Re-integratieverordening Wet werk en bijstand De raad van de gemeente Nuth, gezien het advies van het RTG van 25 mei 2011, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 26 april 2011, BESLUIT: Vast te stellen ‘re-integratieverordening Wet werk en bijstand; De bepalingen in deze verordening gelden voor personen die 27 jaar of ouder maar jonger dan 65 jaar zijn; In te trekken de “Reintegratieverordening Wet werk en bijstand” zoals vastgesteld op 29 september 2009 HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE BEPALINGEN Artikel 1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: de wet: de Wet werk en bijstand; IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; Bbz: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 WI: Wet Inburgering WSW: Wet sociale werkvoorziening; Anw-ers: personen met een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet die ingeschreven zijn bij het UWV-Werkbedrijf; uitkeringsgerechtigde: de persoon die op grond van de wet bijstand ontvangt ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan alsmede de persoon die een uitkering ontvangt ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, op grond van de Ioaw, Ioaz, Bbz of Anw; niet-uitkeringsgerechtigde; de persoon zoals bedoeld in artikel 6, onder a, van de Wet; arbeidsplicht: de plicht van belanghebbenden van 27 tot 65 jaar om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden; participatievoorziening: opleiding educatie, inburgeringsvoorziening, taalkennisvoorziening of re-integratievoorziening zoals bedoeld in artikel 1 wet Participatiebudget; participatietraject: de periode waarin één of meer participatievoorzieningen na de datum aanbod gelijktijdig of opeenvolgend worden ingezet. Begindatum van dat traject is de datum waarop de daadwerkelijke inzet van de eerste activiteit van de eerst ingezette voorziening gericht op arbeidsinschakeling uitgevoerd wordt. Een traject eindigt pas weer zodra de inzet van alle voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, volledig is beëindigd. participatiebaan: een werkplek waar onbeloonde additionele activiteiten worden verricht en wordt ingezet voor die klanten als bedoeld in de artikelen 1 en 3 van de Wet participatiebudget, voor wie de kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar zijn op de arbeidsmarkt. vrijwilligerswerk: het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten. algemeen geaccepteerde arbeid: alle arbeid, niet zijnde arbeid in het kader van de Wet Sociale Werkvoorziening, die algemeen maatschappelijk aanvaard is en niet indruist tegen de openbare orde of goede zeden; arbeidsinschakeling: het verkrijgen van een reguliere werkbetrekking waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening, zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet; het College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente XXXXXX; Alle begrippen die in deze verordening gebruikt worden en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). HOOFDSTUK 2 ALGEMENE BEPALINGEN INZAKE DE GEMEENTELIJKE REÏNTEGRATIEPLICHT Artikel 2 Gemeentelijke re-integratieplicht 1. Het College kan ondersteuning bieden aan personen zoals bedoeld in de artikelen 1 en 3 van de Wet Participatiebudget 2. Uitgesloten van de voorziening gericht op arbeidsinschakeling zijn personen met een inkomen hoger dan 150 procent van het wettelijk minimumloon. Artikel 3 Voorzieningen 1. Onder de voorzieningen zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, van deze verordening worden verstaan de voorzieningen zoals omschreven in de artikelen 5 tot en met 14 van deze verordening. 2. Het College kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien uit wetgeving, aan de toekenning van een voorziening nadere verplichtingen verbinden. 3. Het College kan een voorziening beëindigen, indien: de persoon die aan de voorziening deelneemt de wettelijke verplichtingen en de aan de in het eerste lid bedoelde voorzieningen verbonden verplichtingen niet nakomt; de belanghebbende die deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep van deze verordening; de belanghebbende algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling; naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een doelmatige arbeidsinschakeling. 