Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2011 De Raad van de gemeente Hoogeveen, gelezen het voorstel van het College, gelet op artikel 5 van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo); overwegende dat het noodzakelijk is om een verordening over de verstrekking van individuele voorzieningen vast te stellen; besluit vast te stellen de volgende Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2011 Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze Verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt verstaan onder: Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning; College: college van Burgemeester en Wethouders; Besluit: gemeentelijk besluit maatschappelijke ondersteuning; Beleidsregels: beleidsregels maatschappelijke ondersteuning; Compensatieplicht: de plicht van het college aan personen met een beperking, een chronisch psychisch of een psychosociaal probleem voorzieningen te bieden ter compensatie van hun beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie met als doel hen in staat te stellen I. een huishouden te voeren; II. zich te verplaatsen in en om de woning; III. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en IV. medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Daarbij legt artikel 4 van de Wet het college de plicht op om een doel te bereiken dat als compensatie mag gelden en dat in het individuele geval maatwerk is (zie LJN BG6612). Belanghebbende: een persoon zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet: een persoon met een beperking, een chronisch psychisch probleem en/of een psychosociaal probleem die behoefte heeft aan compensatie ten behoeve van het bevorderen van zijn deelname aan het maatschappelijk verkeer en het zelfstandig functioneren, die voor zichzelf of, met behulp van een machtiging, door een ander een aanmelding of een aanvraag doet of laat doen; Psychosociaal probleem: een situatie van verlies van zelfstandigheid en, met name, een gebrek aan mogelijkheden tot deelname aan het maatschappelijk verkeer, veroorzaakt door belemmeringen die iemand ondervindt in zijn relatie met anderen, met zijn sociale omgeving; Algemene voorziening: een voorziening die weliswaar niet bestemd is voor, noch te gebruiken is door alle personen als bedoeld in artikel 4 lid 1 van de wet, maar die anderzijds door iedereen waarvoor de voorziening wel bedoeld is op eenvoudige wijze te verkrijgen of te gebruiken is, zonder een ingewikkelde aanvraagprocedure; Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening (meestal een product) die niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking, dus ook door anderen gebruikt wordt, gewoon in de winkel te koop is en niet –aanzienlijk- duurder is dan vergelijkbare producten; Voorliggende voorziening: een voorziening (meestal een dienst) die normaal in de maatschappij aanwezig en beschikbaar is en bedoeld voor iedereen die daar behoefte aan heeft; Wettelijk voorliggende voorziening: een voorziening die op grond van een wettelijke bepaling anders dan ingevolge de wet verkregen kan worden, waarmee het doel geheel of gedeeltelijk bereikt kan worden; Collectieve voorziening: een voorziening die individueel wordt verstrekt maar die door meerdere personen tegelijk wordt gebruikt, in casu het collectief vervoer; Individuele voorziening: een voorziening die door het college ten behoeve van één persoon op basis van artikel 4 Wmo wordt verstrekt; Voorziening in natura: een voorziening, in te zetten om het doel te bereiken, in de vorm van goederen in (bruik)leen of in eigendom, of als persoonlijke dienstverlening; Persoonsgebonden budget: een geldbedrag om te gebruiken voor het te bereiken doel, als alternatief voor een voorziening in natura; Financiële tegemoetkoming: een geldbedrag, al dan niet forfaitair of gemaximeerd, bedoeld om een voorziening mee aan te schaffen voor het te bereiken doel; Mantelzorger: een persoon, die mantelzorg verleent als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b, van de wet; Huisgenoot: een persoon met wie de belanghebbende een gezamenlijke huishouding voert; Gebruikelijke zorg: normale of dagelijkse zorg die huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden; H oofdverblijf: de plaats waar een persoon daadwerkelijk de meeste nachten per jaar doorbrengt; Eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten: een door het college vast te stellen bijdrage, die bij respectievelijk de verstrekking van een voorziening in natura, een persoonsgebonden budget (een eigen bijdrage) of een financiële tegemoetkoming (een eigen aandeel) betaald moet worden en waarop de regels van het Besluit van toepassing zijn; ICF classificatie: International Classification of Functions, Disabilities and Impairments, de zogenaamde ICF-classificatie, de grondslag om de behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen. Hoofdstuk 2 Doelgerichte compensatie Artikel 2. De te bereiken doelen 1. De op basis van artikel 4 lid 1 van de wet te bereiken doelen zijn: een huishouden kunnen voeren; zich kunnen verplaatsen in en om de woning; zich kunnen verplaatsen per vervoermiddel; medemensen kunnen ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden kunnen aangaan. 