEN EN TERREINEN Artikel5.1.1Staat van onderhoud van open erven en terreinen Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen
- Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden.
- Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor de veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor de gebruikers of anderen, ten gevolge van:a. drassigheid;b. stank;c. verontreiniging;d. aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte;e. aanwezigheid van begroeiing. Artikel5.1.2Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen
- Indien de toegang van een gebouw meer dan 10 meter is verwijderd van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto’s, vuilnisauto’s, ziekenauto’s, brandweerauto’s en het overige te verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.1a. Indien de omvang en de aard van een gebouw en/of inrichting omwille van de brandbestrijding en/of ontvluchting uit dat gebouw en/of inrichting aanleiding geeft tot het treffen van voorzieningen ten behoeve van de bereikbaarheid rondom dat gebouw en/of inrichting dienen deze voorzieningen te worden aangebracht.
- Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet, tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voorschriften heeft vastgesteld:a. een breedte hebben van ten minste 4.5 meter, over een breedte van ten minste 3.25 meter zijn verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van ten minste 4.2 meter;b. zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; enc. op doeltreffende wijze kunnen afwateren.
- Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een bijgebouw, voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover dat bijgebouw niet tot bewoning is bestemd, maar wel tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is gelegen.
- Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto’s aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die auto’s en de bluswatervoorziening kan worden gelegd, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.
- Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.5a. Indien in het kader van brandbestrijding het risico van een nieuw gebouw en/of inrichting uitstijgt boven de in de directe omgeving aanwezige capaciteit aan bluswatervoorzieningen, kunnen eisen worden gesteld aan de waterwinning ten behoeve van de brandbestrijding. Artikel5.1.3Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten
- Tussen de toegang van enerzijds:a. een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit; b. een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit;en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn.
- Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij:a. ten minste 1.10 meter breed moeten zijn; enb. geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0.85 meter; enc. ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0.02 meter, tenzij dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit. Paragraaf2STAAT VAN BRANDVEILIGHEIDSINSTALLATIES EN VLUCHTROUTEAANUIDINGEN Artikel5.2.1Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
Artikel5
.2.2Aanwezigheid van brandveiligheids-installaties in gebouwen, niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of kantoorgebouwen Vervallen Artikel5.2.3.Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in woongebouwen van bijzondere aard Vervallen Artikel5.2.4.Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in logiesverblijven en logiesgebouwen Vervallen Artikel5.2.5Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in kantoorgebouwen Vervallen Paragraaf3Nieuw Paragraaf Artikel5.3.1Eis tot aansluiting aan de waterleiding De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan het distributienet van de openbare waterleiding:a. indien het bouwwerk op ten hoogste 50 meter afstand van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen; ofb. indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 meter van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 50 meter. Artikel5.3.2Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor elektriciteit:a. indien het bouwwerk op ten hoogste 100 meter afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; ofb. indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a. bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 100 meter. Artikel5.3.3Eis tot aansluiting aan het aardgasnet De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor aardgas:a. indien het bouwwerk op ten hoogste 40 meter afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; ofb. indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het aardgasdistributienet dan onder . bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 meter.Niet van toepassing is voorgaande eis op:a. woningen, waarin voor het kunnen koken een andere energiebron dan gas aanwezig is en voor verwarming geen individuele aansluiting van gastoevoer nodig is; b. woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2;c. woningen die niet worden verhuurd;d. woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingnet. Artikel5.3.4Eis tot aansluiting aan de openbare riolering 1. De in artikel 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, alsmede de eventueel in of aan bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3.6, op een doeltreffende wijze zijn aangesloten aan een openbaar riool.2. Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid:a. in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig is;b. op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 meter van een openbaar riool zijn gelegen;c. voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd;d. op agrarische bedrijven waarin de faecaliën voor bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe voldoende ruime mestkelder, gier- of beerput aanwezig is. Artikel5.3.5Aansluiting anders dan aan de openbare riolering Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is, gelden de volgende bepalingen:a. voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten met waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met een doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig zijn, tenzij de faecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden worden gebruikt;b. voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput zonder overstort, een doeltreffende gierput of een doeltreffende rottingput met overstort aanwezig zijn, alsmede een doeltreffende aansluitleiding tussen die toiletten en de genoemde put, tenzij op andere zodanige wijze wordt geloosd dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden;c. leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden;d. leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput. Artikel5.3.6Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel5.3.7Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd. Paragraaf4HET WEREN VAN SCHADELIJK OF HINDERLIJK GEDIERTE. REINHEID Artikel5.4.1Preventie Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt. Hoofdstuk6BRANDVEILIG GEBRUIK Vervallen Hoofdstuk7OVERIGE GEBRUIKSBEPALINGEN Paragraaf1OVERBEVOLKING Artikel7.1.1Overbevolking van woningen Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte. Artikel7.1.2Overbevolking van woonwagens Het is verboden een woonwagen te bewonen met of toe te staan dat een woonwagen wordt bewoond door meer dan één persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte. Paragraaf2STAKEN VAN HET GEBRUIK Artikel7.2.1Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid Het is verboden een bouwwerk, een open erf of terrein te gebruiken of te doen gebruiken, indien door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is in verband met:a. bouwvalligheid van het bouwwerk;b. bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk. Artikel7.2.2Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan hygiëne Indien tengevolge van het niet functioneren – hieronder begrepen het afgesloten zijn – van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht aanwezige voorzieningen tot het kunnen afvoeren van faecaliën, het kunnen beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken over gedistribueerd gas en het kunnen beschikken over gedistribueerde elektriciteit een onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne aanwezig is, kan het bevoegd gezag gelasten het gebruik van het bouwwerk te staken. Artikel7.2.3Staken van het gebruik van een woonwagen Vervallen Paragraaf3GEBRUIK VAN BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN Artikel7.3.1Bepaling aantal personen nachtverblijf In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid van het besluit omgevingsrecht, wordt het aantal personen bepaald op 10. Artikel7.3.2hinder Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor:a. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid;b. overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het bouwwerk, het open erf of terrein;c. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein;d. instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde wet van toepassing is. Paragraaf4HET WEREN VAN SCHADELIJK OF HINDERLIJK GEDIERTE. REINHEID Artikel7.4.1Preventie 1. Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.2. Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet wordt aangetrokken. Paragraaf5WATERGEBRUIK Artikel7.5.1Verboden gebruik van water Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door het bevoegd gezag schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt geacht, te gebruiken. Paragraaf6INSTALLATIES Artikel7.6.1Gebruiksgereed houden van installaties Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit, het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken of de Bouwverordening de aanwezigheid verplicht stelt, moeten in een goede staat verkeren, zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt. Hoofdstuk8SLOPEN Paragraaf1OMGEVINGSVERGUNNING VOOR HET SLOPEN Artikel8.1.1Omgevingsvergunning voor het slopen 1. Het is verboden bouwwerken, en woonwagens daaronder begrepen, te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag; 2. De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien naar redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal bedragen dan 10 m3, tenzij het slopen mede betreft het verwijderen van asbest. Voorts is geen vergunning vereist voor het slopen ingevolge een besluit op grond van artikel 13 van de Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom. Het bevoegd gezag kan aan haar besluit voorwaarden verbinden als bedoeld in het derde lid.3. Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het slopen slechts voorschriften over:a. de veiligheid tijdens het slopen;b. de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;c. het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden van het sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding in een fractie asbest, een fractie gevaarlijk afval en een fractie overig afval;d. het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen van de gegevens als bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, letter c., voor zover deze gegevens niet reeds zijn overgelegd.4. De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde lid, onder letter c., kunnen eisen bevatten omtrent het selectief slopen, de fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke opslag op het sloopterrein en het in fracties gescheiden verpakken van het sloopafval op het sloopterrein. Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het slopen met betrekking tot asbest voorschriften over het afzonderlijk gereed maken daarvan voor de afvoer van het sloopterrein en over de termijn waarbinnen dit moet plaatsvinden.5 De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet indien in een tijdelijke omgevingsvergunning voor het bouwen voor een seizoengebonden bouwwerk voorschriften zijn gesteld over het slopen van het tijdelijke bouwwerk. Artikel8.1.2Aanvraag sloopvergunning Vervallen Artikel8.1.3In behandeling nemen vervallen Artikel8.1.4Termijn van beslissing vervallen Artikel8.1.5Samenloop van slopen en bouwen Vervallen Artikel8.1.6Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen Een omgevingsvergunning voor het slopen moet worden geweigerd indien:a. de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;b. de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;c. een vergunning met betrekking tot de archeologische monumenten ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of een gemeentelijke monumenten- verordening is vereist en deze niet is verleend;d. een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, die krachtens overgangswet van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening de werking heeft behouden, is vereist en deze niet is verleend. Artikel8.1.7Intrekking omgevingsvergunning voor het slopen Een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden ingetrokken indien:a. de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of onvolledige opgave van gegevens;b. binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de vergunning geen begin met de werkzaamheden is gemaakt;c. tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden deze werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen. Paragraaf2UITZONDERINGEN OP HET VEREISTE VAN EEN OMGEVINGSVERGUNNING VOOR HET SLOPEN Artikel8.2.1Sloopmelding 1. In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen omgevingsvergunning voor het slopen vereist voor het anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel slopen van: a. geschroefde , asbesthoudende platen waarin de asbestvezels hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of uit een op het erf van die woning staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen maximaal vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt;b. asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking uit een woning of uit een op het erf van die woning staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende vloerbedekking of vloertegels maximaal vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt;mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij burgemeester en wethouders en door burgemeester en wethouders binnen acht dagen na de dag waarop dit is gemeld is medegedeeld dat geen omgevingsvergunning voor het slopen is vereist.2. Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet worden gemeld met gebruikmaking van een door of namens burgemeester en wethouders vastgesteld formulier.3. De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in drievoud worden ingediend.4. De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het Nederlands zijn gesteld.5. In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de aard en het gebruik van het bouwwerk.6. Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld.7. Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde mededeling niet binnen de aldaar gestelde termijn hebben gedaan, is de mededeling van rechtswege gedaan.8. Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als bedoeld in het eerste lid voorschriften verbinden met betrekking tot de verwijdering, opslag en afvoer van asbest.9. De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of het zevende lid is verplicht de voorschriften, bedoeld in het achtste lid alsmede de voorschriften die bij of krachtens de artikelen 7 en 8 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn gesteld, in acht te nemen. Voorts is de houder verplicht ter zake van de afvoer van asbest bevattende vloerbedekking alsmede van andere afvalstoffen waarop de mededeling betrekking heeft de in de gemeente geldende voorschriften in acht te nemen.10. Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door sloop vrijkomt is niet toegestaan.11. Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste tot en met het vijfde lid van dit artikel gestelde eisen, stellen burgemeester en wethouders degene die de melding heeft gedaan in de gelegenheid om binnen één week de door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te leggen. Artikel8.2.2Overige uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen omgevingsvergunning voor het slopen vereist, indien het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk verwijderen van:a. geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen;b. verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van kassen;c. rem- en frictiematerialen;d. pakkingen uit verbrandingsmotoren;e. pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is dan 2250 kilowatt. Paragraaf3VERPLICHTINGEN TIJDENS HET SLOPEN Artikel8.3.1Veiligheid op sloopterrein Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van overeenkomstige toepassing op het slopen en het sloopterrein. Artikel8.3.2Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden Op het sloopterrein moet de omgevingsvergunning voor het slopen of een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven. Artikel8.3.3Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het slopen 1. De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, opdragen aan een deskundig bedrijf.2. De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet een afschrift van de vergunning ter hand stellen aan het deskundig bedrijf dat het slopen krachtens aanneming van werk zal uitvoeren.3. De houder van de omgevingsvergunning stelt ten minste één week voorafgaande aan de aanvang van het slopen, het bevoegd gezag schriftelijk op de hoogte van de data en tijdstippen waarop het slopen, voorzover dat betrekking heeft op asbest, zal plaatsvinden.4. De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stuurt binnen twee weken na de uitvoering van de werkzaamheden het bevoegd gezag een afschrift van de resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 9, eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Artikel8.3.4Plichten van degene die sloopt 1. Indien wordt gesloopt zonder dat een omgevingsvergunning voor het slopen is verleend waarin ook de sloop van asbest is opgenomen en tijdens het slopen asbest wordt ontdekt, is degene die sloopt verplicht hiervan terstond melding te doen aan het bouw- en woningtoezicht. 2. Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van tevoren de aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk op de dag van de beëindiging van de sloopwerkzaamheden het einde van die werkzaamheden. Indien het bouwtoezicht dit verlangt, moeten genoemde meldingen schriftelijk geschieden. Artikel8.3.5Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest 1. Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een bouwwerk aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het bouwwerk wordt gesloopt.2. Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande technieken worden toegepast om verontreiniging van het milieu met asbest te voorkomen. Artikel8.3.6Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen vervallen Paragraaf4VRIJ SLOPEN Artikel8.4.1Sloopafval algemeen 1. Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen vergunning krachtens artikel 8.1.1, noch een melding krachtens artikel 8.2.1 is vereist, dient ten minste te worden gescheiden in de navolgende fracties:a. de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9);b. steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;c. bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;d. met PAKS verontreinigde materialen;e. asfalt;f. dakgrind;g. overig afval.2. Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g., en de fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a. tot en met f., moeten op het sloopterrein gescheiden worden gehouden. Hoofdstuk9WELSTAND Artikel9.1De advisering door de welstandscommissie 1. De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan een externeonafhankelijke instelling of partij, die daarvoor de noodzakelijke deskundigheid heeft, hierna te noemen de welstandscommissie.2. De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. 3. De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota genoemde criteria. Artikel9.2Samenstelling van de welstandscommissie 1. De welstandscommissie bestaat uit tenminste 2 leden, welke deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie.2. Voor de advisering over bouwplannen kan een van de leden worden aangewezen die in mandaat advies uitbrengt.3. De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het gemeentebestuur.4. In de welstandscommissie kan een geïnteresseerde burger, anders dan bedoeld in het eerste lid zitting hebben. Artikel9.3Benoeming en zittingsduur 1. De leden van de commissie worden benoemd, in overeenstemming met het Reglement op de Adviescommissie conform bijlage 9, behorende bij deze verordening, met dien verstande dat de instelling, die op grond van artikel 9.1 lid 1 van deze verordening is belast met de welstandszorg, overgaat tot deze benoemingen in mandaat en na goedkeuring van burgemeester en wethouders.2. De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor een termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar.3. Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9 bij deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in de voorgaande leden, nadere benoemingsprocedures. Artikel9.4Jaarlijkse verantwoording De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: - op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de welstandsnota;- de werkwijze van de welstandscommissie; - op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen;- de aard van de beoordeelde plannen;- de bijzondere projecten.De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder. Artikel9.5Termijn van advisering 1. De welstandscommissie brengt het advies over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen twee weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.2. De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning betrekking heeft op een deel van een project of een gefaseerde aanvraag betreft, uit binnen twee weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.3. Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies. Een langere termijn kan door burgemeester en wethouders worden gegeven indien de termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel9.6Openbaarheid van vergaderen en mondeling toelichting 1. De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is openbaar. De agenda voor de vergadering van de welstandscommissie kan voorafgaande aan de vergadering worden ingezien. Datum en tijdstip van de vergadering wordt tijdig bekendgemaakt in een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders – al dan niet op verzoek van de aanvrager –een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet open- baarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen als voor de beoordeling als de adviezen.2. Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen hierom bij het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen heeft verzocht, wordt deze door of namens de welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan.3. In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld.4. Er is geen spreekrecht. Artikel9.7Afdoening bij mandaat 1. De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen mandateren aan een van de leden. Het aangewezen lid adviseert over bouwplannen waarvan volgens hem/haar het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.2. In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan als bedoeld in het vorige lid alsnog voor aan de welstandscommissie.3. Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien het bevoegd gezag – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dient het bevoegd gezag daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. Artikel9.8Vorm waarin het advies wordt uitgebracht 1. De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies schriftelijk.2. Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Artikel9.9Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of standplaatsen 1. Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het voornemen heeft een gebied van de gemeente of een categorie bouwwerken of standplaatsen uit te sluiten van welstandstoezicht, neemt de raad het daartoe strekkende besluit niet dan nadat:a. op het voornemen inspraak is verleend;b. het advies van de welstandscommissie is ingewonnen.2. De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde verordening. Hoofdstuk10OVERIGE ADMINISTRATIEVE BEPALINGEN Artikel10.1De aanvraag om woonvergunning Vervallen Artikel10.2De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen Vervallen Artikel10.3Overdragen vergunningen Vervallen Artikel10.4Overdragen mededeling Vervallen Artikel10.5Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningenen woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen Vervallen Artikel10.6Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening – of in de bij deze verordening behorende bijlagen – wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd. Hoofdstuk11HANDHAVING Artikel11.1Stilleggen van de bouw Vervallen Artikel11.2Overtreding van het verbod tot ingebruikneming Vervallen Artikel11.3Stilleggen van het slopen vervallen Artikel11.4Onderzoek naar een gebrek Vervallen Hoofdstuk12STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Artikel12.1Strafbare feiten Vervallen Artikel12.2Overgangsbepaling bodemonderzoek Indien ten behoeve van de bouw van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in enig ander verband dan de aanvraag om bouwvergunning indicatief bodemonderzoek is verricht, geldt dit indicatieve bodemonderzoek als het in artikel 2.1.5 bedoelde verkennende bodem-onderzoek, tenzij burgemeester en wethouders van mening zijn dat het indicatieve bodemonderzoek niet meer als een recent onderzoek kan worden gezien. Artikel12.3Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en terreinen Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt op basis van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op grond van artikel 40 van de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van dat gebouw zijn gesteld. Artikel12.4Overgangsbepaling (aanvragen
- om)gebruiksvergunning Vervallen Artikel12.5Overgangsbepaling sloopmelding vervallen Artikel12.6Slotbepaling 1 De verordening is vastgesteld op 20 september 2010. Bij inwerkingtreding van deze verordening vervalt de eerder vastgestelde verordening en alle daarop hebbende wijzigingen.De verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking treedt.2. Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Bouwverordening gemeente Sint Anthonis 2010”. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de Raad van de gemeente Sint Anthonis, gehouden op 20 september 2010, De Raad voornoemdDe griffier, De voorzitter, Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning1 Bijlage als bedoeld in de artikelen 2.1.1 en 3.1 Artikel 1 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.3 van de bouwverordening (vervallen) Artikel 2 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.6 van de bouwverordening (vervallen) Artikel 3 Funderingsplan (vervallen) Artikel 4 Constructieve en aanverwante gegevens (vervallen) Artikel 5 Bouwveiligheidsplan (vervallen) Artikel 6 Eisen ten aanzien van tekeningen (vervallen) Artikel 7 Eisen ten aanzien van berekeningen (vervallen) Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning2 Vervallen Gebruikseisen voor bouwwerken3 Vervallen Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties4 Vervallen Opslag brandgevaarlijke stoffen5 Vervallen Opslag brandgevaarlijke stoffen6 Vervallen Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op erven en terreinen7 Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6 De NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende:a NEN 7002, uitgave 1968, ‘Centrifugaal gegoten gietijzeren afvoerbuizen’ (met correctieblad d.d. december 1979);b NEN 7003, uitgave 1968, ‘Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen’ (met correctieblad d.d. december 1979);c NEN 7013, uitgave 1980, ‘Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen- en buitenrioleringen’;d NEN-EN 1401-1, uitgave 1998, ‘Kunststofleidingsystemen voor vrij verval buitenriolering – Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) – Deel 1. Eisen voor buizen, hulpstukken en het systeem’ (Engelstalig; met correctieblad NEN-EN 1401-1/C1, uitgave 1998, Nederlandstalig);e NEN-EN 295-1, uitgave 1992, ‘Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van de aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996, A2, uitgegeven 1997, en A3, uitgegeven 1999 – Deel 1. Eisen’ (Engelstalig);f NEN-EN 295-2, uitgave 1992, ‘Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999 – Deel 2. Kwaliteitscontrole en monstername’ (Engelstalig);g NEN-EN 295-3, uitgave 1992, ‘Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval – Deel 3. Beproevingsmethoden’ (Engelstalig). Checklist voor de visuele inspectie van woningen endaarmee vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest8 Vervallen Reglement