Verordening Toeslagen en Verlagingen Wet werk en bijstand 2004De raad van de gemeente Landerd; gezien het voorstel van het College van burgemeester en wethouders van 23 maart 2004, overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van toeslagen en het verlagen van uitkeringen van belanghebbenden bedoeld in artikel 8, eerste lid onderdeel c, van de Wet werk en bijstand bij verordening te regelen, gelet op artikel 30 van de Wet werk en bijstand, de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeentewet; B E S L U I T : vast te stellen de Verordening Toeslagen en Verlagingen Wet werk en bijstand 2004. Hoofdstuk1.Algemene bepalingen Artikel1 In deze verordening wordt verstaan onder: de wet: de Wet werk en bijstand (Stb. 2003, nr. 375); en de begrippen die in deze verordening voorkomen hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand is aangegeven. hulpbehoevende: degene die, indien hij niet tezamen met een ander in de woning zijn hoofdverblijf zou hebben, zou zijn aangewezen op beroepsmatige hulp zoals verzorging in een bejaardentehuis of in een andere inrichting ter verpleging of verzorging. Hoofdstuk2.Categorieën Artikel2 1.Voor belanghebbenden aan wie bijstand kan worden verleend, geldt een categorieaanduiding. 2.De categorieën worden aangeduid als: alleenstaande van 21 jaar of ouder, maar jonger dan 65 jaar; alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder, maar jonger dan 65 jaar; gehuwde, waarvan beide echtgenoten jonger zijn dan 65 jaar. Hoofdstuk3.Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm Artikel3 1.De bijstandsnorm wordt verhoogd met een toeslag indien de alleenstaande of de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander. 2.De toeslag wordt voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder, met zijn ten laste komende kinderen, bepaald op het in artikel 25, tweede lid, van de wet genoemde maximumbedrag, wanneer in de woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft. 3.De toeslag bedraagt voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder, met zijn ten laste komende kinderen, heeft 10% van het netto minimumloon, wanneer in de woning ook een ander zijn woonverblijf heeft. 4.De algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan worden geacht te kunnen worden gedeeld met een ander, die in de woning zijn hoofdverblijf heeft, indien door de ander kan worden beschikt over een inkomen dat gelijk is aan of hoger dan de vergoeding voor het levensonderhoud voor de studerende thuiswonende op grond van de Wet op de studiefinanciering, vermeerderd met 10% van het netto minimumloon. 5.De toeslag wordt, in afwijking van het bepaalde in het derde en vierde van dit artikel, eveneens bepaald op het in artikel 25, tweede lid van de wet genoemde maximumbedrag, ten aanzien van: de alleenstaande en de alleenstaande ouder die hulpbehoevende is; de alleenstaande en de alleenstaande ouder, die uitsluitend tezamen met één of meer hulpbehoevende(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.