(2005). In huidige versie van het bouwbesluit voor bestaande bouw staat aangegeven dat een brandcompartiment tot 3.000 [10] m2 voor lichte industriefuncties is toegestaan. Brandweerwet In artikel 1, lid 4 van de Brandweerwet zijn de taken van de brandweer omschreven. Dit artikel luidt: Burgemeester en wethouders hebben de zorg voor: Het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar, het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al wat daarmee verband houdt; Het beperken en bestrijden van gevaar voor mensen en dieren bij ongevallen anders dan bij brand. De taken die hier beschreven zijn in de veiligheidsketen kort samen te vatten met de schakels preventie en repressie (zowel brand als hulpverlening). Hoewel, niet expliciet genoemd zoals dat wel het geval fs bij hulpverlening, is de brandweer bij brand er ook voor het redden van mens en dier. Immers, dit is verwoord in het laatste gedeelte van sub a. "en al wat daarmee verband houdt". 4.3 Verouderde regelgeving In het Bouwbesluit dat van toepassing was voor 2003 zijn voor niet-woningen 2 functies omschreven te weten logiegebouwen en kantoorgebouwen. Andere gebouwtypes waren op dat moment niet beschreven. Dierverblijven werden dan ook veelal getoetst aan andere referentiekaders aangezien er alleen functionele eisen waren geformuleerd voor de gebouwen waarvoor geen prestatie eisen waren geformuleerd in het Bouwbesluit. In veel gevallen werd het boekwerk "Een brandveilig gebouw bouwen" van de Nederlandse Brandweer Federatie gebruikt. In het Bouwbesluit van 1992 was industriegebouw omschreven als: "gebouw of gedeelte van een gebouw, welk gebouw of welk gedeelte blijkens zijn constructie en inrichting is bestemd voor doeleinden van bedrijfsmatig of opslag van materialen of goederen, het bedrijfsmatig telen of opslaan van gewassen of het bedrijfsmatig houden van dieren". In het boekwerk "Een brandveilig gebouw bouwen [11]" zijn "eisen" opgenomen voor dit type gebouw. Deze eisen zijn opgenomen in bijlage A van dit rapport. Samenvattend komen de regels uit de NFB boek voor dierenverblijven (een verblijfsvloer tot 5 meter) neer op het volgende: 2.500 m2 gebruiksoppervlak voor een dierenverblijf; met uitzondering voor paarden-, pluimvee en varkensverblijven (maximaal 1.250 m2 gebruiksoppervlak) lengte van het compartiment maximaal 70 meter De brandwerendheid van de brandcompartimentswanden en/of vloeren hebben een waarde van ten minste 30 minuten. De variabele vuurlast dient beneden de 570 MJ/m2 te blijven. 4.4 Jurisprudentie Er zijn een aantal rechtelijke uitspraken die ingaan op de gestelde eisen van het bevoegde gezag ten aanzien van de grootte van het brandcompartiment. In deze paragraaf zal kort worden ingegaan op de kern van deze uitspraken. Afdeling bestuursrechtspraak, 10 oktober 1996, H 01.95.0356 Bij een bouwaanvraag voor het oprichten van varkenstallen heeft het college van burgemeester en wethouders bij de beoordeling een norm van 1.250m2 per brandcompartiment gehanteerd. De rechtbank concludeert dat een varkensstal als verblijfruimte en daarmee als verblijfsgebied aan te merken is.[12] Het college heeft bij de beoordeling advies ingewonnen bij diverse brandweren die uitgaan van een maximale brandcompartimentgrootte van 1.250 m2 zonder aanvullende eisen en voorzieningen. Deze grootte is een landelijk gemiddelde die later is overgenomen door de Nederlandse Brandweer Federatie. Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, 14 december 1998, K 01.98.0277 Brandcompartimentering van mestkuikenstal. De voorzitter is gebleken dat op grond van artikel 186 van het Bouwbesluit door burgemeesteren wethouders geëiste compartimentering van de stal niet onjuist is te achten. Burgemeester en wethouders hebben voor de desbetreffende stal, mede op basis van het advies van de Regionale Brandweer Zeeland, een norm van 1.250 m2 per brandcompartiment gehanteerd. Deze norm is ontleend aan de publicatie Een brandveilig gebouw bouwen van de Nederlandse Brandweer Federatie (1994, gewijzigd in 1997), waarin in artikel 10, lid 2, onder tabel 10-2 is gesteld: "voor dierenverzorgingsgebouwen voor varkens, pluimvee en paarden is de maximale compartimentgrootte 1.250 m2, waarbij de maximale lengte van het compartiment 70 meter mag bedragen". Voorzieningenrechter Rechtbank Almelo, 20 juli 2004, 04/582 De ambtenaar brandweerzaken/officier brandpreventie van de gemeente heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende kenbaar gemaakt, dat de onderhavige vleeskuikenstal een mate van veiligheid biedt die tenminste gelijk is aan de mate van veiligheid die is beoogd met de bij of krachtens artikel 186 van het Bouwbesluit gegeven voorschriften. In zijn memo wordt ten aanzien van compartimentering opgemerkt dat in de op dit bouwplan van toepassing zijnde voorschriften van het Bouwbesluit geen specifieke maat wordt gegeven voor de oppervlakte van een brandcompartiment. Nu er naar de menig van de ambtenaar geen gevaar is voor brandoverslag naar belendingen en niet te verwachten is dat er bij brand een onbeheersbare situatie zal ontstaan, is er volgens hem geen bezwaar tegen om de gebouwen -vleeskuikenstal en werkruimte/loods- te zien als twee afzonderlijke brandcompartimenten met een groter oppervlak dan 1.000 m
- De voorzieningenrechter acht deze memo al hierom niet adequaat nu daaruit niet valt op te maken dat de betreffende ambtenaar bij het opstellen van zijn advies een vleeskuikenstal voor ogen heeft gestaan bestaande uit twee afzonderlijke stalruimten met elk een vloeroppervlakte van circa 1.700 m2 en een lengte van ruim 89 m, zoals de Maatschap X die volgens de bouwtekeningen wenst te realiseren. Gelet op het vorenstaande is het onderhavige bouwplan in strijd met het Bouwbesluit en doet zich mitsdien de weigeringgrond als genoemd in artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet voor. Verweerder (het college) had de bouwvergunning voor een vleeskuikenstal met de thans voorziene constructie, zonder brandcompartimentering, dan ook op die grond moeten weigeren. Hoge Raad, afdeling bestuursrechtspraak, 5 juli 2006 Het college van B&W is bij het bepalen van de brandveiligheid (van een vleeskuikenstal) uitgegaan van de rapporten van DLV Bouw, milieu en technieK DLV) en van het Nibra. In het rapport van DLW wordt berekend dat de vergunde compartimentsgrootte van 3.445 m2 op grond van het concept "Beheersbaarheid van Brand" van het ministerie van Binnenlandse Zaken van oktober 1995 kan worden toegestaan. De juistheid van de door DLV uitgevoerde berekening wordt door het Nibrain zijn rapport bevestigd, waarbij opgemerkt wordt dat de berekening zelfs aan de ruime kant is. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het college van B&W op grond van genoemde rapporten het standpunt mocht innemen dat het bouwplan voldoet aan de in artikel 193 van het Bouwbesluit gestelde eise dat de mate van veiligheid van het gebouw ten minste gelijk is aan de mate van veiligheid die is beoogd met het betreffende bij of krachtens artikel 186 gegeven voorschrift. 4.5 Verwezen vanuit regelgeving Beheersbaarheid van Brand In 1995 heeft het ministerie van Binnenlandse Zaken het brandbeveiligingsconcept Beheersbaarheid van Brand gepubliceerd. Het doel van het rapport is het beperken van de branduitbreiding uit oogpunt van beheersbaarheid. Gelet op de specifieke kenmerken van zogenaamde 'slaapgebouwen' (hotels, gevangenissen e.d.) is dit concept op dit gebouwsoort niet van toepassing. Hoewel het de bedoeling was om beheersbaarheid van brand alleen te gebruiken voor opslaggebouwen wordt dit brandbeveiligingsconcept inmiddels voor vrijwel alle niet-slaapgebouwen gebruikt. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft de opdracht gegeven om het brandbeveiligingsconcept beheersbaarheid van brand te herschrijven. Verwacht wordt dat de nieuwe versie van dit concept in de eerste helft van 2007 wordt gepubliceerd. Uit een conceptversie [13] blijkt dat beheersbaarheid van brand niet toegepast mag worden op dierverblijven groter dan 2.500 m
- Bij een omvang minder dan 2.500 m2 is maatregelpakket I van toepassing. In dit basispakket is de totale vuurlast aan- en in het brandcompartiment beperkt tot 300 ton vurenhoutequivalent (= 5.700 GJ). De gemiddelde vuurbelasting geeft dan aan hoe groot het brandcompartiment mag zijn (maximaal 2.500 m2 voor dierverblijven). Wanneer het beoogde gebruik een hogere vuurlast inhoudt, is een onderverdeling in meer brandcompartimenten nodig. De eisen aan de omhulling van brandcompartimenten volgens pakket I, hangen vooraf af van de zogenaamde maatgevende vuurbelasting. Afhankelijk van de maatgevende vuurbelasting, de omvang van de brandscheidingen en de evntuele vrije ruimte langs gevels, moet men extra marge nemen in de WBDBO van de omhulling. De totale WBDBO-eis kan per zijde variëren van 