2. Om deze doelen te bereiken kunnen de volgende individuele voorzieningen verstrekt worden: hulp bij het huishouden; woonvoorzieningen; rolstoelvoorzieningen; vervoersvoorzieningen. Artikel 3. Beperkingen 1. Een individuele voorziening kan slechts worden toegekend voor zover: de belanghebbende niet of niet voldoende in staat is om op eigen kracht de doelen zoals genoemd in het eerste lid van artikel 2 te bereiken; de belanghebbende geen of niet voldoende beroep kan doen op gebruikelijke zorg, mantelzorg, vrijwillige (thuis)hulp of een sociaal netwerk om de doelen zoals genoemd in het eerste lid artikel 2 te bereiken; de belanghebbende geen gebruik kan maken van voor hem of haar algemeen gebruikelijke of voorliggende voorzieningen om de doelen zoals genoemd in het eerste lid van artikel 2 te bereiken; de te verstrekken voorziening als de goedkoopst compenserende voorziening kan worden aangemerkt; de noodzaak voor het te bereiken doel langdurig is; in afwijking van artikel 3 eerste lid onder e kan ook kortdurende noodzaak hulp bij het huishouden toegekend worden; de belanghebbende verantwoord en veilig kan omgaan met de te verstrekken voorziening. 2. Geen voorziening wordt toegekend: indien de belanghebbende zijn hoofdverblijf niet in de gemeente Hoogeveen heeft; voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan het moment van aanvragen of het moment van beschikken heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de aangeschafte voorziening of gemaakte kosten noodzakelijk waren dan wel als goedkoopst-compenserende oplossing aan te merken zijn; voor zover een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds eerder in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan belanghebbende zijn toe te rekenen; voor zover er aan de zijde van belanghebbende geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor de voorziening wordt aangevraagd. Artikel 4. Samenhangende afstemming 1. Om de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend af te stemmen op de situatie van de belanghebbende verricht het college onderzoek naar: de beperkingen die de belanghebbende in zijn functioneren ondervindt als gevolg van ziekte of gebrek; de woning en de woonomgeving van de belanghebbende; het psychisch en sociaal functioneren van de belanghebbende; de sociale omstandigheden van de belanghebbende; de capaciteit van belanghebbende om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien. 2. De ICF classificatie vormt de grondslag om de behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen. Bij de besluitvorming en de motivering van het besluit wordt door het college bij deze bevindingen aangesloten, binnen de grenzen van de verordening. Hoofdstuk 3 Vormen van individuele voorzieningen Artikel 5. Mogelijke verstrekkingwijzen De te treffen voorzieningen kunnen als voorziening in natura, als persoonsgebonden budget en als financiële tegemoetkoming worden verstrekt. Artikel 6. Voorziening in natura 1. Bij het treffen van een voorziening in natura wordt in de beschikking vastgelegd: welke de te treffen voorziening is; of er sprake is van een bepaalde duur van de verstrekking; hoe de voorziening in natura verstrekt wordt; of er sprake is van een overeenkomst waarin deze verstrekking is geregeld; hoe de voorziening bijdraagt aan het te bereiken doel. 2. Als er op grond van artikel 9 een eigen bijdrage verschuldigd is, wordt in de beschikking vermeld dat belanghebbende wordt aangemeld bij het CAK voor het vaststellen en innen van de eigen bijdrage. Artikel 7. Financiële tegemoetkoming 1. Bij het treffen van een voorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming wordt in de beschikking vastgelegd: voor welk te bereiken doel de financiële tegemoetkoming bestemd is; of er sprake is van een bepaalde duur van de verstrekking; of er sprake is van een overeenkomst waarin deze verstrekking is geregeld en wat de hoogte van de financiële tegemoetkoming is. 2. Als er op grond van artikel 9 een eigen aandeel verschuldigd is, wordt in de beschikking vermeld dat belanghebbende wordt aangemeld bij het CAK voor het vaststellen en innen van het eigen aandeel. Artikel 8. Persoonsgebonden budget 1. Bij het treffen van een voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt in de beschikking vastgelegd: voor welk te bereiken doel het persoonsgebonden budget gebruikt moet worden, eventueel aangevuld met een programma van eisen waaraan bij de besteding voldaan moet worden; wat de omvang van het persoonsgebonden budget is en hoe deze omvang tot stand is gekomen; wat de duur is van de verstrekking waarvoor het persoonsgebonden budget bedoeld is en welke regels gelden ten aanzien van verantwoording van het persoonsgebonden budget. 2. Als er op grond van artikel 9 een eigen bijdrage verschuldigd is, wordt in de beschikking vermeld dat belanghebbende wordt aangemeld bij het CAK voor het vaststellen en innen van de eigen bijdrage. 3. Het bedrag per uur voor een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden wordt door het college vastgesteld en vastgelegd in het Besluit. Hoofdstuk 4 Eigen bijdragen en eigen aandeel Artikel 9. Eigen bijdragen en eigen aandeel 1. Bij het verstrekken van een voorziening is een eigen bijdrage of een eigen aandeel verschuldigd ten aanzien van individuele voorzieningen, gericht op het bereiken van de volgende doelen: het voeren van een huishouden; het zich verplaatsen in en om de woning voor zover het geen rolstoel betreft; het zich verplaatsen per vervoermiddel; het ontmoeten van medemensen en op basis daarvan sociale verbanden aangaan. 