Beleidsregel wet maatschappelijke ondersteuning gemeente WijchenHOOFDSTUK 1 COMPENSATIEPLICHT C001 Begrip compensatieplicht De verordening is opgebouwd op basis van de compensatieplicht zoals benoemd in artikel 4 van de Wmo. Dit artikel geeft aan het college van burgemeester en wethouders de opdracht om aan personen met bepaalde beperkingen voorzieningen te verstrekken die deze personen in staat stellen een huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en om de woning, zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel alsmede medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. De compensatieplicht is het belangrijkste element van het normatieve kader dat de verordening moet geven. De invulling van dit begrip geeft de grenzen aan van wat burgers kunnen claimefvn en mogen verwachten inzake ondersteuning door de gemeente. Het is onmogelijk om alle beperkingen te compenseren. Gezocht is naar een niveau van maatschappelijke participatie dat redelijkerwijs voor burgers bereikt zou moeten worden. Uitgegaan wordt van wat een persoon zonder beperkingen kan die in vergelijkbare omstandigheden verkeert uitgaande van een maatschappelijk aanvaard voorzieningenniveau dat binnen de budgettaire kaders van de gemeente mogelijk is. Omdat de wet geen definitie geeft van het begrip “compensatieplicht”, is er op basis van de wetgeschiedenis een concrete invulling ontwikkeld. Hierbij is zoveel mogelijk aangesloten bij begrippen die in de Wvg en AWBZ worden of zijn gebruikt, waarbij tevens is aangesloten op bestaande jurisprudentie. Hiervoor is gekozen om al bij de aanvang van de Wmo te kunnen bogen op geaccepteerde begrippen, definities en kaders. Dit vergroot de rechtszekerheid voor de burger en voorkomt overbodige administratieve belasting van de gemeente. C002 Begrip zelfredzaamheid De Wmo geeft geen definitie van het begrip zelfredzaamheid. In de toelichting op het amendement, dat heeft geleid tot invoering van de compensatieplicht (TK 2005-2006, 30 131, nr. 65) wordt echter onder zelfredzaamheid verstaan: "het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke en financiële vermogen om zelf voorzieningen te treffen die deelname aan het normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken". Het begrip zelfredzaamheid kan nader worden omschreven als: Het lichamelijk, verstandelijk, geestelijk of financiële vermogen om zelf voorzieningen te treffen die maatschappelijke participatie mogelijk maken. C003 Begrip maatschappelijke participatie Onder maatschappelijke participatie wordt verstaan de normale deelname aan het maatschappelijke verkeer, te weten (artikel 1 onderdeel g Wmo-verordening): het voeren van een huishouden; het normale gebruik van de woning; het zich in en om de woning verplaatsen; het zich zodanig verplaatsen dat aansluiting wordt gevonden bij regionale, bovenregionale en landelijke vervoersystemen; het ontmoeten van andere mensen en; het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die manier deel te nemen aan het lokale maatschappelijke leven. C004 Begrip en primaat algemene voorzieningen In de verordening is het begrip “algemene voorzieningen” opgenomen. Deze categorie voorzieningen heeft als doel om een snelle oplossing te bieden voor onder het werkingsgebied van de wet vallende problemen die beperkt in omvang en complexiteit zijn. Voor dergelijke problemen kunnen snel eenvoudige voorzieningen worden verstrekt, zonder veel administratieve rompslomp voor de burger. Voor introductie van deze categorie voorzieningen is gekozen omdat de compensatieplicht in artikel 4 Wmo zich uitdrukkelijk niet beperkt tot individuele voorzieningen. De gemeente heeft de opdracht én de mogelijkheid om naast individuele voorzieningen ter compensatie van beperkingen ook meer algemene voorzieningen te organiseren. Als mogelijke algemene voorzieningen valt te denken aan snel beschikbare hulp bij het huishouden zoals een boodschappendienst, scootermobiel- en rolstoelpools voor mensen die niet permanent zo'n middel nodig hebben, klussendiensten voor eenvoudige aanpassingen aan de woning en vrijwilligersdiensten. De praktijk zal uitwijzen of er nog meer creatieve ideeën ontstaan voor algemene voorzieningen. In Wijchen hebben wij op dit moment de “Rolstoel uitleen” via Vraagwijzer als enige concreet ingevulde algemene voorziening. De rolstoelen uit deze rolstoelpool worden voor incidenteel gebruik uitgeleend aan burgers van Wijchen. Omdat wij openstaan voor nieuwe ontwikkelingen en het ons streven is om meer algemene voorzieningen te gaan organiseren hebben wij het begrip algemene voorzieningen ook voor de andere individuele voorzieningen in onze verordening opgenomen. Bij de vraag met welke voorzieningen mensen het best gecompenseerd kunnen worden geldt als leidraad: algemeen waar het kan, individueel als het moet. Deze opzet, met het primaat voor de algemene voorzieningen, is niet alleen gekozen om het voorzieningenstelsel op den duur betaalbaar te houden, maar moet er ook voor zorgen dat de Wmo regelarm en klantvriendelijk wordt. C006 Algemene hulp bij het huishouden Een persoon als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder g onderdeel 4, 5 en 6 Wmo kan voor de algemene hulp bij het huishouden in aanmerking komen indien (artikel 9 lid 1 Wmo-verordening): het voor deze persoon onmogelijk is om zelf een of meer huishoudelijke taken uit te voeren; en de algemene hulp bij het huishouden dit snel en adequaat kan oplossen, aangezien deze persoon aantoonbare beperkingen heeft of problemen ondervindt bij de uitvoering van mantelzorg. Algemene ondersteunende begeleiding Een persoon met beperkingen op grond van een psychosociaal probleem in het herstellen of handhaven van de zelfredzaamheid en zinvolle dagbesteding bij een beperkt regelvermogen kan in aanmerking worden gebracht voor algemene ondersteunende thuisbegeleiding of gezinsbegeleiding indien (artikel 13a lid 1 Wmo-verordening): psychosociale problemen het herstellen of handhaven van de zelfredzaamheid en zinvolle dagbesteding onmogelijk maken; en algemene ondersteunende begeleiding dit snel en adequaat kan oplossen. Vorm Kenmerk van algemene voorzieningen is dat zij altijd in natura verstrekt worden en nooit als financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget (toelichting artikel 1 onderdeel h Wmo-verordening). C007 Algemene woonvoorziening Een persoon als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder g onderdeel 5 en 6 Wmo kan voor de algemene woonvoorziening in aanmerking komen indien (artikel 15 lid 1 Wmo-verordening): aantoonbare beperkingen een aanpassing aan de woning noodzakelijk maken, en de algemene woonvoorziening dit snel en compenserend kan oplossen. Vorm Kenmerk van algemene voorzieningen is dat zij altijd in natura verstrekt worden en nooit als financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget (toelichting artikel 1 onderdeel h Wmo-verordening). C008 Algemene vervoersvoorziening Een persoon als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder g onderdeel 5 en 6 Wmo kan voor een algemene vervoersvoorziening in aanmerking worden gebracht indien (artikel 24 Wmo-verordening): aantoonbare beperkingen het onmogelijk maken om gebruik te maken van het openbaar vervoer of aantoonbare beperkingen het onmogelijk maken om het openbaar vervoer te bereiken. Vorm Kenmerk van algemene voorzieningen is dat zij altijd in natura verstrekt worden en nooit als financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget (toelichting artikel 1 onderdeel h Wmo-verordening). C009 Algemene rolstoelvoorziening Een persoon als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder g onderdeel 5 en 6 Wmo kan voor de algemene rolstoelvoorziening in aanmerking worden gebracht indien (artikel 28 lid 1 Wmo-verordening): aantoonbare beperkingen incidenteel zittend verplaatsen in en rond de woning noodzakelijk aken, en hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de AWBZ of een andere wettelijke regeling geen adequate oplossing bieden. Vorm Kenmerk van algemene voorzieningen is dat zij altijd in natura verstrekt worden en nooit als financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget (toelichting artikel 1 onderdeel h Wmo-verordening). Hoofdstuk 1 Recht op individuele voorzieningen I001 Woonplaats Er wordt geen voorziening toegekend indien de persoon met beperkingen niet woonachtig is in de gemeente Wijchen (artikel 2 lid 2 onderdeel b Wmo-verordening). Het in de gemeente woonachtig zijn betekent dat de persoon met beperkingen in de gemeente zijn hoofdverblijf heeft. Onder hoofdverblijf wordt in dit kader ook wel verstaan de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, slaapt en eet en waar het centrum van zijn dagelijkse sociale en economische activiteiten is gelegen. De gemeente Wijchen heeft in afwijking van het bovenstaande bepaald dat een woonvoorziening getroffen kan worden voor het bezoekbaar maken van één woonruimte indien de aanvrager zijn hoofdverblijf in een AWBZ-instelling heeft (zie artikel 20, lid 2 van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning). Daarnaast maakt de gemeente Wijchen door het toepassen van de hardheidsclausule een uitzondering voor personen met beperkingen die in een AWBZ-instelling (in een andere gemeente) hun hoofdverblijf hebben, maar regelmatig in een bepaalde woning binnen Wijchen logeren (ouderlijk huis, woning van echtgenoot, echtgenote etc.). In dergelijke gevallen kan eenmalig een financiële tegemoetkoming op grond van de Wmo verstrekt worden in verband met aanpassingen voor het logeerbaar maken van die woning (zie bijlage 1). I002 Individueel gericht Een Wmo-voorziening kan alleen worden toegekend wanneer deze is bestemd voor een individuele persoon met beperkingen. Er moet een individuele toetsing van de specifieke individuele situatie van de aanvrager plaatsvinden. Als gevolg van dit uitgangspunt worden voorzieningen uitsluitend bestemd voor gemeenschappelijk gebruik in principe uitgesloten. Uiteraard kunnen personen met beperkingen wel gezamenlijk gebruik maken van een individuele voorziening (bijvoorbeeld een auto). De compensatieplicht van de gemeente betreft dus de personen met beperkingen en niet de overige (gezonde) gezinsleden. Een uitzondering hierop is de Hulp bij het Huishouden, deze voorziening richt zich niet alleen op het individu maar zeker ook op de leefeenheid (de huisgenoten) en de mantelzorg (het ‘cliëntsysteem’). In prestatieveld 4 van de Wmo is ook bepaald dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de ondersteuning van de mantelzorgers en vrijwilligers. De Wmo verplicht dus ook om aan mantelzorgers compensatie te bieden als zij tijdelijk niet kunnen participeren in de samenleving. De gemeente heeft deze taak, maar is niet verplicht om mantelzorgers en vrijwilligers een individuele voorziening aan te bieden. Hoewel het in bepaalde situaties van belang kan zijn dat mantelzorgers en vrijwilligers aanspraak kunnen maken op een individuele Wmo-voorziening wordt sinds 2007 – uit het oogpunt van beheersbaarheid en beperking van de financiële risico’s – een terughoudend beleid gevoerd. Dit houdt in alleen via algemeen ondersteuningsbeleid ondersteuning wordt geboden en de individuele Wmo-voorzieningen in principe niet worden opengesteld voor mantelzorgers en vrijwilligers. Op basis van artikel 10 van de verordening kunnen mantelzorgers en vrijwilligers voor hulp bij het huishouden in aanmerking komen. Het gaat hierbij dan expliciet om huishoudelijke hulp in het kader van de “respijtzorg”. Dus hulp aan een persoon met beperkingen ter ontlasting van de mantelzorger. Het is niet de bedoeling dat het huishouden van de mantelzorger wordt overgenomen, maar overname van het huishouden van degene die de mantelzorg ontvangt is wel mogelijk. Deze laatste persoon zal ook de hulp moeten aanvragen en de woonplaats van deze persoon bepaalt welke gemeente de aanvraag in behandeling gaat nemen. De Stichting Welzijn Ouderen Wijchen schenkt samen met MEE en Vraagwijzer extra aandacht aan mantelzorgondersteuning. Zowel als het gaat om het beter indiceren als om het verruimen van het aanbod zelf. Samen met andere organisaties gaat zij een ondersteuningsaanbod ontwikkelen afgestemd op de behoefte van de mantelzorger en afhankelijk van de persoonlijke situatie. Daarnaast geldt dat de persoon met beperkingen zijn hoofdverblijf moet hebben in de gemeente waar hij de voorziening aanvraagt (domiciliebeginsel), niet - behoudens een aantal uitzonderingen - in een AWBZ-instelling mag verblijven en rechtmatig in Nederland moet verblijven. De persoon met beperkingen Een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische en psychosociale problemen, aantoonbare beperkingen ondervindt bij het uitvoeren van activiteiten op het gebied van het voeren van het huishouden, bij het normale gebruik van de woning, bij het verplaatsen in en om de woning, bij het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel of bij het ontmoeten van medemensen en op basis daarvan aangaan van sociale verbanden. Deze definitie bevat twee belangrijke elementen: ziekte of gebrek en aantoonbare beperkingen. Ziekte of gebrek Of er sprake is van ziekte of gebrek kan op grond van een medisch onderzoek worden vastgesteld. Verder dient in dat onderzoek aangegeven te worden of de ondervonden beperkingen en de daaruit voortvloeiende belemmeringen een direct gevolg zijn van ziekte of gebrek. Onder het begrip ziekte wordt verstaan een procesmatig gebeuren, dat wil zeggen een zich in de tijd uitstrekkende gebeurtenis of complex van gebeurtenissen. Het begrip gebrek duidt op een statische situatie, waarbij het onaannemelijk is dat in deze situatie veranderingen zullen optreden. Ouderdom is op zich niet synoniem aan ziekte of gebrek, wel kan een gebrek nauw samenhangen met het ouderdomsproces. Het gegeven dat men oud is, is op zich dus geen indicatie voor voorzieningen in het kader van de Wmo. Wel kunnen gebreken die verbonden zijn aan het ouder worden, aanleiding zijn in het kader van de Wmo een voorziening te treffen. Ook psychische problemen, zoals fobieën en angsten of het (tijdelijk) niet kunnen voeren van regie, en psychisch-sociale problemen kunnen aanleiding zijn voor het verstrekken van een voorziening. Aantoonbare beperkingen Met het begrip aantoonbare beperkingen wordt bedoeld dat er sprake moet zijn van beperkingen die objectief medisch vast te stellen zijn. Verder moeten die beperkingen het rechtstreekse gevolg zijn van een in medische kringen algemeen geaccepteerd ziektebeeld. De hoogste rechtsprekende instantie - de Centrale Raad van Beroep (CRvB) - heeft in het kader van de Wvg en Wmo uitspraken over moeilijk te objectiveren ziektebeelden gedaan. Het uitgangspunt van deze uitspraken is dat als uit medisch onderzoek blijkt dat er geen aantoonbare beperkingen kunnen worden gevonden, er in beginsel geen