Bijstandsverordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand De raad van de gemeente Nuth, gezien het voorstel van burgemeester en wethouders 26 april 2011, gezien het advies van het RTG van 25 mei 2011 gelet op artikel 8 lid 1 sub c en artikel 30 van de Wet werk en bijstand; BESLUIT: Vast te stellen ‘Bijstandsverordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand; De bepalingen in deze verordening gelden voor personen die 27 jaar of ouder maar jonger dan 65 jaar zijn; In te trekken de “Bijstandsverordening toeslagen en verlagingen 2010” zoals vastgesteld op 15 juni 2010 HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 Begrippen 1. In deze verordening wordt verstaan onder de wet: de Wet werk en bijstand; dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van Kompas; woning: een ruimte zoals bedoeld in artikel 1 lid j en k van de Wet op de Huurtoeslag; woonkosten: indien een huurwoning wordt bewoond: kosten zoals bedoeld in artikel 1 lid d van de Wet op de huurtoeslag; indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten alsmede de kosten van groot onderhoud; gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 21 van de wet, aanhef en onder c; kostgever/hospita: een persoon die anderen voorziet in huisvesting en huishoudelijke zorg, waarvoor door deze personen kostgeld wordt betaald. 2. Alle begrippen die in deze verordening gebruikt worden en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 2 Samenloop WWB en WIJ 1. Wanneer één partner jonger is dan 27 jaar is en één partner 27 jaar of ouder, men geen inwonende tot het gezin behorende pleeg- of eigen kinderen heeft, en beiden zijn voor de kosten van het bestaan geheel of gedeeltelijk afhankelijk van een inkomensvoorziening van de gemeente dan ontvangt ieder van hen 50% van de norm voor gehuwden. 2. Wanneer één partner jonger is dan 27 jaar is en één partner 27 jaar of ouder, men één of meer inwonende tot het gezin behorende pleeg- of eigen kinderen heeft, en beiden zijn voor de kosten van het bestaan geheel of gedeeltelijk afhankelijk van een inkomensvoorziening van de gemeente dan is de WIJ-ouder leidend bij de verdeling van het inkomen. HOOFDSTUK 2 CRITERIA VOOR HET VERHOGEN VAN DE BIJSTANDSNORM Artikel 3 1. De bijstandsnorm wordt verhoogd met een toeslag indien de alleenstaande of de alleenstaande ouder hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander. 2. De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder met zijn kinderen in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, bepaald op het in artikel 25, tweede lid, van de wet genoemde maximumbedrag. 3. De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder op wie het tweede lid niet van toepassing is 10% van het netto minimumloon, behalve voor kostgevers/ hospita's. 4. De alleenstaande en de alleenstaande ouder, die tevens de rol van kostgever en/of hospita vervullen ontvangen géén toeslag als bedoeld in het eerste lid. 5. De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt 20% voor de alleenstaande ouder en de alleenstaande met: * thuisinwonende kinderen van 18 jaar of ouder die een in aanmerking te nemen inkomen hebben van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000. HOOFDSTUK 3 CRITERIA VOOR HET VERLAGEN VAN DE BIJSTANDSNORM OF DE TOESLAG Artikel 4 1. De bijstandsnorm wordt lager vastgesteld indien het echtpaar lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander. 2. De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt 10% van het netto minimumloon. 3. De bijstandsnorm wordt niet lager vastgesteld indien het echtpaar de kosten als bedoeld in het eerste lid uitsluitend deelt met : * thuisinwonende kinderen van 18 jaar of ouder die een in aanmerking te nemen inkomen hebben van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000. Artikel 5 1. De bijstandsnorm of de toeslag wordt lager vastgesteld indien de alleenstaande, de alleenstaande ouder of de gehuwde lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm of de toeslag voorziet, als gevolg van de bewoning van een woning waaraan geen kosten zijn verbonden. 2. De verlaging bedoeld in het eerste lid bedraagt 20% van het netto minimumloon. 3. De in het tweede lid bedoelde verlaging vindt bij voorrang plaats op de toeslag. Artikel 6 1. De bijstandsnorm of de toeslag voor de alleenstaande, de alleenstaande ouder of de gehuwde wordt lager vastgesteld indien de deelname is beëindigd aan onderwijs of beroepsopleiding op grond waarvan aanspraak bestond op studiefinanciering op grond van hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering dan wel op kinderbijslag. 