Afstemmingverordening Wet werk en bijstand ISD De Rijnstreek 2011 Het Algemeen Bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst De Rijnstreek besluit: gelezen het voorstel van het dagelijks bestuur d.d. 20 juni 2011 gelet op artikel 8 eerste lid, onderdeel b, artikel 18 van de Wet werk en bijstand en artikel 5 van de Gemeenschappelijke regeling; tot vaststelling van het navolgende: Hoofdstuk1Algemeen Artikel1Begripsomschrijving 1.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.2. 2.In deze verordening wordt verstaan onder: de wet: De Wet werk en bijstand (Stb. 2003, 375) Bbz: Het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 bijstand: Algemene en bijzondere bijstand algemene bijstand: De bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan; bijstandsnorm: De bijstandsnorm bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de wet. Voor zelfstandigen van 18 tot 27 jaar die een Bbz-uitkering ontvangen wordt onder bijstandsnorm verstaan de norm die op grond van artikel 78f , lid 2 van de wet op hen van toepassing is. bijzondere bijstand: De bijstand bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand. langdurigheidstoeslag:De toeslag bedoeld in artikel 36 van de Wet werk en bijstand maatregel: De verlaging van de bijstand wegens het niet nakomen of niet voldoende nakomen van de verplichtingen verbonden aan de bijstand; belanghebbende:Degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken; inlichtingenplicht: De verplichting bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet werk en bijstand; Artikel 2Algemene bepalingen 1.Het dagelijks bestuur legt een maatregel op indien naar zijn oordeel een belanghebbende blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet of artikel 30c, tweede lid en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende is nagekomen, met inbegrip van de verplichtingen die in het besluit tot toekenning of voortzetting van de bijstand zijn opgenomen. 2.De maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van het feit en de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert.3. 3.Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan er afgezien worden van het opleggen van de maatregel als bedoeld in het eerste lid.4. 4.De maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt toegepast op de bijstandnorm en opgelegd met ingang van de eerst volgende kalendermaand nadat het besluit tot opleggen van de maatregel aan belanghebbende is bekend gemaakt.5. 5.In afwijking van het vorig lid wordt kan de maatregel ook worden toegepast op de bijzondere bijstand indien aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de wet.6. 6.In afwijking van het eerste lid kan de maatregel worden toegepast op de bijzondere bijstand voor woonkosten en/of premie arbeidsongeschiktheidsverzekering aan zelfstandigen die algemene bijstand voor levensonderhoud krachtens de Bbz ontvangen, of hebben ontvangen. 7.In afwijking van het vierde lid kan, voor zover het zelfstandigen betreft die een uitkering voor het levensonderhoud in de vorm van een geldlening op grond van het Bbz hebben ontvangen, kan de maatregel met terugwerkende kracht worden betrokken bij definitieve vaststelling van die bijstand. Artikel3 Het besluit tot het opleggen van een maatregel In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval vermeldt: -de reden van de maatregel, inclusief de wetsartikelen waarop de verplichting die niet is nagekomen is gebaseerd. -de duur van de maatregel, en de juridische grondslag voor de duur. -het percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd, en de juridische grondslag van de hoogte van de maatregel. -het bedrag waarmee de bijstand wordt verlaagd uitgaande van de bijstandsnorm en, indien van toepassing. -de datum met ingang waarvan de bijstandsuitkering wordt verlaagd. -de reden om af te wijken van een standaard maatregel. -mogelijkheid tot het indienen van een bezwaarschrift. Hoofdstuk2Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen en/of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Artikel4Categorieen 1De gedragingen met betrekking tot het geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van werk worden onderscheiden in vier categorieën. 