4. Het college kan ten aanzien van de voorzieningen nadere regels stellen. Deze regels kunnen in ieder geval betrekking hebben op: de voorwaarden waaronder een voorziening wordt aangeboden; de weigeringsgronden bij het aanvragen van voorzieningen; de betaling van subsidies en het verlenen van voorschotten; het vragen van een eigen bijdrage; overige criteria voor het aanbieden van voorzieningen en het verstrekken van subsidies. 5. Een voorziening wordt in elk geval geweigerd door het College in de situatie dat een persoon met een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet of een niet-uitkeringsgerechtigde een eerder re-integratietraject verwijtbaar heeft onderbroken. 6. Het College kan buiten de in de artikelen 5 tot en met 15 bedoelde voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling nog andere voorzieningen aanbieden. HOOFDSTUK 3 SPECIFIEKE VOORZIENINGEN Artikel 4 Gesubsidieerde arbeid 1. Gesubsidieerde arbeid als bedoeld in de Wet inschakeling werkzoekenden en het Besluit In- en Doorstroombanen wordt als voorziening niet aangeboden. Artikel 5 Werken met behoud van uitkering 1. Het College kan belanghebbende laten werken met behoud van uitkering. 2. Het College kan nadere regels vaststellen inzake het werken met behoud van uitkering.. Artikel 6 Werkstage 1. Het College kan belanghebbende een werkstage gericht op arbeidsinschakeling laten volgen onder volledig behoud van de bijstandsuitkering. 2. Het College kan nadere regels vaststellen inzake het volgen van een werkstage. Artikel 7 Vrijwilligerswerk 1. Het College kan regels vaststellen inzake het vrijwilligerswerk. Artikel 8 Scholing en opleiding Het College kan belanghebbende als voorziening voor de arbeidsinschakeling noodzakelijke geachte scholing en training aanbieden. Het College kan nadere regels vaststellen inzake scholing en opleiding. Artikel 9 Persoonsgebonden budget 1. Het College kan aan belanghebbende een voorziening gericht op arbeidsinschakeling aanbieden in de vorm van een persoonsgebonden re-integratiebudget. 2. Het College kan nadere regels vaststellen inzake het verstrekken van een persoonsgebonden budget. Artikel 10 Kinderopvang 1. Indien de vergoedingen op basis van de Wet kinderopvang ontoereikend zijn kan het college vanuit het participatiebudget een aanvullende tegemoetkoming verstrekken. 2. Het verzoek voor de aanvullende tegemoetkoming kan alleen worden gedaan door een of beide ouders, met een of meerdere kinderen tot twaalf jaar. Artikel 11 Premies 1. Het college kan ter bevordering van de participatie premies aan de belanghebbende verstrekken. 2. Het college stelt nadere regels over de voorwaarden en hoogte van de in het eerste lid genoemde premies. Artikel 12 Specifieke kostenvergoeding Het College kan nadere regels stellen inzake de vergoeding van bijzondere kosten die gemaakt worden in het kader van de arbeidsinschakeling en die buiten het bereik van de voorzieningen als bedoeld in deze verordening vallen. Artikel 13 Loonkostensubsidies 1. Het college kan een loonkostensubsidie aan werkgever verstrekken als deze werkgever een persoon uit de doelgroep zoals bedoeld in art. 2, lid 1, in dienst neemt. 2. Het college kan nadere regels stellen inzake de aanvraag, vaststelling, aard, hoogte, betaling en duur van de loonkostensubsidie. HOOFDSTUK 4 VERPLICHTINGEN VOOR DE BELANGHEBBENDE Artikel 14 Verplichtingen 1. Een belanghebbende die door het College een voorziening zoals bedoeld in de artikelen 5 tot en met 14 van deze verordening aangeboden krijgt, is verplicht hiervan gebruik te maken. 2. De uitkeringsgerechtigde met een uitkering o..g.v. WWB, IOAW, IOAZ die deelneemt aan een voorziening gericht op arbeidsinschakeling is gehouden aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Wet, alsmede aan de verplichtingen die het college aan de aangeboden voorziening heeft verbonden. 