van orde van de welstandscommissie9 Inhoud 1. Begripsbepalingen2. Onafhankelijkheid3. Samenstelling en benoeming van de commissie3.1 Samenstelling3.2 Benoeming en zittingsduur3.3 Afdoening bij mandaat4. Taakomschrijving4.1 Taken van de commissie4.2 Wettelijke taken4.3 Niet wettelijk verplichte taken4.4 Taakomschrijving commissielede4.5 Taken externe deskundigen4.6 Taken secretaris5. Werkwijze Bouw- en Woningtoezicht6. Werkwijze van de commissie6.1 Vooroverleg6.2 Openbare vergadering van de commissie / locatie, jaarrooster en agenda6.3 Toelichting opdrachtgever/ontwerper – spreekrecht6.4 Het advies7. Afwijking van het advies / second opinion8. Evaluatie en aanpassing van de welstandsnota9. Excessenregeling10. Tarieven advisering 1. Begripsbepalingen a. het college : het college van burgemeester en wethouders;b. de commissie : de gemeentelijke welstandscommissie;c. de secretaris : de door het college aangewezen ambtenaar, die de commissie bijstaat;d. Welstandszorg : de organisatie waaraan het welstandstoezicht is opgedragen;e. reglement : het Reglement op de gemeentelijke welstandsadvisering. 2. Onafhankelijkheid 1. De gemeenteraad wijst een organisatie aan als welstandscommissie, die aan het college advies uitbrengt over de vraag of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, waarvoor een aanvraag om bouwvergunning is ingediend, in strijd zijn met redelijke eisen van welstand.2. De commissie voert haar taak uit in onafhankelijkheid. 3. Samenstelling en benoeming van de commissie 3.1 Samenstelling 1. De welstandscommissie bestaat uit tenminste 2 leden, welke deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie.2. Voor de advisering over bouwplannen kan een van de leden worden aangewezen die in mandaat advies uitbrengt. 3. De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het gemeentebestuur.4. In de welstandscommissie kan een geïnteresseerde burger, anders dan bedoeld in het eerste lid zitting hebben. 3.2 Benoeming en zittingsduur 1. De instelling, die op grond van artikel 9.1 lid 1 van deze verordening is belast met de welstandszorg, is gemandateerd tot het benoemen van de leden van de welstandscommissie, na goedkeuring van burgemeester en wethouders.2. De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor een termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar.3. De leden van de welstandscommissie en hun plaatsvervangers zijn onafhankelijk ten opzichte van het gemeentebestuur en de gemeentelijke organisatie. Er bestaan geen bindingen of relaties op basis waarvan het advies over de welstandsaspecten wordt beïnvloed. 3.3 Afdoening bij mandaat 1. De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen mandateren aan een van de leden. Het aangewezen lid adviseert over bouwplannen waarvan volgens hem/haar het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.2. In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan als bedoeld in het vorige lid alsnog voor aan de welstandscommissie.3. Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien het bevoegd gezag – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een verzoek doet tot niet-openbare behandeling, dan dient het bevoegd gezag daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. 4. Taakomschrijving 4.1 Taken van de commissie De commissie is belast met zowel wettelijk verplichte als niet wettelijk verplichte taken. De wettelijk verplichte taken worden uitgevoerd op grond van de Woningwet. De commissie is beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijke welstandsbeleid, zoals dat is vastgelegd in de gemeentelijke welstandsnota. 4.2 Wettelijke taken 1. Toetsing van vergunningplichtige bouwwerken: De welstandscommissie adviseert het college over de welstandsaspecten aanvragen om omgevingsvergunning voor het bouwen op basis van artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.2. Jaarverslag commissie: De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: - op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de welstandsnota;- de werkwijze van de welstandscommissie; - op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen;- de aard van de beoordeelde plannen;- de bijzondere projecten.De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder. 4.3 Niet wettelijk verplichte taken 1. De gemeente kan opdracht geven aan de commissie om onder regie van de gemeente en op verzoek van de commissie, de gemeente of de aanvrager, noodzakelijk geacht vooroverleg te voeren met betrokkenen bij de voorbereiding van bouwplannen.2. De commissie zal desgevraagd adviseren in het geval van:
- a)excessen: buitensporigheden in het uiterlijk van bouwwerken die ook voor niet- deskundigen evident zijn;
- b)de beoordeling van aanvragen voor reclames (inzake de gemeentelijke APV).3. Verdere niet wettelijk verplichte taken zijn bijvoorbeeld:- desgewenst kan de commissie tijd inruimen voor een vast inloopspreekuur.Belanghebbenden kunnen daarin advies van de commissie krijgen ten behoeve van de voorbereiding van bouwplannen. De afspraken voor dit inloopspreekuur worden door de secretaris gemaakt. Overigens wordt het spreekuur gestructureerd naar analogie van het bepaalde in artikel 6.2;- de herziening van de welstandsnota;- het desgevraagd adviseren op basis van welstandseisen op zienswijzen,bezwaarschriften etc. 4.4 Taakomschrijving commissieleden: 1. De leden zijn verantwoordelijk voor het functioneren van de commissie en de kwaliteit van de advisering. De leden adviseren binnen de kaders van het gemeentelijk welstandsbeleid.2. Tijdens de openbare vergadering treedt één van de leden op als gastheer voor de aanwezigen. Hij legt in het kort de vergaderprocedure uit en informeert wie van de aanwezige belanghebbenden op zijn of haar plan een toelichting wil geven. Indien een plan in vooroverleg is besproken geeft hij/ zij een korte samenvatting van hetgeen in dat stadium van het planproces is besproken.3. Bij het overleg met de gemeente (bestuurders en ambtenaren) en met de pers treedt één van de leden namens de commissie naar buiten.4. De leden houden een jaarlijkse, inhoudelijke evaluatie van de werkzaamheden. De resultaten worden opgenomen in het jaarlijkse verslag van de commissie aan de gemeenteraad. 