Handhavingsbeleid omgevingsrecht 2010-2014De gemeenteraad van de gemeente Laren heeft het Handhavingsbeleid omgevingsrecht 2010-2014 vastgesteld. Hoofdstuk1Inleiding Voor u ligt het Handhavingsbeleid omgevingsrecht 2010-2014 van de gemeenten Blaricum, Eemnes en Laren. Het gaat hier om de handhaving van de regels voor de bebouwde en onbebouwde (leef)omgeving . Dit beleid is gebaseerd op de kwaliteitscriteria voor handhaving uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De handhaving van deze wet heeft als doel de kwaliteit van de (leef)omgeving te beschermen en waar mogelijk te verbeteren. Vrij vertaald betekent handhaving: “het bevorderen of bewerkstellen van de naleving van regels”. De gemeenten hebben hier allerlei middelen en instrumenten voor. Gedacht kan worden aan verschillende vormen van interactie met burgers en bedrijven, zoals het geven van voorlichting. Ook kunnen de gemeenten handhaven door het houden van toezicht en, waar nodig, door te waarschuwen en te sanctioneren. Dit integrale handhavingsbeleid beschrijft de keuzes die de gemeenten Blaricum, Eemnes en Laren maken over de handhaving van regels voor de (leef)omgeving. Het geeft invulling aan de wenselijkheid en aan de taak om overeenkomstig de Wabo te handhaven. Daarbij zijn keuzes gemaakt wat meer of minder aandacht verdient. Ook is beschreven op welke verschillende manieren er toezicht wordt gehouden en welke instrumenten er beschikbaar zijn voor de handhaving. De concrete uitvoering van dit handhavingsbeleid wordt separaat geregeld in het uitvoeringsprogramma. Dit uitvoeringsprogramma wordt los vastgesteld en beschrijft de uitvoering tot op detailniveau. Hoofdstuk Paragraaf1.1Leeswijzer Hoofdstuk 1 geeft een inleiding en beschrijft de eisen die de Wabo aan een handhavingsbeleid stelt. Er wordt beschreven wat de doelstellingen van Blaricum, Eemnes en Laren zijn voor integrale handhaving. Uitgelegd wordt wat er in het voorbereidingstraject heeft plaatsgevonden, waar het handhavingsbeleid zich tot beperkt en welke oude beleidsstukken het vervangt. Hoofdstuk 2 beschrijft de te onderscheiden vormen van toezicht (vergunnings-, object- en gebiedsgericht). Het derde hoofdstuk gaat over de voor dit integrale beleid ontwikkelde prioriteitenmatrix. Beschreven is hoe de verschillende handhavingstaken zijn beoordeeld op risico en naleeftekort en hoe hieruit de prioriteiten zijn vastgesteld. Hoofdstuk 4 gaat in op de instrumenten die er zijn om uitvoering te geven aan de handhaving. Dit zijn preventieve instrumenten (zoals voorlichting), repressieve of sanctionele instrumenten (zoals het opleggen van een dwangsom of het toepassen van bestuursdwang) en gedogen. Het laatste hoofdstuk gaat over de Planning & Control cyclus en welke rol de begroting, de organisatie en de besturen spelen om een goede integrale handhaving te borgen. Hoofdstuk Paragraaf1.2Aanleiding De aanleiding voor dit handhavingsbeleid is vierledig. Ten eerste heeft de BEL Combinatie aangegeven een duidelijke bestuurlijke keuze in prioriteiten voor toezicht en handhaving te missen. De vraag is of ambities en capaciteit wel op elkaar afgestemd zijn. Ten tweede leidde de Wabo tot dit handhavingsbeleid. De Wabo staat voor één loket, één bevoegd gezag, één behandelprocedure, één omgevingsvergunning, één rechtsbeschermingsprocedure en één handhavend bestuursorgaan. Het doel is minder administratieve lasten voor burgers en bedrijven, betere dienstverlening, kortere en transparantere procedures, minder toezichtsdruk en geen tegenstrijdige voorschriften. De omgevingsvergunning vervangt vijfentwintig ‘oude’ vergunningsoorten (zoals de bouw-, sloop-, gebruiks-, APV-, milieu- en monumentenvergunning). Voor verschillende activiteiten is er dus maar één aanvraag en één omgevingsvergunning nodig. Ook moet de handhaving van deze vergunning zo gecoördineerd