60 tot 240 minuten. De aanbouw of opbouw vertaalt deze eis direct in onder andere de vereiste brandwerendheid van de scheidingswand. Het aantal enkelvoudig uitgevoerde verbindingen naar naburige compartimenten in deze scheiding is beperkt tot twee. Aanvullende verbindingen moeten dubbel worden uitgevoerd. Voor vrijstaande gegevels hangt de precieze eis mede af van de situering; vooral van de voor de gevel aanwezige afstand. De methode bevat een specifieke berekening van de afstandsbijdrage tot WBDBO. Overigens, wordt opgemerkt dat bij de toepassing van beheersbaarheid van brand er vanuit wordt gegaan dat de brand die beheerst moet worden, wordt beheerst door één standaard tankautospuit. Een brandveilig gebouw bouwen In een aantal documenten en uitspraken wordt verwezen naar de uitgave 'Een brandveilig gebouw bouwen' van de Nederlandse Brandweer Federatie. Op pagina 19 staat aangegeven een industriegebouw met een hoogste verblijfvloer lager dan 5 meter maximaal 2.500 m2 groot kan zijn. Hierbij wordt verwezen naar artikel 10 [14], lid 2 van de uitgave. In dit artikel wordt verwezen naar een tabel waarbij bij een industriegebouw een noot is aangetekend. Bij deze noot staat aangegeven: "Voor dierenverzorgingsgebouwen voor varkens, pluimvee en paarden is de maximale compartimentgrootte 1.250 m2, waarbij de maximale lengte van het compartiment 70 meter mag bedragen. In de toelichting op dit artikel staat aangegeven: "Als een richtlijn kunnen de uitgangspunten en de berekeningsmethoden worden gehanteerd die vermeld staan in het onderzoeksrapport uit de serie Brandbeveiligingsconcepten van het ministerie van Binnenlandse zaken Beheersbaarheid van brand met de bijbehorende berekeningsmethoden. Onder de categorie industriegebouwen vallen ook de zogeheten dierenverzorgingsgebouwen. In deze gebouwen komen zeer grote aantallen dieren voor, waardoor het redden van de dieren bij een calamiteit grote problemen kan opleveren. Voor bepaalde soorten dieren is een kleiner maximaal oppervlak van het brandcompartiment toegestaan." Brandbeveiligingsconcepten Het ministerie van Binnenlandse Zaken heeft in 1995 de brandbeveiligingsconcepten gepubliceerd. Deze concepten zijn niet bedoeld as regelgeving maar vormen wel een kader voor de regelgeving en kunnen gebruikt worden als leidraad voor de toetsing van een gelijkwaardige oplossing. Voor dierverblijven is het brandbeveiligingsconcept Industriegebouwen van toepassing [15]. Het brandbeveiligingsconcept beschrijft een aantal algemene uitgangspunten voor bouwwerken. Deze algemene uitgangspunten zijn: de kans dat gebruikers van een bouwwerk, brandweerpersoneel, andere hulpverleners en derden, slachtoffer worden van een brand moet aanvaardbaar klein zijn; een brand moet binnen aanvaardbare grenzen kunnen worden gehouden; de kans dat ten gevolge van brand niet-acceptabele milieuverontreiniging optreedt, moet aanvaardbaar klein zijn, en de kans op materiele schade ten gevolge van brand moet in een redelijke verhouding staan tot de kosten van maatregelen en voorzieningen om die schade te beperken. In het brandbeveiligingsconcept wordt niet gesproken over het redden van dieren, wel om neveneffecten te voorkomen. Tevens geeft het concept inzicht de maatregelen die genomen kunnen worden waaruit gelijkwaardigheid kan blijken/worden getoetst. 4.6 Overige Inventarisatie grote brandcompartimenten Het PRC Bouwcentrum heeft de opdracht gekregen om een inventarisatie te maken van grote brandcompartimenten. Aanleiding vormt de prestatie-eis voor brandcompartimenten, die sinds 1 januari 2003 [16] van kracht is, waardoor een brandcompartiment niet groter mag zijn dan 1.000 m
- Het PRC Bouwcentrum beschrijft in zijn rapport van april 2003 tien gebouwen maar geen van deze gebouwen is een stal/dierverblijf. Wel wordt in de inleiding aangegeven dat de koepelorganisatie LTO de overheid heeft verzocht om de grenswaarde van 1.000 m2 in heroverweging te nemen. "Gelet ook op het feit dat grotere brandcompartimenten ook in andere sectoren dan de landbouw worden toegepast, heeft de toenmalige Staatssecretaris van VROM, aan de Tweede Kamer toegezegd om in het algemeen te zullen bezien of het wenselijk en noodzakelijk is de functionele brandveiligheidseisen voor nieuwe gebouwen met grote brandcompartimenten (groter dan 1.000 m2) om te zetten in prestatie-eisen".