3. Onverminderd andere verplichtingen, voortvloeiend uit wet- en regelgeving, gelden voor een belanghebbende zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, van deze verordening, de volgende verplichtingen: het zich als werkzoekende doen inschrijven bij het UWV Werkbedrijf , dan wel de inschrijving tijdig doen verlengen; het naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; het in voldoende mate meewerken aan een onderzoek voor de vaststelling van de noodzaak voor ondersteuning door middel van een reintegratietraject; alles na te laten hetgeen inschakeling naar algemeen geaccepteerde arbeid belemmert; het in voldoende mate meewerken aan een reintegratietraject en / of aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling, waaronder begrepen de Participatiebaan; algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; 4. Het bepaalde in lid 3, sub a, geldt niet voor personen die geen uitkering o.g.v. de WWB, IOAW en IOAZ genieten. 5. Indien een bijstandgerechtigde die deelneemt aan een voorziening, niet voldoet aan het gestelde in het tweede lid, kan het College de uitkering verlagen conform hetgeen hierover is bepaald in de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand, zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet. 6. Indien een persoon met een uitkering in gevolge de Ioaw of Ioaz niet voldoet aan het gestelde in het tweede lid, kan een maatregel worden opgelegd, met inachtneming van de artikelen 20 tot en met 20f van de Ioaw en de artikelen 20 tot en met 20f Ioaz. 7. Indien een niet-uitkeringsgerechtigde of een uitkeringsgerechtigde met een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet niet voldoet aan het gestelde in het tweede lid, kan het college de kosten van de voorziening of specifieke kostenvergoeding geheel of gedeeltelijk terugvorderen. Artikel 15 Afstemming verplichtingen belanghebbende Het College stemt de verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en beperkingen van de belanghebbende. HOOFDSTUK 5 FINANCIEEL BEHEER Artikel 16 Budgetplafond 1. Het College stelt jaarlijks in de begroting een budgetplafond vast voor de financiering van de in deze verordening geregelde voorzieningen. 2. Een verzoek voor of handhaving van een concrete voorziening kan worden geweigerd bij het bereiken van het budgetplafond. 3. Het College kan nadere regels vaststellen over de hoogte en de verdeling van de beschikbare middelen. HOOFDSTUK 6 SLOTBEPALINGEN Artikel 17 Hardheidsclausule Het College kan in bijzondere gevallen ten gunste van een belanghebbende uit de doelgroep afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van deze bepalingen tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 18 Restbepaling In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het College. Artikel 19 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2011 Artikel 20 Citeerartikel Deze verordening kan worden aangehaald als “Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand 2011 gemeente Nuth”. Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 7 juni 2011, De Voorzitter, De Griffier, ALGEMENE TOELICHTING Werk boven inkomen Het uitgangspunt van werk boven inkomen staat centraal in de WWB, althans ten aanzien van personen jonger dan 65 jaar. Alle inspanningen van betrokkene en de gemeente dienen derhalve te zijn gericht op arbeidsinschakeling. Onder arbeidsinschakeling verstaat de WWB: het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid zonder dat daarbij gebruik wordt gemaakt van een daarop gerichte voorziening die door de gemeente wordt aangeboden. Met deze laatste beperking heeft de wetgever aangegeven dat gesubsidieerde arbeid, als voorziening in het kader van de WWB, weliswaar algemeen geaccepteerde arbeid, maar geen einddoel kan en mag zijn. Door geen beperkende voorwaarden te stellen aan aard en omvang van het werk en aan de aansluiting op opleiding en ervaring, verwacht de wetgever te bereiken dat een eventueel beroep op inkomensondersteuning zo kort mogelijk is. Het college dient uiteraard wel te letten op de aansluiting bij de individuele mogelijkheden van de persoon in verband met gezondheid en belastbaarheid. Dienaangaande is het uitgangspunt van de WWB ook niet meer, zoals in de uitvoering van de Abw te doen gebruikelijk was, de belemmeringen als vertrekpunt te nemen, maar de mogelijkheden van de betrokken persoon. Een diagnostische voorziening is derhalve niet gericht op de belemmeringen maar op de mogelijkheden van