2. Het college legt in het Besluit de omvang van de eigen bijdrage en het eigen aandeel vast. Hoofdstuk 5 Hulp bij het huishouden Artikel 10. Doel en vormen van Hulp bij het huishouden 1. De te verstrekken Hulp bij het huishouden heeft als doel het kunnen voeren van een huishouden. 2. De Hulp bij het huishouden kan worden verstrekt als: hulp bij het huishouden in natura; een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het huishouden. Artikel 11. Toekenning Hulp bij het huishouden Een belanghebbende wordt voor Hulp bij het huishouden in aanmerking gebracht indien: aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische en psychosociale problemen het zelf uitvoeren van een of meer huishoudelijke taken onmogelijk maken en de te verstrekken Hulp bij het huishouden bijdraagt tot het bereiken van het doel zoals dat genoemd is in het eerste lid van artikel 10. Hoofdstuk 6 Woonvoorzieningen Artikel 12. Doel en vormen van woonvoorzieningen 1. De te verstrekken woonvoorziening heeft als doel: het zich zelfstandig verplaatsen in en om de woning; het kunnen voeren van een huishouden; het kunnen ontmoeten van medemensen en op basis daarvan sociale verbanden kunnen aangaan. 2. De woonvoorziening kan verstrekt worden als: een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten; een financiële tegemoetkoming in de kosten van een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening; een niet bouwkundige of niet woontechnische woonvoorziening in natura; een persoonsgebonden budget te besteden aan een woonvoorziening of een combinatie van onder a, b en c genoemde voorzieningen. Artikel 13. Toekenning woonvoorzieningen 1. Een belanghebbende wordt voor de in het tweede lid van artikel 12 onder a vermelde voorziening in aanmerking gebracht indien: aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische en psychosociale problemen, het normale gebruik van de woning belemmeren; de te verstrekken woonvoorziening bijdraagt tot het bereiken van het doel zoals dat genoemd is in het eerste lid van artikel 12. 2. Een belanghebbende wordt voor een voorziening als bedoeld in artikel 12 onder b, c, d of e in aanmerking gebracht wanneer de in het tweede lid van artikel 12 onder a genoemde voorziening niet mogelijk is of niet de goedkoopst compenserende voorziening is. Artikel 14. Uitsluitingen De bepalingen in dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op: het treffen van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen en bij kamerverhuur; het treffen van voorzieningen in woongebouwen, die specifiek gericht zijn op mensen met beperkingen en waarvan verwacht mag worden dat reeds voorzieningen zijn getroffen in de gemeenschappelijke ruimten of dat voorzieningen bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen. Artikel 15. Hoofdverblijf Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen. Artikel 16. Beperkingen woonvoorzieningen De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt geweigerd indien: de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van beperkingen bij het normale gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische en psychosociale problemen, geen aanleiding bestond; de belanghebbende niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college; deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen; de belanghebbende voor het eerst zelfstandig gaat wonen, verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg of er in de verlaten woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning zijn ondervonden; de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen. Artikel 17. Terugbetaling bij verkoop De eigenaar-bewoner, die krachtens deze verordening een woonvoorziening heeft ontvangen die leidt tot waardestijging van de woning, dient bij verkoop van deze woning deze waardestijging terug te betalen aan de gemeente. De eigenaar-bewoner dient de verkoop van de woning onverwijld aan het college te melden. De meerwaarde van de woning dient volgens de in het Besluit vastgelegde regeling te worden terugbetaald. Hoofdstuk 7 Rolstoelvoorzieningen Artikel 18. Doel en vormen van rolstoelvoorzieningen. 1. De te verstrekken rolstoelvoorziening heeft als doel: het zich zelfstandig verplaatsen in en om de woning; het kunnen ontmoeten van medemensen en op basis daarvan sociale verbanden kunnen aangaan. 2. De rolstoelvoorziening kan worden verstrekken als: een rolstoelvoorziening in natura; een persoonsgebonden budget te besteden aan een rolstoelvoorziening of een financiële tegemoetkoming. Artikel 19. Toekenning rolstoelvoorzieningen Een belanghebbende wordt voor de in artikel 18 vermelde voorziening in aanmerking gebracht indien: aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische en psychosociale problemen zittend verplaatsen in en rond de woning noodzakelijk maken en de te verstrekken rolstoelvoorziening bijdraagt tot het bereiken van het doel zoals dat genoemd is in het eerste lid van artikel 18. Hoofdstuk 8 Vervoersvoorzieningen Artikel 20. Doel en vormen van vervoersvoorzieningen 1. De doelen van de te verstrekken vervoersvoorziening zijn: het zich zelfstandig kunnen verplaatsen per vervoermiddel; het kunnen ontmoeten van medemensen en op basis daarvan sociale verbanden kunnen aangaan. 