2.De categorieën omvatten de volgende gedragingen: 1. eerste categorie: het zich niet als werkzoekende doen inschrijven bij het UWV werkbedrijf, dan wel de inschrijving niet of niet tijdig doen verlengen; het niet ondertekenen of het niet aan het dagelijks bestuur verstrekken van de bijlage bij het besluit tot toekenning of voortzetting van de bijstand; 2. tweede categorie: het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet; het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om, in verband met de arbeidsinschakeling, op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen; het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. 3. derde categorie: gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren; het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een aangeboden voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling. 4. vierde categorie: het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in dienstbetrekking. Artikel5De hoogte en duur van de maatregel De maatregel behorend bij de in artikel 4 vermelde categorieën wordt vastgesteld op: vijf procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie; tien procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie; twintig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie; honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de vierde categorie. Artikel6Recidive en cumulatie 1.De duur van de maatregel als bedoeld in artikel 5 wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 2 derde lid. 2.Indien sprake is van meerdere verwijtbare gedragingen, zoals bedoeld in artikel 4 van deze verordening, die zich tegelijk voordoen, wordt in beginsel alleen de verlaging uit de hoogste categorie toegepast. Artikel7Volharding en heroverwegen Indien de uitkeringsgerechtigde na de recidive genoemd in artikel 6 van deze verordening volhardt in de gedraging, kan het dagelijks bestuur de bijstand voor onbepaalde tijd verlagen, rekening houdend met de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de belanghebbende. Er dient dan binnen drie maanden een heroverweging van de verlaging plaats te vinden. Hoofdstuk3De inlichtingenplicht Artikel8Te laat verstrekken van inlichtingen 1.Indien belanghebbende de verplichting op grond van artikel 17 van de wet of artikel 38, tweede lid Bbz niet is nagekomen door informatie die van belang is voor de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan niet binnen de door het dagelijks bestuur daartoe gestelde termijn te verstrekken, wordt onder toepassing van artikel 54 van de wet een maatregel opgelegd ter hoogte van vijf procent van de bijstandsnorm gedurende een maand. 2.Bij gedragingen bedoeld in het eerste lid wordt er eerst een termijn van orde gesteld. 3.De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbare aan te merken gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 2 tweede lid. 4.Van het opleggen van de maatregel als bedoeld in het eerste lid kan worden afgezien en worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake het niet binnen de daartoe gestelde termijn verstrekken van informatie, tenzij het te laat verstrekken van inlichtingen plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven. 5.De maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt niet opgelegd indien het een aanvraag bijzondere bijstand of langdurigheidstoeslag betreft. Artikel9Het verstrekken van onjuiste en/of onvoldoende inlichtingen 1.Indien belanghebbende zijn inlichtingenplicht zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de wet of artikel 38 tweede lid van het Bbz niet of niet behoorlijk is nagekomen door onjuiste of onvolledige mededelingen te doen, wordt de uitkering verlaagd. 2.Bij toepassing van artikel 17, eerste lid, van de wet dient als ‘onverwijld’ te worden verstaan: dat de belanghebbende de bedoelde inlichtingen binnen vijf werkdagen, nadat belanghebbende bekent is geworden met de wijziging, schriftelijk meldt bij de ISDR. De wijziging kan worden doorgegeven doormiddel van het wijzigingsformulier. Artikel10De hoogte en de duur van de maatregel 1.De maatregel bedoeld in artikel 9, eerste lid, bedraagt vijf procent van de bijstandsnorm gedurende een maand indien het schenden van de inlichtingenplicht niet heeft geleid tot een ten onrechte of tot een te hoog verleend bedrag van bijstand. 2.Van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid kan worden afgezien en worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven. 3.Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingen plicht bedoeld in artikel 17 van de wet of artikel 38 tweede lid van het Bbz, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, wordt de maatregel afgestemd op de hoogte van de benadelingsbedrag 4.Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel op de volgende wijze vastgesteld: bij een benadelingsbedrag tot € 1000,- : 10% van de bijstandsnorm; bij een benadelingsbedrag van € 1000,- tot € 2000,- : 20% van de bijstandsnorm; bij een benadelingsbedrag van € 2000,- tot € 4000,- : 40% van de bijstandsnorm; bij een benadelingsbedrag van €4000,- of meer : 100% van de bijstandsnorm. 5.Van een maatregel als bedoeld in lid 3 en 4 wordt afgezien: a. zodra ter zake van de gedraging strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen; b. zodra het recht tot strafvervolging is vervallen, doordat het Openbaar Ministerie een schikking met belanghebbende heeft getroffen Artikel11Overige bepalingen schending inlichtingenplicht De maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de desbetreffende gedraging heeft plaatsgevonden. Hoofdstuk4Overige gedragingen die leiden tot een maatregel Artikel12Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1.Indien belanghebbende tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft getoond, wordt de bijstand verlaagd. 2.De maatregel als bedoeld in het eerste lid bedraagt bij algemene bijstand tien procent van de bijstandsnorm. De duur van de maatregel is afhankelijk van de termijn dat men hierdoor langer bijstandsafhankelijk is: korter dan 3 maanden - duur verlaging 1 maand; van 3 maanden tot 6 maanden - duur verlaging 3 maanden; van 6 maanden en langer - duur verlaging 6 maanden. 3.Bij een combinatie van algemene en bijzondere bijstand wordt de maatregel toegepast op de algemene bijstand. Artikel13Zeer ernstige misdragingen 1.Indien belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt jegens het dagelijks bestuur, haar ambtenaren of ambtenaren van de aan de GR deelnemende gemeenten, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 18 tweede lid van de wet, wordt onverminderd artikel 2 tweede lid, een maatregel opgelegd van 50 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand. 2.Onder zeer ernstig misdragen als bedoeld in artikel 18 van de wet wordt verstaan dat: -Belanghebbende zich ten opzichte van een of meerdere bestuursleden of ambtenaren op zodanige wijze gedraagt dat hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat het betrokken bestuurslid of betrokken ambtenaar zich daardoor geschaad of bedreigd voelt. - Belanghebbende door zijn gedraging schade toebrengt aan het gebouw of de inventaris 3.Van het opleggen van een maatregel bedoeld in het eerste lid kan, indien sprake is van verbaal geweld, worden afgezien en worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het verbale geweld plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing in verband met ernstig misdragen is gegeven. Artikel14het niet verlenen van de gevraagde medewerking Indien belanghebbende niet de gevraagde medewerking heeft verleend die nodig is voor de uitvoering zoals bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de wet, wordt na toepassing van artikel 54 van de wet een maatregel opgelegd van vijf procent van de bijstandsnorm gedurende een maand. Artikel15Noodzakelijke betalingen Er wordt geen maatregel opgelegd, indien belanghebbende niet meewerkt aan het in zijn naam verrichten van noodzakelijke betalingen uit de toegekende bijstand zoals bedoeld in artikel 57 van de wet. Artikel16Nadere verplichtingen Indien aan belanghebbende een of meerdere verplichtingen zoals bedoeld in artikel 55 van de wet zijn opgelegd en deze niet in voldoende mate worden nagekomen, wordt een maatregel opgelegd van twintig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand. Artikel17Recidive en cumulatie 1.De duur van de maatregel als bedoeld in artikel 13,14 en 16 wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig maakt aan een zelfde verwijtbare gedraging. 