[17] Het ministerie van VROM is gevraagd of er inmiddels op bovenstaande toezegging ontwikkelingen zijn te melden. Geantwoord [18] is dat het een beleidskeuze van zowel het ministerie van VROM als van het ministerie BZK is om dierenverblijven zowel in het rapport grote brandcompartimenten als in de nieuwe versie van beheersbaarheid van brand niet op te nemen/uit te sluiten. Er zal vanuit het ministerie van VROM geen andere aanpassing van de regelgeving op dit terrein plaatsvinden in de nabije toekomst. Brandweerzorgnormen Het ministerie van Binnenlandse Zaken heeft in 1992 de handleiding brandweerzorg gepubliceerd. In deze handleiding wordt een rekenmethodiek verklaard waaruit de gemeentelijke brandweer zijn brandweerzorg (de zorgnorm) kan afleiden. Op basis van de soorten gebouwen, de gevaren voor de aanwezige personen, de brandrisico's e.d kan worden bepaald met welk materieel binnen welke tijd bij welke type gebouw de brandweer aanwezig 'moet' zijn. Voor zogenaamde landbouwbedrijfsgebouwen [19] wordt aangegeven dat de brandweer met 10 minuten ter plaatse is met één tankautospuit. De te blussen brand bestaat uit 1 ruimte (het brandcompartiment) en de brand is uitslaand. De taken hierbij zijn: controle van de ruimte onder vermelde omstandigheden; controle van andere ruimten; het beheersen van de brand binnen 1 uur, en beheersen/blussen met hoge druk. Hierbij wordt uitgegaan dat: personeel wakend is, en er een gemiddelde ontwikkeling van brand is. Er is geen specifieke brandweerhulp nodig waarbij de brandweer alleen als taak heeft het doorzoeken van het gebouw om zeker te stellen dat iedereen het heeft verlaten. Afgevraagd moet worden of het beheersen/blussen van een uitslaande brand met hoge druk realistisch is. Discussiegroepen In een aantal forums zijn vragen gesteld over grote brandcompartimenten en dierverblijven. Hoewel in de conceptversie van Beheersbaarheid van Brand staat aangegeven dat dierverblijven/stallen zijn uitgesloten, zullen de discussies wel worden aangehaald. Reden is dat dit de enige discussies zijn op dit gebied en het nog niet zeker is of dit gebouwtype wordt opgenomen in de nieuwe versie van beheersbaarheid van brand en onder welke omstandigheden beheersbaarheid van brand wordt toegestaan. De algemene lijn van deze verschillende discussies/vragen is: Gestelde vraag: "Is levende haven onderdeel van de vuurlast?" [20]. De antwoorden/reacties: Wel bij kippen omdat deze dieren op een hoop gaan zitten en niet te redden zijn uit het gebouw. Tevens wordt aangegeven dat wanneer gekozen wordt voor geen binnenaanval de levende have moet worden meegenomen bij de variabele vuurlast. Tenslotte geeft iemand aan dat binnen zijn regionaal planbeoordelaarsoverleg is besloten geen gelijkwaardigheid toe te passen bij varkensverblijven groter dan 1.000m
- Gestelde vraag: "Mag ik beheersbaarheid van brand toepassen als gelijkwaardigheid in deze aanvraag (varkenstal, BC 8.000m2, dieren meegenomen uitkomst 17.000 m2 is toegestaan)?' [21] Reacties: Ja, wanneer ook de vluchtroutes e.d. voldoen. Gestelde vraag: "Kan ik een brandcompartiment maken groter dan 1.000m2 (rundvee, 1.400m2) [22]?" Ja, rapport beheersbaarheid van brand of sprinkler (onzin in een stal). Probleem lange aanvalsweg en (zeer) brandbaar hooi en veevoer in gangpaden. Probleem is redden van mens en dier. Gestresste dieren worden afgemaakt, waarom dan een gestresst dier redden. Gestelde vraag: "Tot welke omvang van een brandcompartiment ga je als je ook dieren wilt redden?" [23] Gestresste dieren worden afgemaakt. Het leefniveau van deze dieren is al zo laag, dus het maakt niet uit. Beleid van andere gemeenten Er zijn een aantal gemeente die beleid hebben geformuleerd en vastgesteld ten aanzien van beheersbaarheid van brand. Gemeente Hardenberg De gemeente Hardenberg heeft een beleid opgesteld voor het houden van kippen in grote brandcompartimenten. Echter, niet bekend is wat dit beleid inhoudt. Gemeente Den Bosch De gemeente Den Bosch heeft praktijkrichtlijn vastgesteld voor brandpreventie. Op hoofdlijnen zijn er eisen gesteld aan: Vuurlast; Afmetingen; Constructie; Vluchtwegen (afhankelijk van het soort dieren); Installaties en Blusmiddelen. Gemeente Someren De gemeente Sommeren heeft een soortgelijk document opgesteld als de gemeente Den Bosch met betrekking tot dezelfde onderwerpen waar zij (aanvullende) eisen stellen. Echter, deze zijn afhankelijk van de omvang van het brandcompartiment. Er wordt geen onderscheid gemaakt in het soort vee.