2. De vervoersvoorziening kan worden verstrekt als: een collectieve vervoersvoorziening; en vervoersvoorziening in natura; een financiële tegemoetkoming in de kosten van een vervoersvoorziening; een persoonsgebonden budget te besteden aan een vervoersvoorziening of een combinatie van onder a, b, c, en d genoemde voorzieningen. Artikel 21. Toekenning vervoersvoorzieningen 1. Een belanghebbende wordt voor de in het tweede lid van artikel 20 onder a vermelde collectieve vervoersvoorziening in aanmerking gebracht, indien: aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische en psychosociale problemen het gebruik van het openbaar vervoer of het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken en de te verstrekken voorziening bijdraagt tot het bereiken van het doel zoals dat genoemd is in het eerste lid van artikel 20. 2. Een belanghebbende wordt voor de in het tweede artikel 20 onder b, c, d, en e vermelde voorziening in aanmerking gebracht wanneer het gebruik van een collectief systeem als bedoeld in het tweede lid van artikel 20 onder a niet aanwezig is of niet tot een compenserende oplossing leidt. 3. Een belanghebbende die voor de in het tweede lid van artikel 20 onder a vermelde collectieve vervoersvoorziening in aanmerking is gebracht, heeft de keuze tussen: de verstrekking van een vervoerpas ten behoeve van deelname aan het collectief vervoersbedrag; een financiële tegemoetkoming in de kosten van eigen vervoer. Artikel 22. Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen. Indien het inkomen van een ongehuwde persoon of het gezamenlijk inkomen van personen die een gezamenlijke huishouding, zoals bedoeld in artikel 3 van de Wet werk en bijstand, voeren meer bedraagt dan de in het Besluit gemeente Hoogeveen genoemde inkomensgrenzen voor de diverse categorieën, wordt het bezit van een personenauto algemeen gebruikelijk geacht, zodat een auto en de daarmee samenhangende gebruiks- en onderhoudskosten niet in aanmerking komen voor verstrekking of vergoeding. Artikel 23. Omvang in gebied en in kilometers 1. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal contact, dat uitsluitend door de belanghebbende zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de belanghebbende noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen. 2. De te verstrekken vervoersvoorziening of combinatie van voorzieningen maakt maatschappelijke participatie door middel van lokale verplaatsingen met een maximale omvang van 2000 kilometer per jaar mogelijk. Hoofdstuk 9 Het verkrijgen van voorzieningen Artikel 24. Wijze van aanvragen 1. Een aanvraag voor individuele voorzieningen wordt op de door het college vastgestelde wijze ingediend bij het college. 2. In afwijking van het eerste lid kan het college ambtshalve een besluit nemen tot verstrekking van een voorziening indien: het gaat om een herindicatie of aanpassing van een bestaande voorziening; er geen wezenlijke veranderingen zijn opgetreden in de persoonlijke omstandigheden. Artikel 25. Relatie AWBZ Cliënten met aanvragen voor AWBZ-voorzieningen zullen door het college doorgeleid worden naar het indicatieorgaan van de AWBZ. Artikel 26. Inlichtingen, onderzoek, advies en beschikking. 1. Het college is bevoegd, voor zover dit van belang kan zijn voor de beoordeling van het recht op een voorziening, degene door wie een aanvraag is ingediend te laten verschijnen voor het verstrekken van inlichtingen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip om aan een of meer daartoe aangewezen deskundigen inlichtingen te verstrekken en/of zich te laten onderzoeken. 2. Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien: het handelt om een aanvraag van een persoon die niet eerder een voorziening verstrekt heeft gekregen; de gevraagde voorziening om medische redenen wordt afgewezen; het college dat overigens gewenst vindt. Artikel 27. Beslistermijn 1. De termijn waarbinnen een besluit genomen moet worden bedraagt voor: hulp bij het huishouden: maximaal 8 weken; woonvoorziening: maximaal 12 weken; vervoersvoorziening: maximaal 8 weken; rolstoelvoorziening: maximaal 8 weken. 2. De termijn zoals genoemd in het eerste lid wordt verlengd met 4 weken als aan een adviesinstantie advies zoals genoemd in het tweede lid van artikel 27 wordt gevraagd. Artikel 28. Wijzigingen in de situatie Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is verstrekt, is verplicht aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening. Artikel 29. Intrekking van een voorziening 1. Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken indien: niet is voldaan aan de aan de voorziening verbonden voorwaarden; op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen. 2. Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken, indien blijkt dat de tegemoetkoming of het budget binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van het middel waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Artikel 30. Terugvordering 1. Wanneer een voorziening is ingetrokken, kan op basis daarvan reeds uitbetaalde financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget worden teruggevorderd. 2. Wanneer het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd. 3. Wanneer bij verantwoording van een persoonsgebonden budget is gebleken dat het budget geheel of ten dele niet is besteed aan een voorziening die voldoet aan het programma van eisen, kan het budget geheel of ten dele worden teruggevorderd. 4. Wanneer een met een persoonsgebonden budget aangeschafte voorziening niet meer gebruikt wordt voor het in de beschikking vastgelegde te bereiken doel, kan de voorzieningen worden teruggevorderd. 5. Een met een persoonsgebonden budget aangeschafte voorziening kan worden teruggevorderd als belanghebbende geen hoofdverblijf meer heeft in de gemeente. Hoofdstuk 10 Slotbepalingen. Artikel 31. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 32. Indexering Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening en het op deze verordening berustende Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Hoogeveen geldende bedragen verhogen of verlagen aan de hand van de prijsindex voor de gezinsconsumptie, zoals bepaald in artikel 4.5 lid 1 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning (Stb. 2006,450). Artikel 33. Inwerkingtreding. 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli 2011 met dien verstande dat het tweede lid van artikel 23 in werking treedt met ingang van 1 januari 2012. 2. De Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Hoogeveen 2008 wordt met ingang van 1 juli 2011 ingetrokken, met dien verstande dat aanvragen voor voorzieningen die gedaan zijn voor 1 juli 2011 worden afgehandeld op basis van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Hoogeveen 2008. Artikel 34. Citeertitel. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2011. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Hoogeveen op 7 juli 2011 De griffier, De voorzitter J.P. Wind, K.B. Loohuis Toelichting verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2011 Achtergrond Hoofdstuk 1. Algemene Bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen Wet College Besluit Beleidsregels Compensatieplicht Belanghebbende Algemene voorziening Algemeen gebruikelijke voorziening Voorliggende voorziening Wettelijk voorliggende voorziening Collectieve voorzieningen Individuele voorziening Voorziening in natura Persoonsgebonden budget Financiële tegemoetkoming Mantelzorger Gebruikelijke zorg Hoofdverblijf Eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten ICF classificatie Hoofdstuk 2. Doelgerichte Compensatie Artikel 2. De te bereiken doelen Artikel 3. Beperkingen Artikel 4. Samenhangende afstemming Hoofdstuk 3. Vormen van individuele voorzieningen Artikel 5. Mogelijke verstrekkingswijzen Artikel 6. Voorziening in natura Artikel 7. Financiële tegemoetkoming. Artikel 8. Persoongsgebonden budget Hoofdstuk 4. Eigen Bijdrage en eigen aandeel Artikel 9. Eigen bijdragen en eigen aandeel Hoofdstuk 5. Hulp bij het Huishouden Artikel 10. Doel en vormen van hulp bij het huishouden Artikel 11. Toekenning hulp bij het huishouden Hoofdstuk 6. Woonvoorzieningen Artikel 12. Doel en vormen van woonvoorzieningen. Artikel 13. Toekenning woonvoorzieningen Artikel 14. Uitsluitingen Artikel 15. Hoofdverblijf Artikel 16. Beperkingen woonvoorzieningen Artikel 17. Terugbetaling bij verkoop Hoofdstuk 7. Rolstoelvoorzieningen Artikel 18. Doel en vormen van rolstoelvoorzieningen Artikel 19. Toekenning rolstoelvoorzieningen Hoofdstuk 8. Vervoersvoorzieningen Artikel 20. Doel en vormen van vervoersvoorzieningen Artikel 21. Toekenning vervoersvoorzieningen Artikel 22. Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen Artikel 23. Omvang in gebied en in kilometers Hoofdstuk 9. Het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren van besluiten Artikel 24. Gebruik aanvraagformulier Artikel 25. Relatie AWBZ Artikel 26. Inlichtingen, onderzoek, advies en beschikkking Artikel 27. Beslistermijn Artikel 28. Wijzigingen in de situatie Artikel 29. Intrekking van een voorziening Artikel 30. Terugvordering Hoofdstuk 10. Slotbepalingen Artikel 31. Hardheidsclausule Artikel 32. Indexering Artikel 33. Inwerkingtreding Artikel 34. Citeertitel Achtergrond De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is op 1 januari 2007 van kracht geworden. De uitvoering van deze nieuwe wet is aanvankelijk wat betreft de individuele voorzieningen van prestatieveld 6 “beleidsarm” ingezet. Dat wil zeggen dat de bestaande regelgeving van de aan de Wmo voorafgaande Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) en de functie Huishoudelijke Verzorging (HV) uit de AWBZ zo veel mogelijk ongewijzigd in de nieuwe verordening werden opgenomen. De opbouw van deze verordening is geheel anders dan die van de voorafgaande verordening. In deze verordening ligt het zwaartepunt op het te behalen doel in plaats van op te verstrekken voorzieningen. De basis vormt een open gesprek waarin samen met de persoon die compensatie nodig heeft een zo volledig mogelijke inventarisatie gemaakt wordt van zijn situatie, zijn mogelijkheden en onmogelijkheden, zijn wensen en individuele specifieke kenmerken en de problemen die om een oplossing vragen. Leidend hierbij is het te bereiken doel. Op basis hiervan kan bekeken worden welke mogelijkheden er zijn om dit doel te bereiken met oplossingen die al voorhanden zijn, zoals eigen mogelijkheden, (wettelijk) voorliggende voorzieningen, algemene voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen of collectieve voorzieningen. In dat gesprek wordt duidelijk op welke punten nog individuele voorzieningen nodig zijn. Voor deze voorzieningen volgt dan een aanvraag. Door deze wijze van werken wordt het proces om te komen tot oplossingen in feite in twee delen gesplitst: een inventarisatiefase, gekarakteriseerd door het “gesprek” en een fase van aanvraag, beoordeling en toekenning van individuele voorzieningen. In de beleidsregels gaan we hier nader op in. Na de begripsomschrijvingen ligt de focus op de te bereiken doelen zoals geschetst in artikel 4 lid 1 van de Wmo (een huishouden voeren, zich verplaatsen in en om de woning, zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en medemensen ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aangaan) Er