mogelijk plaatsvinden. De Wabo stelt dan ook kwaliteitseisen aan de organisatie en uitvoering van de handhaving. Deze kwaliteitseisen zijn verankerd in hoofdstuk 7 van het Besluit Omgevingsrecht (Bor). Omdat de handhaving van de verschillende regels moet worden gecoördineerd, is een integrale benadering van belang. Het lokale bestuur moet aangeven hoe zij dit doet. Daarnaast moet zij aangeven waar zij op handhaaft. Dit betekent keuzes maken over wat prioriteit heeft. Het is immers niet mogelijk om elke regel voor 100% te controleren. Dit is ook niet wenselijk omdat burgers en bedrijven in principe zelf verantwoordelijk zijn om te voldoen aan de regels. Anderzijds zijn de middelen te beperkt om alles te kunnen handhaven. Bij het opstellen van dit integrale handhavingsbeleid zijn niet alleen de binnen de Wabo vallende handhavingstaken opgenomen maar ook de APV gerelateerde handhavingstaken in de openbare ruimte. Ten derde waren er nog twee oude handhavingsbeleidsnota’s. Blaricum heeft in 2005 de Kadernota Integrale Handhaving vastgesteld. Eemnes heeft in 2004 het Handhavingsbeleidsplan Bouwregelgeving vastgesteld. De BEL Combinatie vraagt om gezamenlijke afstemming van beleid, waar dat mogelijk is. Tenslotte zal in het kader van de bestuurskrachtmeting 2011 bekeken worden in hoeverre de gemeenten profijt getrokken hebben uit de BEL –samenwerking. Een gezamenlijk handhavingsbeleid met waar nodig lokale accenten zal voor de bestuurskrachtmeting positief scoren. Hoofdstuk Paragraaf1.3Probleemstelling en doel Bij de inwerkingtreding van de Wabo zal ook de handhaving binnen de gemeenten Blaricum, Eemnes en Laren moeten worden uitgevoerd, volgens de in de Wabo omschreven eisen voor de handhaving. Het doel van de Wabo is onder meer dat er zoveel mogelijk gecoördineerd en integraal wordt gehandhaafd. Het eindresultaat is dan ook het laten vaststellen van een op de Wabo afgestemd beleid voor integraal en programmatisch handhaven. Het beleid zal moeten voldoen aan de toekomstige kwaliteitseisen van paragraaf 7.2 van het ontwerp Bor (Besluit omgevingsrecht). Dit betekent dat het beleid onder meer zal bestaan uit een handhavingsmatrix, een prioriteitstelling van de verschillende te handhaven onderwerpen en een duidelijke onderbouwing. Tevens zullen er ook toezichtprotocollen voor signaaltoezicht worden opgenomen, een duidelijk uitvoeringsplan (plan van aanpak) voor integrale Wabo-handhaving en het gezamenlijk optrekken met de verschillende externe handhaafpartners. Gelet op het bovenstaande hebben de gemeenten Blaricum, Eemnes en Laren dan ook de BEL-Combinatie opdracht gegeven om integraal handhavingsbeleid op te stellen. Doelstelling daarbij is een éénduidige en voor alle drie gemeenten dezelfde uitvoering van het toezicht op de naleving van regels en duidelijke richtlijnen voor de vervolgaanpak van geconstateerde overtredingen. Het resultaat behoort onder meer te zijn een beleidsplan waarin de gemeentebesturen dezelfde handhavingsstrategie hanteren en waarin ze aangeven wat zij willen doen aan handhaving van regels, hoeveel capaciteit ze daarvoor beschikbaar stellen en waar ze de prioriteit leggen. Dit wordt jaarlijks per gemeente uitgewerkt in een uitvoeringsprogramma. Op deze wijze willen de drie gemeentebesturen meer inzicht krijgen in de aansturing en capaciteit voor handhaving. De gemeenten hopen dat bovenstaande aanpak zal leiden tot een meer directe naleving van de regels en wetten en een efficiënte en transparante manier van handhaven. Met dit handhavingsbeleid wordt aan bovenstaande doelstellingen voldaan. Voorts is van belang dat de colleges nog de volgende opmerkingen hebben meegegeven. Het college van Blaricum heeft hoge verwachtingen van handhaving. Toezicht en handhaving zijn heel belangrijk. De drempel om een juridische procedure te doorlopen ligt laag bij de