- De praktijk In dit hoofdstuk wordt de praktijk belicht. Immers, op papier kan een hoop goed geregeld zijn maar de praktijk is toch vaak de waarheid. Oftewel de vertaling van de theorie naar de praktijk. Naast een overzicht van branden in de afgelopen jaren in dierverblijven, wordt gekeken naar de bouw van dierverblijven. Hoewel de dierverblijven altijd lang en smal zijn, zijn er toch grote verschillen in opbouw, ventilatie en ontsluiting. In deze paragraven zal tevens worden beschreven wat de reactie (vluchtgedrag) van deze dieren is. Daarnaast zal de praktijk worden beschreven van een brandweerinzet. Om een goed beeld te krijgen van de verschillende stallen zijn er bezoeken afgelegd aan een kippenstal in Woudenberg en een varkensstal in Sint Hubertus. 5.1 Branden in dierverblijven In de afgelopen jaren zijn een aantal dierverblijven getroffen door brand. Voor dit onderzoek is via internet gezocht naar deze incidenten. Hieronder zijn deze incidenten opgesomd met daarbij enkele aanvullende gegevens. Rundvee Datum Plaats Dode dieren Geredde dieren Bijzonderheden 16-10-.... Hollandsche Rading 240 13 Slechte brandwerende scheiding, probleem waterwinning en flashover 31-05-2004 Hapert 84 Tractorbrand 17-12-2006 Sondel 10-15 ? 17-12-2006 Wijckel alle Brand ontstaan naast de melkstal Pluimvee 03-07-2001 Hollandscheveld ? ? Ventilatiesysteem 21-01-2002 Wedde 16.000 02-03-2002 Venlo 26.500 Straalkachel die houtkrullen liet ontbranden. Asbest 02-09-2002 Siddeburen 24.000 Asbest 25-03-2003 Mariahout ? ? Asbest (2 TS'n, 1 HW, 1 OvD en AGS 30-03-2003 Valtherblokken 20.000 kuikens Enkele kuikens 16-06-2005 Vinkel 25.000 kuikens Asbest 26-07-2005 Hazerswoude 30.000 kuikens Asbest. Schuur van 70x20 meter. Brandvertragend materiaal gebruikt. 09-10-2005 Scherpenzeel 46.000 Versnelling brandvoortplanting via droge brandbare ontlasting. Bluswater probleem. 25-10-2005 Oirlo 7.000 Asbest op dak 05-02-2006 Witharen 20.000 Schuur van 20x70 meter 30-04-2006 Bergentheim 20.000 Inzet 3 TS'n woning en andere schuur behouden. Varkens 25-01-2005 Oedelem 250 - Vallende brandende isolatieplaten 18-12-2006 Lemelerveld 300 - 5.2 Pluimveestal Hoewel het pluimee 'scharrelt' [24] in een stal, kunnen de dieren niet naar buiten. Deuren zijn slechts aanwezig om af en toe een schotel naar binnen te kunnen rijden en mansdeuren voor de werknemers. De deuren zijn aan de binnenzijde afgesloten om te voorkomen dat kwaadwilligen de deuren zullen openen. Er is een vorm van automatische ventilatie. Wanneer de temperatuur eem maximum bereikt, gaan ventilatoren warme lucht afvoeren. Frisse lucht wordt ingelaten door middel van luiken die handmatig of automatisch geoepend kunnen worden. Het is ook mogelijk dat er aan de bovenzijde kippengaas zit die aan de binnen- of buitenzijde kan worden afgesloten met zijl. Het is niet ongebruikelijk dat kippenschuren bestaan uit meerdere etage's, die niet brandwerend zijn gescheiden. De mest van kippen is droog. Er zijn kippenschuren die de mest met een lopende pand afvoeren. Echter, dit zal niet op alle plaatsen mogelijk zijn (looppaden). Hierdoor is het mogelijk dat de zeer brandbare mest zich opstapeld tot een koek van tenminste 4 centimeter dikte. Ook de eieren worden met een lopende band afgevoerd. De lopende banden zullen door (brandwerende) scheidingen lopen. Het kan voorkomen dat een kippenschuur is gecompartimenteerd met hekwerken vanaf de grond tot het plafond/de nok. Dit is om te voorkomen dat er paniekreacties van kippen als een soort van wave door de gehele schuur gaan, waardoor ophoping van kippen gaat ontstaan. Kippen kennen geen vluchtgedrag. Als ze buiten worden gebracht zullen ze weer naar binnen gaan. Daarnaast kruipen ze op elkaar op hopen. Een brandende kip zal proberen te vliegen en daarmee andere kippen aansteken. Pluimveestallen hebben in de meeste gevallen een omvang van 25.000 kippen per stal. Hieronder zijn een aantal foto's opgenomen die specifiek zijn kippenstallen Lopende band door BC-scheiding Lengte van, afstand tussen en verdiepingsvloeren in kippenschuren. Op basis van beheersbaarheid van brand toegestaan als 1 brandcompartiment (1 tankautospuit), 3 schuren met verdiepingen met kippen. Hoeveelheid dieren en lengte van dierenverblijf transportband met eieren 5.3 Varkensstal Een varkensstal is net zoals een kippenstal afgesloten zodat de dieren niet naar buiten kunnen. De dieren liggen in hun eigen box samen met de biggen. Het aantal dieren is niet te schatten aangezien alleen de zeugen en eventuele beren zijn geteld. Net zoals kippen kennen