noodzaak voor het verstrekken van een voorziening bestaat. Ook bij chronische pijnklachten is het vaak moeilijk om objectief medisch een pijnoorzaak vast te stellen. In uitzonderingssituaties kan een pijnsyndroom los van objectieve neurologische afwijkingen of enig psychiatrisch ziektebeeld als een ziekte of gebrek worden aangemerkt. De CRvB heeft ondermeer in haar uitspraak van 1 mei 1996 (RSV 1996/161) met betrekking tot een arbeidsongeschiktheidszaak, aangegeven dat dit slechts dan aangenomen kan worden indien onafhankelijke medische deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde verantwoorde opvatting hebben dat ongeschiktheid tot arbeid bestaat ook al is niet steeds geheel en al duidelijk aan welke ziekte of gebrek de ongeschiktheid valt toe te schrijven. Voor zover er nog twijfel blijft bestaan bij gebreke van een objectief vastgestelde oorzaak voor de pijnklachten dienen deze niet ten nadele van de cliënt uit te vallen. Van belang is dat door onafhankelijke medici is aangegeven, dat er geen enkele aanwijzing is dat psychologische factoren een rol spelen bij het ontstaan van de pijnklachten. Aanvrager dient onder behandeling te zijn (geweest) van een pijnteam. De pijnklachten zijn naar verwachting blijvend. Bij een moeilijk medisch objectiveerbare aandoening (MMOA) is het belangrijk om zorgvuldig onderzoek te doen naar de medische noodzaak van de gevraagde voorziening. De te treffen voorziening dient er wel toe te leiden, dat de beperkingen op een voldoende manier worden gecompenseerd. ICF-classificatie De International Classification of Functioning, Disability and Health, de zogenaamde ICF-classificatie, is in de wet genoemd als een mogelijkheid om de cliëntsituatie te beschrijven. In de verordening is opgenomen dat de ICF-classificatie gebruikt moet worden bij de (indicatie)advisering.De ICF is een classificatie van het menselijk functioneren. De classificatie is systematisch geordend in gezondheidsdomeinen en met de gezondheid verband houdende domeinen. Op elk niveau zijn de domeinen verder gegroepeerd op grond van gemeenschappelijke kenmerken en in een zinvolle ordening geplaatst. Door de indicatieadviseur wordt allereerst aangegeven om welke stoornissen het bij de aanvrager gaat. Hierbij dienen alleen die functies genoemd te worden die relevant zijn voor de aanvraag, omdat een volledig overzicht geen meerwaarde heeft. Problemen met functies leiden tot beperkingen in activiteiten en participatie. Het is op dit niveau dat de compensatie op basis van de Wmo plaats zal moeten vinden. I003 Langdurig noodzakelijk Waar de grens van langdurig gelegd moet worden is niet eenduidig aan te geven. In de praktijk wordt meestal aangesloten bij een andere regeling die voorzieningen voor kortdurend gebruik verstrekken. Aangezien voor het lenen van een hulpmiddel voor een termijn van maximaal 6 maanden een beroep kan worden gedaan op de tijdelijke uitleen van de Thuiszorgorganisaties die opgezet zijn in het kader van de AWBZ, kan worden geconcludeerd dat 'langdurig' betekent: langer dan 6 maanden. Een andere benadering gaat uit van de eventuele tijdelijkheid van een beperking. Wie na een skiongeluk tijdelijk in een rolstoel zit, kan misschien wel langer dan 6 maanden een rolstoel nodig hebben. Dat kan wellicht 8, 10 of 12 maanden zijn, maar het eind is te voorzien. Iemand die op grond van een permanente beperking aangewezen is op een rolstoel kan misschien soms - tijdelijk - zonder rolstoel, maar een eind aan het rolstoelgebruik is niet te voorzien. Het gaat er uiteindelijk om of er zicht is op herstel. De gemeente bekijkt bij het verstrekken van rolstoelen of de verstrekking een redelijk definitief (als tegenovergesteld van tijdelijk) karakter heeft. Daardoor kan er een leemte ontstaan tussen de leenmogelijkheid van maximaal 6 maanden bij de thuiszorg en het moment dat de tijdelijke rolstoel niet meer noodzakelijk is. Overigens is het niet zo dat terminale patiënten met een levensverwachting korter dan 6 maanden niet in aanmerking komen voor Wmo-voorzieningen. Uit jurisprudentie blijkt dat indien een persoon met beperkingen een bepaalde voorziening voor de rest van zijn leven nodig heeft (hoe kort dit leven ook nog mag duren), deze voorziening als langdurig noodzakelijk wordt aangemerkt. Een uitzondering op de regel dat de aangevraagde voorziening langdurig noodzakelijk moet zijn, wordt gevormd door situaties waarin voor een afzienbare periode hulp bij het huishouden nodig is, bijvoorbeeld bij ontslag uit het ziekenhuis na een opname of bij een ontregeld huishouden. I004 goedkoopst compenserend Bij de keuze voor een voorziening staat de 'geschiktheid' voorop. Een voorziening moet altijd adequaat (passend, toereikend) zijn. Zijn er adequate alternatieven, dan wordt de goedkoopste genomen. Het begrip adequaat sluit aan bij de compensatieplicht van de gemeente. Zo gaat de compensatieplicht van de gemeente ten aanzien van het vervoer van de persoon met beperkingen in beginsel niet verder dan vervoer van alledag in de directe leef- en woonomgeving. Als de gemeente aan een persoon met beperkingen een vervoerskostenvergoeding verstrekt waarmee deze binnen de directe leef- en woonomgeving in zijn vervoersbehoefte kan voorzien, dan is dit in beginsel een adequate oplossing. Een hogere vervoerskostenvergoeding is dan uiteraard ook adequaat, maar in het kader van de Wmo niet de goedkoopst compenserende oplossing. Voor wat betreft de kwaliteit van woonvoorzieningen wordt uitgegaan van de normen zoals die gelden binnen de sociale woningbouw. Als de goedkoopst compenserende oplossing niet overeenstemt met de wensen van de persoon met beperkingen en de inrichting van de woning kan de mogelijkheid geboden worden om een meer met de esthetische voorkeuren van de persoon met beperkingen overeenkomende oplossing te kiezen onder de voorwaarde dat de meerkosten door de persoon met beperkingen zelf betaald worden én de alternatieve oplossing adequaat is. Ook eventuele hogere bijkomende kosten komen voor rekening van de cliënt. Met de voorkeur van een persoon met beperkingen voor een bepaalde voorziening wordt rekening gehouden mits dit past binnen de uitgangspunten ‘goedkoop en compenserend’. Het is voor de persoon met beperkingen mogelijk om voor voorzieningen te kiezen uit meerdere aanbiedingen, mits dit niet leidt tot onevenredige problemen bij de gemeente. Indien de cliënt een voorkeur heeft voor een duurdere voorziening dan de goedkoopste onder de adequate voorzieningen dan overlegt, als de aanvrager dat wenst, de gemeente met de aanvrager of deze de voorkeur heeft voor een financiële tegemoetkoming (persoonsgebonden budget). Ook dan wordt uitgegaan van het bedrag horende bij de goedkoopste voorziening en blijven meerkosten voor rekening van de persoon met beperkingen. Dit principe geldt ook in andere situaties waarin de persoon met beperkingen een andere, duurdere voorziening wenst dan de goedkoopst compenserende. Hierbij valt te denken aan: een snellere (en duurdere) scootermobiel dan de gangbare zonder dat daarvoor een medische indicatie is; de persoon met beperkingen dient dan zelf de meerkosten van deze scootermobiel ten opzichte van de goedkoopst adequate scootermobiel te betalen; het niet willen verhuizen naar een geschikte aangepaste woning maar de eigen woning aanpassen; in dat geval kan de gemeente de kosten vergoeden die ze vergoed zou hebben als er wel verhuisd zou zijn; de aanschaf van een gesloten buitenwagen als een scootermobiel geïndiceerd is mits de aanschaf medisch verantwoord is. I005 Algemeen gebruikelijk Er wordt geen voorziening toegekend indien de voorziening voor een persoon als de aanvrager algemeen gebruikelijk is (artikel 2 lid 2 onderdeel a Wmo-verordening). Onder algemeen gebruikelijk wordt verstaan: naar geldende maatschappelijke normen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als de aanvrager behorend (artikel 1 onderdeel o Wmo-verordening). Uit de toelichting op artikel 1 onderdeel o Wmo-verordening volgt dat voorzieningen algemeen gebruikelijk zijn indien: als het in de reguliere handel verkrijgbaar zijn; die niet speciaal voor gehandicapten bedoeld zijn; die niet aanzienlijk duurder zijn dan vergelijkbare producten met hetzelfde doel. "Voor een persoon als aanvrager" impliceert een individuele toets. Om te bepalen of een voorziening voor een persoon als aanvrager algemeen gebruikelijk is, zal een individuele toets moeten plaats vinden. De toets kan leiden tot een uitzondering op het principe dat een voorziening algemeen gebruikelijk is. Bij deze toets kan het inkomen een rol spelen. Bijvoorbeeld als de persoon met beperkingen qua inkomen niet in staat is de voorziening te betalen. Het moet gaan om een persoon met beperkingen met een uiterst laag inkomen (minimum of net boven minimum) die bovendien aantoonbaar veel kosten heeft die direct verband houden met zijn beperking. Door die kosten ontstaat een besteedbaar inkomen onder het bijstandsniveau. Dan is er een compensatieplicht van de gemeente omdat moeilijk verwacht kan worden dat de persoon met beperkingen met zijn (uiterst) lage inkomen de noodzakelijke voorziening zelf zal aanschaffen. De Wmo is dan een voorliggende voorziening ten opzichte van de bijzondere bijstand. Daarnaast kan een algemeen gebruikelijke voorziening worden vergoed indien een ziekte of gebrek noopt tot plotselinge onvoorzienbare vervanging van zaken, die reeds recent vervangen zijn en anders niet vervangen zouden worden. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het verstrekken van een eenhendelmengkraan in een situatie waarin de persoon als gevolg van een auto-ongeval plosteling met beperkingen wordt geconfronteerd die het normale gebruik van de kraan onmogelijk maken. Waar de grens tussen wat algemeen gebruikelijk is en wat niet precies getrokken moet worden is dus afhankelijk van twee factoren: het inkomen van de aanvrager; en algemeen maatschappelijke normen. De gemeente Wijchen heeft in het Besluit bepaald dat voor personen met beperkingen met een inkomen boven 1,5 x het sociaal minimum - een auto als algemeen gebruikelijk geldt. Meerkosten Bij de subsidiëring van voorzieningen in het kader van de Wmo zal het overigens in het algemeen gaan om 'meerkosten'. Dit wil zeggen dat alleen de kosten die de persoon met beperkingen 'meer' heeft dan de persoon zonder beperkingen voor vergoeding in aanmerking komen. Dit speelt met name bij voorzieningen die op zich algemeen gebruikelijk zijn, maar die voor de persoon met beperkingen duurder zijn omdat het gaat om een bijzondere uitvoering. Een goed voorbeeld daarvan zijn de driewielfietsen. Een fiets is algemeen gebruikelijk en komt dus niet in aanmerking voor een verstrekking. Een driewielfiets is in feite een bijzondere uitvoering van een fiets die duurder is o.a. omdat de schaal waarop deze wordt geproduceerd aanmerkelijk kleiner is. Bij de verstrekking van een vergoeding voor een driewielfiets, wordt dus alleen rekening gehouden met de meerkosten van de driewielfiets t.o.v. een gewone fiets. Voor alle aanvragen geldt steeds dat deze moeten worden getoetst aan de vraag of er sprake is van meerkosten t.o.v. de kosten die een ieder heeft (algemeen gebruikelijk zijn). Vervolgens komen alleen de meerkosten voor vergoeding in aanmerking. Zie richtlijn I022 en I037 voor het beleid over algemeen gebruikelijke woon- en vervoersvoorzieningen. I006 Aanvraag voor verstrijken van de normale afschrijvingsduur Geen voorziening wordt toegekend indien een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds eerder krachtens de Wmo-verordening, dan wel de aan deze verordening voorafgaande Verordening voorzieningen gehandicapten is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is verstreken (artikel 2 lid 2 onderdeel f Wmo-verordening). Uitzondering De voorziening kan wel worden toegekend indien de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen (artikel 2 lid 2 onderdeel f Wmo-verordening). Aansprakelijkheid Uit de toelichting op artikel 2 lid 2 onderdeel f Wmo-verordening blijkt dat indien een ander aansprakelijk is voor het verloren gaan van een voorziening er onderzocht moet worden of het mogelijk is deze derde aansprakelijk te stellen om zodoende de kosten te kunnen verhalen. Verzekering Indien in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien bijvoorbeeld bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op de Wmo-verordening worden gedaan (toelichting artikel 2 lid 2 onderdeel f Wmo-verordening). I007 kosten voorziening voordat besluit is genomen Geen voorziening wordt toegekend voorzover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de aanvrager voorafgaand aan het moment van beschikken heeft gemaakt, tenzij het college uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven voor het maken van de kosten (artikel 2 lid 2 onderdeel e Wmo-verordening). Uit de toelichting op dit artikel volgt dat door deze bepaling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst compenserende voorziening beschouwt en voor een voldongen keuze wordt gezet. In bepaalde gevallen kan het echter nodig zijn dat de aanvrager snel moet beslissen bijvoorbeeld omdat anders de woning aan een andere woningzoekende wordt toegewezen. In deze of andere urgente gevallen is het verkrijgen van toestemming van het college ook voldoende. Maar in alle andere gevallen dient de aanvrager voorafgaand aan bijvoorbeeld de verhuizing schriftelijk toestemming van de gemeente te hebben verkregen. I008 Medewerking belanghebbende of anderen Het college weigert een voorziening indien de aanvrager, eventueel met behulp van de mensen die tot zijn leefeenheid behoren, de belemmeringen die hij ondervindt kan beperken of kan opheffen door het anders organiseren van het dagelijkse leven Bij het bepalen van de voorzieningen wordt rekening gehouden met de persoonskenmerken, de behoefte en de capaciteit van de aanvrager om uit oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien. Dit betekent dat als de aanvrager in staat is de voorziening zelf te regelen én de financiële middelen heeft deze zelf te betalen, hij niet in aanmerking komt voor verstrekking van de voorziening of het geld daarvoor op grond van de Wmo. I009 Inkomensgrenzen Indien het inkomen van een ongehuwde persoon of het gezamenlijk inkomen van gehuwde personen meer bedraagt dan anderhalf maal de normen zoals geregeld in paragraaf 3.2 van de WWB, komen de volgende voorzieningen niet voor verstrekking of vergoeding in aanmerking (artikel 25 Wmo-verordening en artikel 6.2 Wmo-besluit): auto; met een auto vergelijkbare voorzieningen en de daarmee samenhangende gebruiks- en onderhoudskosten. Indien belanghebbende een inkomen heeft boven de inkomensgrens en aanspraak heeft op een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van een rolstoeltaxi dan komt belanghebbende in aanmerking voor de meerkosten van een