2. Van een recente beëindiging van de deelname aan onderwijs of beroepsopleiding als bedoeld in het eerste lid is sprake zolang nog geen periode van een half jaar is verstreken, gerekend vanaf het tijdstip van de beëindiging van de deelname aan onderwijs of beroepsopleiding. 3. De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt 25% van het netto minimumloon. 4. De in het derde lid bedoelde verlaging vindt bij voorrang plaats op de toeslag. Artikel 7 Voor een alleenstaande van 21 of 22 jaar wordt in afwijking van artikel 3, de toeslag als bedoeld in artikel 25 van de wet op nihil gesteld, met dien verstand dat toeslagen die onder de Abw zijn toegekend gehandhaafd blijven totdat de leeftijd van betrokkene wijzigt. Artikel 8 1. De bijstandsnorm wordt lager vastgesteld indien het echtpaar lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het fungeren als kostgever of hospita. 2. De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt 20% van het netto minimumloon. Artikel 9 1. Indien voor de belanghebbende een combinatie van een toeslag op grond van artikel 3 en een of meer verlagingen op grond van de artikelen 4, 5, 6, 7 en 8 geldt, bedraagt de verlaging niet meer dan 25% van het netto minimumloon ten opzichte van de bijstandsnorm zoals die is vastgesteld in artikel 30 van de wet. 2. Indien voor de belanghebbende meer dan één verlaging op grond van de artikelen 4, 5, 6, 7 en 8 geldt, bedraagt de verlaging niet meer dan 25% van het netto minimumloon ten opzichte van de bijstandsnorm zoals die is vastgesteld in artikel 30 van de wet. 3. Jegens een belanghebbende wordt niet gelijktijdig toepassing gegeven aan de verlagingen als bedoeld in artikel 6, lid 1 en artikel 7. Indien op een belanghebbende beide artikelen van toepassing zijn wordt aan artikel 6 voorrang gegeven. Artikel 10 De uitvoering van deze verordening berust bij het Dagelijks Bestuur van Kompas, gemeentelijk collectief voor werk, inkomen & zorg. HOOFDSTUK 4 SLOTBEPALINGEN Artikel 11 Deze verordening kan worden aangehaald als: "Bijstandsverordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand". Artikel 12 1. In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het dagelijks bestuur. 2. Het dagelijks bestuur kan in bijzondere situaties afwijken van het bepaalde in deze verordening. Artikel 13 Deze verordening treedt in werking met terugwerkende kracht tot 1 januari 2011. Aldus besloten door de raad der gemeente Nuth in zijn openbare vergadering van 7 juni 2011, De Voorzitter De Griffier, , ALGEMENE TOELICHTING Artikel 8 lid 1 sub c WWB geeft de gemeenteraad de opdracht om bij verordening regels te stellen met betrekking tot het verhogen en verlagen van de bijstandsnorm. In artikel 30 WWB zijn enkele eisen geformuleerd waaraan de verordening inhoudelijk zou moeten voldoen. Deze verordening is alleen van toepassing op personen met een WWB-uitkering van 27 tot 65 jaar. Voor personen tot 27 jaar is er een separate Toeslagenverordening WIJ 2011. Personen van 65 jaar en ouder ontvangen in voorkomende gevallen een Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen via de SVB. Regionaal is afgesproken om geen begrippen meer te omschrijven als deze al in de van toepassing zijnde wetten beschreven zijn. Vandaar wordt artikel 1 van de Bijstandsverordening aangepast. Bij het hebben van geen woonlasten is regionaal afgesproken om de verlaging vast te stellen op 20%. Voor thuisinwonende verdienende kinderen van 18 jaar en ouder wordt de toelichting in de verordening aangepast. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Artikel 1 In dit artikel verklaren wij alleen die begrippen die niet in de WWB en / of de Awb benoemd zijn. Artikel 2 Wanneer een WIJ-partner samenwoont met een WWB-partner die samen geen of onvoldoende inkomsten hebben, dan vindt er een afwijkende berekening van het gezinsinkomen plaats. Belangrijk daarbij is of er wel of geen kinderen in het gezin zijn. Geen kinderen Wanneer een stel geen kinderen heeft moeten wij ieder van hen als alleenstaande beschouwen. Zij hebben dan beiden recht op de norm voor een alleenstaande. Samen derhalve 100% van de gezinsnorm. Toeslagen zijn hier niet aan de orde. Wel kinderen Wanneer een stel wel kinderen heeft is de berekening ingewikkelder. In deze situatie wordt ieder van de ouders als alleenstaande ouder beschouwd. Beiden hebben formeel daarom recht op 70% van de gezinsnorm, samen 140%. Dat is echter te veel. In deze situaties is de WIJ-ouder leading. Hij wordt dan beschouwd als een alleenstaande ouder. Via de WIJ betalen wij hem dan een tegemoetkoming van 70% van de gezinsnorm. De andere partner krijgt een aanvulling via de WWB die leidt tot een uitkering van 100% van de gezinsnorm, 30% derhalve. Artikel 3 Lid 