Beleidsnotitie paardenbakkenBeleidsnotitie paardenbakken Beleidsnotitie paardenbakken 1 HOOFDSTUK 1. inleiding 3 Inleiding 3 Aanleiding 3 Doelstelling 3 HOOFDSTUK 2. Vergunningplicht 4 Bouwwerk en andere werken 4 ouwwerk in de zin van de Woningwet 4 Gebruik 4 Aanlegvergunning 5 HOOFDSTUK 3. Beleidskader 6 Handvatten om overlast te minimaliseren. 6 Stof 6 Licht 6 Inpassing in het landschap 6 Toetsingscriteria omtrent een paardenbak 6 HOOFDSTUK 4. Maatschappelijke uitvoerbaarheid 9 Opstellen van beleidsregel 9 Inherente afwijkingsbevoegdheid 9 Inspraak en vaststellen van beleidsregels 9 Inwerking treden beleidsnotitie 9 Werkwijze 9 Bestemmingsplan 10 Handhaving 10 HOOFDSTUK 5. Beleidsregel 11 Definitie paardenbak 11 Onderscheid bedrijfsmatig en hobbymatig 11 Criteria paardenbakken 11 Algemeen 11 Bedrijfsmatig 12 Hobbymatig 12 Slotbepalingen 13 HOOFDSTUK 6. Verklarende woordenlijst 14 HOOFDSTUK 7. Bronnen 15 Hoofstuk 1 Inleiding 1.1 Inleiding De gemeente Slochteren is een gemeente met een groot buitengebied die een kernenstructuur kent die veelal bestaat uit lintdorpen. De woonpercelen langs deze linten grenzen veelal met de achterzijde aan het buitengebied. Net als in andere ‘landelijke’ gemeenten is het houden van paarden de afgelopen jaren in opkomst geweest in de gemeente Slochteren. Oorzaak hiervoor ligt in de afnemende agrarische functie, waardoor steeds meer boerderijen en weidegrond beschikbaar komen voor particulieren. Met de opkomst van het houden van paarden groeit de behoefte aan paardenbakken. Deze behoefte is aanwezig bij de hobbyisten en bij de paardenhouderijen (productiegericht en gebruiksgericht). Deze paardenbakken drukken een stempel op het landschap. Niet alleen wordt het grasland of akkerland omgezet in een rechthoekige eenheid met wit zand. Soms worden ook opvallende omheiningen toegepast en worden de bakken verlicht. Behalve het beeldbepalende karakter van de paardenbakken kan hinder uitgaan van het gebruik zoals overlast door stof, geluid en licht. 1.2 Aanleiding Tot op heden is aan de aanleg van paardenbakken geen sturing gegeven door middel van ruimtelijk beleid. Met de aanstaande actualisering van de bestemmingsplannen is het wenselijk dat een visie wordt gevormd hoe met verzoeken tot de aanleg van paardenbakken zal worden omgegaan en op welke wijze met bestaande, al dan niet illegaal aangelegde, paardenbakken wordt omgegaan. Een paardenbak is een planologisch relevant object vanwege de volgende aspecten: het gebruik zijnde het beleren c.q. het berijden van paarden (van/door derden) moet worden getoetst aan de doeleindenomschrijving van het vigerende bestemmingsplan; het aangebrachte zandbed kan het gebruik van de gronden conform de bestemming belemmeren wanneer deze zijn bestemd voor de verbouw van gewassen of begrazing; het aanbrengen van het zandbed en de eventueel aangelegde drainage onder de bak kunnen aanlegvergunningplichtig zijn vanwege de bescherming van waterhuishoudkundige, landschappelijke, aardkundige of archeologische belangen; de omheining is, afhankelijk van de uitvoering, bouwvergunningplichtig; eventuele lichtmasten zijn bouwvergunningplichtig; indien de paardenbak bedrijfsmatig wordt gebruikt, behoort deze bij een inrichting en maakt deze onderdeel uit van de milieuvergunning, danwel de melding. Geen van de Slochter bestemmingsplannen voorziet in een adequate regeling ten behoeve van de aanleg van paardenbakken buiten een bestemming voor wonen of een hippisch bedrijf. Voor zover de paardenbak slechts voor eigen gebruik wordt ingezet (hobbymatig) en deze zich binnen een bestemming voor woondoeleinden of recreatieve doeleinden bevindt is sprake van gebruik dat binnen de betreffende bestemming past. Echter zijn de bestemmingsvlakken zelden van dergelijke afmeting dat het mogelijk is om de paardenbakken binnen de passende bestemming aan te leggen. Zodoende zijn de verzoeken tot aanleg zelden te honoreren. 