wordt uitgewerkt hoe de individuele voorzieningen in samenhang met eigen kracht en mogelijkheden van burgers in combinatie met algemene en collectieve voorzieningen kunnen bijdragen aan het behalen van de doelen. De voorwaarden worden hierbij uitgewerkt. Vervolgens komen een aantal algemene, soms procedurele regels aan bod. Hoofdstuk 1. Algemene Bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: Ad a. Wet Waar staat Wet wordt bedoeld de Wet maatschappelijke ondersteuning. Ad b. College Waar staat College wordt bedoeld: College van burgemeester en wethouders. Ad c. Besluit Waar staat Besluit wordt bedoeld: Besluit maatschappelijke ondersteuning Hoogeveen 2011. Ad d. Beleidsregels Waar staat Beleidsregels wordt bedoeld: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Hoogeveen 2011. Ad e. Compensatieplicht De compensatieplicht houdt een plicht in voor het college. Die plicht geldt in ieder geval ten aanzien van personen met een beperking, een chronisch psychisch of een psychosociaal probleem, waaronder ook ouderen kunnen vallen. Daarbij moet het gaan om ondervonden beperkingen op het gebied van de zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie. Doel is betrokkenen in staat te stellen een huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en om de woning, zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Bij wat het college ook besluit geldt: het moet gaan om maatwerk. Uitgegaan moet worden van de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager. Dat legt een beperking op aan de mogelijkheid algemene maatregelen te treffen, zoals het hanteren van primaten. Dat is toegestaan, mits in het individuele geval steeds wordt nagegaan of die algemene maatregel wel leidt tot maatwerk. Of zoals de Centrale Raad het zegt: “Onder omstandigheden kan dit (maatwerk) leiden tot het oordeel dat algemene keuzen die de gemeenteraad en het College bij de uitvoering van de artikelen 3, 4, 5 en 6 van de Wmo hebben gemaakt in het concrete, individuele geval niet kunnen worden toegepast wegens strijd met de in artikel 4 van de Wmo bedoelde compensatieplicht.” Ad f. Belanghebbende Doordat in de wet gesproken wordt over mantelzorgers en vrijwilligers als doelgroep voor de compensatieplicht, kan het begrip ‘belanghebbende’ ruimer zijn dan alleen betrokkene zelf. Daarom is het begrip belanghebbende opgenomen. Ad g. Psychosociaal probleem Het begrip psychosociaal probleem is vanuit de AWBZ in de Wmo opgenomen, maar inmiddels als “grondslag” uit de AWBZ geschrapt. Dit is gebeurd omdat gebleken is dat deze grondslag in de AWBZ financieel moeilijk te beheersen was. In de Wmo heeft – volgens de parlementaire behandeling - dit begrip een heel specifieke betekenis. Deze betekenis wordt hier als begripsomschrijving gehanteerd en is overgenomen uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 29-04-2009. LJN: BI6832). Het betreft vooral en verlies van zelfstandigheid of deelname aan het maatschappelijk verkeer, de kerndoelstelling van de Wmo. Ad h. Algemene voorziening Dit zijn voorzieningen, vooral diensten of een combinatie van dienst en product, die weliswaar niet bestemd zijn voor, noch te gebruiken zijn door alle inwoners; anderzijds zijn ze door iedereen waarvoor ze wel bedoeld zijn op eenvoudige wijze, zonder een ingewikkelde aanvraagprocedure, te verkrijgen of te gebruiken. Voorbeelden zijn: De dagrecreatie voor ouderen De sociale alarmering De boodschappenbus, de supermarktservice, de vrijwillige boodschaphulp De maaltijdservice en het eetcafé Klusjesdiensten om kleine woningaanpassingen te realiseren zoals de buurtconciërge, klussendienst, 55+service, thuiszorgservice De (ramen)wasservice Kinderopvang in al zijn verschijningsvormen Een algemene voorziening is dus per definitie geen individuele voorziening en de Wmo-regels rond eigen bijdragen/eigen aandeel gelden niet. Ad i. Algemeen gebruikelijke voorziening Volgens de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is een voorziening, met name producten, algemeen gebruikelijk als het gaat om een voorziening die niet speciaal bedoeld is voor mensen met een handicap, zodat de voorziening ook op grote schaal door niet-gehandicapten wordt gebruikt, die gewoon in een normale winkel te koop is en niet speciaal in de revalidatie-vakhandel of soortgelijke winkels en die qua prijs niet (aanzienlijk) duurder is dan vergelijkbare producten. De Centrale Raad heeft aangegeven dat als het gaat om vervanging van een zaak die (nog lang) niet afgeschreven is en als het gaat om een persoon die een inkomen heeft dat door onvermijdbare kosten op grond van de handicap onder de bijstandsnorm komt, wellicht een uitzondering op dit principe gemaakt moet worden. Ad j. Voorliggende voorziening Voorliggende voorzieningen kunnen zijn algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen of collectieve voorzieningen. Bij deze voorzieningen is de functie bepalend: zij gaan voor individuele voorzieningen. Ad k. Wettelijk voorliggende voorziening De wettelijk voorliggende voorzieningen zijn die voorzieningen in wetgeving en in regelgeving vastgelegd, die op basis van artikel 2 van de wet voorgaan op de Wmo. Te denken valt hierbij aan onder meer de Zorgverzekeringswet, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, de Wet op de kinderopvang, de verschillende arbeidsongeschiktheidswetten. Als een wettelijk voorliggende voorziening het probleem kan oplossen is er geen aanspraak op