1 Bij de vaststelling van de basisnorm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder is de wetgever uitgegaan van de veronderstelling dat betrokkene de bestaanskosten geheel met een ander kan delen. Indien dit niet het geval is, wordt de basisnorm verhoogd met een toeslag. In de toelichtende stukken op het wetsvoorstel is aangegeven dat voor het bepalen van de hoogte van de toeslag alle extra algemeen noodzakelijke bestaanskosten in aanmerking worden genomen die de alleenstaande of de alleenstaande ouder heeft ten opzichte van degene die met zijn partner een gezamenlijke huishouding voert. "Het gaat hierbij niet alleen om woonkosten (in beperkte of uitgebreide zin) maar ook om alle andere uitgaven waarbij partners een schaalvoordeel hebben omdat zij alle kosten van huisvesting en huishouding gezamenlijk opbrengen. Bij de relatief hogere kosten waarmee alleenstaanden in beginsel worden geconfronteerd kan met name gedacht worden aan duurzame gebruiksgoederen, zoals woninginrichting en huishoudelijke apparatuur, maar ook aan vaste lasten, zoals abonnementen en diverse andere kosten. De toeslag dient zodanig te zijn dat de betrokkene daaruit op dezelfde wijze zijn algemene bestaanskosten kan voldoen als thans het geval is met de volledig landelijk genormeerde algemene bijstand. Bij de beoordeling of betrokkene inderdaad hogere bestaanskosten heeft, is in voorkomende gevallen niet bepalend of deze ook feitelijk deze kosten met een ander deelt, maar of het - gegeven de omstandigheden - redelijk is ervan uit te gaan dat deze kosten kunnen worden gedeeld." De mate waarin de bestaanskosten kunnen worden gedeeld bepaalt, zoals gezegd, de hoogte van de toeslag. De toeslag bedraagt minimaal 0% en maximaal 20% van het netto minimumloon. Degene die voor een toeslag in aanmerking wenst te komen, moet aannemelijk maken dat er geen sprake is van kosten die kunnen worden gedeeld en dat er derhalve terecht aanspraak op een toeslag wordt gemaakt. De toeslag maakt een integraal deel van de bijstandsuitkering uit. De algemene inlichtingenverplichting die op aanvrager rust, geldt ook voor het toeslagendeel. Aanvrager zal dan ook door middel van het overleggen van gegevens het recht moeten aantonen. Lid 2 Artikel 30, tweede lid Wwb schrijft voor dat de toeslag, onverminderd het bepaalde in artikel 27, 28 en 29 van de wet, voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder met zijn kinderen in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt bepaald op het maximumbedrag, genoemd in artikel 25, tweede lid, van de Wwb. De maximale toeslag komt neer op 20% van het netto minimumloon. In deze verordening wordt volstaan met een verwijzing naar het bedrag zoals dat in de wet is genoemd. Dit bedrag wordt regelmatig (veelal (half)jaarlijks) bijgesteld. De artikelen 27, 28 en 29 Wwb geven de gemeente de bevoegdheid om voor bepaalde categorieën de bijstandsnorm of de toeslag lager vast te stellen. Dit betekent dat indien aanvrager voldoet aan de voorwaarde genoemd in artikel 3, tweede lid, van de verordening, het toch kan zijn dat er geen recht op een toeslag bestaat van 20% van het netto minimumloon, indien de gemeente daarnaast tevens gebruik maakt van de mogelijkheid om de bijstandsnorm of de toeslag te verlagen (zie de artikelen 4 tot en met 8 van deze verordening). Lid 3 Het gezamenlijk bewonen van een woning levert schaalvoordelen op. Deze schaalvoordelen treden op omdat de woonlasten kunnen worden gedeeld. De kosten van huur, heffingen, belastingen, verzekeringen, vastrecht nutsbedrijven en dergelijke zijn voor personen die een woning delen lager, omdat deze kosten per woning slechts eenmaal in rekening worden gebracht. Deze schaalvoordelen worden berekend op 10% van het netto minimumloon. Indien er op enigerlei wijze sprake is van het kunnen delen van kosten, wordt de toeslag als gevolg van de optredende schaalvoordelen vastgesteld op 10% van het netto minimumloon. Lid 4 Het houden van kostgangers of het fungeren als hospita levert de uitkeringsgerechtigde inkomsten op. Deze inkomsten zijn veelal van dien aard dat zij hoger zijn dan de schaalvoordelen zoals bedoeld in lid 3 van artikel 3. Derhalve ontvangen kostgevers en/of hospita's geen toeslag. Lid 5 Bij het bereiken van de 18-jarige leeftijd van het jongste kind wordt de alleenstaande oudernorm gewijzigd in de alleenstaande norm. De wettelijke basisuitkering wordt dan 50%. Het inwonend kind kan een bijdrage voor kost en inwoning betalen, dus ontvangt de alleenstaande ouder een toeslag op de alleenstaande norm van 10%. De wetgever heeft nu bepaald, dat als (een) thuisinwonend(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.