1.3 Doelstelling Om eenduidigheid voor de aanvragers te geven en één regeling te kunnen implementeren in de te actualiseren bestemmingsplannen worden beleidsregels opgesteld waarin criteria staan om een paardenbak aan mogen te leggen. Voorwaarden om dit te kunnen doen zijn dat geen afbreuk wordt gedaan aan de kwaliteit van het landschap en dat derden geen onacceptabele overlast ondervinden van (het gebruik van) de paardenbak. Om dit te bereiken is een toetskader nodig in de vorm van beleidsregels die in het volgende voorzien: Het opstellen van een toetsingskader op het gebied van ruimtelijke ordening waardoor op een uniforme wijze kan worden getoetst en voorschriften voor een bestemmingsplan geformuleerd kunnen worden; Bij het uitvoeren van toezicht en handhaving geeft het toetsingskader de randvoorwaarden aan, waaraan een paardenbak dient te voldoen; Het toetsingskader geeft de duidelijkheid onder welke voorwaarden het aanleggen en gebruiken van een paardenbak is toegestaan. Hoofdstuk 2 Vergunningplicht Om te bepalen welke vergunningen benodigd zijn voor het aanleggen van een paardenbak wordt onderscheid gemaakt in een aantal definities zoals vastgelegd in onder andere de Woningwet en de gemeentelijke bouwverordening. 2.1 Bouwwerk en andere werken Een paardenbak bestaat uit een ander bouwwerk (de omheining) en daarbinnen uit een zogenoemd ander werk (een werk geen bouwwerk zijnde). De ingreep bestaat in de regel uit afgraven van de bovenlaag van een stuk weiland en het inbrengen van een laag zand. Paardenbakken zijn dus bouwwerken in combinatie met andere werken. Het betreft een combinatie van voorzieningen. Andere werken zijn vergunningsplichtig indien die activiteit is opgenomen als ‘verbod met een aanlegvergunningstelsel’ (regels omtrent ander gebruik van de grond). Verreweg de meeste paardenbakken worden zeer eenvoudig uitgevoerd. Een toplaagje wordt verwijderd en vervangen door zand. Strikt genomen is dat wellicht als afgraven aan te merken, het aanlegvergunningstelsel ziet echter toe op het afgraven van gronden zodanig, dat de landschappelijke en natuurlijke waarden geen geweld wordt aangedaan. Indien een aanlegvergunningstelsel van toepassing is, zijn regels hieromtrent opgenomen in een bestemmingsplan of een zogenoemd Voorbereidingsbesluit. 2.1.1 Bouwwerk in de zin van de Woningwet Artikel 1.1 van de gemeentelijke bouwverordening definieert een bouwwerk als volgt: “elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van de bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren”. Paardenbak Paardenbakken zijn in de meeste gevallen aan te merken als bouwwerken in de zin van de Woningwet omdat ze omheind zijn. Er is vaak sprake van een (houten) constructie van enige omvang, die op de plaats van bestemming direct met de grond verbonden is en bedoeld is om ter plaatse te functioneren. Jurisprudentie wijst uit dat het realiseren van een hekwerk rondom een paardenbak geen erf- of terreinafscheiding is in de zin van het vergunningsvrij bouwen. Een omheining rond een paardenbak is daarom bouwvergunningplichtig, ongeacht de hoogte en kan niet worden ondergebracht onder een bouwvergunningvrije erfafscheiding. Uit de jurisprudentie blijkt ook dat paardenbakken in de meeste gevallen vergunningsplichtig bouwwerken zijn. Ook bij het aanbrengen van een ophoging in de vorm van diverse lagen (bijv. een laag wegenbouwdoek, onderlaag van gewassen en gezeefd lavamateriaal, laag matten van kunstgras, toplaag van speciaal zand), die wordt omsloten door bielzen en wordt gebruikt als paardenbak, is volgens jurisprudentie sprake van bouwen als bedoeld in artikel 1, onder a van de Woningwet. Dit betekent dat voor de aanleg van een paardenbak veelal een bouwvergunning moet worden aangevraagd. Lichtmast Soms worden bij de paardenbakken ook lichtmasten geplaatst. Ook een lichtmast is een bouwvergunningplichtig bouwwerk. 