rolstoeltaxi ten opzicht van een taxi. I010 Overige voorwaarden en weigeringsgronden Artikel 3 lid 2 sub d van de Verordening bepaalt dat een voorziening geweigerd wordt voorzover deze betrekking heeft op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw. Het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw is vastgesteld in het Bouwbesluit 2003. Woonvoorzieningen die op dit uitrustingsniveau worden verstrekt, zijn van voldoende kwaliteit. Een voorbeeld is een garage, waarvoor een elektrische deuropener wordt aangevraagd om er gebruik van te kunnen maken. Omdat een garage niet tot het uitrustingsniveau van de sociale woningbouw behoort, zal aanpassing niet verstrekt worden in het kader van de Wmo, tenzij de garage de enige plek is waar bijvoorbeeld een scootermobiel gestald kan worden. Zo is in het Bouwbesluit ook de verplichte buitenberging/buitenruimte niet meer opgenomen. Ook hiervoor geldt dan dat het (rolstoel-)toegankelijk maken hiervan niet tot de compensatieplicht van de gemeente behoort. Alleen als dit de enige of goedkoopste oplossing is om de woning rolstoeltoegankelijk te maken bestaat er een indicatie voor de aanpassing hiervan. Ook bij hulp bij het huishouden speelt het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw een rol. Het is niet mogelijk om aanzienlijk meer hulp te krijgen vanwege het feit dat men in een veel grotere of meer luxe woning woont. Bewoners van AWBZ-instellingen Bewoners van AWBZ-instellingen (m.n. verzorgings- en verpleegtehuizen) hebben geen recht hebben op WMO-voorzieningen. De reden hiervan is dat de Wmo is bedoeld voor mensen die min of meer zelfstandig wonen of op het terrein van vervoer in ieder geval een zelfstandige vervoersbehoefte hebben. Gelet op de laatste reden heeft de wetgever bepaalde AWBZ-instellingen, waar sprake is van min of meer zelfstandig wonen, voor wat betreft het verlenen van vervoersvoor-zieningen en rolstoelen (dus geen woningaanpassingen!) onder de Wmo gebracht. Dat wil zeggen dat de gemeente zorg draagt voor de verlening van vervoersvoorzieningen aan personen met beperkingen die verblijven in een instelling die op basis van artikel 16 van de AWBZ is toegelaten en voor de verlening van rolstoelen aan personen met beperkingen die verblijven in een instelling die op basis van artikel 16 van de AWBZ is toegelaten en die geen recht hebben op verstrekking van een rolstoel ingevolge de AWBZ. Daarnaast is de gemeente verantwoordelijk voor het verstrekken van vervoersvoorzieningen (vervoerskostenvergoedingen, scootermobielen, driewielfietsen, etc.) aan de bewoners van een aantal AWBZ-instellingen. In Wijchen gaat het om bewoners van de verpleeginrichting de Weegbree en de bewoners van verzorgingshuizen. Veelal gaat het hierbij om een halve vervoerskostenvergoeding. Daar waar nodig wordt maatwerk geleverd (bijvoorbeeld als de persoon met beperkingen aantoonbaar in een sociaal isolement verkeert of dreigt te verkeren) en kan de vervoersvergoeding worden bepaald op de maximale vergoeding (100%). Voor “de Hagert” (een AWBZ-instelling in Leur) kan het volgende onderscheid gemaakt worden: PG-deel bestemd voor dementerende bewoners (maximaal een halve vervoerskostenvergoeding wordt verstrekt) een soort woonvorm waar wonen en zorg losgekoppeld zijn voor bewoners met een verstandelijke handicap. Laatstbedoelde bewoners kunnen voor een volledige vervoerskostenvergoeding in aanmerking komen. Dit naar analogie van de woonvorm Diepvoorde. Geen voorliggende voorziening aanwezig Een voorziening wordt alleen verstrekt als er geen aanspraak bestaat op grond van enige andere wettelijke regeling. De volgende voorzieningen vallen daarom niet onder de Wmo: Werk- en onderwijsvoorzieningen Werkvoorzieningen vallen onder de Wet Werk en Inkomen naar arbeidsvermogen (Wet Wia). Deze voorzieningen maken het mensen met een beperking mogelijk een baan te hebben of een opleiding te volgen. Zorgvoorzieningen Zorgvoorzieningen vallen onder de AWBZ of Zorgverzekering. Ze omvatten allerlei hulpmiddelen en zorg voor zieken en personen met beperkingen. Bijvoorbeeld prothesen, elastische kousen, dieetpreparaten, loophulpen (krukken, looprekjes en rollators), communicatievoorzieningen, wijkverpleging, thuiszorg en ADL-assistentie. Aanvragen voor dergelijke voorzieningen moeten worden ingediend bij de zorgverzekeraar of het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). Inkomensondersteunende voorzieningen Inkomensondersteunende voorzieningen vallen onder de WWB (Wet werk en bijstand). Als het inkomen ontoereikend is, kan voor extra kosten van voeding (dieet), verwarming, bewassing en kledingslijtage e.d. een aanvraag voor bijzondere bijstand worden ingediend bij de gemeente (bij Vraagwijzer). I011 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen van de Wmo-verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt (artikel 37 Wmo-verordening). Uit de toelichting volgt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager kan afwijken van de Wmo-verordening en dus niet van de in de Wmo genoemde bepalingen. Zonodig wordt hierbij advies ingewonnen. Dit afwijken kan alleen maar ten gunste en nooit ten nadele van de betrokken persoon met beperkingen of de eigenaar van de woonruimte. Bij de woningeigenaar, bijvoorbeeld een corporatie, kan gedacht worden aan een situatie waar het van belang is dat een woonruimte ook langer dan zes maanden leeg staat, omdat bijvoorbeeld bekend is dat een persoon met beperkingen voor wie de aangepaste woning uitermate geschikt is, op het punt staat om uit een revalidatiecentrum te worden ontslagen. In die gevallen kan het doelmatiger zijn om een langere periode een tegemoetkoming in de huurderving te verstrekken. Verder is met nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een regel. Het college moet in verband met de precedentwerking dan ook duidelijk aangeven waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt afgeweken. Hoofdstuk 2 Hulp bij het huishouden I012 Hulp bij het huishouden - wat wordt hieronder verstaan De hulp bij het huishouden is afkomstig uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, waar de functie Huishoudelijke Verzorging één van de zeven functies was die onder de AWBZ vielen en uitgewerkt werden in het besluit zorgaanspraken AWBZ. Op 1 januari 2007 is deze functie uit de AWBZ geschrapt (artikel 41, lid 2 Wmo) en heeft de Wmo op basis van artikel 4 lid 1 onder a. deze functie overgenomen. Hierbij wordt gesproken over ‘een huishouden te voeren’ waaronder in de verordening zowel hulp bij het huishouden wordt verstaan als de woonvoorzieningen. Hulp bij het huishouden is aangewezen indien de aanvrager beperkingen ondervindt in het voeren van het huishouden of van problemen bij het uitvoeren van de zorg door personen binnen het huishouden en/of door de mantelzorg. Hulp bij het huishouden komt in beeld als disfunctioneren dreigt. Dat kan zich uiten in vervuiling (van de woning of de kleding), verwaarlozing (gezondheidsrisico’s, persoonlijke verzorging, voeding en vocht) of ontreddering van zichzelf of van afhankelijke huisgenoten waardoor het functioneren in huis maar ook buitenshuis belemmerd wordt. Er dient allereerst te worden nagegaan of er sprake is van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek. Die ziekte of dat gebrek kunnen liggen op de terreinen als vermeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de Wmo: mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem. De vaststelling hiervan zal op objectieve wijze plaats moeten vinden en in het grote deel van de gevallen op basis van een medische beoordeling. In dat kader kan het noodzakelijk zijn medisch advies te vragen aan een medisch adviseur die daartoe de nodige deskundigheid bezit. Daarnaast kan ook hulp bij het huishouden verstrekt worden in situaties dat de mantelzorg problemen heeft bij de uitvoering daarvan. In situaties dat die problemen (deels) opgelost kunnen worden door het toekennen van hulp bij het huishouden is dat een reden voor toekenning. Daarbij dient er van uitgegaan te worden dat de hulp bij het huishouden plaats vindt bij de hulpvrager, die de mantelzorg ontvangt, en niet bij de mantelzorger thuis, indien die een ander woonadres heeft als de hulpvrager. De hulp bij het huishouden wordt onderverdeeld in 3 categorieën, te weten HV 1 , HV 2 en HV 2+. Zie voor nadere criteria en uitwerking de beleidsregels. Bij hulp bij het huishouden worden de volgende categorieën onderscheiden: Categorie Omschrijving HV1 Activiteiten gericht op het schoonmaken van het huis en signalerende functie. Voor deze categorie gelden in ieder geval de volgende werkzaamheden: Poetswerk; Opruimen van kamers; Schoonmaken WC, sanitair en keuken; Stofzuigen, soppen en dweilen vloeren; Bedden opmaken, afhalen en verschonen; Incidentele schoonmaakwerkzaamheden: kasten, ramen etc; Boodschappen doen voor het dagelijks leven; Brood- en warme maaltijden bereiden; Verzorging van kleding en linnengoed: sorteren, wassen, drogen, strijken en vouwen; Beperkte verzorging van planten en huisdieren; Opruimen huishoudelijk afval. HV2 HV1 met ondersteuning van de huishouding. Voor deze categorie gelden in ieder geval de volgende werkzaamheden: Huishoudelijke spullen in orde houden; Ondersteuning bij de opvoeding; Opvang en verzorging van de kinderen; Dagelijkse organisatie van het huishouden. HV2+ Ondersteuning bij het organiseren van de ontregelde huishouding. Voor deze categorie gelden in ieder geval de volgende werkzaamheden: Instructiehulp, advies en voorlichting gericht op het huishouden; Eenvoudige observatie. Richtlijn I013 Hulp bij het huishouden - wie komt wanneer in aanmerking Een persoon als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder g onderdeel 4, 5 en 6 Wmo kan voor individuele hulp bij het huishouden in aanmerking worden gebracht als (artikel 9 lid 2 Wmo-verordening): algemene hulp bij het huishouden een onvoldoende oplossing biedt of algemene hulp bij het huishouden niet beschikbaar is. Er wordt geen hulp bij het huishouden verstrekt indien tot de leefeenheid waar deze persoon deel van uitmaakt een of meer huisgenoten behoren die wel in staat zijn huishoudelijk werk te verrichten (artikel 10 Wmo-verordening). Zie hierover richtlijn I015. Richtlijn I014 Hulp bij het huishouden - algemeen gebruikelijke voorzieningen Voorliggende voorzieningen zijn onder meer (Toelichting Tijdsnormering HH): voor het doen van de boodschappen: (begeleide) boodschappendienst. voor het bereiden van de warme maaltijd: maaltijdvoorziening van een cateringbedrijf, kant en klaar-maaltijden. voor de opvang van de kinderen: kinderdagverblijf,oppas, BSO, gastouder. voor de extra wasverzorging: incontinentiemateriaal (binnen de grenzen van redelijkheid en billijkheid, vergoedt door de Zorgverzekeraar). Voor alle voorliggende voorzieningen geldt dat cliënt in staat moet zijn om er, ondanks zijn/haar beperkingen gebruik van te maken. In cliënt gelegen beperkingen kunnen contra-indicatie vormen voor inzet van voorliggende voorzieningen. Bovendien moeten de voorliggen de voorzieningen ook daadwerkelijk voorhanden zijn in de gemeente. Technische hulpmiddelen Er wordt geen hulp bij de huishouding toegekend als de problemen van de cliënt opgelost kunnen worden met (technische) hulpmiddelen. Dit betreft bijvoorbeeld (algemeen gebruikelijke) huishoudelijke apparatuur zoals een wasmachine, stofzuiger, enzovoort. Als deze apparaten een adequate oplossing zouden bieden voor het probleem dan hebben deze hulpmiddelen de voorkeur boven het inzetten van hulp bij de huishouding aangezien de zelfstandigheid van de cliënt erdoor wordt bevorderd. Zonodig kan de cliënt gewezen worden op eerstelijns ergotherapie voor het leren omgaan met hulpmiddelen en het reorganiseren van het huishouden. Gedurende de tijd dat de voorzieningen of hulpmiddelen er niet zijn (of de cliënt nog moet leren hoe hij ermee moet omgaan) kan de cliënt een indicatie krijgen voor hulp bij de huishouding. Particuliere hulp Particuliere hulp is geen voorliggende voorziening. Er is een indicatie voor hulp bij het huishouden als er sprake is van beperkingen in het huishouden, ongeacht of iemand al een particuliere hulp heeft. Als de cliënt niet bereid of in staat is de hulp op eigen kosten te continueren dan is er aanspraak op de voorziening hulp bij de huishouding. Als cliënt wel bereid en in staat is de hulp op eigen kosten te continueren, dan dienen de uren/werkzaamheden van de particuliere hulp in mindering te worden gebracht op het aantal uren waarop de cliënt op basis van het beperkingenbeeld recht heeft. Richtlijn I015 Gebruikelijke zorg De gebruikelijke zorg is geregeld in artikel 10 Wmo-verordening. Dit artikel bepaalt dat een persoon als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder g onderdeel 4, 5 en 6 Wmo niet in aanmerking komt voor hulp bij het huishouden als tot de leefeenheid waar deze persoon deel van uitmaakt een of meer huisgenoten behoren die wel in staat zijn het huishoudelijk werk te verrichten. Bij gebruikelijke zorg wordt ervan uitgegaan dat huisgenoten binnen een leefeenheid samen verantwoordelijk zijn voor het uitvoeren van huishoudelijke taken. Bij uitval van één van de leden van de leefeenheid wordt gestreefd naar een herverdeling van de huishoudelijke taken binnen die leefeenheid. Er bestaat dan geen recht op hulp bij de huishouding. Onder huisgenoot wordt verstaan iedere meerderjarige met wie de aanvrager duurzaam gemeenschappelijk een woning bewoont (artikel 1 onderdeel q Wmo-verordening). Wie kan gebruikelijke zorg verrichten en wat wordt verwacht? Gebruikelijke zorg heeft een verplichtend karakter en betreft alle huisgenoten ouder dan 18 jaar. Vanaf 18 jaar wordt men verondersteld in verband met studie op kamers te kunnen wonen en een eenpersoonshuishouden te kunnen draaien. Vanaf 23 jaar wordt men verondersteld een volledig huishouden te kunnen draaien. Het hebben van een (drukke) betaalde baan of het volgen van een studie of het niet gewend zijn om huishoudelijke taken te verrichten zijn geen redenen om in aanmerking te komen voor hulp bij de huishouding (zie Protocol Gebruikelijke zorg en, voor nadere uitwerking de Indicatiestelling voor hulp bij het huishouden). Uitzondering op het begrip leefeenheid Er is geen sprake van een leefeenheid bij personen die een kamer huren in een pand. Hierbij geldt wel dat de personen die bij elkaar in het pand wonen, geen familierelatie hebben met elkaar en er daadwerkelijk een huurovereenkomst moet bestaan. Familieleden die een zelfde pand bewonen, maar daarbinnen toch hun eigen woonruimte hebben met een eigen opgang/ingang worden evenmin als leefeenheid beschouwd. Onder woonruimte wordt verstaan, zitkamer, slaapkamer, keuken en douche/toiletruimte. Als voorbeeld kan dienen een woning waar een kind woont en in een aanbouw de ouder(