2.Indien sprake is van meerdere verwijtbare gedragingen, zoals bedoeld in artikel 14,15 en17van deze verordening, die zich tegelijk voordoen, wordt in beginsel alleen de zwaarste maatregel toegepast Artikel18Volharding en heroverweging Indien de uitkeringsgerechtigde na de recidive genoemd in artikel 17 van deze verordening volhardt in de gedraging, kan het dagelijks bestuur de bijstand voor onbepaalde tijd verlagen, rekening houdend met de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de belanghebbende. Er dient dan binnen drie maanden een heroverweging van de verlaging plaats te vinden. Hoofdstuk5De zelfstandig ondernemer Artikel19Doelmatige bedrijfs- of beroepsuitoefening Indien de zelfstandige niet voldoet aan de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004, wordt een maatregel opgelegd van honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand. Hoofdstuk 6 Slotbepalingen Artikel20:Inwerkingtreding De “Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand ISD De Rijnstreek 2011” treedt in werking met ingang van 1 juli 2011 onder gelijktijdige intrekking van de “Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand ISD De Rijnstreek 2009”. Artikel21:Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald als: “Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand ISD De Rijnstreek 2011”. Aldus besloten door het algemeen bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst De Rijnstreek in zijn openbare vergadering van 28 juni 2011. De secretaris, de voorzitter, T.H.J. Koekebakker M. J. Dresden TOELICHTING Hoofdstuk 1 Artikel1:Begripsomschrijving Lid 1 De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende betekenis als de omschrijving in de Wwb. Artikel2:Algemene bepalingen 1.Belanghebbende heeft een eigen verantwoordelijkheid voor de zelfstandige bestaansvoorziening. Dit houdt in dat aan het verkrijgen van een uitkering verplichtingen zijn verbonden die gelden vanaf de melding, dus al voordat het recht op bijstand is vastgesteld. 2. In deze afstemmingsverordening zijn voor de diverse gedragingen standaardmaatregelen vastgesteld. Desondanks blijft het mogelijk de op te leggen maatregel aan te passen aan de ernst van het feit en de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van belanghebbende. Beoordeeld dient te worden of men als gevolg van de ernst van het feit en de gedraging, bijvoorbeeld afhankelijk van de zwaarte van de gedraging, omvang van de gevolgen of zoveelste recidive wil afwijken van de standaardverlaging. De mate van verwijtbaarheid dient altijd in de beoordeling meegenomen te worden. Hierbij dient de vraag gesteld te worden in hoeverre belanghebbende op de hoogte was/kon zijn van zijn verplichtingen, alsmede de psychische gesteldheid van belanghebbende. Bij het ontbreken van iedere verwijtbaarheid wordt er geen verlaging opgelegd. Bij de omstandigheden van belanghebbende dient overwogen te worden of de individuele financiële omstandigheden van belanghebbende aanleiding zijn om af te wijken van de standaardmaatregel. Als gevolg van de ernst van het feit en de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden kan een maatregel hoger of lager worden vastgesteld dan de standaardmaatregel. 3.Bij het afzien van een maatregel wegens dringende redenen zijn de onder lid 2 genoemde criteria reeds beoordeeld en is men van mening dat er gelet op de verwijtbare gedraging een verlaging dient plaats te vinden. Echter wegens de dringende redenen wordt deze maatregel niet opgelegd. Dringende redenen dienen individueel beoordeeld te worden: er is bijvoorbeeld sprake van een samenloop van omstandigheden, geen financiële ruimte of van opgewekte verwachtingen. Belanghebbende ontvangt een beschikking dat er is afgezien van een verlaging wegens dringende redenen. Een volgende verwijtbare gedraging zal als rec 4.Een maatregel wordt in principe naar de toekomst opgelegd. Dit wil zeggen dat de verlaging na constatering direct geëffectueerd wordt zonder herziening van het recht. Uitzondering is de verlaging wegens schending van de inlichtingenplicht, welke met terugwerkende kracht wordt opgelegd. 