varkens geen vluchtgedrag en zullen weer terug gaan naar hun eigen box. Varkensstallen zijn zeer goed geïsoleerd. Vaak gebeurd dit met glaswol aangezien steenwol vocht opneemt. Dit glaswol is niet zeer brandbrandbaar maar levert wel een aanzienlijke rookbijdrage. Andere schuimachtige materialen zijn zowel zeer brandweer als ook leveren zij een forse rookbijdrage. Hoewel het uitdrijven van dieren een oplossing lijkt is dit een moeilijke opgave gelet op de grote hoeveelheid boxen die er zijn. Daarnaast zal niet bij elke type varkensschuur een opening zijn waardoor de dieren naar buiten kunnen. Afhankelijk van de wijze van fokken zal er weinig of veel brandbaar materiaal zoals hooi en stro aanwezig zijn. Gesteld kan worden, dat hoe intensiever de varkenshouderij is hoe moeilijker dieren gered kunnen worden. Hieronder zijn een aantal voorbeelden opgenomen van verschillende typen stallen. 5.4 Rundveestal Kenmerkend van een rundveestal is dat deze vaak aan één van de kopse kanten grote deuren heeft zodat de dieren de wei in kunnen. Ventilatie zal vaak op natuurlijke basis plaatsvinden in de zogenaamde open stallen. Tussen de wand en het dak is de opening afgesloten met zogenaamd windbreekgaas. In het gangpad ligt voedsel voor de dieren. Vaak is dat hooi (brandbaar) of kuilgras (vochtig). Rundvee laat zich makkelijk naar buiten drijven. Voordeel hierbij is dat er sprake is van kuddegedrag zodat als de voorste naar buiten gaat de rest zal volgen. foto: Veehouderij "De Verwondering" 5.5 Paardenstal In een paardenstal heeft elk paard zijn eigen box. De deuren van de stallen zijn van buitenaf te openen waarbij wordt aangetekend dat een paardenstal meerdere toegangen heeft. De gangpaden zijn doorgaans schoon en vrij van hooi en stro. Er zijn wel bepaalde plekken hiervoor gereserveerd in de stal. In de boxen ligt hooi/stro soms aangevuld met houtsnippers en/of zaagsel/houtmot. In een paardenstal is er sprake van natuurlijke ventilatie en zijn er geen isolatiematerialen aangebracht zoals bij varkensstallen. Paarden hebben vluchtgedrag en zullen elkaar volgen of bijelkaar blijven. Foto: Van der Lee Stalinrichting Foto: Boerderij De Verwondering 5.6 Repressieve inzet Aangezien geen enkele brand dezelfde is, kan niet gesteld worden dat er een standaard inzetprocedure is. Wel zijn de afwegingen van de repressief leidinggevende gebasseerd op een aantal vuistregels. Deze vuistregels zijn in volgorde: Eigen veiligheid; Redding; Uitbreiding voorkomen Blussen, en Nazorg. Als de eigen veiligheid 'gegarandeerd is' zal er vrijwel altijd gekozen worden voor redding als dat mogelijk is. Is dat niet het geval pas dan zal gekozen worden om uitbreiding te voorkomen. Hierbij zal de leidinggevende inzetten op overslag/doorslag naar een ander gebouw, zich niet realiserende hoe de brandcompartimentering is gerealiseerd of dat meerdere gebouwen tot hetzelfde brandcompartiment behoren. Hij zal handelen op basis van wat haalbaar is met zijn bemanning en middelen rekeninghoudend met eventueel andere voertuigen die hij laat alarmeren. Aangezien de stallen in landelijk gebied staan, speelt het voorhanden hebben van voldoende bluswater vrijwel altijd een groot probleem. Sloten zijn vaak te ondiep om voldoende water te kunnen leveren en primaire bluswatervoorziening is niet of beperkt voorhanden. Om een stal van 20 x 70 meter te kunnen "afgrendelen" naar een ander brandcompartiment zijn minimaal 2 voertuigen [25] nodig indien deze van 1 brandkraan hun water kunnen betrekken (die dus 'voor de deur' moet liggen). Dat dit een vrijwel idealistisch plaatje is, blijkt uit de inzetverslagen van de diverse branden die gewoed hebben in dierverblijven. Niet zelden wordt opgeschaald naar groot of zeer grote brand waardoor er minimaal 3 tot 4 blusvoertuigen staan. Hierbij komt dan nog het grootwatertransport dat nodig is om voldoende bluswater aan te voeren. Wanneer dan naar de theorie wordt gekeken dan wordt er standaard 1 tankautospuit gealarmeerd bij een brand waarbij een dierenverblijf in het geding is. Dit is ook niet onlogisch omdat in de theorie er vanuit wordt gegaan dat 1 brandcompartiment mag uitbranden en voorkomen moet worden dat een ander brandcompartiment vlam vat. Dus de tankautospuit zet in op behoud van het woonhuis en laat de stal branden. Hoewel theoretisch geheel juist is dit maatschappelijk niet aanvaard. Men verwacht dat de brandweer redt en blust.
- Conclusies Conclusie 1 Met ingang van 1 januari 2003 is niet meer toegestaan dierverblijven groter te bouwen met een groter gebruiksoppervlak dan 1.