5. De conclusie over een bouwplan wordt vast gelegd in een schriftelijk advies en voorzien van een deugdelijke motivering.6. Bij gesprekken worden de gemaakte afspraken puntsgewijs in een gespreksnotitie vastgelegd. 7. De leden geven op basis van hun deskundigheid een onafhankelijke visie op de adviesaanvragen.8. Wanneer er een zakelijke binding bestaat van één der leden met een plan waarvoor advies wordt gevraagd, dan wordt hij voor de betreffende vergadering vervangen.9. De in 4.2.1 lid 5 bedoelde adviezen worden door één de leden ondertekend. 4.5 Taken externe deskundigen De aan de commissievergadering deelnemende externe deskundigen geven vanuit hun ervaring en inzicht in het vakgebied een onafhankelijke visie op de adviesaanvragen. Wanneer een extern deskundige een zakelijke binding heeft met een plan waarvoor advies wordt gevraagd, dan laat hij zich voor de betreffende commissievergadering vervangen. 4.6 Taken secretaris 1. De secretaris verzamelt relevante informatie en bereidt de behandeling in de commissie voor. Hij voorziet de commissie van de benodigde bescheiden.Relevante informatie voor het beoordelen van plannen is/zijn:a. de gemeentelijke welstandsnota;b. de bestemmingsplanbepalingen;c. de beeldkwaliteitsplannen;d. luchtfoto’s (indien mogelijk of relevant);e. het stedenbouwkundig advies of advies ruimtelijke ontwikkeling;f. informatie over eerdere behandeling(
- en)van het plan;g. vergelijkbare aanvragen die door de commissie zijn beoordeeld (indien relevant).2. De secretaris stelt, zo nodig in overleg met de commissieleden, de agenda voor de vergadering vast.3. Hij is verantwoordelijk voor het openbaar maken van de agenda en het tijdstip van de vergaderingen van de commissie.4. De secretaris heeft geen stemrecht. 5. Werkwijze ‘Bouw- en Woningtoezicht’ 1. De ambtenaar BWT draagt er zorg voor dat alleen bouwplannen waarvan de planologische aanvaardbaarheid vaststaat, voor advies aan de commissie worden voorgelegd.2. De ambtenaar BWT controleert of plannen (inclusief de plannen die worden aangeboden voor vooroverleg) voldoen aan de indieningsvereisten als genoemd in het “Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning”. Onder ‘Gegevens en bescheiden ten behoeve van toetsing aan welstandscriteria’ zijn hier als vereiste bescheiden aangegeven:- tekeningen van alle gevels van het bouwwerk en indien relevant, de gevels van de belendende bebouwing;- detailtekeningen van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;- foto’s van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing;- opgave materiaal- en kleurgebruik van toe te passen bouwmaterialen (uitwendige scheidingsconstructie).Andere gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling zijn:- bouwkundige tekeningen met adequate informatie over plattegronden en doorsnedes;- een situatietekening waarop aangegeven de locatie, de rooilijnen, de belendingen en de inrichting van het bouwterrein;- een volledig ingevulde kleur- en/of materiaalstaat. 6. Werkwijze van de commissie 6.1 Vooroverleg 1. De gemeente kan een nog niet formeel ingediende aanvraag om een bouwvergunning ter advisering voorleggen aan de commissie.2. Van dat vooroverleg wordt een verslag gemaakt, dat met de besproken bescheiden in een projectdossier wordt opgenomen. 3. Het vooroverleg vindt bij uitzondering in beslotenheid plaats. 6.2 Openbare vergadering van de commissie:Locatie, rooster en agenda 1. De commissie vergadert wekelijks, tenzij het aanbod aan plannen zodanig laag is dat een interval van 2 weken verantwoord is. De locatie kan wisselen, afhankelijk van eventuele partner- gemeenten, waarmee eventuele gezamenlijke vergaderingen worden georganiseerd2. De data, tijdstippen en locaties van de vergaderingen worden opgenomen in een vooraf op te stellen rooster. Deze data en tijdstippen en de locatie van iedere vergadering worden tijdig vóór de vergadering openbaar gemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders geschikte wijze.3. De agenda van de vergadering van de commissie wordt tijdig vóór die vergadering bekend gemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, ter inzage legging, dan wel op een andere, naar het oordeel van het college, geschikte wijze.4. De behandeling van plannen door de commissie is openbaar, tenzij de voorzitter, het college of de belanghebbende van oordeel is dat er op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur klemmende redenen aanwezig zijn voor geheimhouding. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen als voor het formuleren van de conclusie c.q. het advies. 6.3 Toelichting opdrachtgever / ontwerper – spreekrecht De aanvrager of diens gemachtigde kan (al dan niet op verzoek van de commissie) in de vergadering van de commissie waarin het betreffende plan wordt behandeld, dit plan nader toelichten. Zij kunnen dit vermelden op het daarvoor bestemde formulier of rechtstreeks bij de secretaris of het Bouw- en Woningtoezicht. De gemeente zorgt voor de afspraken en uitnodigingen. 