2.2 Gebruik Paardenbakken worden ook wel gerealiseerd door een omheining in de vorm van palen met (schrik)draad, zoals die worden gebruikt voor het omheinen van weilanden. Deze constructie vraagt niet om een bouwvergunning. Wel moet het gebruik van de grond als paardenbak in overeenstemming zijn met de bestemming die op de gronden rust. Indien de bestemming die op gronden rust bijvoorbeeld één met agrarische functie is ten behoeve van cultuurgrond is de aanleg van een paardenbak in strijd. De paardenbak belemmert namelijk het gebruik van de gronden als cultuurgrond, aangezien beweiding of het verbouwen van gewassen niet langer mogelijk is. Of sprake is van hobbymatig of bedrijfsmatig gebruik hangt af van of de bak behoort bij een paardenhouderij of ander hippisch bedrijf. In ieder geval moet de doeleindenomschrijving van de bestemming het gebruik toestaan. Een bestemming met als hoofdfunctie agrarisch beheer biedt deze mogelijkheid meestal niet. 2.2.1 Aanlegvergunning De Wet ruimtelijke ordening geeft de mogelijkheid in het bestemmingsplan een aanlegvergunningstelsel op te nemen. Voor het uitvoeren van in de voorschriften omschreven werken (geen bouwwerken zijnde) of het uitvoeren van werkzaamheden is dan een aanlegvergunning van B&W vereist. Onder werken en werkzaamheden vallen vooral veranderingen in de oppervlaktestructuur van een terrein, zoals het egaliseren, het ophogen of afgraven van de grond, het rooien, vellen of beschadigen van houtopstanden, het ontginnen, het aanbrengen van erfverhardingen, het aanbrengen of ingraven van sloten, of het op ander wijzen verlagen of verhogen van het grondwaterpeil. Zoals uit het bovenstaande is gebleken behoort het aanleggen van een paardenbak vaak tot een aanlegvergunningplichtige activiteiten (mits dit zodanig in het bestemmingsplan is vastgelegd). Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Handvatten om overlast te minimaliseren Overlast kan ontstaan door stof, licht, stank of verrommeling. Vaak kan deze overlast door een goede inpassing, doordachte aanleg en gebruik en door adequaat onderhoud geminimaliseerd worden. Bepaalde vormen van overlast kunnen via een milieuvergunning (Wet milieubeheer), dan wel regels opgenomen in een algemene maatregel van bestuur worden gereguleerd. Echter, niet alle overlast is hierdoor te reguleren, met name niet voor de hobbymatige kant van de paardenhouderij. In dat geval kan de overlast o.a. worden gereguleerd middels de Algemene plaatselijke verordening (APV). Om overlast te voorkomen, is het essentieel dat initiatiefnemer overlegt met de omgeving om afspraken te maken. Juist in de gevallen waar een paardenbak op korte afstand van de buren ligt, vraagt dit om een goede afstemming. Het bestemmingsplan voorziet in veel gevallen namelijk in de mogelijkheid om een paardenbak aan te leggen, zonder dat daarbij een afstandscriterium kan worden gesteld. 3.1.1 Stof Een paardenbak kan bij droog weer stofoverlast geven. Deze overlast kan beperkt worden door de bodem bij droogte te besproeien, zodat stofontwikkeling wordt voorkomen. Ook kan gekozen worden voor een bodem die minder stof geeft, bijvoorbeeld door het toevoegen van houtsnippers of tapijtsnippers. Daarnaast kan de locatie van de paardenbak zodanig gekozen worden, dat alleen al daardoor geen onaanvaardbare overlast optreedt. In sommige gevallen, waarbij bouwblokvergroting/-verandering niet gewenst is, kan gekozen worden voor het positioneren buiten het bouwblok. Omdat dit meestal in strijd is met het bestemmingsplan, moet hierbij aan een aantal voorwaarden worden voldaan, zoals genoemd onder 3.2. 