- s)een zelfstandige leefeenheid vormen. Deze aanbouw kan ook een eigen huisnummer hebben, maar dat hoeft niet. Feitelijke woonsituatie is van belang. Ook bewoners van gezamenlijke woonvormen (woongroepen, kloosters) vormen geen leefeenheid. In die situatie kan wel geïndiceerd worden voor bijvoorbeeld het schoonmaken van de eigen kamer indien men dit zelf niet meer kan. Gemeenschappelijke ruimten die kenmerkend zijn voor kloosters worden omdat zij het niveau sociale woningbouw te boven gaan (bibliotheken, gebedsruimten, gemeenschapsruimten) en behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de gemeenschap. Voor particuliere huizen of een hospice, die verzorging bieden, geldt dat daar hulp bij het huishouden voor het eigen appartement of de eigen kamer geïndiceerd kan worden in zoverre de zorg voor huishoudelijke hulp niet door betrokkene wordt betaald aan de instelling. Uitzonderingen op gebruikelijke zorg In sommige situaties kan hulp bij het huishouden worden toegekend, ook al zijn er volwassen huisgenoten binnen de leefeenheid aanwezig. Dit betreft de volgende situaties: De huisgenoot is langdurig van huis en de afwezigheid heeft een verplichtend karakter. Personen die vanwege hun werk meer dan minimaal 7 etmalen aaneengesloten van huis zijn, zijn niet in staat het huishoudelijk werk over te nemen. Maar in situaties dat sprake is van eigen keuze, zal hier geen rekening mee worden gehouden. De afwezigheid moet een verplichtend karakter hebben. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om chauffeurs die internationale ritten maken, medewerkers in de off-shore of mariniers. De huisgenoot heeft een aantoonbare beperking als gevolg van ziekte of gebrek en is daar door niet in staat om (alle) huishoudelijke taken over te nemen. De huisgenoot is door lichamelijke, geestelijke of andere aantoonbare gebreken niet in staat om (alle) huishoudelijke taken over te nemen. Afhankelijk van de beperkingen kan de huisgenoot geen of een gedeelte van de taken overnemen. Vaak is hierbij nader medisch onderzoek noodzakelijk om de aangegeven gebreken van (één van) de huisgenoten nader te objectiveren. Hiervoor zal een CIZ-arts geraadpleegd worden/een CIZ advies worden gevraagd. De huisgenoot is niet gewend aan het uitvoeren van huishoudelijke activiteiten maar kan dit wel aanleren. In situaties waarin personen uit de leefeenheid nog nooit huishoudelijk werk hebben verricht en dit ook niet kunnen, kan op tijdelijke basis hulp bij de huishouding worden geboden bij het aanleren hiervan. De taak wordt dan niet overgenomen maar via advies, instructie en voorlichting aangeleerd. Belanghebbende ontvangt dan gedurende een periode van 6 tot maximaal 13 weken advies, instructie en voorlichting gericht op het huishouden. Als de huisgenoot dit niet meer kan aanleren, bijvoorbeeld bij ouderen op hoge leeftijd (boven de 75 jaar), kan hulp bij de huishouding worden toegekend voor uitvoering van de zwaar huishoudelijke taken. Er is sprake van dreigende overbelasting waardoor de huisgenoot niet alle huishoudelijke taken over kan nemen. Als de huisgenoot overbelast is of dreigt te raken door het verrichten van de taken die onder gebruikelijke zorg vallen dan kan eventueel hulp bij het huishouden worden toegekend. Wel zal deze (dreigende) overbelasting zoveel mogelijk medisch onderbouwd moeten worden door inschakeling van een CIZ-arts. Er hoeft geen CIZ advies gevraagd te worden als de (over)belasting het gevolg is van het bieden van mantelzorg en deze overbelasting op grond van de duur en /of intensiteit van die mantelzorg aannemelijk is. In een dergelijke situatie kan voor langer dan 3 maanden een beschikking afgegeven worden. Er is wel een verschil tussen kortdurende en langdurig. Wanneer van het een of ander gesproken kan worden is ter beoordeling aan de zorgconsulent. Richtlijn I016 Hulp bij het huishouden - overige voorwaarden en weigeringsgronden Specifiek voor hulp bij het huishouden gelden de volgende overige voorwaarden/weigeringsgronden: Kortdurende noodzaak Uitzondering op de langdurige noodzaak is de verstrekking van hulp bij het huishouden. Deze kan in sommige gevallen ook voor korte duur worden geïndiceerd (zie richtlijn I003 en toelichting op artikel 2 lid 1 onderdeel a Wmo-verordening). Voorzieningenniveau Er wordt geen voorziening toegekend voor zover de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw (artikel 2 lid 2 onderdeel c Wmo-verordening). Richtlijn I017 Hulp bij het huishouden - vorm, omvang en hoogte In deze richtlijn komen de volgende onderwerpen aan de orde: Vorm Omvang en hoogte Thuisbegeleiding Aanvangsdatum persoonsgebonden budget Vaststelling persoonsgebonden budget Eigen bijdrage Vorm Het college kan een voorziening voor hulp bij het huishouden verstrekken (artikel 8 Wmo-verordening): in natura; in de vorm van een persoonsgebonden budget. Omvang en hoogte De omvang van de hulp bij het huishouden wordt uitgedrukt in uren, afgerond naar decimalen, per week (artikel 11 Wmo-verordening). Bij het bepalen van de omvang wordt een standaard normering gehanteerd, waarvan echter altijd afgeweken kan worden, mits onderbouwd (Tabel tijdsnormering hulp bij het huishouden en Toelichting op normering hulp bij het huishouden, zie bijlage 3 en 4). Hoogte Het persoonsgebonden budget wordt berekend naar een bedrag per uur en naar het aantal uren waarin de hulp bij de huishouding in de budgetperiode benodigd is. Indien er sprake is van hulp bij de huishouding gedurende een deel van een uur, wordt het persoonsgebonden budget naar evenredigheid berekend. De volgende uurbedragen worden als persoonsgebonden budget beschikbaar gesteld (artikel 4.2 Wmo-besluit): Voor categorie HV1 een bedrag van € 14,25 per uur. Voor categorie HV2 een bedrag van € 18,23 per uur. Voor categorie HV2+ een bedrag van € 18,75 per uur. Thuisbegeleiding Vorm Het college kan een voorziening voor thuisbegeleiding verstrekken (artikel 13 Wmo-verordening): in natura; in de vorm van een persoonsgebonden budget. Omvang en hoogte De omvang van de thuisbegeleiding wordt uitgedrukt in uren, afgerond naar decimalen, per week (artikel 13b Wmo-verordening). Het persoonsgebonden budget wordt berekend naar een bedrag per uur en naar het aantal uren waarin de hulp bij de huishouding in de budgetperiode benodigd is. Indien er sprake is van hulp bij de huishouding gedurende een deel van een uur, wordt het persoonsgebonden budget naar evenredigheid berekend (artikel 4.2 lid 1 Wmo-besluit). Het uurtarief voor het PGB thuisbegeleiding bedraagt € 48,60 per uur (artikel 4.2 lid 2 Wmo-besluit). Aanvangsdatum persoonsgebonden budget Een PGB wordt verleend voor een periode die aanvangt op de dag waarop het recht op een PGB is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop het PGB is aangevraagd. Het college betaalt het verleende PGB uit bij wijze van voorschot in kwartaaltermijnen (artikel 4.1 Wmo-besluit). Vaststelling persoonsgebonden budget Na afloop van ieder kalenderjaar wordt het persoonsgebonden budget voor het desbetreffende kalenderjaar vastgesteld (artikel 4.3 lid 1 Wmo-besluit). Indien de budgetperiode met ingang van een andere dag dan 1 januari van een kalenderjaar eindigt, wordt het persoonsgebonden budget voor de periode gelegen tussen 1 januari van het kalenderjaar waarin het persoonsgebonden budget afloopt en de dag waarop de budgetperiode afloopt, vastgesteld na afloop van de budgetperiode (artikel 4.3 lid 2 Wmo-besluit). Een bij het college ingediend verantwoordingsformulier over het laatste halfjaar in het kalenderjaar of in de budgetperiode, dient als aanvraag tot vaststelling van het persoonsgebonden budget (artikel 4.3 lid 3 Wmo-besluit). Het college vordert onverschuldigd betaalde bedragen van de budgethouder terug of verrekent deze met door hem aan de budgethouder ter zake van persoonsgebonden budgetten verschuldigde bedragen (artikel 4.3 lid 4 Wmo-besluit). Eigen bijdrage In richtlijn I059 staat aangegeven of een eigen bijdrage verschuldigd is. Richtlijn I018 Respijtzorg Mantelzorgers komen in aanmerking voor respijtzorg. Het is daarbij niet de bedoeling dat het huishouden van de mantelzorger wordt overgenomen maar overname van het huishouden van degene die mantelzorg ontvangt is wel degelijk mogelijk. Er zal in eerste instantie worden onderzocht of algemeen aangeboden hulp bij het huishouden een adequate oplossing biedt (toelichting op artikel 9 lid 1 Wmo-verordening). Richtlijn I019 loondoorbetaling Deze richtlijn is niet ingevuld Richtlijn I020 Hulp bij het huishouden - overzicht zorgaanbieders Deze richtlijn is niet ingevuld. Hoofdstuk 3 Woonvoorzieningen Richtlijn I021 Woonvoorziening - wie komt wanneer in aanmerking Iemand die als gevolg van zijn of haar beperking beperkingen ondervindt bij het normale gebruik van de woning (slapen, eten, koken, de was doen, lichaamsverzorging, toiletgebruik en veilig kunnen spelen van kinderen), kan in aanmerking komen voor een woningvoorziening. Het uitoefenen van een hobby valt niet onder de elementaire woonfuncties. De woonvoorziening heeft tot doel beperkingen, die het normale gebruik van de woning door de persoon met beperkingen in de weg staan, op te heffen of te verminderen. Artikel 15 van de Verordening stelt dat op grond van de Wmo woonvoorzieningen worden verstrekt indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek een aanpassing in de woning noodzakelijk maken. De mogelijkheid voor een woonvoorziening bestaat bij huurwoningen en koopwoningen, maar ook bij woonwagens en woonschepen op een legale stand- respectievelijk ligplaats. Voorwaarde daarbij is dat de persoon met een lichamelijke beperking er permanent woont. Bewoners van gezinsvervangende tehuizen, regionale instellingen voor beschermd wonen, tweede of vakantiewoningen, recreatiewoningen, kamerverhuur en AWBZ-instellingen komen niet in aanmerking voor woningaanpassingen op grond van de Wmo. Voor alle woonvoorzieningen gelden de volgende algemene beleidsregels: Toestemming vóór verhuizing of start werkzaamheden: Wil de persoon met beperkingen in aanmerking komen voor een financiële vergoeding dan mag pas worden verhuisd of gestart worden met de aanpassing nadat door b&w een beslissing op de aanvraag is genomen. Pas op dat moment hebben b&w alle op de aanvraag betrekking hebbende gegevens beoordeeld en op grond hiervan een besluit genomen over de te treffen voorziening. Een persoon als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder g onderdeel 5 en 6 Wmo kan voor een individuele woonvoorziening in aanmerking worden gebracht indien (artikel 15 lid 2 Wmo-verordening): een algemene woonvoorziening niet aanwezig is of een algemene woonvoorziening niet tot een snelle en compenserende oplossing leidt. Richtlijn I022 Woonvoorziening - algemeen gebruikelijk De volgende woonvoorzieningen worden als algemeen gebruikelijk aangemerkt: (mobiele) telefoon personal computer wasdroger keramische- of inductiekookplaat meterkast met meerdere groepen deugdelijke zonwering centrale verwarming standaarddouche handgrepen (niet zijnde wand- of toiletbeugels) thermostatische mengkranen eenhendel mengkranen douchekop met glijstang verhoogde toiletpot korfladen in keuken airco luchtbevochtiger vervangen van reeds afgeschreven zaken (zie ook richtlijn I027 voor afschrijvingstermijnen). Zie voor het begrip ''algemeen gebruikelijk" verder richtlijn I005. Bovenstaande is in beginsel een niet limitatieve lijst. Richtlijn I023 Woonvoorziening - overige voorwaarden en weigeringsgronden Specifiek voor woonvoorzieningen gelden de volgende voorwaarden/weigeringsgronden: Aard van de gebruikte materialen Voorzieningenniveau Uitgesloten woonruimten Verhuizing naar inadequate woning Meest geschikte woning Geen problemen bij het normale gebruik van de woning Niet geschikt om het gehele jaar bewoond te worden Verhuizing naar AWBZ-of andere op zorg gerichte instelling Hoofdverblijf Algemeen gebruikelijke verhuizing Gemeenschappelijke ruimten (zie richtlijn I031). Aard van de gebruikte materialen Er wordt geen woonvoorziening toegekend voorzover de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen (artikel 21 onderdeel i Wmo-verordening). Voorzieningenniveau Er wordt geen woonvoorziening toegekend voor zover de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw (artikel 2 lid 2 onderdeel c Wmo-verordening). Uitgesloten woonruimten Een woonvoorziening wordt niet verstrekt aan de volgende woonruimten (artikel 19 Wmo-verordening): hotels/pensions; trekkerswoonwagens; kloosters; tweede woningen; vakantiewoningen; recreatiewoningen; kamerverhuur; en woongebouwen die specifiek gericht zijn op mensen met beperkingen en waarvan verwacht mag worden dat reeds voorzieningen zijn getroffen in gemeenschappelijke ruimten of dat voorzieningen bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden. Verhuizen naar inadequate woning De aanvraag voor een woonvoorziening wordt geweigerd indien de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was (artikel 21 onderdeel a Wmo-verordening). Meest geschikte woning De aanvraag voor een woonvoorziening wordt geweigerd indien de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college (artikel 21 onderdeel b Wmo-verordening). Geen problemen bij het normale gebruik van de woning De aanvraag voor een woonvoorziening wordt geweigerd indien in de verlaten woonruimte geen problemen bestonden met het normale gebruik van de woning (artikel 21 onderdeel h Wmo-verordening). Niet geschikt om het gehele jaar bewoond te worden De aanvraag voor een woonvoorziening wordt geweigerd indien de aanvrager verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden (artikel 21 onderdeel f Wmo-verordening). Verhuizing naar AWBZ- of andere op zorg gerichte instelling De aanvraag voor een woonvoorziening wordt geweigerd indien de aanvrager verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg (artikel 21 onderdeel g Wmo-verordening). Hoofdverblijf Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen (artikel 20 lid 1 Wmo-verordening). Hierop zijn 3 uitzonderingen: Indien in een echtscheidingsprocedure co-ouderschap met 2 verschillende huisadressen is uitgesproken hebben de kinderen 2 hoofdverblijven. Beide woningen kunnen aangepast worden als niet kan worden volstaan met het bezoekbaar maken van een van de woningen en aanpassen van de andere. Bezoekbaar maken van een woning voor een bewoner van een AWBZ-instelling (zie richtlijn I032). Logeerbaar maken van een woning voor een bewoner van een AWBZ-instelling (zie richtlijn I032). Algemeen gebruikelijke verhuizing Een woonvoorziening wordt niet toegekend indien de woonvoorziening wordt aangevraagd op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht intredende noodzaak (artikel 21 onderdeel d Wmo-verordening). Richtlijn I024 Woonvoorziening - welke woonvoorzieningen zijn mogelijk Een woonvoorziening kan bestaan uit (artikel 16 Wmo-verordening): een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten (zie richtlijn I026); een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening (zie richtlijn I027); een niet bouwkundige of niet woontechnische woonvoorziening (zie richtlijn I028); een uitraasruimte (zie richtlijn I029); een woonunit (zie richtlijn I030); een tegemoetkoming in verband met huurderving (zie richtlijn I033); een tegemoetkoming voor de kosten van tijdelijke huisvesting (zie richtlijn I033); een tegemoetkoming voor de kosten van reparatie, keuring en onderhoud van een voorziening (zie richtlijn I033). Richtlijn I025 Woonvoorziening - primaat van verhuizing Een persoon als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder g onderdeel 5 en 6 Wmo kan voor een (niet)bouwkundige of (niet)woontechnische woonvoorziening in aanmerking worden gebracht wanneer (artikel 17 lid 2 Wmo-verordening): een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten niet mogelijk is; of een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten niet de goedkoopst compenserende voorziening is; medische en/of sociale factoren verzetten zich tegen de verhuizing. De verhuizing leidt tot een ernstig verlies van de vertrouwde woning, woonomgeving en het sociale netwerk (mantelzorg). een eventuele woonlastenstijging moet binnen de draagkracht van de persoon met beperkingen blijven. niet de goedkoopst compenserende voorziening is. Hierbij wordt een grens voor woonvoorzieningen met meerkosten van € 5.672,00 ten opzichte van de kosten die verbonden zijn aan het primaat van verhuizen gesteld. Voorbeeldberekening meerkostengrens De huidige woning dient aangepast te worden voor €9.065,- (traplift en enkele aanpassingen in de badkamer). Verhuizen naar een aangepaste woning kost €3.165,- (€2.000,- verhuiskostenvergoeding en €1.165,- eenvoudige aanpassingen). de meerkosten van aanpassen ten opzichte van verhuizen bedragen €5.900,-. Dit bedrag ligt boven de grens van €5.672,- zodat in beginsel het primaat van verhuizen geldt. Weigeren om te verhuizen Als een persoon met beperkingen weigert om te verhuizen terwijl het primaat van verhuizen de goedkoopst compenserende oplossing is kan de vergoeding die verstrekt zou zijn op basis van het primaat van verhuizen uitbetaald worden aan de persoon met beperkingen onder de voorwaarde dat dit geld wordt aangewend voor het aanbrengen van noodzakelijke woningaanpassingen. Richtlijn I026 Woonvoorziening - verhuizing en inrichting In deze richtlijn komen de volgende onderwerpen aan de orde: Doelgroep Specifieke voorwaarden en weigeringsgronden Vorm en hoogte Procedure Eigen aandeel Doelgroep Het college kan een voorziening voor verhuizing en (her)inrichting verstrekken aan: een persoon als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder g onderdeel 5 en 6 Wmo wanneer aantoonbare beperkingen het normale gebruik van de woning belemmeren (artikel 17 lid 1 Wmo-verordening); een persoon die op verzoek van het college een aangepaste woning vrijmaakt (artikel 5 lid 4 Wmo-besluit). Specifieke voorwaarden en weigeringsgronden Naast de weigeringsgronden die zijn genoemd in I023, wordt de verhuiskostenvergoeding geweigerd indien de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen (artikel 21 onderdeel e Wmo-verordening). Bij toekenning van een voorziening voor verhuizing en (her)inrichting aan een persoon met beperkingen gelden de volgende criteria: • de woning van de persoon met beperkingen kan niet worden aangepast; als de woning van een persoon met beperkingen om technische redenen niet aanpasbaar is, is dit een reden voor verhuizen; de woning kan wel aangepast worden, maar het aanbieden van een aangepaste of makkelijker aanpasbare woning is de goedkoopst compenserende oplossing; de persoon met beperkingen gaat niet voor het eerst zelfstandig wonen (iedereen gaat immers eens zelfstandig wonen en die kosten zijn derhalve algemeen gebruikelijk); de persoon met beperkingen verhuist vanuit en naar een woonruimte die geschikt is om het hele jaar door bewoond te worden in dezelfde of in een andere gemeente; de persoon met beperkingen verhuist niet naar een AWBZ-inrichting of verzorgingstehuis; de persoon met beperkingen staat ingeschreven als woningzoekende; de persoon met beperkingen gaat niet verhuizen op een moment dat op basis van leeftijd, gezins- of woonsituatie, de verhuizing ook zonder beperking algemeen gebruikelijk is; verhuizing mag nog niet daadwerkelijk hebben plaatsgevonden; de persoon met beperkingen niet reeds tweemaal eerder een aanbod van een adequate woning heeft geweigerd; de persoon met beperkingen verhuist niet naar een woonruimte waarvan het normale gebruik wordt belemmerd door diens beperkingen, met andere woorden de nieuwe woonruimte voldoet aan de in de beschikking genoemde eisen; de persoon met beperkingen niet voor een andere wettelijke regeling in aanmerking komt; de noodzaak tot verhuizen komt niet voort uit een verhuizing uit het verleden waarvan destijds reeds te voorzien was dat de woning binnen afzienbare tijd niet meer adequaat zou zijn; de aanvrager heeft niet reeds een huurcontract of een voorlopig koopcontract getekend voorafgaand aan de datum waarop de beschikking op de aanvraag is genomen, tenzij de gemeente Wijchen hiervoor schriftelijk zijn toestemming heeft verleend. toekenning van een voorziening voor verhuizing en (her)inrichting aan een persoon die een aangepaste woning vrijmaakt gelden de volgende criteria (artikel 5 lid 4 Wmo-besluit): de aangepaste woning moet vrijgemaakt zijn voor een persoon met beperkingen; door het vrijkomen van de woning wordt voorkomen dat een andere woning voor een persoon met beperkingen moet worden aangepast voor meer dan € 4.538,00. Vorm en hoogte Het bedrag van de verhuiskostenvergoeding bedraagt € 2.000,00 (artikel 5 lid 3 Wmo-besluit). Dit bedrag zal veelal in de vorm van een financiële tegemoetkoming worden toegekend. Het bedrag voor de verhuiskostenvergoeding voor het vrijmaken van een aangepaste woning is gelijk aan de werkelijk gemaakte verhuiskosten indien door het vrijkomen van de woning wordt voorkomen dat een andere woning voor een persoon met beperkingen moet worden aangepast voor meer dan €4.538,-. Voor de inrichtingskosten wordt aangesloten bij het bedrag dat bij stadsvernieuwing wordt gehanteerd (artikel 5 lid 4 Wmo-besluit). Procedure Het vrijmaken van een woning kan plaatsvinden op initiatief van: de gemeente: als de persoon met beperkingen niet meer woonachtig is in de aangepaste woning maar de medebewoners er nog wel wonen; dit doet de gemeente alleen als er een andere kandidaat voor de woning is. De gemeente overlegt altijd vooraf met de woningstichting als er een verzoek gedaan wordt tot ontruiming van een aangepaste woning ten behoeve van een persoon met beperkingen. medebewoners: alleen dan vergoeden als er een andere kandidaat is voor de woning. De verhuiskosten- en inrichtingskostenvergoeding is een stimuleringspremie. De Regionale Huisvestingsverordening Stadregio Arnhem Nijmegen 2007 is van toepassing. Als de nieuwe kandidaat bewoner voor de woning niet afkomstig is uit Wijchen, wordt met de gemeente waar deze kandidaat woont overleg gevoerd over de betaling van de verhuiskosten- en inrichtingskostenvergoeding aan de huidige bewoner voor het vrijmaken van de aangepaste woning. Insteek van dit overleg is dat de andere gemeente de vergoeding voor haar rekening neemt. Eigen aandeel Of een eigen aandeel is verschuldigd staat aangegeven in richtlijn I059. Richtlijn I027 Woonvoorziening - Bouwkundige of woontechnische voorziening In deze richtlijn komen de volgende onderwerpen aan de orde: Specifieke voorwaarden en weigeringsgronden Vorm en hoogte Onderhoud, keuring en reparatie Confectie woningaanpassingen Maatwerk woningaanpassingen Dure woningaanpassingen Eigen bijdrage/aandeel Specifieke voorwaarden en weigeringsgronden Naast het primaat van verhuizen (artikel 17 lid 2 Wmo-verordening, zie richtlijn I025) geldt dat het college geen woonvoorzieningen verleent waarvan de kosten meer bedragen dan € 45.378,-, tenzij weigering van die voorziening gelet op het belang dat de wet beoogt te beschermen zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard. Kosten boven de € 45.378,-- kunnen dus alleen vergoed worden met toepassing van de hardheidsclausule. Vorm en hoogte Een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening kan worden verstrekt (artikel 16 onderdeel b Wmo-verordening juncto artikel 14 onderdeel b,c en d Wmo-verordening): in natura; in de vorm van een persoonsgebonden budget; in de vorm van een financiële tegemoetkoming. Hoogte De financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget voor woonvoorzieningen wordt vastgesteld als tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte (artikel 5 lid 1 Wmo-besluit). De volgende limitatief opgesomde kosten zijn subsidiabel bij een woningaanpassing: de aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de voorziening; als de voorziening in zelfwerkzaamheid wordt getroffen, dan vervalt de post loonkosten en zijn alleen de materiaalkosten subsidiabel; het architectenhonorarium, indien het noodzakelijk is dat een architect voor de woning-aanpassing wordt ingeschakeld, tot ten hoogste 10% van de aanneemsom (exclusief B.T.W.) met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald in SR 1988 van de BNA.; de kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien dit noodzakelijk is, tot een maximum van 2% van de aanneemsom; de leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening; de verschuldigde en niet verrekenbare- of terugvorderbare omzetbelasting; de prijs van bouwrijpe grond indien noodzakelijk als niet binnen het oorspronkelijke kavel gebouwd kan worden; de door burgemeester en wethouders schriftelijk goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn; de kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing; de kosten van heraansluiting op de openbare nutsvoorziening; de administratie- en begeleidingskosten die de verhuurder maakt ten behoeve van het treffen van een voorziening, voor zover de kosten onder 1 t/m 9 meer dan € 900,- bedragen, 10% van die kosten, met een maximum van € 340,-. In geval van woningaanpassingen bij Talis wordt het bedrag verhoogd met € 36,16 voor opnamekosten. Onderhoud, keuring en reparatie Een persoon als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder g onderdeel 5 en 6 Wmo kan voor een tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, keuring en reparatie van een woonvoorziening in aanmerking komen indien de woonvoorziening op grond van de Wmo-verordening of de Wvg-verordening is toegekend (artikel 17 lid 6 Wmo-verordening). Er kan een financiële tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, keuring en reparatie worden verstrekt indien: het gaat om een van de volgende voorzieningen: stoelliften; rolstoel- of sta-plateauliften; woonhuisliften; hefplateauliften; balansliften; de (elektro-)mechanische inrichting voor het verstellen van een in hoogte verstelbaar keukenblok, bad of wastafel; elektromechanische openings- en sluitingsmechanismen van deuren; alarmerings- en communicatieapparatuur; toiletten voorzien van een onderspoel en föhninrichting. de voorziening is verstrekt in het kader van de Wmo, de WVG dan wel de Regeling Geldelijke Steun Huisvesting Personen met beperkingen (RGSHG); de persoon met beperkingen bewoont de woonruimte nog steeds als hoofdverblijf. Voor uitzonderlijk hoge reparatiekosten dient vooraf toestemming voor de reparatie gevraagd te worden aan de gemeente. Meerkosten die het gevolg zijn van oproepingen in geval van storing buiten de normale werktijden worden alleen vergoed als aangetoond is dat de storingsmelding niet uitgesteld kon worden tot de normale werktijden; beoordeling van noodzaak meerkosten geschiedt door de consulent. Hoogte De werkelijk gemaakte kosten van keuring, periodiek onderhoud en reparatie van de volgende voorzieningen komen volledig in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming: de mechanische inrichting voor het verstellen van een in hoogte verstelbaar keukenblok, bad of wastafel; electromechanische openings- en sluitingsmechanismen van deuren; alarmerings- en communicatieapparatuur; toiletten voorzien van een onderspoel- en föhninrichting. De werkelijk gemaakte kosten van keuring, periodiek onderhoud en reparatie van de volgende voorzieningen komen in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming tot de in de tabellen genoemde maxima; stoelliften rolstoel- of sta-plateauliften woonhuisliften hefplateauliften balansliften Keuring van liften Beginkeuring Kosten ex. BTW Frequentie periodieke keuringen Kosten ex. BTW Stoelliften Ja €300,- 1x per 4 jaar €209,- Rolstoel-Plateauliften Ja €300,- 1x per 4 jaar €209,- Sta-plateauliften Ja €300,- 1x per 4 jaar €209,- Woonhuisliften n.v.t. n.v.t. 1x per 1,5 jaar €312,- Hefplateauliften n.v.t. n.v.t. 1x per 1,5 jaar €271,- Balansliften n.v.t. n.v.t. 1x per 1,5 jaar €145,- Onderhoud van liften Frequentie periodiek onderhoud Kosten ex. BTW Stoelliften 1x per jaar €163,- Rolstoel-plateauliften 1x per jaar €163,- Sta-plateauliften 1x per jaar €163,- Woonhuisliften 2x per jaar €236,- Hefplateauliften 2x per jaar €163,- balansliften 1x per jaar €163,- Confectie woningaanpassingen Een confectie woningaanpassing wordt in de vorm van een financiële tegemoetkoming verstrekt. Indien de kosten meer bedragen dan € 2.269,00 dan wordt er een offerte gevraagd aan Talis. Blijven de kosten onder de € 2.269,00 dan wordt er geen offerte gevraagd en wordt uitgegaan van de kosten die Talis opgeeft. Kranen Kranen worden in beginsel als algemeen gebruikelijk beschouwd. Een speciale kraan, zoals een hendelkraan met een verlengde hendel echter niet en dit wordt als een aanpassing aan de kraan beschouwd. De meerkosten komen in beginsel voor vergoeding in aanmerking. Bij het aanpassen van de kraan wordt de leeftijd van de bestaande kraan in ogenschouw genomen. De volgende afschrijvingstermijnen en percentages worden gehanteerd. Indien de kraan: nieuwer is dan drie jaar: geen; tussen de drie en zes jaar oud is: 20%; tussen de zes en de negen jaar oud is: 40%; tussen de negen en twaalf jaar oud is: 60%; tussen de twaalf en vijftien jaar oud is: 80%; ouder is dan vijftien jaar: 100%. Zie voor meer informatie over algemeen gebruikelijke woonvoorzieningen I022. Maatwerk woningaanpassingen Een maatwerk woningaanpassing wordt in de vorm van een financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget verstrekt. Hoogte De hoogte van de financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget bedraagt 100% van de aanpassingskosten conform de door het college geaccepteerde offerte. Er wordt een eigen bijdrage/aandeel gevraagd. Zie richtlijnen I059, I060 en I061. Twee offertes Bij woningaanpassingen boven de € 2.269,00 wordt er standaard een offerte bij Talis opgevraagd. De huurder