maatschappelijke ondersteuning op grond van de Wmo, zo is in artikel 2 Wmo bepaald. Ad. l. Collectieve voorzieningen Dit zijn Wmo-voorzieningen die individueel worden verstrekt maar die toch door meerdere personen tegelijk worden gebruikt. Tot nu toe is het collectief vervoer (CV) het meest duidelijke voorbeeld. CV is geen algemene voorziening, omdat de normale aanvraagprocedure geldt, er een beschikking wordt afgegeven en bezwaar en beroep mogelijk is. Op termijn zou het gehele CV een algemene voorziening kunnen worden à la de belbus. Ad. m. Individuele voorziening In dit lid wordt de individuele voorziening gedefinieerd. Deze is niet voor iedereen beschikbaar, maar uitsluitend voor diegenen die onder artikel 4 van de wet vallen. Er wordt individueel onderzoek gedaan naar de noodzaak van deze voorziening, de voorziening wordt bij beschikking toegekend en er staat bezwaar en beroep open. Verder zijn alle regels van de Wmo van toepassing, zoals die rond eigen bijdragen en eigen aandeel. Ad. n. Voorziening in natura Omschreven is in dit lid wat een voorziening in natura is Ad o. Persoonsgebonden budget Dit lid beschrijft het persoonsgebonden budget als een voor het te bereiken doel in te zetten geldbedrag. Ad p. Financiële tegemoetkoming Vervolgens wordt omschreven wat een financiële tegemoetkoming is. Daarbij wordt gesproken over een al dan niet forfaitair of gemaximeerd bedrag, een bedrag waarbij geen rekening is gehouden met het inkomen of met de werkelijke kosten. Ad q. Mantelzorger Dit geeft een begripsomschrijving van de mantelzorger. Daarvoor is aansluiting gezocht bij de begripsomschrijving van mantelzorg zoals de wet die geeft in artikel 1 lid 1 onder b. Ad r. Huisgenoot Deze begripsomschrijving vindt zijn oorsprong in het Protocol Gebruikelijke zorg, zoals tot aan de invoering van de wet door het Centrum Indicatiestelling Zorg werd toegepast als verzameling beleidsregels voor de AWBZ-indicatiestelling voor huishoudelijke zorg. In dit kader wordt een kamerhuurder niet als een huisgenoot aangemerkt. Ad s. Gebruikelijke zorg Als in een leefeenheid meerdere meerderjarige personen wonen hebben zij gezamenlijk de taak al het zich voordoende huishoudelijke werk te verrichten. Zij zijn zelf verantwoordelijk voor de verdeling en dit uitgangspunt heeft een verplichtend karakter. Ad. t. Hoofdverblijf Het begrip hoofdverblijf biedt nogal eens problemen. Het begrip is omschreven naar het aantal nachten dat men doorbrengt. Bij twijfel kan de plaats waar per jaar de meeste nachten worden doorgebracht, beschouwd worden als de plaats waar iemand zijn hoofdverblijf heeft. Dit kan een rol spelen als iemand meerdere plaatsen heeft waar een groot deel van het jaar wordt doorgebracht, zoals personen die het jaar deels in het buitenland doorbrengen, personen die deels in een AWBZ-instelling verblijven en deels elders, enz. Ad. u. Eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten De bevoegdheid voor het vragen van een eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten van een voorziening vloeit voort uit de wet. Deze wordt op het inkomen afgestemd en nader uitgewerkt in het Besluit maatschappelijke ondersteuning Hoogeveen 2011. Ad. v. ICF classificatie Het begrippenkader van de ICF biedt een uniform begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen. Hoofdstuk 2. Doelgerichte Compensatie Artikel 2. De te bereiken doelen Artikel 2 betreft de te bereiken doelen die afgeleid zijn uit de in artikel 4 van de Wmo genoemde doelstellingen van de compensatieplicht. Op deze 4 terreinen heeft het college een resultaatverplichting. Beschreven zijn welke individuele voorzieningen hiervoor door het college kunnen worden ingezet. Dit zijn voorzieningen die naast of aanvullend op algemene voorzieningen en eigen mogelijkheden van de aanvrager worden ingezet. Artikel 3. Beperkingen Er geldt een aantal beperkingen bij het verstrekken van voorzieningen. Lid 1 onder a. Daarbij gaat het college uit van de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager, zoals artikel 4 Wmo voorschrijft. "Uitgaan van" betekent dat het college die persoonskenmerken en behoeften als vertrekpunt van het onderzoek en de afweging neemt. Bij het onderzoek zal gekeken worden naar wat nodig is, wat mogelijk is en hoe maatwerk ten aanzien van de te bereiken resultaten mogelijk is. Het College kijkt daarbij ook naar de mogelijkheden van belanghebbende om het resultaat zelf te bereiken, bijvoorbeeld met een bepaald hulpmiddel. Lid 1 onder b gaat in op het onderdeel gebruikelijke zorg. Het bepaalt dat indien er sprake is van gebruikelijke zorg en er geen reden is om aan te nemen dat deze gebruikelijke zorg niet uitgevoerd kan worden, er in principe geen individuele voorziening toegekend zal kunnen worden. Omdat het om maatwerk gaat, zal ook hiernaar nauwkeurig onderzoek gedaan moeten worden. Zo wordt er rekening gehouden met huisgenoten uit de leefeenheid vanaf 18 jaar. Wanneer die in staat zijn huishoudelijke werkzaamheden die onder de compensatieplicht vallen over te nemen zal allereerst gekeken moeten worden of dit niet een voorliggende voorziening is. Alle huisgenoten vanaf 18 jaar zijn met elkaar verantwoordelijk voor het voeren van een huishouden. Dat betekent dat wanneer één van de huisgenoten die het huishoudelijk werk doet, uitvalt, via een herverdeling de andere huisgenoten deze taken zullen moeten overnemen. Alleen als er geen huisgenoten zijn of als de huisgenoten met enige regelmaat