3.1.2 Licht Om lichtoverlast te beperken is het beter meerdere lichtpunten met minder intensiteit (Lux) te plaatsen, dan 1 groot lichtpunt (bouwlamp) bij een paardenbak. Zo is het beter direct nabij de paardenbak lampen te plaatsen dan deze verderaf aan een bestaand bouwwerk te bevestigen. Met betrekking tot de toegestane lichtintensiteit en de verplichte donkerperiode kunnen in de vergunning/ontheffing regels worden opgenomen. Ook hier geldt dat een goed doordachte positionering van de paardenbak kan bijdragen in het minimaliseren van overlast. Een beperkte bouwhoogte beperkt de verstrooiing van het licht en beperkt bovendien de zichtbaarheid/herkenbaarheid van een paardenbak bij daglicht, doordat de lichtmasten minder opvallen. Ook de positie van de lichtpunten kunnen daaraan bijdragen. 3.1.3 Inpassing in het landschap Wat passend is in een landschap hangt af van de regio, locatie en omgeving. Op gevoelige locaties (vanwege zichtbaarheid of landschapstructuur) zijn extra eisen gewenst. 3.2 Toetsingscriteria omtrent een paardenbak Het toestaan van een paardenbak wordt afhankelijk gesteld van vastgestelde voorwaarden. Hierbij is onderscheid gemaakt in enerzijds het aanleggen van een paardenbak voor bedrijfsmatige activiteiten t.b.v. een paardenhouderij, met een toegestane (dienst)woning en anderzijds voor hobbymatig gebruik in combinatie met een reguliere woning. De koppeling met een (dienst)woning is gemaakt om te voorkomen dat op bedrijventerreinen of bij individuele bedrijven paardenbakken voor hobbymatig gebruik worden aangelegd, waardoor specifieke bedrijvenlocaties oneigenlijk worden gebruikt en geen sprake is van zuinig ruimtegebruik. Bovendien hoort een dergelijke recreatieve functie een relatie te hebben met een bijbehorende paardenhouderij, dan wel een aan te wijzen woning. Voor bedrijfsmatig gebruikte paardenbakken geldt dit criterium niet, maar wordt de inrichting als uitgangspunt genomen, fysieke aanwezigheid van een woning is daar dus geen voorwaarde. Het volgende schema toont de criteria waaraan een paardenbak toe te staan. Vanwege genoemde reden in HOOFDSTUK 2 zijn paardenbakken niet zonder meer toegestaan. Criteria Bedrijfsmatig t.b.v. Paardenhouderij Hobbymatig Toelichting 1. Afstand tot bouwblok /rechtmatige bebouwing De paardenbak moet binnen het bestemmingsvlak van de paardenhouderij of het agrarisch bedrijf liggen. De paardenbak moet geheel binnen een straal van 60 m vanaf het bouwvlak van de woning van de aanvrager gelegen zijn. Ter voorkoming van aantasting van natuur, landschappelijke en cultuurhistorische waarden in open gebied is het niet toegestaan om een paardenbak aan te leggen op een perceel waar geen bestaande bebouwing en/of waar geen bouwvlak is gesitueerd. Om te bereiken dat een paardenbak vlakbij de bijbehorende bebouwing komt wordt, voor het verlenen van ontheffing, voor hobbymatig gebruikte paardenbakken een straal opgenomen vanaf het bouwvlak. In specifieke situaties kan worden besloten deze afstand te vergroten om bijvoorbeeld zo een betere stedenbouwkundige of landschappelijke inpassing te krijgen. 1a. Situering Wanneer ontheffing van het bestemmingsplan wordt verleend mag de paardenbak niet vóór (het verlengde van) de voorgevelrooilijn van de dichtst bij de weg gelegen gevel zijn gelegen. De paardenbak mag niet vóór (het verlengde van) de voorgevelrooilijn van de woning zijn gelegen. Om de relatie met het perceel te bewaren en de overheersende visuele werking van de paardenbak te beperken mag de paardenbak niet vóór de voorgevel(rooilijn) van de dichtst bij de weg gelegen gevel zijn gelegen. Zodoende blijft het hoofdgebouw het belangrijkste element op een perceel. 