6.4 Het advies 1. De commissie toetst het plan aan het gemeentelijk welstandsbeleid (welstandsnota).2. De commissie formuleert het uit te brengen advies in heldere en duidelijk toetsbare bewoordingen. Het gebruik van abstracte taal en jargon wordt vermeden.3. Het advies wordt direct geformuleerd en bij de gemeente achtergelaten.4. Een welstandsadvies kan de volgende uitkomst hebben: Voldoet:De commissie is van oordeel dat het plan volgens de van toepassing zijnde welstandscriteria niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Desgewenst motiveert de commissie haar advies schriftelijk. Voldoet mits (voldoet niet tenzij):De commissie is van mening dat het plan op onderdelen niet voldoet aan de toetsingscriteria uit de welstandsnota, tenzij tegemoet gekomen wordt aan de geformuleerde bezwaren op die punten. De commissie omschrijft nauwkeurig welke onderdelen van het plan bezwaarlijk zijn. In het geval het college het advies overneemt, krijgt de aanvrager, voor zover dit nog past binnen de beschikbare vergunningstermijn, de gelegenheid om de plannen te wijzigen en aan de bezwaarpunten tegemoet te komen. Voldoet niet:De commissie is van oordeel dat het plan strijdig is met redelijke eisen van welstand. Een negatief welstandsadvies betekent dat indien het college het advies overneemt, het bouwplan ingrijpend gewijzigd moet worden. Een negatief advies wordt nauwkeurig schriftelijk gemotiveerd. Hierin staat een korte omschrijving van het ingediende plan, een verwijzing naar de van toepassing zijnde welstandscriteria, een samenvatting van de beoordeling van het plan op die punten en een aanbeveling tot aanpassing van het plan. Aanhouden:De commissie kan het advies aanhouden - waarbij Bouw- en Woningtoezicht aangeeft of en hoe lang dit mogelijk is binnen de resterende vergunningstermijn - wanneer:
- a)meer informatie of een toelichting van de opdrachtgever/ontwerper noodzakelijk is. Dit kan het geval zijn wanneer de hoofdopzet van het plan (de bouwmassa-vorm) voldoet aan redelijke eisen van welstand en de geveluitwerkingen alsmede de materialisering en detailleringen ter advisering worden opgevraagd;
- b)de commissie van oordeel is dat bijzondere omstandigheden nopen tot afwijking van het gemeentelijk welstandsbeleid. Zij geeft dan gemotiveerd aan op grond waarvan afwijking gerechtvaardigd is. 7. Afwijking van het advies / second opinion 1. Het college kan bij het besluit tot verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen afwijken van het advies van de commissie, indien zij van mening is dat de commissie de van toepassing zijnde criteria niet juist heeft geïnterpreteerd of toegepast. De redenen voor de afwijking worden bij de bekendmaking van het besluit vermeld. Alvorens definitief te beslissen biedt het college de commissie de mogelijkheid van heroverweging van het eerder uitgebrachte advies.2. Het college heeft op grond van artikel van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de mogelijkheid om bij strijdigheid van een bouwplan met redelijke eisen van welstand toch een omgevingsvergunning voor het bouwen te verlenen, indien zij van oordeel is dat daarvoor gewichtige redenen zijn. De afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen gemotiveerd.3. Het college kan eventueel op advies van de commissie gemotiveerd afwijken van de in de gemeentelijke welstandsnota vastgelegde welstandscriteria. Dat kan in het geval dat een bouwplan niet voldoet aan de welstandscriteria, maar wel voldoet aan redelijke eisen van welstand. In die gevallen moet worden verwezen naar de algemene beoordelingscriteria die in de welstandnota zijn opgenomen.4. Indien het college zich niet kan verenigen met het advies van de commissie, kan zij een ‘second opinion’ inwinnen bij een andere commissie. Alvorens daartoe over te gaan stelt het college de commissie daarvan op de hoogte. 8. Evaluatie en aanpassing van de welstandsnota 1. Het college brengt aan de gemeenteraad jaarlijks verslag uit over de uitvoering van het welstandsbeleid. Voor de aspecten die in dit verslag tenminste aan de orde moeten komen, wordt verwezen naar artikel 12c van de Woningwet.2. Tenminste één maal per jaar vindt een evaluatiegesprek plaats tussen een vertegenwoordiging van het college, de commissie en de directeur van de organisatie waaraan de welstandszorg is opgedragen.3. De gemeenteraad beslist op grond van de jaarverslagen en evaluaties over eventuele aanvullingen en/of aanpassingen van de gemeentelijke welstandsnota. 9. Excessenregeling Het college kan de commissie vragen te adviseren over de vraag of het uiterlijk van:a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 45, eerste lid van de Woningwet;b. een bestaande standplaats;c. een te bouwen bouwwerk voor het bouwen waarvan op grond van artikel 43 van de Woningwet geen bouwvergunning is vereist,in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand. Dat is het geval wanneer het gaat om buitensporigheden in het uiterlijk van een bouwwerk, die ook voor niet-deskundigen evident zijn. Hiervoor zijn in de welstandsnota algemene criteria opgenomen. 10. Tarieven advisering De tarieven voor de advisering worden jaarlijks met de organisatie die de welstandszorg uitvoert overeengekomen. Bijlage Burgemeester en wethouders leggen de gemeenteraad één maal per jaar een verslag voor waarin zij ten minste uiteenzetten:a. op welke wijze zij zijn omgegaan met de adviezen van de commissie;b. in welke categorieën van gevallen zij de aanvraag voor een lichte bouwvergunning of omgevingsvergunning niet aan de commissie hebben voorgelegd en op welke wijze zij in die gevallen zelf toepassing hebben gegeven aan criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a van de Woningwet;c. in welke gevallen waarin niet is of wordt voldaan aan artikel 12, eerste lid van de Woningwet, zij zijn overgegaan tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom. Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1 (brandmeldinstallaties)10 Vervallen Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5 (ontruimingsintallatie)11 Vervallen Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 (vluchtrouteaanduiding)12 Vervallen