belanghebbende. Het geheel van activiteiten dat (uiteindelijk) leidt tot arbeidsinschakeling van een belanghebbende wordt re-integratie genoemd. De WWB stelt het college daarvoor mede verantwoordelijk door de opdracht om een belanghebbende bij zijn arbeidsinschakeling te ondersteunen (artikel 7, lid 1 onderdeel a, WWB). Daarbij worden een of meerdere voorzieningen aangeboden indien dit naar het oordeel van het college nodig is. Het primaat van arbeidsinschakeling laat onverlet dat het college de mogelijkheid heeft een voorziening aan te bieden in plaats van arbeid als daarmee voor betrokkene de kans op duurzame arbeidsinschakeling wordt vergroot. Voor een belanghebbende die bijstand ontvangt, is re-integratie een plicht die aan het recht op bijstand is verbonden. Zowel bij het toekennen van rechten als bij het opleggen van verplichtingen speelt het leveren van maatwerk een primaire rol. De wetgever heeft gemeenten hierin derhalve veel beleidsruimte gegeven met de bedoeling een grotere snelheid van het re-integratieproces te bewerkstelligen. Maatwerk bij het opleggen van verplichtingen acht de wetgever vooral van belang bij een aantal specifieke groepen. Zo wordt de integratie van allochtonen niet alleen bevorderd door deelname aan een re-integratietraject maar ook door het beter leren beheersen van de Nederlandse taal. Dat vergroot ook de kansen van hun kinderen op een goede participatie in de Nederlandse samenleving. Maatwerk is eveneens van belang voor de groep alleenstaande ouders. Daarmee wordt zo goed mogelijk voorkomen dat de afstand tot de arbeidsmarkt toeneemt door een te lange afwezigheid uit het arbeidsproces. Vanuit het oogpunt van een verantwoorde zorg voor de kinderen moeten gemeenten er wel voor zorgen dat er adequate voorzieningen worden aangeboden die een combinatie mogelijk maken van betaalde arbeid en zorg voor de kinderen. Deze voorzieningen hebben betrekking op toereikende kinderopvang en op de eisen die aan regulier werk worden gesteld, zoals reistijd en werktijden. Daartoe is artikel 9A in de Wet opgenomen. Mensen die een bijstandsuitkering ontvangen worden door de gemeente op allerlei manieren gestimuleerd om werk te zoeken. Bijvoorbeeld door middel van leerwerkplekken, loonkostensubsidies, workshops enz.. Met de invoer van de Participatiebanen wordt een nieuw instrument ingezet voor mensen die al lang uit het arbeidsproces zijn, maar wel de potentie hebben om werk te verrichten. Artikel 10A van de Wet geeft hier nadere bepalingen over. De verantwoordelijkheden van belanghebbende en college voor arbeidsinschakeling en re-integratie vragen om een heldere formulering van rechten en plichten van belanghebbende. De gemeenteraad moet op grond van artikel 8, lid 1 onderdeel a, WWB bij verordening regels stellen met betrekking tot het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Het re-integratiebeleid dient evenwichtig te zijn, zodat alle groepen met specifieke kenmerken daarin worden betrokken. In artikel 77 lid 1 WWB wordt de controlerende taak van de gemeenteraad op de uitvoering door het college van zijn re-integratietaak sterk benadrukt, doordat de gemeenteraad het verslag over de uitvoering eerst vaststelt alvorens dit aan de Minister, die belast is met het oordeel over de uitvoering door het college geeft, te zenden. De WWB stelt derhalve het primaat bij de eigen verantwoordelijkheid van de burger om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan door middel van arbeid. Pas als mensen niet in staat blijken te zijn in het eigen bestaan te voorzien hebben zij aanspraak op ondersteuning door de gemeente. De gemeente heeft als tegenhanger van de eigen verantwoordelijkheid van belanghebbende de verplichting ondersteuning aan te bieden. De gemeente heeft daartoe de volledige verantwoordelijkheid, de middelen en ruimte. Met het oog op de handhaving van rechten en verplichtingen dient deze verordening in onlosmakelijke samenhang met de maatregelenverordening gelezen te worden. Ioaw en Ioaz De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers IOAW), en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz), worden niet ingetrokken. De artikelen uit de WWB die zien op re-integratie zijn geïntegreerd