2. Afstand tot de gevels van woningen van derden Minimaal 50 m tot aan de rand van de paardenbak, afhankelijk van specifieke wet- en regelgeving. Minimaal 25 m tot aan de rand van de paardenbak. Ter voorkoming van hinder naar derden (aantasting woongenot) als gevolg van het gebruik en/of hebben van een paardenbak (stof, geluid, stank) is een minimale afstand opgenomen tussen de paardenbak (rand paardenbak) en de meest nabij gelegen gevel van een woning van derden (een recreatiewoning wordt hier tevens toe gerekend). Dit is ook een maat die in het buitengebied meestal haalbaar is en in de regel ook een vaste richtlijn voor het houden van paarden (jurisprudentie). Om bij ruime bouwvlakken de mogelijkheden niet \op slot te zetten is de bestaande woning maatgevend en niet de rand van het bouwvlak. Een differentiatie in de afstanden voor bedrijfsmatig of hobbymatig gebruik is vanwege het verschil in gebruiksintensiteit van de bak en vooral het verschil in geluidsproductie. Bij bedrijfsmatige activiteiten kan de minimale afstand worden vergroot als gevolg van specifieke wetgeving aan de hand van de benodigde vergunning/melding. 3. Lichtmasten Ten hoogste 8 per bak toestaan met een maximale hoogte van 8m en de lichtbundel door afscherming gericht op de rijbak. Ten hoogste 4 per bak toegestaan met een maximale hoogte van 6 m.en de lichtbundel door afscherming gericht op de rijbak, slechts in gebruik tijdens de periode van 07.00 uur tot 22.00 uur Lichtmasten hebben ’s avonds een behoorlijk effect op de omgeving. Dit zou zeker niet gestimuleerd moeten worden. Daarom is besloten om lichtmasten bij niet-bedrijfsmatig aangelegde paardenbakken toe te staan met een tijdslimiet. Voor het toestaan van lichtmasten bij niet- bedrijfsmatige activiteiten zullen wel maatregelen getroffen moeten worden om de overlast te minimaliseren. Voor bedrijfsmatige activiteiten kan verlichting noodzakelijk zijn i.v.m. de bedrijfsvoering. Hiervoor geldt daarom geen tijdslimiet, indien nodig kan dit worden geregeld via de milieuvergunning of de geldende AmvB. Ook hier wordt geadviseerd om overlast zoveel mogelijk te minimaliseren. 4. Landschappelijke inpassing Noodzakelijk Noodzakelijk Er zijn ongewenste effecten als verrommeling, doordat voorzieningen zoals een paardenbak, afzetlinten, etc. in het landschap verschijnen. Met kleine maatregelen als heggen, bomen, erfbeplanting, houtwallen, etc. kan een bijdrage aan een aantrekkelijk landschap worden geleverd. Bij de afweging om ontheffing te verlenen wordt gebruik gemaakt van de uitgebrachte Visie Paard & Landschap van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Indien de bak zichtbaar is vanaf de wegzijde, dan is een nadere eis mogelijk. Voor het aanbrengen van bijvoorkeur gebiedseigen beplanting, indien bak leidt tot aantasting van de ter plekke aanwezige landschappelijke waarden. 5. Aantal paardenbakken Onbeperkt Maximaal 1 per woning Bij het bedrijfsmatig houden van paarden kan het voor de bedrijfsvoering van belang zijn om meerdere paardenbakken aan te leggen. 6. Oppervlakte paardenbak Onbeperkt Maximaal 1000 m² buitenwerks. Bij een aaneengesloten perceelsoppervlakte in eigendom van minimaal 1 ha in het buitengebied is verruiming door maatwerk mogelijk Een paardenbak heeft in de regel een inwendige afmeting van 20x40m. Met een buitenwerkse oppervlakte van 1000 m² kan worden voorzien in aanleg van een bak van dergelijke afmetingen. Op zeer grote percelen (>1
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.