- Vanaf 1 januari 2003 werd steeds vaker beheersbaarheid van brand toegepast als gelijkwaardige oplossing. De algemene discussie hierbij is/was: horen de dieren bij de vuurlast en hoe verstaat dit met de algemene taak van de brandweer. Conclusie 2 In de brandweerwet staat niet expliciet opgenomen dat de brandweer er is voor het redden van mens en dier (bij brand). Wel staat in lid 4, sub a van artikel 1 van de Brandweerwet "....het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al wat daarmee verband houdt". Onder deze laatste zinsnede kan het redden van mens en dier worden geschaard. Conclusie 3 Gelet op de branden die de afgelopen jaren gewoed hebben, het repressief optreden en het theoretische brandpreventiekader (beheersbaarheid van brand en de inzet van 1 tankautospuit) wordt geconcludeerd dat de theorie niet (meer) bij de praktijk aansluit. Deze ene tankautospuit kan de beginnende brand niet blussen aangezien in vrijwel alle gevallen de brand wordt ontdekt als deze uitslaand is. De enige optie is dan (vanuit de theorie) het opstellen van een scherm tussen beide brandcompartimenten (brandende stal en woning). Conclusie 4 De publieke/maatschappelijke opinie rondom het brandweeroptreden is naast preventie en repressie (blussen) ook het redden van dieren. Conclusie 5 Er kan/dient onderscheid gemaakt te worden in de grootte van het brandcompartiment/ dierverblijf en het soort vee dat daarin gehouden wordt. Dit onderscheid kan/moet gemaakt worden op basis van de repressieve inzet en de mogelijkheid om dieren te redden. Het is mogelijk en toegestaan om onderscheid te maken in compartimentsgrootte van dierverblijven. Dit is in het verleden onder andere gedaan door de NBF. Conclusie 6 Uit een conceptversie [26] blijkt dat beheersbaarheid van brand niet toegepast mag worden op dierverblijven groter dan 2.500 m2 en is maatregelenpakket 1 van toepassing. Bijlage A "Eisen" ten aanzien van Industriegebouwen uit een Brandveilig gebouw bouwen Bijlage B Leidraad toetsingskader beoordeling grote brandcompartimenten dierverblijven (nieuw bouw). Hieronder wordt de leidraad beschreven voor het toetsen van grote brandcompartimenten van dierverblijven. Om te voorkomen dat het een "onhandig" groot toetsingsprotocol wordt, is bij de afdelingen waarvan niet mag worden afgeweken volgens het besluit, alleen de verwijziging naar dit artikelen aangegeven. In dit toetsingsprotocol worden dus alleen de afwijkingen ten behoeve van de gelijkwaardige oplossing aangegeven. De volgorde waarin de betreffende afdelingen zijn beschreven is gelijk aan het toetsingsprotocol dat in het verleden is opgesteld door het Nibra (tegenwoordig het Nifv. Bouwbesluit Afdeling 2.22 Grote brandcompartimenten Artikel 2.200Een te bouwen bouwwerk met een brandcompartiment of een subbrandcompartiment, waarvan de gebruiksoppervlakte groter is dan de toelaatbare gebruiksoppervlakte als bedoeld in paragraaf 2.13.1, onderscheidenlijk 2.14.1, is zodanig ingericht dat het brandveilig is. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.200 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften. Tabel 2.200 Gebruiksfunctie Leden van toepassing Inrichting Vluchtroute Bestrijding van brand Artikel 2.201 2.202 2.203 Dierenverblijf * * * Artikel 2.201Een brandcompartiment en een subbrandcompartiment met een gebruiksoppervlakte die groter is dan de toelaatbare gebruiksoppervlakte als bedoeld in paragraaf 2.13.1, onderscheidenlijk 2.14.1, zijn zodanig ingericht dat het uitbreiden van brand wordt beperkt op een wijze die leidt tot een mate van brandveiligheid als beoogd met die paragrafen. Artikel 2.202De loopafstand tussen een punt in een brandcompartiment als bedoeld in artikel 2.201, en het aansluitende terrein is zodanig dat bij brand het aansluitende terrein snel en veilig kan worden bereikt op een wijze als beoogd met de paragrafen 2.16.1, 2.17.1, 2.18.1, 2.19.1 en 2.20.
- Artikel 2.203Een brandcompartiment als bedoeld in artikel 2.201, heeft zodanige voorzieningen dat een brand kan worden bestreden op een wijze die leidt tot een mate van brandveiligheid als beoogd met paragraaf 2.21.