in deze wetten, door wijziging via de Invoeringswet Wet werk en bijstand. Op grond van de artikel 35 Ioaw en art. 35 Ioaz dient in het kader van deze wetten een re-integratieverordening te worden opgesteld. De inhoudelijke basis voor de verordening is ook met betrekking tot de Ioaw en de Ioaz de hiervoor genoemde nota Re-integratiebeleid Werk en Bijstand. Wet Investeren in Jongeren (WIJ) Deze wet is in werking getreden op 1.10.2009 en geldt voor de doelgroep jongeren van 16 tot 27 jaar. Anders dan bij de WWB heeft de jongere hier pas recht op een WIJ-uitkering als hij meewerkt aan een door de gemeente aangeboden werkleeraanbod. Werkt hij hier niet aan mee dan is dat een reden voor de gemeente om de uitkering te weigeren. De gemeente is verplicht de jongere een passend werkleeraanbod te doen. Vanwege het eigen regime van de WIJ vallen de jongeren tot 27 jaar derhalve buiten het regime van de onderhavige verordening. Gemeentelijke verantwoordelijkheid De gemeente draagt een algemene zorg voor de reïntegratie van WWB-ers, Niet-uitkeringsgerechtigden en Anw-ers De gemeente dient, mede met behulp van een gedegen diagnose, te beoordelen of belanghebbende op eigen kracht in staat is algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden of daarbij ondersteuning nodig heeft. Wanneer belanghebbende ondersteuning nodig blijkt te hebben, dan is de gemeente verantwoordelijk voor het leveren daarvan. Voorzieningen die de gemeente in deze kan aanbieden zijn scholing, activering, loonkostensubsidies, stages, premies, kinderopvang, sociale activering en gesubsidieerde arbeid. Aan de vormgeving en de mate waarin deze voorzieningen worden ingezet stelt de wet geen eisen. Hierdoor kan de gemeente de ondersteuning optimaal afstemmen op andere gemeentelijke beleidsterreinen, zoals zorg en onderwijs, en op de lokale arbeidsmarkt. Ook krijgt de gemeente ruimere mogelijkheden om personen met medische belemmeringen en/of meervoudige problemen een passend aanbod te doen, zo nodig in samenwerking met zorg- en welzijnsinstellingen. Algemeen geaccepteerde arbeid Centraal in de WWB staat het uitgangspunt van werk boven inkomen. De introductie van het begrip algemeen geaccepteerde arbeid in plaats van passende arbeid beoogt dit uitgangspunt sterker te benadrukken. Alle inspanningen van belanghebbende en de gemeente dienen te zijn gericht op arbeidsinschakeling. Hieronder wordt verstaan het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid, zonder dat daarbij gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub a WWB. Gesubsidieerde arbeid is, als voorziening in het kader van de wet, in deze opvatting weliswaar algemeen geaccepteerde arbeid, maar kan geen einddoel zijn en valt derhalve niet onder het begrip (duurzame) arbeidsinschakeling. Gesubsidieerde arbeid wordt dus beschouwd als algemeen geaccepteerde arbeid; dit geldt niet voor de Wsw-dienstbetrekking. Hierbij dient aangetekend te worden, dat daarbij recht moet worden gedaan aan het vrijwillig karakter van de Wsw. Dit houdt in dat een indicatiestelling wel verplicht kan worden gesteld, maar dat de klant niet verplicht kan worden om het indicatieadvies te volgen. Het re-integratietraject is, vanuit de optiek van de gemeente in de rol van procesbewaker, het geheel van één of meer voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, dan wel voorzieningen gericht op sociale activering, die gelijktijdig of opeenvolgend worden ingezet. Begindatum van de re-integratie is de datum waarop de daadwerkelijke inzet van de eerste activiteit van de eerst ingezette voorziening gericht op arbeidsinschakeling uitgevoerd wordt. Het re-integratietraject eindigt pas weer zodra de inzet van alle voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, volledig is beëindigd. De WWB stelt het college van burgemeester en wethouders verantwoordelijk door de klant bij zijn arbeidsinschakeling te ondersteunen. Daarbij worden een of meerdere voorzieningen aangeboden indien dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is. Het primaat van arbeidsinschakeling laat onverlet dat de gemeente de mogelijkheid heeft een voorziening aan te bieden in plaats van arbeid wanneer daarmee voor belanghebbende