5.De 18 to 21 jarige ontvangen een lage jongerennorm, die indien noodzakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzonder bijstand in de kosten van levensonderhoud. Indien de maatregel alleen op de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechts ongelijkheid ten opzichte van de 21 jarigen. Artikel3Het besluit tot opleggen van een maatregel Dit artikel geeft een opsomming van de zaken die in de beschikking moeten worden vermeld. Hoofdstuk 2 Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen en /of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Artikel4:Categorieën 1.De Wet werk en bijstand stelt werk boven inkomen. Alle inspanningen van de cliënt en de gemeente dienen gericht te zijn op arbeidsinschakeling. Onder arbeidsinschakeling wordt verstaan het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid zonder dat daarbij gebruik wordt gemaakt van een daarop gerichte voorziening die door de gemeente wordt aangeboden. In beginsel is iedereen verplicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden. Er worden geen beperkende voorwaarden gesteld aan de aard en de omvang van het werk en de aansluiting op opleiding en ervaring, maar alle arbeid die maatschappelijk aanvaard is dient geaccepteerd te worden. Deze algemene omschrijving van de plicht tot arbeidsinschakeling is vastgelegd in artikel 9 van de wet. Er worden vier categorieën onderscheiden. Bij de indeling ervan is uitgegaan dat de ernst van het feit toeneemt naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde arbeid. 2.De eerste categorie, onderdeel a, betreft de formele verplichting om zich als werkzoekende in te schrijven bij het UWV werkbedrijf (via werk.nl of op het Werkplein) ingeschreven te doen blijven. Onderdeel b betreft de verplichting om het individuele activeringsplan, het trajectplan, te ondertekenen. Het trajectplan wordt als bijlage bij het besluit tot toekenning of voortzetting van de bijstand meegestuurd. De tweede categorie betreft de verplichting tot een actieve opstelling op de arbeidsmarkt, de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende om bijvoorbeeld voldoende te solliciteren en te voldoen aan een oproep. In de derde categorie gaat het om gedragingen die direct een aanleiding vormen tot een beroep op bijstand of het zonder noodzaak langer voortduren daarvan. Het gaat hier om het stellen van niet verantwoorde beperkingen ten aanzien van de aanvaardbare arbeid en om gedragingen die de kansen op arbeidsinschakeling verminderen. Voorbeelden van deze categorie zijn negatieve gedragingen bij sollicitaties en onvoldoende meewerken aan het opgesteld trajectplan waaronder ook sociale activering verplicht kan worden gesteld. De vierde categorie betreft het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid alsmede door eigen toedoen voorafgaand aan de aanvraag betaalde arbeid niet behouden dan wel tijdens de bijstand deeltijd arbeid niet behouden. Artikel5De hoogte en duur van de maatregel Indien er binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van herhaald verwijtbaar gedrag wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de maatregel. Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging verstaan die aanleiding is geweest tot een maatregel, ook indien de maatregel wegens dringende redenen niet is geëffectueerd. Bij toepassing van recidive is niet altijd duidelijk van welk tijdstip moet worden uitgegaan, het tijdstip van de feitelijke gedraging of van het opleggen van de maatregel. Met “als verwijtbaar aangemerkte gedraging” wordt aangegeven dat een gedraging eerst beoordeeld dient te worden alvorens deze als verwijtbaar aangemerkt kan worden. Met andere woorden, bepalend is het tijdstip van het opleggen van de maatregel cq de verzenddatum van de beslissing. Artikel6Recidive en cumulatie 1.Recidive kan slechts één keer worden toegepast. Bepalend voor de recidive is de datum waarop de eerste gedraging als verwijtbaar is aangemerkt en de belanghebbende hiervan redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn, dus de verzenddatum van de beschikking naar aanleiding van de eerste gedraging. Bij een samenloop van verwijtbare gedragingen, uit de 1e tot en met de 4e categorie, is het uitgangspunt dat alleen de verlaging uit de hoogste categorie plaatsvindt. Ook als er sprake is van verwijtbare gedragingen door beide partners, in geval van een gezamenlijke huishouding, wordt in het algemeen alleen een verlaging uit de hoogste categorie getroffen. Wel wordt van beide partners de recidiveregistratie bijgehouden. Bij het niet, niet geheel of niet tijdig voldoen aan de informatieverplichting is een gezamenlijke verantwoordelijkheid, die bij beide partners geregistreerd dient te worden. Bij het voorgaande dient wel gekeken te worden of er in de individuele situatie van de uitkeringsgerechtigde(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.