wordt hier schriftelijk van op de hoogte gesteld. Eigenaar-bewoners dienen minimaal twee gespecificeerde offertes te overleggen. Keukenaanpassingen Keukenaanpassingen moeten noodzakelijk zijn voor degene die hoofdzakelijk gebruik maakt van de keuken voor het bereiden van de maaltijd en afwassen. Eenvoudige verrichtingen zoals koffie en thee zetten en brood klaarmaken kunnen aan een tafel worden uitgevoerd. Afhankelijk van de woningindeling en de beperkingen van de aanvrager vinden deze eenvoudige verrichtingen in de keuken of in een andere ruimte plaats. Bij het aanpassen van de keuken wordt de leeftijd van de bestaande keuken in ogenschouw genomen. Dit houdt in dat bij een eventuele keukenaanpassing de nieuwwaarde van een standaard keuken (de 'normkeuken') als algemeen gebruikelijk wordt beschouwd. Hierbij worden de volgende afschrijvingstermijnen en percentages gehanteerd. Indien de keuken: nieuwer is dan drie jaar: geen; tussen de drie en zes jaar oud is: 20%; tussen de zes en de negen jaar oud is: 40%; tussen de negen en twaalf jaar oud is: 60%; tussen de twaalf en vijftien jaar oud is: 80%; ouder is dan vijftien jaar: 100%. Uitgangspunt voor een standaardkeuken (de "normkeuken") zijn de eisen van de sociale woningbouw. Uitgegaan wordt van een maximumprijs voor een basiskeuken voor de sociale woningbouw ad. € 1.300,-- incl. BTW en montagekosten. Deze basiskeuken bevat geen extra ladenblok en is voorzien van een standaard RVS-aanrechtblad (afmeting tussen 1.80 mtr. en 2.30 mtr. ). Alle overige extra's die de belanghebbende wenst en die niet noodzakelijk zijn in het kader van de Wmo, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Als de keukenaanpassing samenvalt of samen kan vallen met een renovatie of vervanging van een economisch afgeschreven keuken dan komen de kosten van de nieuwe keuken voor rekening van de woningeigenaar. Slechts de meerkosten t.o.v. de standaard keuken (kwaliteit en uitvoering niveau sociale woningbouw) worden dan vergoed. De kosten van (vervanging) van keukenapparatuur en het aanbrengen/plaatsen van algemeen gebruikelijke voorzieningen zoals bijvoorbeeld korfladen vallen niet onder de compensatieplicht. Indien inbouwapparatuur voor eigen rekening van de klant wordt geplaatst, zijn tevens de kosten van de aansluiting en plaatsing voor rekening van de klant. Vergoeden van meerkosten bij woningverruiming Bij woningverruiming kan het volgende onderscheid gemaakt worden: Bestaande woning: Voor woningverruiming bestaande uit een uitbreiding van een bestaande woning wordt een standaardvergoeding gehanteerd van € 475,- m³. Dit bedrag is exclusief BTW en ook exclusief nog aan te brengen specifieke voorzieningen. Afwijking van het normbedrag naar beneden of naar boven is mogelijk afhankelijk van de technische omschrijving. Nieuw te bouwen woning: Bij nog te bouwen woningen (nieuwbouw) wordt geen vergoeding verstrekt voor woningverruiming. Er wordt vanuit gegaan dat hiervoor geen noodzaak bestaat omdat er aanpasbaar gebouwd kan worden binnen de gewone omtrek van de woning. Bij een nieuwbouwwoning zijn geen meerkosten bij de bouw van deze woning omdat binnen de totale oppervlakte van een nieuwbouwwoning de mogelijkheid bestaat om deze oppervlakte zodanig te benutten dat het huis geschikt is voor bewoning door de toekomstige bewoner, ook als dit een persoon met beperkingen is. Het betekent dat bij de invulling van de beschikbare aantal m2 totale vloeroppervlakte keuzes gemaakt kunnen worden waardoor de woning geschikt is voor een bepaalde persoon met beperkingen. Bijvoorbeeld een kleinere keuken of woonkamer om zo binnen de normale oppervlakte/inhoud van de woning een slaapkamer en/of badkamer op de begane grond te realiseren. Bij het bepalen van "de gewone oppervlakte/inhoud van de woning" wordt aangesloten bij wat voor een persoon als aanvrager (d.w.z. een persoon zonder beperkingen die qua leeftijd en inkomen in een vergelijkbare situatie verkeert) een gebruikelijke inhoud van de woning is. De uitkomst kan zijn dat het referentiekader bij de beoordeling van een aanvraag de sociale woningbouw of de vrije sectorbouw is. Bij de vrije sectorbouw geldt als uitgangspunt dat de gemiddelde oppervlakte van een vrije sector nieuwbouwwoning tegenwoordig groot genoeg is om binnen de inhoud van die woning dusdanig (aanpasbaar) te bouwen dat deze woning geschikt is voor bewoning door een persoon met beperkingen. Niet van belang is hoe die ruimte vervolgens wordt benut, dus welke vertrekken binnen die ruimte worden gerealiseerd. Het gaat erom dat de ruimte zodanig is dat de mogelijkheid bestaat om deze in te delen op een wijze dat deze geschikt is voor het huishouden van de persoon met beperkingen. Om geschikt te kunnen zijn voor gebruik door een persoon met beperkingen moeten bepaalde ruimten voldoen aan de minimaal noodzakelijke maten zoals vermeld in het Handboek Toegankelijkheid/Woonkeur. De meerkosten van ruimten met een grotere oppervlakte worden gelet op het uitgangspunt goedkoopst compenserend niet vergoed. Bij nieuwbouw in de sociale woningbouw is het niet altijd mogelijk om aanpasbaar te bouwen binnen de geplande oppervlakte omdat de totale oppervlakte van een dergelijke woning daarvoor niet groot genoeg kan zijn. De beschikbare ruimte van de woning in combinatie met de minimaal noodzakelijke maten uit het Handboek Toegankelijkheid/Woonkeur bepalen of er aanleiding is om de meerkosten van een noodzakelijke woningverruiming te vergoeden. Bij woningaanpassingen kan zich de situatie voordoen, dat hierdoor bepaalde noodzakelijke ruimten vervallen. Bijvoorbeeld de bergruimte/garage wordt verbouwd tot slaapkamer voor de persoon met beperkingen. In deze situatie zal een alternatieve bergruimte moeten worden gecreëerd en met deze kosten van een andere bergruimte en/of stallingsruimte rekening gehouden moeten worden. Tweede toilet In een woning wordt in beginsel maar eenmaal een aanpassing van het toiletruimte vergoed. Bij honorering van een toiletvoorziening op de bovenverdieping dient de medisch noodzaak voor deze voorziening vast te staan (bijvoorbeeld problemen met traplopen 'nachts). Staat de noodzaak vast dan is een (losse) toiletstoel veelal de meest goedkope oplossing. Een toiletstoel is geen goede voorziening als de gebruiker voor het legen van de toiletemmer aangewezen is op de hulp van de anderen dan huisgenoten. Dure woningaanpassingen Dure woningaanpassingen worden verstrekt in de vorm van een persoonsgebonden budget of financiële tegemoetkoming. Woonvoorzieningen waarvan de kosten gelijk zijn of meer bedragen dan € 45.378,-- worden niet verleend, tenzij weigering van die voorziening gelet op het belang dat de wet beoogt te beschermen zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard. Kosten boven de € 45.378,-- kunnen dus alleen vergoed worden met toepassing van de hardheidsclausule. Beoordeling Indien ingeschat wordt dat de woning, met name bij een eigen woning, aangepast moet worden, moet beoordeeld worden of er andere mogelijkheden zijn, zoals verhuizen (primaat van verhuizen opleggen) of het primaat van een losse woonunit. Daarbij is van belang dat de mogelijkheden daartoe binnen een aanvaardbare termijn aanwezig zijn. Een andere geschikte woning met eventuele minder kostbare aanpassingen moet voorhanden zijn. In ieder geval kan dan wel worden verlangd dat de eigen woning te koop wordt aangeboden en binnen de aanvaardbare termijn is verkocht. Hoogte De hoogte van de vergoeding bedraagt 100% van de aanpassingskosten minus de eigen bijdrage/aandeel. Eigen bijdrage/aandeel Of een eigen bijdrage/aandeel is verschuldigd staat aangegeven in richtlijn I059. Richtlijn I028 Woonvoorziening - niet-bouwkundige of niet-woontechnische voorziening In deze richtlijn komen de volgende onderwerpen aan de orde: Specifieke voorwaarden en weigeringsgronden Vorm en hoogte Losse woonvoorzieningen ADL-hond Woningsanering Eigen bijdrage/aandeel Specifieke voorwaarden en weigeringsgronden Naast het primaat van verhuizing (artikel 17 lid 2 Wmo-verordening, zie richtlijn I025) gelden er geen specifieke voorwaarden en weigeringsgronden. Vorm en hoogte Een woonvoorziening van niet-bouwkundige of niet-woontechnische aard kan worden verstrekt (artikel 16 onderdeel c Wmo-verordening juncto artikel 14 Wmo-verordening): in natura; in de vorm van een persoonsgebonden budget; in de vorm van een financiële tegemoetkoming. De financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget voor woonvoorzieningen wordt vastgesteld als tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte (artikel 5 lid 1 Wmo-besluit). Losse woonvoorzieningen Het gaat bij losse woonvoorzieningen bijvoorbeeld om: verrijdbare patiëntentilliften, trapliften, drempelhulpen (Cymeq), badliften en douchehulpmiddelen (zoals badzitjes, douche/toiletstoelen, douchestretchers, bad-transferplanken etc). Tot € 2.000,-- worden de roerende woonvoorzieningen in eigendom verstrekt, vanaf € 2.000,--- worden de roerende woonvoorzieningen in bruikleen verstrekt. Patiëntenliften Dit zijn hulpmiddelen voor personen die niet in staat zijn zelfstandig in en uit bed te gaan, noch zelfstandig in de rolstoel plaats te nemen en die voor de duur van een verplaatsing vanuit bed naar de rolstoel of naar de douche of het bad de totale lichaamsondersteuningskracht niet kunnen leveren. De keuze voor een bepaalde patiëntenlift is afhankelijk van een tweetal factoren: de bouwkundige situatie ter plekke en de beschikbare ruimte (is er voldoende ruimte dan kan de keus vallen op een mobiele lift; als de situatie het niet toelaat kan een vaste lift verstrekt worden); de noodzakelijke lichaamsondersteuning (dwz de eisen die aan de lift moeten worden gesteld uitgaande van de functiebeperkingen van belanghebbende). Douchehulpmiddelen Douchehulpmiddelen worden verstrekt als de cliënt niet staande kan douchen. Als het gaat om de keus tussen een (aard- en nagel-)vast douchezitje of een losse douchestoel zal beoordeeld worden welke voorziening nog voldoende compenserend is, gezien de beperking en/of de bouwkundige situatie. De goedkoopst compenserende oplossing wordt gekozen. ADL-hond Als door het bezit van een ADL-hond de noodzaak voor het aanbrengen van onroerende woningaanpassingen komt te vervallen worden de verzorgingskosten van deze hond tot een maximum van € 905,00 per jaar vergoed. De vergoeding wordt alleen verstrekt aan personen met een motorische beperking die een ADL-hond toegewezen krijgen van de stichting SOHO. Deze honden helpen met de Activiteiten van het Dagelijkse Leven. Zoals het openen en sluiten van deuren, het oppakken van (gevallen) voorwerpen, het bedienen van lift- en lichtschakelaars etc. De verzorgingskosten van "signaalhonden" voor mensen met een auditieve beperking worden niet vergoed. De vergoeding is bestemd voor alle verzorgingskosten (voeding, dierenartskosten ed.). Uitbetaling van het jaarbedrag vindt plaats aan het begin van het kalenderjaar. De cliënt dient zelf wijzigingen in de situatie door te geven. Een teveel betaald bedrag wordt teruggevorderd. Woningsanering Voorwaarden In de regel kan eenmalig een vergoeding voor woningsanering worden verstrekt indien: de belanghebbende bij de aanschaf niet van tevoren had kunnen weten dat C.O.P.D. zou ontstaan/verergeren; Er dient een duidelijke diagnose te zijn gesteld door een extern adviseur; vervanging van het artikel medisch gezien op zeer korte termijn noodzakelijk is. Geen vergoeding wordt verstrekt: als het treffen van een voorziening niet tot verbetering van de situatie van de cliënt leidt; als de cliënt bij aanschaf van het artikel redelijkerwijs had kunnen weten dat hij overgevoelig op bepaalde stoffen reageert; bij verhuizing omdat bij verhuizing de woning opnieuw moet worden ingericht en dan rekening kan worden gehouden met de ondervonden klachten. In beginsel wordt alleen een slaapkamer gesaneerd. Op de regel dat alleen de slaapkamer wordt gesaneerd kan een uitzondering worden gemaakt wanneer er sprake is van kinderen die nog veel in de woonkamer verblijven. Dus totdat de kinderen naar school gaan (4 jaar). In deze situatie kan door toepassing van de hardheidsclausule behalve de slaapkamer ook de woonkamer worden gesaneerd. Bij het toepassen van de hardheidsclausule dient rekening te worden gehouden met het bewonersgedrag. Als daarbij blijkt dat door gezinsleden zelf geen maatregelen worden genomen - ook zonder dat deze extra kosten met zich meebrengen - om schadelijke effecten te voorkomen dan komt sanering van de woonkamer voor kinderen tot 4 jaar niet voor vergoeding in aanmerking c.q. wordt de hardheidsclausule niet toegepast. Verwacht wordt dat de aanvrager zich in het vervolg bij de aanschaf van nieuwe materialen aan het programma van eisen voor de woninginrichting zal houden. Ook wordt verwacht dat betrokkenen zelf maatregelen treffen om COPD-klachten te voorkomen. Vorm en hoogte Woningsanering wordt in de vorm van een financiële tegemoetkoming en persoonsgebonden budget verstrekt. Voor de hoogte van de vergoedingen wordt aangesloten bij de bedragen zoals aangegeven in de Prijzengids van het Nibud. Afschrijvingstermijn Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding wordt op de volgende wijze rekening gehouden met de verlopen afschrijvingsperiode: 100% als het artikel nieuwer is dan 2 jaar; 75% als het artikel tussen de 2 en 4 jaar oud is; 50% als het artikel tussen de 4 en 6 jaar oud is; 25% als het artikel tussen de 6 en 8 jaar oud is. Als het artikel 8 jaar of ouder is, wordt geen vergoeding verstrekt. Rolstoelvast tapijt Ook het vervangen van gewone vloerbedekking door rolstoelvast tapijt in de woonkamer kan vergoed worden. Bij de vergoeding wordt rekening gehouden met de reeds verlopen afschrijvingsperiode op de wijze zoals hierboven is beschreven bij woningsanering. Eigen bijdrage/aandeel Of een eigen bijdrage/eigen aandeel wordt gevraagd staat aangegeven in richtlijn I059. Richtlijn I029 Woonvoorziening - uitraasruimte In deze richtlijn komen de volgende onderwerpen aan de orde: Specifieke voorwaarden en weigeringsgronden Vorm en hoogte Eigen bijdrage/aandeel Specifieke voorwaarden en weigeringsgronden Een persoon als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder g onderdeel 5 en 6 Wmo kan voor een uitraasruimte in aanmerking komen wanneer sprake is van een aanwezige gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot gevolg waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon tot rust kan komen (artikel 17 lid 3 Wmo-verordening). Uit de toelichting op dit artikel volgt dat het niet gaat niet om het compenseren van problemen bij het normale gebruik van de woning, maar om het tot rust komen. De uitraasruimte is dus geen zogenaamde snoezelkamer. De uitraaskamer is evenmin bedoeld om overlast voor huisgenoten te beperken. Ernstig ontremd betekent dat dit gedrag is te rangschikken binnen de reikwijdte