langdurig afwezig zijn zal er plicht tot compensatie bestaan. Ook aanwezige personen jonger dan 18 jaar, zoals thuiswonende kinderen, worden geacht hun bijdrage aan het huishouden te leveren door hun kamer bij te houden en hand- en spandiensten te verrichten. Compensatieplicht bestaat er uiteraard ook als de huisgenoot zelf ook niet in staat is het huishoudelijk werk te verrichten. Hiertoe zal al dat onderzoek gedaan moeten worden om dit vast te stellen. Niet gewend zijn huishoudelijk werk te verrichten is geen reden tot compensatie. Alleen dreigende overbelasting of bestaande overbelasting van huisgenoten, waaronder begrepen de kinderen, kan compensatieplicht betekenen. Door onderzoek zal deze overbelasting vastgesteld moeten worden. Lid 1 onder c bepaalt dat alle (wettelijk) voorliggende, algemeen gebruikelijke en voorzieningen die voor betrokkene beschikbaar en in praktijk ook daadwerkelijk bruikbaar zijn, eerst beoordeeld dienen te worden. Dat wil zeggen dat allereerst bekeken moet worden of via deze, in de maatschappij logischerwijs voorhanden voorzieningen, de te bereiken doelen ook daadwerkelijk bereikt kunnen worden. Dat kan nodig zijn omdat men niet altijd weet welke voorzieningen er normaal voorhanden zijn. Als deze voorzieningen toch niet leiden tot het te bereiken doel zal naar andere oplossingen gezocht moeten worden en komen individuele voorzieningen ter beoordeling in perspectief. Indien echter een voorliggende voorziening aanwezig is, waarmee het resultaat bereikt kan worden, bestaat er geen ruimte voor een individuele voorziening. Geen voorziening wordt toegekend indien de voorziening als algemeen gebruikelijk beschouwd dient te worden voor een persoon als de aanvrager. Lid 1 onder d bepaalt dat de voorziening als de goedkoopst-compenserende voorziening aangemerkt moet kunnen worden. Het gaat daarbij op de eerste plaats om een voorziening die compenserend is voor de ondervonden problemen, zodat het te bereiken doel daadwerkelijk bereikt kan worden. Maar wanneer dan meerdere voorzieningen compenserend blijken te zijn mag volstaan worden met de goedkoopste voorziening. Lid 1 onder e en f bepaalt dat het noodzakelijk is dat een voorziening langdurig noodzakelijk is. Op deze regel bestaat een duidelijke uitzondering: hulp bij het huishouden na een ziekte of ziekenhuisopname of vergelijkbare situaties. Als deze kortdurende hulp bij het huishouden binnen een gemeente niet geleverd kan worden als algemene voorziening, waardoor geen individuele voorziening meer nodig zal zijn, zal deze hulp als individuele voorziening verstrekt moeten worden. Deze uitzondering dient dan in de verordening te worden opgenomen. Wat langdurig noodzakelijk is, hangt geheel af van de situatie, maar ook een te bereiken resultaat voor een belanghebbende die terminaal is dient gerekend te worden tot langdurig noodzakelijk. De voorziening zal immers iemand gehele verdere leven noodzakelijk zijn. Lid 1 onder gbepaalt dat in situaties waarin bijvoorbeeld geen persoonsgebonden budget verstrekt wordt, ook al is dat aangevraagd, omdat zij vallen onder de formulering van artikel 6 Wmo: “ overwegende bezwaren” door het college opgenomen moeten worden in het Gemeentelijk besluit maatschappelijke ondersteuning. Dit omdat het aantal situaties nog zeer beperkt is maar in de loop der jaren meer situaties zullen ontstaan waarin tegen het verstrekken van een pgb overwegende bezwaren bestaan.. Dit kan zijn als vast staat dat belanghebbende niet in staat is de gelden te beheren. Of indien belanghebbende niet veilig of verantwoord kan om gaan met voorzieningen als bijvoorbeeld een scootermobiel. Ook kan dit een situatie zijn waarin het gaat om zeer kortdurende hulp bij het huishouden en het verstrekken van een persoonsgebonden budget niet praktisch uitvoerbaar is. Dit moet onderbouwd kunnen worden en uitzonderingen moeten mogelijk zijn. Zie ook CR 12012010 BL4037. Lid 2 onder abepaalt dat de compensatieplicht zich beperkt tot in de gemeente woonachtige personen. De plaats waar een persoon daadwerkelijk de meeste nachten per jaar doorbrengt. Lid 2 onder b regelt dat geen voorziening wordt toegekend als niet meer is na te gaan of de voorziening noodzakelijk was en of wel sprake was van een goedkoopst compenserende voorziening. Is de voorziening te duur geweest dan kan de gemeente volstaan met het vergoeden van een lager bedrag conform de goedkoopst-compenserende voorziening. Verder houdt de gemeente bij vervanging rekening met afschrijvingstermijnen. Lid 2 onder c regelt dat geen voorziening wordt verstrekt indien de eerder verstrekte voorziening nog niet is afgeschreven Lid 2 onder d bepaalt dat er sprake moet zijn van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor een voorziening wordt gevraagd. Zo hoeft bijvoorbeeld een beperking niet altijd te leiden tot extra kosten van het gebruik van de eigen auto als deze al langere tijd in gebruik is. Artikel 4. Samenhangende afstemming Lid 1bepaalt dat bij de vraag of er individuele voorzieningen noodzakelijk zijn het gaat om maatwerk uitgaande van de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager. De nadruk ligt op "het gesprek” waarbij degene die problemen ondervindt op het terrein waar de compensatieplicht van toepassing is, zich aanmeldt en na die aanmelding in gesprek komt met een vertegenwoordiger van het college. Samen met betrokkene en eventueel aanwezige mantelzorger(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.