burger. Momenteel wordt een gebrek aan handhaving ervaren. Beleidsvelden die aandacht verdienen zijn bouwen, APV en Horeca. In Eemnes worden toezicht en handhaving als streng ervaren. Momenteel is er weinig zicht op activiteiten in de buitengebieden en dit laatste verdient extra aandacht in het handhavingsbeleid. Het college van Laren neemt haar handhavingstaak serieus. Gehandhaafd wordt vooral op het terrein van ruimtelijke ordening (bestemmingsplannen en welstand) en parkeren. Uitgangspunt is het conserverend beleid in het dorp. De burger heeft niet altijd een duidelijk beeld van het gemeentelijke toezicht. De precedentwerking is groot en door de burgers wordt het juridische spel vaak scherp gespeeld. Het college heeft momenteel geen duidelijk zicht op de handhavingspraktijk. De wens leeft om directer te kunnen aansturen en dat alle medewerkers het dorp goed kennen. Hoofdstuk Paragraaf1.4Voorbereiding Er is een analyse uitgevoerd waarmee de oude situaties op het gebied van handhaving binnen de gemeenten Blaricum, Eemnes en Laren in beeld zijn gebracht. Per beleidsveld is gekeken hoe er werd gehandhaafd en hoe de verschillende beleidsstukken werden gebruikt. Ook is aan alle handhavers en juridisch medewerkers gevraagd wat hun visie is op de oude manier van werken en hoe zij integraal/gecoördineerd handhaven zien. Hoofdstuk Paragraaf1.5Reikwijdte/afbakening Dit beleid is opgesteld binnen de beleidsvrijheid en kwaliteitseisen die het Besluit omgevingsrecht aan het handhavingsbeleid stelt. Alle binnen de scoop van de Wabo vallende taken zijn opgenomen. Daarnaast heeft dit handhavingsbeleid betrekking op een aantal handhavingstaken uit de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) die gaan over de (on-)bebouwde omgeving. In de ‘prioriteitenmatrix’ (bijlage 1) zijn alle handhavingstaken, en de onderliggende wettelijke kaders, weergegeven. De handhaving van niet genoemde wetten (zoals de sociale wetgeving en de onderwijswetgeving) vallen niet onder dit beleid. Door dit integrale handhavingbeleid komen de Kadernota Integrale Handhavingsbeleid van Blaricum en het Handhavingsbeleidsplan Bouwregelgeving van Eemnes te vervallen. Deze zullen per 1 oktober 2010 worden ingetrokken. Handhavingszaken en procedures die zijn opgestart voor de vaststellingsdatum van dit handhavingsbeleid worden afgehandeld onder de regels uit de ‘oude’ beleidsstukken. Eemnes heeft de handhavingstaken voor milieu uitbesteed aan het Servicebureau Gemeenten. Het Servicebureau Gemeenten kent een eigen systematiek. Dit beleid sluit daarop aan. Ook voor wat betreft handhaving van de milieutaken in Blaricum en Laren wordt aangesloten op de bestaande systematiek. Dit handhavingsbeleid is afgestemd op het in ontwikkeling zijnde veiligheidsplan. Hoofdstuk2Vormen van toezicht Handhaving vraagt om verschillende vormen van toezicht. Het controleren van een verleende vergunning voor een woning is bijvoorbeeld heel wat anders dan het toezicht houden op overlast van hondenpoep. Verschillende handhavingstaken vragen daarom om verschillende vormen van toezicht. In dit handhavingsbeleid wordt er primair onderscheid gemaakt tussen drie toezichtvormen: ‘vergunningsgericht toezicht’, ‘objectgericht toezicht’ en ‘gebiedsgericht toezicht’. Daarnaast vindt er toezicht plaats op basis van signalen, ‘signaaltoezicht’. De verschillende vormen van toezicht zijn middelen om zoveel mogelijk gecoördineerd en integraal toezicht te houden. Hierdoor vermindert de toezichtdruk voor de klant en is het mogelijk om (waar nodig) daadkrachtiger op te treden. Vergunningsgericht toezicht is toegespitst op het houden van toezicht op verleende vergunningen. Deze vindt dus plaats tijdens bouw-, sloop- of aanlegwerkzaamheden. Objectgericht toezicht richt zich op het toezicht tijdens de gebruiksfase van objecten. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het periodiek controleren van café´s op het gebied van brandveiligheid door de brandweer. Gebiedsgericht toezicht gaat over toezicht gerelateerd aan geografische gebieden. Hiermee is het mogelijk om gericht toezicht te houden op die aspecten die voor een bepaald gebied van belang zijn. Tot slot is signaaltoezicht een overkoepelende vorm van toezicht waarbij een betreffende toezichthouder een signaal doorgeeft als de geconstateerde overtreding buiten zijn expertise valt. Ook kunnen burgers, bedrijven, politiek, externe partijen zoals belangenorganisaties signalen doorgeven aan de overheid. Hoofdstuk Paragraaf2.1Vergunningsgericht toezicht Vergunningsgericht toezicht gaat over toezicht op ‘kortlopende’ verleende omgevingsvergunningen tijdens de uitvoeringsfase. Het gaat hier om toezicht op: - het naleven van de voorschriften van een verleende omgevingsvergunning voor bouw- en gebruiksactiviteiten waarbij wordt gecontroleerd op voorschriften uit het Bouwbesluit, de bouwverordening en het bestemmingsplan voor zover deze regels betrekking hebben op die onderliggende vergunning. - het naleven van de voorschriften van een verleende omgevingsvergunning voor sloopactiviteiten, controle op de voorschriften uit de bouwverordening en het Asbestverwijderingsbesluit. - het naleven van de voorschriften van een verleende omgevingsvergunning voor het wijzigen van een monument. - het naleven van de voorschriften van een verleende omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit. Het vergunningsgericht toezicht heeft de volgende strategische doelstelling: “Het tijdens de uitvoering van verleende omgevingsvergunningen waarborgen van een basiskwaliteit ten aanzien van de bouwkundige staat, veiligheid, en de milieukundige, ruimtelijke en cultuurhistorische kwaliteit van de bebouwde en onbebouwde omgeving en bouw- en slooplocaties”. Hoofdstuk Paragraaf2.2Objectgericht toezicht Objectgericht toezicht is toezicht houden op grond van een vergunning of algemene voorschriften voor bestaande objecten tijdens de gebruiksfase. Het gaat hier om periodiek toezicht op: - ‘langlopende’ omgevingsvergunningen en/of op algemene voorschriften. Het gaat hier om periodiek toezicht op het gebied van (brand)veiligheid en milieu. - evenementen op het gebied van (brand)veiligheid, milieu en leefbaarheid. - de instandhoudingstermijn van tijdelijke bouwwerken en/of tijdelijke ontheffingen. Het objectgericht toezicht heeft de volgende strategische doelstelling: “Het tijdens het gebruik van bouwwerken, inrichtingen en evenementen waarborgen en/of versterken van kwaliteiten op het gebied van (brand)veiligheid, milieu en leefbaarheid”. Hoofdstuk Paragraaf2.3Gebiedsgericht toezicht Het gebiedsgericht toezicht houden is gerelateerd aan geografische gebieden en gaat over toezicht op: - de kwaliteit en het gebruik van de openbare ruimte. - welstandstechnische en cultuurhistorische aspecten, monumenten en beschermde gebieden (zoals Stads- of Dorpsgezicht). - strijdig en/of onrechtmatig gebruik van bouwwerken en (openbare) gronden. - de kwaliteit en veiligheid van bestaande bouwwerken ten aanzien van technische voorschriften. - het gebruik en de staat van bestaande erven, terreinen, lig- en standplaatsen. - het bouwen en/of veranderen van bouwwerken zonder vergunning. - milieuovertredingen buiten inrichtingen (bedrijven). - het buitengebied (projectmatig). Het gaat hier om toezicht op algemene wet- en regelgeving en niet op objectgebonden beschikkingen (vergunningen). Overtredingen kunnen naar aanleiding van actieve controle of naar aanleiding van signalen (klachten) worden geconstateerd. Dit wordt vertaald in enerzijds periodieke controles per gebied en anderzijds door projectmatige controles op een bepaalde te handhaven activiteit. Het gebiedsgericht toezicht heeft de volgende strategische doelstelling: “Het waarborgen en/of versterken van ruimtelijke, esthetische en landschappelijke kwaliteiten en het verbeteren van de veiligheid en leefbaarheid van de (openbare) ruimte.” Hoofdstuk Paragraaf2.4Signaaltoezicht Tijdens het houden van toezicht kan een inspecteur iets tegenkomen wat in principe niet binnen zijn beleidsveld valt. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een bouwinspecteur die tijdens een controle gebreken ziet op het gebied van brandveiligheid. In zo´n situatie kan de bouwinspecteur een signaal aan de brandweer geven. Dit noemen we signaaltoezicht. Signaaltoezicht kan worden toepast bij elk van de hierboven beschreven vormen van toezicht (vergunnings-, object- en gebiedsgericht toezicht). Aan de hand van ‘signaalkaarten’ kan een toezichthouder nagaan wie hij of zij moet benaderen bij het constateren van een overtreding. In het uivoeringsprogramma is het signaaltoezicht verder uitgewerkt. Hoofdstuk3Prioriteitenmatrix Het is niet wenselijk en mogelijk om alle regels voor 100% te handhaven. Bestuurlijke keuzes zijn daarom nodig. Deze keuzes zijn gemaakt met behulp van een prioriteitenmatrix. In deze matrix staan alle verschillende handhavingstaken die onder de Wabo en APV vallen opgesomd. Per handhavingstaak/activiteit is beoordeeld welke prioriteit de handhaving hiervan heeft. De prioriteit is hierbij primair bepaald door twee factoren: het risico (wat is het risico bij een overtreding) en het naleeftekort (het naleefgedrag en de kans dat een overtreding daadwerkelijk voorkomt). In dit hoofdstuk wordt dit verder uitgelegd. Ook wordt aangegeven welke handhavingstaken uiteindelijk een hoge, gemiddelde of lage prioriteit hebben gekregen. Hoofdstuk Paragraaf3.1Opzet van de matrix In hoofdstuk twee zijn de verschillende vormen van toezicht benoemd. In de prioriteitenmatrix zijn alle handhavingstaken verdeelt naar vergunnings-, object- en gebiedsgericht toezicht. Toezicht houden op (de uitvoering van) een verleende omgevingsvergunning voor een woning valt bijvoorbeeld onder ‘vergunningsgericht toezicht’. In totaal zijn er 59 verschillende handhavingstaken in de matrix opgenomen. Dit zijn zowel handhavingstaken die voortvloeien uit de Wabo, als uit de Algemene plaatselijke verordening (APV). Met deze 59 handhavingstaken is getracht alle te handhaven aspecten te benoemen. Hierbij zijn keuzes gemaakt. Er is bijvoorbeeld niet gekozen om ieder gebouwtype uit het Bouwbesluit apart te benoemen. Ook is niet gekozen om de verschillende soorten inrichtingen in het kader van de Wet Milieubeheer op te splitsen. Zou dit gedaan zijn, dan had de matrix uit honderden verschillende handhaaftaken bestaan. Aangezien het belangrijk is dat de prioriteiten jaarlijks kunnen worden bijgesteld, is dit niet wenselijk. De matrix is voornamelijk ingevuld op basis van beschikbare ervaringscijfers, literatuurstudies en kennis en ervaringen van experts welke betrokken zijn bij toezicht en handhaving. Ook de ervaringen met burgers en bedrijven zijn hierin meegenomen. Hoofdstuk Paragraaf3.2Risico Per handhavingstaak is bepaald aan de hand van ervaring van de medewerkers en het bestuur wat het risico is als, de onder een handhavingstaak liggende regels, worden overtreden. Dit risico is bepaald aan de hand van zes negatieve effecten: veiligheid, volksgezondheid, natuur/milieu, financieel economisch, leefbaarheid en imago. Per handhavingstaak is er voor elk negatief effect een score van 1 tot 5 ingevuld. Hierbij geeft een 1 aan dat er nauwelijks of geen negatief effect is en een 5 dat er een ernstig negatief effect is. De optelsom van de zes verschillende effecten bepalen samen het uiteindelijke risico. Hoofdstuk Paragraaf3.3Naleeftekort Naast het risico speelt het naleeftekort een grote rol bij het bepalen van de uiteindelijke prioriteit. Het naleeftekort van een onder een