voor een opname in een inrichting als bedoeld in artikel 8 AWBZ. De uitraasruimte moet dienstig zijn aan de belangen van de persoon met de psychische beperkingen. Als de gevolgen van de gedragsproblemen anderen aangaan, bijvoorbeeld als zij bestaan uit hinder voor die anderen, wordt niet voldaan aan de criteria voor een uitraasruimte. De grootte van een uitraasruimte is gebaseerd op de kleinste verblijfsruimte in een woning conform het Bouwbesluit: 5 vierkante meters. Indien het om een rolstoelgeschikte ruimte gaat is de benodigde ruimte 8-10 vierkante meters. Vorm en hoogte Een uitraasruimte kan worden verstrekt (artikel 16 onderdeel d en artikel 14 onderdelen b, c en d Wmo-verordening): in natura; in de vorm van een persoonsgebonden budget; in de vorm van een financiële tegemoetkoming. De financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget voor woonvoorzieningen wordt vastgesteld als tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte (artikel 5 lid 1 Wmo-besluit). Eigen bijdrage/eigen aandeel Of een eigen bijdrage/eigen aandeel wordt gevraagd staat aangegeven in richtlijn I059. Richtlijn I030 Woonvoorziening - woonunit Indien een bouwkundige woonvoorziening bestaat uit een aanbouw aan of een aanzienlijke verbouwing van een woning die niet het eigendom is van een verhuurder, die bereid is de aangepaste woning blijvend ter beschikking te stellen van personen die op basis van aantoonbare beperkingen behoefte hebben aan een dergelijke woning, zal het college een herplaatsbare losse woonunit verstrekken indien daartegen geen bezwaren van overwegende aard bestaan (artikel 18 Wmo-verordening). Om van dit primaat gebruik te kunnen maken moet uiteraard de mogelijkheid tot het plaatsen van een losse unit bestaan, bijvoorbeeld doordat er voldoende ruimte is. Daarbij zal het meestal zo zijn dat als er voldoende ruimte is voor het plaatsen van een losse unit als er ook ruimte is voor het plaatsen van een aanbouw. Ook op dit punt geldt dat de wens van belanghebbende een aanbouw te realiseren niet doorslaggevend is: een aanbouw is niet herbruikbaar, een losse unit wel. Programma van eisen Het programma van eisen zoals dat geldt voor een aanbouw kan gebruikt worden voor een losse woonunit. Het weghalen van de woonunit Het is van belang in de beschikking vast te leggen dat - als de unit niet meer nodig is - dit aan de gemeente gemeld dient te worden. De gemeente kan er dan zorg voor dragen dat de unit verwijderd wordt en de woning in de oude staat wordt teruggebracht. Deze kosten maken onderdeel uit van de verstrekking van de losse woonunit. Eigen bijdrage/eigen aandeel Of een eigen bijdrage/eigen aandeel gevraagd staat aangegeven in richtlijn I059. Richtlijn I031 Woonvoorziening - gemeenschappelijke ruimten De gemeente kent de mogelijkheid dat er een financiële tegemoetkoming wordt verleend voor het treffen van voorzieningen aan een gemeenschappelijke ruimte. In de praktijk kan deze mogelijkheid leiden tot zeer dure voorzieningen. Dit is de reden dat een limitatieve opsomming opgenomen is in de verordening van de voorzieningen die vergoed worden op grond van de Wmo. Woongebouwen voor personen met beperkingen en ouderen Op basis van artikel 19 van de Verordening bestaat er een uitsluiting op het verstrekken van woonvoorzieningen voor specifiek op personen met beperkingen en ouderen gerichte woongebouwen, voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij (nieuw)bouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden. Van woongebouwen die specifiek op personen met beperkingen en ouderen gericht zijn mag men, zeker voor de gemeenschappelijke ruimten, verwachten dat zij rekening houden met de specifieke kenmerken van de doelgroep waarvoor zij bestemd zijn. Dat betekent dat voorzieningen in die algemene ruimten niet voor vergoeding in het kader van de Wmo in aanmerking komen. Specifieke individuele voorzieningen in het eigen woongedeelte van de persoon met beperkingen kunnen wel voor vergoeding in aanmerking worden gebracht, tenzij het gaat om voorzieningen die geacht mogen worden zonder noemenswaardige meerkosten bij nieuwbouw aangebracht te kunnen worden en het gaat om een gebouw dat is gerealiseerd vanaf de negentiger jaren. Vanaf die tijd is de gedachte van het aanpasbaar bouwen, evenals het seniorenlabel, gemeengoed geworden zodat vanaf die tijd bouwen dat rekening houdt met de kenmerken van ouderen of personen met beperkingen, zeker in specifiek voor deze groepen bestemde gebouwen, als normaal beschouwd mag worden. Deze uitsluitingen zijn bedoeld om te voorkomen dat de gemeentelijke compensatieplicht ook geldt voor het toegankelijk maken van serviceflats en wooneenheden voor ouderen terwijl dit bij uitstek gebouwen zijn die uit de aard gelet op de bewoners die er gebruik van maken al toegankelijk zouden moeten zijn. Overigens heeft de gemeente een belangrijke verantwoordelijkheid om in samenspraak met woningcorporaties en projectontwikkelaars ervoor te zorgen dat bij nieuwbouw of verbouw van woongebouwen voor personen met beperkingen en ouderen aanpasbaar wordt gebouwd en verbouwd. Het gaat met name om voorzieningen die bij de bouw zonder (noemenswaardige) meerkosten meegenomen kunnen worden, zoals bredere deuren en geen drempels. Voorzieningen die leiden tot aanzienlijke kosten en op het individu gericht zijn zullen meestal niet standaard aangebracht worden. De aanvraag voor een woonvoorziening wordt geweigerd indien deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan (artikel 21 onderdeel c Wmo-verordening): automatische deuropeners; hellingbanen; extra trapleuningen; het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren; het aanbrengen van een opstelplaats voor een rolstoel bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte; het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders. Eigen aandeel Of een eigen aandeel in rekening wordt gebracht staat aangegeven in richtlijn I059. Richtlijn I032 Woonvoorziening - bezoekbaar/logeerbaar Hoofdregel is dat een woonvoorziening slechts wordt verleend indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft of op korte termijn zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen (zie artikel 20 lid 1 Wmo-verordening en richtlijn I023). In afwijking daarvan kan een woonvoorziening getroffen worden voor het: bezoekbaar maken van één woonruimte indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een op grond van artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen erkende instelling (artikel 20 lid 2 Wmo-verordening). logeerbaar maken van één woonruimte indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-instelling en: belanghebbende verblijft in ieder geval 26 nachten per jaar op het logeeradres; het gaat om een ouder-kind of echtgenoot-partner relatie. Bij wijze van uitzondering kunnen ook andere relaties voor de tegemoetkoming in aanmerking komen; de eigenaar van de woning heeft toestemming gegeven voor het logeerbaar maken; er kan slechts één logeeradres worden aangepast. Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan het middels een woonvoorziening bewerkstelligen dat de aanvrager de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken (artikel 20 lid 5 Wmo-verordening). De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente waar de aan te passen woning staat (artikel 20 lid 3 Wmo-verordening). Hoogte Voor het bezoekbaar maken van een woning wordt maximaal € 2.000,00 verstrekt (artikel 5 lid 5 Wmo-besluit). Bij de hoogte van de vergoeding voor het logeerbaar maken wordt uitgegaan van de goedkoopst adequate bouwkundige aanpassing van het logeeradres. De bijdrage bedraagt 2/3 van de kosten met een maximum van € 6.807,00 per persoon met beperkingen (zie bijlage 1). Richtlijn I033 Woonvoorziening - overige woonvoorzieningen De volgende overige woonvoorzieningen komen in deze richtlijn aan bod: Tijdelijke huisvesting Huurderving Verwijderen van woonvoorzieningen Tijdelijke huisvesting De persoon als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder g onderdeel 5 en 6 Wmo kan voor een tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting in aanmerking komen wanneer er sprake is van tijdelijke huisvesting in verband met het aanpassen van bestaande of nog te betrekken woonruimte (artikel 17 lid 5 Wmo-verordening). De financiële tegemoetkoming wordt uitsluitend verleend: voor de periode dat de aan te passen woonruimte als gevolg van het realiseren van de woningaanpassing niet bewoond kan worden en de cliënt als gevolg daarvan voor dubbele woonlasten komt te staan; voor de duur van maximaal 6 maanden; in relatie tot maatwerk woningaanpassingen; indien de kosten gemaakt worden voor het: tijdelijk betrekken van een zelfstandige woonruimte; tijdelijk betrekken van een niet-zelfstandige woonruimte; langer moeten aanhouden van de te verlaten woonruimte. indien belanghebbende redelijkerwijs niet kan voorkomen dat hij dubbele woonlasten heeft. Vorm en hoogte Een financiële tegemoetkoming in verband met tijdelijke huisvesting wordt verstrekt voor een periode van maximaal zes maanden en bedraagt (artikel 5 lid 7 Wmo-besluit): de werkelijke kosten met een maximum van € 485,- per maand als tegemoetkoming in de kosten van het tijdelijk betrekken van zelfstandige woonruimte en het langer moeten aanhouden van de verlaten woonruimte; de werkelijke kosten met een maximum van € 245,- per maand als tegemoetkoming in de kosten van het tijdelijk betrekken van een niet-zelfstandige woonruimte. Eigen aandeel Of een eigen aandeel wordt gevraagd staat aangegeven in richtlijn I059. Huurderving De eigenaar van een voor meer dan € 4.538,00 aangepaste woning kan ingeval van huurbeëindiging voor een tegemoetkoming in verband met huurderving in aanmerking worden gebracht tot een maximum van 6 maanden huurinkomsten (artikel 17 lid 4 Wmo-verordening). De periode van zes maanden kan verlengd worden met één of twee maanden als vaststaat dat binnen deze termijn een persoon met beperkingen voor de woning in aanmerking komt. Vorm en hoogte Een financiële tegemoetkoming in verband met huurderving wordt verstrekt indien een leegstaande woning is aangepast voor een bedrag van meer dan € 4.538,-. De tegemoetkoming is gemaximeerd op zes maanden op basis van de werkelijke kosten van de woonruimte (artikel 5 lid 6 Wmo-besluit). Eigen aandeel Of een eigen aandeel wordt gevraagd staat aangegeven in richtlijn I059. Verwijderen van voorzieningen Een financiële tegemoetkoming voor het verwijderen van voorzieningen kan worden verstrekt aan de eigenaar van een aangepaste woning die door de aangebrachte voorzieningen onverhuurbaar is geworden. Hierbij geldt als uitgangspunt dat er in beginsel geen vergoeding wordt verstrekt. Slechts in die gevallen waarin een woning door de aangebrachte voorzieningen onverhuurbaar wordt aan mensen zonder beperking of het woongenot van de nieuwe huurder door de aanwezigheid van de woonvoorzieningen (ernstig) wordt geschaad, kan de gemeente alsnog besluiten het verwijderen van de woonvoorzieningen te vergoeden. Er dient vooraf uitdrukkelijk toestemming gevraagd en verkregen te zijn wil er tot een vergoeding besloten worden. Hierdoor wordt het mogelijk om te beoordelen of de woning aan een andere persoon met beperkingen kan worden toegewezen. Vorm en hoogte De hoogte van de financiële tegemoetkoming bedraagt de werkelijke kosten voor het verwijderen van de voorzieningen. En wordt op declaratiebasis verstrekt. Eigen bijdrage Of een eigen bijdrage wordt gevraagd staat aangegeven in de richtlijn I059. Richtlijn I034 Woonvoorziening - Gereedmelding, vaststelling en uitbetaling Deze richtlijn is niet ingevuld. Richtlijn I035 Woonvoorziening - Anti-speculatiebeding en afschrijvingsregeling Op grond van artikel 22 Wmo-verordening dient de eigenaar-bewoner, die krachtens de Wmo-verordening een woonvoorziening heeft ontvangen die leidt tot waardestijging van de woning, bij verkoop van deze woning binnen een periode van 10 jaar na gereedmelding van de voorziening, deze verkoop van de woning onverwijld aan het college te melden. De meerwaarde van de woning dient volgens het in artikel 5 lid 2 Wmo-besluit vastgelegde afschrijvingsschema te worden terugbetaald: voor het eerste en het tweede jaar 100% van de meerwaarde, voor het derde en vierde jaar 80% van de meerwaarde, voor het vijfde en zesde jaar 60% van de meerwaarde, voor het zevende en achtste jaar 40% van de meerwaarde en voor het negende en tiende jaar 20% van de meerwaarde. Uit de toelichting op artikel 22 Wmo-verordening blijkt dat de datum van de verkoop bepalend is, omdat op die datum reeds vaststaat wat de verkoopprijs van de woning en wat de meerwaarde ten gevolge van de aanpassing is. Het is aan het college om te bepalen of en in hoeverre in een concrete situatie gebruik van deze bepaling wordt gemaakt, aangezien er een afweging dient plaats te vinden tussen de kosten van het effectueren van deze bepaling (taxatie, administratieve lasten) in relatie tot de te verwachten baten. Richtlijn I036 Vervoersvoorziening - Wie komt wanneer in aanmerking Mensen die voor het 'vervoer van alledag' (boodschappen, familiebezoek, kerkbezoek, etc.) als gevolg van hun beperking geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer, kunnen in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening. Richtlijn I037 Vervoersvoorziening - algemeen gebruikelijk De volgende vervoersvoorzieningen worden als algemeen gebruikelijk beschouwd: automatische transmissie; verwarmde spiegels electrische portierruiten; airco in vervoermiddel; Spartamet; een fiets, bromfiets, snorfiets, scooter; fietskar; (gewoon) fietszitje; normale kinderdriewieler; (gewoon) autostoeltje een tandem met hulpmotor die werkt op een benzinemotor; Elo-bike; regenkleding (verwarmde) handschoen(en), behalve in combinatie met rolstoel en scootmobiel. Zie voor het begrip "algemeen gebruikelijk" richtlijn I005. Het bovenstaande is een in beginsel niet limitatieve lijst. Een aantal vervoersvoorzieningen worden algemeen gebruikelijke geacht bij een bepaald inkomen. Zie verder richtlijn I009. Richtlijn I038 Vervoersvoorziening - Uiterst beperkte mobiliteit Bij een zeer geringe mobiliteit zal ook voor de zeer korte afstanden steeds gebruik moeten worden gemaakt van een auto of taxi. Doet zich deze situatie zich voor en er is geen andere compenserende vervoersvoorziening beschikbaar in de vorm van b.v. een scootmobiel, handbike etc. dan behoort het tot de compensatieplicht van de gemeente om voor de meerkosten een voorziening te verstrekken. Het bedrag in aanvulling op de vervoerskostenvergoeding in verband met zeer geringe mobiliteit is vastgesteld op € 113,00 per jaar (artikel 6.3 lid 5 Wmo-besluit). Richtlijn I039 Vervoersvoorziening - Lokaal verplaatsen Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met verplaatsingen in de directe woon- een leefomgeving in het kader