Verordening op de heffing en invordering van rioolrecht 2002 De raad van de gemeente Landerd; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van Landerd d.d. 23 oktober 2001; B E S L U I T : Met ingang van 1 januari 2002 in te trekken de “Verordening Rioolrecht 1995” laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 9 november 2000, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten, die zich hebben voorgedaan voor deze datum. Vast te stellen de navolgende “Verordening op de heffing en invordering van rioolrecht 2002”. Artikel1Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt: onder gemeentelijke riolering mede het voor de openbare dienst bestemd gemeentewater begrepen; onder afvalwater verstaan water en stoffen, die worden afgevoerd via de gemeentelijke riolering; onder eigendom verstaan een roerende of een onroerende zaak; onder N.V. WOB wordt verstaan de naamloze vennootschap Waterleidingmaatschappij Oost-Brabant, gevestigd te ’s-Hertogenbosch; onder verbruiksperiode verstaan de periode, waarop de afrekening van N.V. WOB voor de levering van water betrekking heeft. Artikel2Belastbaar feit en belastingplicht 1.Onder de naam "rioolrecht" wordt een recht geheven van de gebruiker van een eigendom, van waaruit afvalwater direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd. 2.Met betrekking tot het recht als bedoeld in het eerste lid wordt als gebruiker aangemerkt: degene die naar de omstandigheden beoordeeld het eigendom al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt; ingeval een gedeelte van een eigendom - niet zijnde een gedeelte als bedoeld in artikel 3 - ten gebruike is afgestaan, degene die dat gedeelte in gebruik heeft afgestaan. Artikel3Zelfstandige gedeelten Indien gedeelten van een in artikel 2 bedoeld eigendom blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt het recht geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als een geheel worden gebruikt, deze als één eigendom worden aangemerkt. Artikel4Maatstaf van heffing 1.Het recht als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt geheven naar het aantal kubieke meters afvalwater, dat vanuit het eigendom wordt afgevoerd. 2.Het aantal kubieke meters afvalwater wordt gesteld op het aantal kubieke meters water, dat in de laatste aan het begin van het belastingtijdvak voorafgaande verbruiksperiode naar het eigendom is toegevoerd door de NV. WOB. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend. 3.De op voet van het tweede lid berekende hoeveelheid toegevoerd water wordt verminderd met de hoeveelheid water, die niet als afvalwater is afgevoerd. 4.Voor zover de gegevens als bedoeld in het tweede lid van dit artikel niet bekend zijn, wordt het waterverbruik door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde ambtenaar vastgesteld op basis van het verbruik van vergelijkbare eigendommen. Artikel5Tarief Het recht als bedoeld in artikel 2, eerste lid, bedraagt per maand van het belastingtijdvak bij een waterverbruik per belastingtijdvak van:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.