de kans op duurzame arbeidsinschakeling wordt vergroot. Van duurzaamheid is sprake als ten minste een half jaar een reguliere baan wordt vervuld en hierdoor een (volledige) uitkeringsonafhankelijkheid wordt bereikt. Ontheffingen Voor personen tussen 18 en 65 jaar, wordt het niet wenselijk geacht om groepen uit te sluiten van re-integratie; iedereen heeft immers mogelijkheden en talenten. Categoriale ontheffingen zijn dan ook niet meer toegestaan. Wel kan het college van burgemeester en wethouders in individuele gevallen om dringende redenen afzien van het opleggen van re-integratieverplichtingen, voor zover en voor zolang re-integratie in redelijkheid niet mogelijk is. Zorgtaken kunnen hierbij als dringende reden worden aangemerkt voor zover met deze taken geen rekening kan worden gehouden in het kader van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, WWB. De gemeente houdt hierbij rekening met een verantwoorde invulling van de combinatie arbeid en zorg en dient ook voorzieningen ter beschikking te stellen die deze combinatie mogelijk maken. Voor personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt kan een Participatiebaan een eerste stap zijn. Deelname aan deze activiteiten is derhalve geen grond om tijdelijke ontheffing van de arbeidsverplichtingen te verlenen. Anderzijds geldt echter ook, dat de verplichtingen afgestemd moeten worden op de mogelijkheden om eventueel pas op termijn uit te stromen naar regulier werk. Eventuele belemmeringen om deelname aan arbeid te realiseren, kunnen worden weggenomen door het aanbieden van voorzieningen. Bij uitzondering kunnen zich tijdelijk echter situaties voordoen waarbij ook dit niet mogelijk is. Het college van burgemeester en wethouders dient dan de op te leggen verplichtingen aan te passen aan de mogelijkheden die de betrokkene wel nog heeft. Medische belemmeringen zijn als zodanig geen aanleiding voor een ontheffing. Voor de doelgroep alleenstaande ouders met kinderen tot 5 jaar zijn de bepalingen van artikel 9A van de Wet van toepassing. Aanspraak van belanghebbende Naast de verantwoordelijkheid van de gemeente om voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling aan te bieden, heeft de belanghebbende een aanspraak op ondersteuning door de gemeente bij re-integratie. Het gaat daarbij niet om een recht op een specifieke voorziening, maar om het recht om door de gemeente geholpen te worden bij de re-integratie. Zo´n aanspraak stimuleert de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende voor zijn re-integratie en kan ertoe bijdragen dat gemeenten dat niet ten onrechte negeren of over het hoofd zien bij het aanbieden van voorzieningen. Het is aan de gemeente om te beoordelen op welke wijze het verzoek van de belanghebbende wordt gehonoreerd. De gemeente bepaalt op de eerste plaats of ondersteuning richting arbeidsinschakeling noodzakelijk is. Indien noodzakelijk kan de gemeente daar van de deskundigheid van derden gebruik maken. Vervolgens moet de gemeente in samenwerking met de ketenpartners bepalen uit welke elementen deze ondersteuning bestaat. Het uiteindelijke aanbod zal moeten passen binnen wat de gemeente, mede gelet op de beschikbare financiële kaders, in een verordening heeft opgenomen over haar re-integratiebeleid. Van belang bij de uiteindelijke keuze voor een traject is een actieve opstelling van de belanghebbende in de contacten met de klantmanager en met het re-integratiebedrijf. Belanghebbenden die hun eigen traject mee kunnen samenstellen zijn meestal gemotiveerd. Inspelen op persoonlijke voorkeur en persoonlijke aandacht zijn belangrijke succesfactoren voor een geslaagde re-integratie. De ideeën en voorstellen van de belanghebbende worden hierbij beoordeeld op hun bijdrage aan het vergroten van het arbeidsperspectief en aan het realiseren van de doelstelling van een (op termijn) duurzame arbeidsinschakeling. De aanspraak op ondersteuning door de gemeente bij re-integratie geldt ook voor personen aan wie de gemeente tijdelijk een ontheffing heeft verleend. Het kan immers voorkomen dat de belanghebbende van mening is dat de situatie is veranderd en dat topleiding naar de arbeidsmarkt weer aan de orde is. Wanneer bijstand aan