van het leven van alledag (artikel 26 lid 1 Wmo-verordening). Indien zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal contact, dat uitsluitend door de aanvrager zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de aanvrager noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen, wordt rekening gehouden met de vervoersbehoefte buiten de directe woon- en leefomgeving (artikel 26 lid 2 Wmo-verordening). De te verstrekken vervoersvoorziening zal maatschappelijke participatie door middel van lokale verplaatsingen met tenminste een omvang van 1500 kilometer met een bandbreedte tot 2000 kilometer mogelijk maken (artikel 26 lid 3 Wmo-verordening). Richtlijn I040 Vervoersvoorziening - Echtgenoten, kinderen en bewoners van AWBZ-instelling Bewoners van een AWBZ-instelling Voor personen met beperkingen die permanent in een AWBZ-instelling verblijven worden de normbedragen gehalveerd. De achterliggende gedachte is dat in dergelijke complexen vaak voorzieningen als een winkel, kapper, recreatieruimte voor diverse sociale activiteiten, zijn ondergebracht of in de dichte nabijheid zijn gerealiseerd. Verder vervalt veelal een aantal bestemmingen in het kader van het leven van alledag omdat daarin op andere wijze wordt voorzien. Bewoners van intramurale instellingen hoeven bijvoorbeeld minder vaak boodschappen te doen omdat de instellingen de maaltijden bereiden. Bedacht moet worden, dat in bepaalde individuele situaties de vervoersbehoefte toch een andere omvang heeft. De vervoersvoorziening dient daarop afgestemd te zijn. Bij tijdelijke opname vindt geen verlaging plaats. Ziekenhuisopname heeft ook geen verlaging tot gevolg. Wordt een persoon met beperkingen aan wie een vervoerskostenvergoeding is toegekend opgenomen in een AWBZ-instelling dan wordt de hoogte van de vergoeding aangepast op de eerste dag van de maand volgende op de maand van opname. De bedragen die per jaar worden verstrekt voor het gebruik van een (eigen) auto, bruikleenauto, bestelauto of (rolstoel)taxi, worden gehalveerd voor personen die verblijven in een instelling, tenzij blijkt dat deze halvering niet met de vervoersbehoefte van de persoon in overeenstemming is (artikel 6.3 lid 2 Wmo-besluit). Zie richtlijn I044 voor de hoogte van de bedragen. Vervoer van kinderen Het bedrag dat wordt verstrekt voor gebruik van auto, taxi of rolstoeltaxi bedraagt (artikel 6.3 lid 4 Wmo-besluit): Bij kinderen < 4 jaar : nihil. Kunnen deze kinderen vanwege de speciale wandelwagen/rolstoel niet met het openbaar vervoer mee : dan 50% normbedrag. Bij kinderen > 4 jaar en < 12 jaar : helft van het bedrag Bij kinderen > 12 jaar : volledig bedrag Zie richtlijn I044 voor de hoogte van de bedragen. Echtgenoten Indien de vervoersbehoefte geheel samenvalt: samen 1 vergoeding. Indien de vervoersbehoefte niet of ten dele samenvalt: maximaal 1,5 vergoeding (ieder 75% van de voor hen geldende maximale vergoeding). Indien één van de partners een indicatie heeft voor vervoer per rolstoeltaxi wordt de vergoeding vastgesteld op 100% normbedrag rolstoeltaxi en 50% normbedrag taxi. Deze bepaling van de vervoersvoorziening voor echtparen/partners wordt niet gezien als een korting, zodat de maximering van de cumulatiebepaling niet hiervoor geldt. Er is dus naast de vastgestelde vergoeding van b.v. 75% een korting mogelijk. Richtlijn I041 Vervoersvoorziening - welke vervoersvoorzieningen zijn mogelijk Een vervoersvoorziening kan bestaan uit (artikel 23 Wmo-verordening): Een vervoersvoorziening in natura in de vorm van: (Aangepaste) auto (zie richtlijn I045); (Aangepaste) gesloten buitenwagen (zie richtlijn I047); Open elektrische buitenwagen (zie richtlijn I048); Driewielfiets (zie richtlijn I049); Tandem (zie richtlijn I049); Handbike (zie richtlijn I049). Een persoonsgebonden budget te besteden aan een individuele vervoersvoorziening: Vervoerskosten vergoeding voor gebruik auto, (rolstoel)taxi (zie richtlijn I044); (Aangepaste) auto (zie richtlijn I045); Aanpassing van de eigen auto (zie richtlijn I046); (Aangepaste) gesloten buitenwagen (zie richtlijn I047); Open elektrische buitenwagen (zie richtlijn I048); Driewielfiets (zie richtlijn I049); Tandem (zie richtlijn I049); Handbike (zie richtlijn I049). Een financiële tegemoetkoming in de kosten van een vervoersvoorziening: Vervoerskosten vergoeding voor gebruik auto, (rolstoel)taxi (zie richtlijn I044); Aanpassing van de eigen auto (zie richtlijn I046); Driewielfiets (zie richtlijn I049); Tandem (zie richtlijn I049). Richtlijn I042 Vervoersvoorziening - Primaat collectief vervoer Deze richtlijn is niet ingevuld. Richtlijn I043 Beleidsregels collectief Wmo-vervoer via Stadsregiotaxi Wettelijk kader Wmo-vervoer In artikel 4 Wmo is de algemene verplichting opgenomen voor het college om voorzieningen te treffen ter compensatie van de beperkingen die een burger ondervindt in de zelfredzaamheid op het gebied van het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel. Mensen die voor het “vervoer van alledag” (boodschappen, familiebezoek, kerkbezoek etc.) als gevolg van hun beperking geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer, kunnen in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening. In de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is de compensatieplicht van de gemeente op de volgende wijze begrensd: Met de vervoersvoorziening moet iemand in de directe woon- en leefomgeving in aanvaardbare mate sociale contacten kunnen onderhouden en deel kunnen nemen aan het leven van alledag. Het zorgplichtgebied voor vervoersvoorzieningen gaat verder dan alleen het gebied binnen de gemeentegrenzen. Het gaat ook om sociaal vervoer binnen de regio. Onder regionaal vervoer wordt een afstand van 15 tot 20 kilometer vanaf het woonadres verstaan. Dat komt overeen met ongeveer vijf OV-zones. Wil een vervoersvoorziening of combinatie van vervoersvoorzieningen compenserend zijn dan moet met de toegekende voorziening(
- en)circa 1500 tot 2000 kilometer (afhankelijk van de lokale omstandigheden) per jaar gereisd kunnen worden. Primaat bij collectief vervoer via Stadsregiotaxi Wijchen heeft vanaf 1 januari 2013 het primaat van het collectief vervoer per Stadsregiotaxi. Dat wil zeggen dat bij vervoersproblemen de voorrang wordt gegeven aan het in aanmerking brengen van een persoon met beperkingen voor het collectieve vervoerssysteem boven het verstrekken van individuele vervoersvoorzieningen. In geval van beperkingen bij het zich lokaal verplaatsen wordt allereerst gekeken of de beperkingen gecompenseerd kunnen worden met vervoer met de Stadsregiotaxi. Is dat het geval dan wordt een Wmo-vervoerspas voor de Stadsregiotaxi beschikbaar gesteld. Het financieel alternatief dat op 1 januari 2011 is ingevoerd komt op 1 januari 2013 te vervallen. Mensen die niet met de Stadsregiotaxi kunnen reizen of voor wie het CVV geen compenserende voorziening is, blijven in aanmerking komen voor een individuele vervoerskostenvergoeding. Zie hieronder de paragraaf Maatwerkoplossingen. Kenmerken collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV) Het collectief vervoer wordt binnen de gemeente Wijchen uitgevoerd door de Stadsregiotaxi. De belangrijkste kenmerken van Stadsregiotaxi vervoer zijn: De Stadsregiotaxi is voor iedereen toegankelijk. Ook hulpmiddelen zoals een rollator, scootmobiel, looprek of rolstoel kunnen mee vervoerd worden. De Stadsregiotaxi beschikt zowel over taxi’s als over (rolstoel)bussen. De Stadsregiotaxi rijdt 7 dagen per week van 08.00 tot 00.00 uur. Op vrijdag- en zaterdagavond tot 02.00 uur ’s nachts. De Stadsregiotaxi is vervoer van deur tot deur. Bij een flat of appartement geldt de centrale toegangsdeur beneden als “deur”. Duur van de reis: bij reizen binnen één zone is de extra reistijd maximaal 15 minuten. Bij reizen over meer zones duurt de rit maximaal anderhalf keer de benodigde reistijd. Het is mogelijk om vaste ritten en ritten met aankomstgarantie te reserveren. Er is een gratis terugbelservice inhoudende dat ongeveer 5 minuten voordat de taxi arriveert de klant gebeld wordt zodat die zich kan voorbereiden op het vertrek. Wachttijd van de taxi bij de deur is maximaal 2 minuten. Er is een marge van 30 minuten rondom het gewenste ophaaltijdstip op het afgesproken adres. De taxi kan tussen 15 minuten vóór en 15 minuten na het gewenste ophaaltijdstip voor komen rijden. Klanten die niet zelfstandig kunnen reizen en geen begeleider hebben kunnen niet mee met de Stadsregiotaxi. Een begeleider die beschikt over een OV-begeleiderspas reist gratis met de Stadsregiotaxi. Bijzondere indicaties - Collectief vervoer per rolstoeltaxibus Indien betrokkene een rolstoel moet meenemen die niet opvouwbaar is, dan wel gezeten in de rolstoel vervoerd moet worden, komt de rolstoeltaxibus aan de orde. - Collectief vervoer per personenauto Indien het vervoer per deeltaxibus om medische redenen niet mogelijk is, kan als oplossing voor vervoersproblemen gekozen worden voor vervoer per personenauto. Een indicatie voor een personenauto in plaats van een taxibus kan worden aangevraagd indien de aanvrager al is geïndiceerd voor collectief vervoer. Hier wordt terughoudend gebruik van gemaakt. - Voorinzitgarantie Bij vervoer met de Stadsregiotaxi bestaat de mogelijkheid van de voorinzitgarantie. Dit is de aanduiding voor de omstandigheid dat betrokkene te allen tijde voorin de taxi, dwz naast de bestuurder, kan zitten tijdens de rit. Deze voorinzitgarantie wordt gegeven als er problemen zijn met de beschikbare beenruimte achterin. De voorinzitgarantie wordt vermeld in de toekenningsbeschikking. Hier wordt zeer terughoudend gebruik van gemaakt. Tarieven Het Stadsregiotaxi tarief per zone bedraagt € 2,20
(2013). Met de Stadsregiotaxi kan tegen gereduceerd tarief maximaal 5 OV-zones vanaf de woning gereisd worden. De klant betaalt het reguliere OV-tarief voor de Stadsregiotaxi. De gemeente vergoedt het verschil tussen het zonetarief en het OV-tarief rechtstreeks aan de Stadsregio. Het OV-tarief bedraagt in 2012 € 0,55 per zone als de klant jonger is dan 65 jaar en € 0,35 per zone als de klant 65 jaar of ouder is. De omvang van de zones waarover per jaar tegen gereduceerd tarief gereisd kan worden is niet beperkt. Klanten voor wie het CVV geen compenserende voorziening is Compenseert het collectief vervoer de beperkingen van een klant? Hiervoor moet de gemeente het volgende onderzoeken: Wat zijn de beperkingen? NB: het gaat hierbij niet alleen om medische beperkingen om deel te nemen aan het CVV Kan de klant zelfstandig gebruik maken van de Stadsregiotaxi of met begeleiding? Is deze begeleider aanwezig? Wat is de (lokale) vervoersbehoefte van een belanghebbende? Kan met het openbaar vervoer in deze vervoersbehoefte worden voorzien? Kan met het collectief vervoer in deze vervoersbehoefte worden voorzien? Zijn er specifieke persoonskenmerken van de klant waar rekening mee gehouden moet worden? Heeft de aanvrager capaciteit om uit een oogpunt van kosten zelf in (vervoers)maatregelen te voorzien. CVV is van deur tot deur vervoer. De chauffeur helpt bij het in- en uitstappen, bij het dragen van bagage en begeleiden tot aan de deur als dat nodig is. Het is geen kamer tot kamer vervoer. Bij een flat of appartementcomplex is de centrale toegangsdeur beneden de ‘deur’. Kan de klant niet zelf aan de (voor)deur verschijnen, dan is CVV geen passend vervoer. Hetzelfde geldt als de klant niet zelfstandig kan reizen en ook geen begeleider heeft. Is iemand zowel vóór als na de rit op een begeleider aangewezen en kan er gereisd worden met de Stadsregiotaxi, dan is CVV adequaat. In deze situatie is de klant niet in staat om zonder begeleiding te reizen. De begeleider kan op basis van een begeleiderkaart gratis meereizen. Een maatwerkoplossing is aan de orde als iemand met een reële vervoersbehoefte niet zelf van de huisdeur bij de voordeur kan komen, geen begeleider heeft en na de rit op de plaats van bestemming wèl zelfstandig verder kan. Begeleiding: De Stadsregiotaxi is een voor iedereen toegankelijk OV systeem, mits men zelfstandig of onder begeleiding kan reizen (en zelfstandig is echt van begin tot einde reis). Zaken die bij de beoordeling extra aandacht vragen zijn: de gezinssituatie: Indien er sprake is van een gezinssituatie waarbij een ouder of een kind met beperkingen een indicatie heeft voor een CVV maar de rest van het gezin reist met de eigen auto. Als dit gescheiden reizen niet wenselijk is en tot grote praktische problemen leidt, kan er in deze situatie aanleiding zijn voor een maatwerkoplossing Het gaat dan om: echtparen of alleenstaande ouders met kinderen tot 12 jaar of een kind met beperkingen dat nog geen 12 jaar is op het moment van de aanvraag. beperkingen door temperatuurschommelingen bereikbaarheid collectief vervoer meenemen van kind(eren) bij verplaatsingen op (zeer) korte afstanden het kunnen (laten) verrichten van organisatie- en planningsactiviteiten bezwaren van praktische aard incontinentie: met goed incontinentiemateriaal blijft collectief vervoer binnen 5 zones adequaat; in uitzonderlijke situaties is mogelijk maatwerk nodig fobie/angsten: een officiële diagnose en een (afgerond) behandelplan zijn de onderleggers voor de maatwerkbeoordeling. minderjarigheid: er geldt een minimumleeftijd van 12 jaar bij zelfstandig reizen eerder verstrekte autoaanpassing op grond van Wmo: in geval van medisch noodzakelijke autoaanpassing is de klant aangewezen op vervoer met eigen auto in geval van autoaanpassing op grond van de uitruilregeling is individuele beoordeling nodig. Gedurende de afschrijvingstermijn van de autoaanpassing blijft een financiële vergoeding van € 405,- per jaar mogelijk (gebaseerd op 1500 km en € 0,27 per kilometer). Uitgegaan wordt van een gebruikelijke afschrijvingstermijn van 7 jaar van de autoaanpassing. Reis- en wachttijden binnen de in deze beleidsregels genoemde marges en de voorkeur voor een andere vervoersvoorziening (eigen auto) vormen geen contra-indicatie voor het collectief vervoer. Medisch advies Voor de beoordeling of er medische beperkingen aanwezig zijn die gebruik van de Stadsregiotaxi verhinderen wordt een medisch advies opgevraagd bij het CIZ. Indien op voorhand op basis van de beschikbare gegevens in het dossier van de klant volstrekt helder is dat er geen medische beperkingen zijn voor het gebruik van de Stadsregiotaxi, wordt er ook een medisch advies opgevraagd, maar worden de kosten van het medisch advies bij de klant in rekening gebracht. Bij een positief advies van het CIZ worden de advieskosten terugbetaald aan de klant. Maatwerkoplossingen Als na het bovenstaande onderzoek blijkt dat het CVV de beperkingen van de klant niet compenseert dan moet een andere maatwerkoplossing gezocht worden. Deze kan erin bestaan dat aan de klant een individuele vervoerskostenvergoeding wordt toegekend voor het gebruik van de eigen auto of een (reguliere) t