handhavingstaak liggende regel wordt bepaald door het naleefgedrag (spontane en geforceerde naleving) en de overtredingskans. De spontane naleving, de geforceerde naleving en de overtredingskans leveren ieder een getal op. De optelsom van deze drie getallen samen bepalen het naleeftekort. Hoe hoger het getal van het naleeftekort, hoe slechter de onder een handhavingstaak liggende regels worden nageleefd. Naleefgedrag Het naleefgedrag is bepaald met behulp van de 'Tafel van Elf' (T11). De T11 is een door het Ministerie van Justitie aangedragen analysemodel waarmee aan de hand van elf dimensies wordt verklaard waarom regels al dan niet worden nageleefd. Door te weten waar de sterke en zwakke kanten zitten op het gebied van de naleving van regels, kan men gericht handhaven. Hierbij kan gedacht worden aan het geven van voorlichting als blijkt dat de kennis over een bepaalde regel laag is, of meer sanctioneel optreden als blijkt dat men de regels bewust overtreedt. De elf dimensies zijn ondergebracht in twee groepen: dimensies van spontane naleving en dimensies van geforceerde naleving. De T11 analyse levert dan ook twee getallen op. Eén getal voor spontane naleving en één getal voor de geforceerde naleving (meer informatie over de T11 is te vinden op www.it11.nl). Spontane naleving Met spontane naleving wordt bedoeld in hoeverre een burger of bedrijf zich uit eigen overweging houdt aan de wet- en regelgeving. Spontane naleving kan voortkomen uit kennis en draagvlak, normen en waarden, maatschappelijke controle en een kosten/baten afweging van (niet-) naleving. Spontane naleving is beïnvloedbaar door een aantal aspecten, zoals voorlichting en communicatie. Door mensen goed te informeren over de voor hen geldende regels, zullen zij die regels beter kennen. Hierdoor ontstaat er meer draagvlak, waardoor bijvoorbeeld ook de (sociale) omgeving het overtreden van een regel sneller veroordeeld. Blaricum, Eemnes en Laren vinden het belangrijk dat de eigen verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven wordt gestimuleerd. De realisatie van een meetbare spontane naleving kan dan ook als doelstelling worden beschouwd. Geforceerde naleving Met geforceerde naleving wordt bedoeld in welke mate wet- en regelgeving wordt nageleefd door ingrijpen van de overheid. Het wordt bepaald door de mate waarop de regels in de praktijk worden gecontroleerd, en op welke wijze en met welke sancties het naleven van een regel wordt afgedwongen. De geforceerde naleving is beïnvloedbaar door overheidsoptreden. Door bijvoorbeeld vaker te controleren, en door strenger en zichtbaarder te sanctioneren, zal de score van dit aspect beter worden. De overtredingskans De overtredingskans (hoe vaak komt een overtreding daadwerkelijk voor) is voornamelijk bepaald op basis van beschikbare ervaringscijfers en ervaringen van de verschillende handhavers. Los van de ernst van de overtreding, is er gekeken hoe vaak een bepaalde regel in de praktijk wordt overtreden. Praktijkcijfers geven bijvoorbeeld aan dat de kans dat iemand illegaal een schuurtje achter zijn woning bouwt groter is dan de kans dat iemand dit in zijn voortuin doet. Goede voorlichting, en het strikter handhaven op handhavingstaken met een hoge overtredingskans zullen deze factor positief beïnvloeden. Hoofdstuk Paragraaf3.4Bepaling en uitvoering van de prioriteiten De prioriteit van een bepaalde handhavingstaak/activiteit wordt primair bepaald door het risico en het naleeftekort. Er worden drie prioriteiten onderscheiden: hoog, gemiddeld en laag. Door het stellen van prioriteiten kan aan elke handhavingstaak/activiteit een passende interventie worden gekoppeld. Zo gaan Blaricum, Eemnes en Laren slim om met handhaving. Onderstaande tabel geeft de manier van prioriteren weer. Zie bijlage 2, tabel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.