gehuwden wordt verleend geldt de aanspraak op een voorziening voor beide partners. Ook geldt de aanspraak voor personen die op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, WWB werkzaam zijn in gesubsidieerde arbeid. Wanneer het college van burgemeester en wethouders een aanspraak op ondersteuning afwijst, zal dit met redenen omkleed moeten gebeuren. Tegen deze beslissing staat bezwaar en beroep open. Het college van burgemeester en wethouders moet bij het besluit op deze aanvraag maatwerk leveren. Dat geldt voor alle doelgroepen en categorieën die de gemeente op een evenwichtige wijze moet bedienen. Diverse aspecten maken deel uit van die individuele afweging zoals de individuele capaciteiten, mogelijkheden en omstandigheden, de noodzaak van een traject, de beoordeling van het diagnoseadvies, de aanwezigheid van de benodigde voorzieningen of alternatieven daarvoor, de beschikbaarheid van zorg- en hulpverlening en de financiële middelen die beschikbaar zijn gesteld door de gemeenteraad op basis van de gemeentelijke verordening. De gemeente moet dus naar aanleiding van een aanspraak altijd een individuele afweging maken of zij die aanspraak wil of kan honoreren. Het ontbreken van financiële middelen alleen is onvoldoende als afwijzingsgrond. Een alternatief aanbod zou immers mogelijk kunnen zijn. Aan de andere kant is het uitdrukkelijk aan de gemeente om te beoordelen of er überhaupt ondersteuning noodzakelijk is en welke vorm die moet krijgen, gelet op het te bereiken doel van arbeidsinschakeling, al dan niet op langere termijn. Niet-uitkeringsgerechtigden (Nug-ers) en Anw-gerechtigden Gemeenten hebben sinds 1 januari 2002 de taak om ook niet-uitkeringsgerechtigden en personen met een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw), indien nodig, een re-integratietraject aan te bieden. Deze taak vloeit voort uit het algemeen belang om te komen tot verhoging van de arbeidsparticipatie als voorwaarde voor een economisch gunstige ontwikkeling. In de WWB is derhalve uitdrukkelijk de taak voor de gemeente opgenomen om ook te voorzien in voorzieningen voor deze beide doelgroepen. Van de andere kant hebben deze doelgroepen eveneens een aanspraak op re-integratie. Ook hierbij geldt dat het gaat om een voorziening die via de kortste weg leidt naar duurzame arbeidsparticipatie. Wet Participatiebudget Met het Participatiebudget kunnen gemeenten re-integratievoorzieningen, inburgeringsvoorzieningen, educatieopleidingen en combinaties van deze voorzieningen financieren voor een brede doelgroep, iedereen van 18 jaar en ouder. Het Participatiebudget draait om burgers die ondersteuning nodig hebben bij het participeren in de Nederlandse samenleving. Het doel is om deze burgers zoveel mogelijk op maat te ondersteunen, zonder dat de schotten tussen de verschillende budgetten daartoe een belemmering vormen. Met het Participatiebudget krijgen gemeenten meer beleidsruimte om de re-integratie, inburgering en volwasseneneducatie voortvarend ter hand te nemen en de gewenste prestaties te bepalen. Gemeenten kunnen, afgestemd op de lokale situatie, variëren in de mate waarin zij in hun beleid de nadruk willen leggen op re-integratie, inburgering en volwasseneneducatie en om te bepalen wie in aanmerking komt voor een voorziening of opleiding. In de wetgeving is al opgenomen dat het participatiebudget (ook) kan worden ingezet voor 16- en 17 jarigen die ontheven zijn van de kwalificatieplicht of die al aan de kwalificatie hebben voldaan. Voorts kan het Participatiebudget worden ingezet voor jongeren van 16 of 17 jaar voor wie schooluitval dreigt, maar die door een leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Om optimaal gebruik te kunnen maken van de mogelijkheden die het Participatiebudget biedt, ligt het voor de hand dat gemeenten niet alleen de technische aanpassingen in de verantwoordingssfeer vorm geven, maar ook een integrale visie ontwikkelen op participatiebeleid. Gemeenten kunnen het Participatiebudget op diverse manieren vormgeven en bepalen zelf met welk ambitieniveau en in welk tempo ze het Participatiebudget invoeren. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk te onderzoeken of genoemde ontschotting uitgebreid kan worden tot de WMO en de WSW, maar ook met bijvoorbeeld beleid en activiteiten op het gebied van armoedebestrijding, welzijn en jeugdzorg. Visievorming dient aan beleidsvorming vooraf te gaan, Het bepalen van de visie en de wijze waarop de gemeente dat wil aanpakken is bij uitstek een politiek vraagstuk waarbij de Gemeenteraad de koers moet bepalen. De raad moet een aantal strategische beslissingen nemen, waarmee zij de kaders van het beleid vaststelt. Participatieladder Uitstroom uit de uitkering is in het kader van reïntegratie het meest aansprekende resultaat. Echter ook ander vormen van activering, zoals bijv. vrijwilligerswerk, is een resultaat dat telt. Juist om dergelijke resultaten te kunnen registreren is de Participatieladder ontwikkeld. Daarmee biedt de Participatieladder gemeenten en gemeentebestuurders een instrument om het participatiebeleid stelselmatig te volgen, er genuanceerd en onderbouwd over te oordelen en om keuzen te maken bij de inzet van de middelen. Jaarlijks wordt tenminste één keer vastgelegd op welk niveau van de participatieladder zich iemand bevindt. Daarbij wordt ook meteen gekeken of dat het maximaal haalbare niveau is, of dat de persoon in kwestie nog wel een of twee treden kan stijgen. De treden van de ladder zijn als volgt ingedeeld: 6 = betaald werk 5 = betaald werk met ondersteuning 4 = onbetaald werk 3 = deelname georganiseerde activiteiten 2 = sociale contacten buitenshuis 1 = geïsoleerd ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Artikel 1 Het begrippenkader in het kader van deze verordening zoekt aansluiting bij de toepasselijke wet- en regelgeving inclusief de WWB statistiekregelingen. Een aantal begrippen krijgen in deze toelichting echter nog een expliciete uitleg. Definitie datum aanbod :Dit is de datum waarop de gemeente aan belanghebbende, voor het eerst na de meldingsdatum zoals bedoeld in artikel 44. tweede lid WWB of na definitieve beëindiging van een eerder re-integratietraject, het voorstel doet om een of meerdere specifiek benoemde voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling in te zetten en / of een al buiten toedoen van de gemeente nodig geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling die reeds gestart is, voort te zetten. Dit is dus niet de datum trajectvoorstel van het re-integratiebedrijf, aangezien dit trajectvoorstel pas tot stand komt nadat de eerste twee voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, te weten intake dan wel diagnose/medische keuring reeds ingezet zijn. In de regel dient de datum waarop de kennisgeving inzake de (eerste) in te zetten voorzieningen aan de klant afgegeven wordt als de datum waarop de gemeente aan de klant het aanbod heeft gedaan een of meerdere voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling in te zetten. Indien deze kennisgeving een diagnostische voorziening (diagnose of medisch/psychische keuring) betreft, is deze diagnostische voorziening de eerste voorziening die ingezet wordt. Het aanbod hoeft niet noodzakelijkerwijs schriftelijk te geschieden, maar kan echter ook mondeling. Het verdient echter aanbeveling dit schriftelijk te doen. Een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Een voorziening gericht op arbeidsinschakeling is het geheel aan activiteiten die het College uitvoert of doet uitvoeren om de belanghebbende uiteindelijk aan ongesubsidieerde arbeid te helpen. Hiervan uitgesloten zijn onderzoeken en besluiten inzake de aard, hoogte en duur van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen, alsmede besluiten tot het niet inzetten van een voorziening. Indien naar het oordeel van het College belanghebbende in staat is om op eigen kracht arbeid te vinden, is er geen sprake van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Of iets een voorziening is hangt niet af van de inzet van een specifieke financieringsbron. Onder het begrip voorziening gericht op arbeidsinschakeling valt derhalve: Een onderzoek van de medische, sociale en of psychologische eigenschappen, wensen en situatie van betrokkene met als doel het vaststellen van de meest geschikte in te zetten vervolgvoorziening(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.