- Afdeling 2.13 Beperking van uitbreiding van brand Artikel 2.103Een te bouwen bouwwerk is zodanig dat de uitbreiding van brand voldoende wordt beperkt. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.103 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften. Tabel 2.103 Gebruiksfunctie Leden van toepassing Grenswaarden Ligging Omvang WBDBO Zelfsluitende deuren Vloeroppervlak Hoogste verblijfsvloer Artikel Lid 2.104 1-7 2.105 1, 4, 6-8 2.106 1, 5, 7 2.107 2.205 toegevoegd lid Pluimveeverblijf * * * * 1.250 m2 3,5 meter Varkensverblijf * * * * 1.250 m2 3,5 meter Rundveeverblijf * * * * 2.500 m2 maaiveld Paardenverblijf * * * * 2.500 m2 maaiveld Afwijkingen: Artikel 2.105, lid 4, vloeroppervlaktes Artikel 2.105, toegevoegd lid Toevoeging De hoogste verblijfvloer van de betreffende gebruiksfunctie ligt niet hoger, gemeten vanaf het meetniveau, dan in tabel 2.103 is aangegeven. Artikel 2.106, lid 3, niet van toepassing Toelichting: Indien in het bouwwerk naast een dierenverblijf ook opslag van goederen (zoals hooi en stro) plaatsvindt of voertuigen worden gestald dan dienen: Voor brandbare, brandbevorderende of bij brand gevaar opleverde stoffen zoals bedoeld in artikel 2.104, lid 2 brandcompartimentering worden toegepast zoals bedoeld in de arikelen 2.105, lid 8 en artikel 2.106, lid 1 Tussen de stallingsruimte van voertuigen en het dierenverblijf dient een compartimentering te worden aangebracht met een minimale WBDBO waarde van 30 minuten Indien aan lid 1 niet wordt voldaan dien een vuurlastberekening te worden opgesteld door de aanvrager die onderdeel uitmaakt van de bouwvergunningsaanvraag. Uit een conceptversie blijkt dat beheersbaarheid van brand niet toegepast mag worden op dierverblijven groter dan 2.500 m
- Bij een omvang minder dan 2.500 m2 is maatregelpakket I van toepassing. In dit basispakket is de totale vuurlast aan- en in het brandcompartiment beperkt tot 300 ton vurenhoutequivalent (= 5.700 GJ). De gemiddelde vuurbelasting geeft dan aan hoe groot het brandcompartiment mag zijn (maximaal 2.500 m2 gram voor dierverblijven). Wanneer het beoogde gebruik een hogere vuurlast inhoudt, is een onderverdeling in meer brandcompartimenten nodig. De eisen aan de omhulling van brandcompartimenten volgens pakket I, hangen af van de zogenaamde maatgevende vuurbelasting. Afhankelijk van de maatgevende vuurbelasting, de omvang van de brandscheidingen en de evntuele vrije ruimte langs gevels, moet men extra marge nemen in de WBDBO van de omhulling. De totale WBDBO-eis kan per zijde variëren van 60 tot 240 minuten. De aanbouw of opbouw vertaalt deze eis direct in onder andere de vereiste brandwerendheid van de scheidingswand. Het aantal enkelvoudig uitgevoerde verbindingen naar naburige compartimenten in deze scheiding is beperkt tot twee. Aanvullende verbindingen moeten dubbel worden uitgevoerd. Voor vrijstaande gevels hangt de precieze eis mede af van de situering; vooral van de voor de gevel aanwezige afstand. De methode bevat een specifieke berekening van de afstandsbijdrage tot WBDBO. Afbeeldingen: Compartimentering in technische ruimte varkensstal. Compartimentering tussen 2 varkensstallen. Afdeling 2.14 Verdere beperking van uitbreiding van brandGeen bepalingen Afdeling 2.16 Beperking van verspreiding van rook Artikel 2.134Een te bouwen bouwwerk is zodanig dat bij brand rook zich niet binnen korte tijd kan verspreiden naar een ander deel van het bouwwerk zodat op veilige wijze het aansluitende terrein kan worden bereikt. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.134 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften. Tabel 2.134 Gebruiksfunctie Leden van toepassing Grenswaarden Ligging Omvang WRD Zelfsluitende constructie-onderdelen Loonafstand Artikel Lid 2.135 1-2 2.136 2-4, 7 2.137 2.138 2.136 lid 2 en 3 meter Dierenverblijf * * * * 45 Afwijkingen Artikel 2.136, lid 2 en
- Een langere loopai'stand als opgenomen in de tabel 2.134 is niet toegestaan. Toelichting Indien uit het oogpunt van bedrijfsvoering niet anders mogelijk een brandwerende scheidingsconstructie te kruisen (doorvoeringen, lopende banden etc), dienen deze doorvoeringen en openingen geen nadelige invloed hebben op de weerstand tegen branddoorslag. Afdeling 2.17 Vluchten binnen een rookcompartiment en een subbrandcompartiment Een te bouwen bouwwerk is zodanig dat een rookcompartiment en een subbrandcompartiment voldoende snel en veilig kan worden verlaten. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.145 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften. Afwijkingen Deze afdeling is van toepassing op de lichte industriefunctie (de dierverblijven). Echter, van uit praktisch oogpunt en de zeer geringe hoeveelheid mensen die gelijktijdig in een dierverblijf aanwezig zullen zijn is het niet reëel om deze voorwaarden te toetsen aan het ingediende bouwplan. Afdeling 2.18 VluchtroutesEen te bouwen bouwwerk heeft voldoende vluchtroutes waarlangs bij een brand een veilige plaats kan worden bereikt. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.153 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften. Tabel 2.153 Gebruiksfunctie Leden van toepassing Grenswaarden veilige plaats algemene uit rookcompartimenten uit sub-brandcompartiment vluchttrappenhuis rookcompartiment Artikel Lid 2.154 1-2 2.155 - 2.156 1-3, 6, 7, 11 2.157 - 2.158 - 2.156 6 m2 Dierenverblijf * - * - - 2.500 Afwijkingen 2.156, lid 5 is niet van toepassing (rookcompartiment = brandcompartiment) De grenswaarden van de artikel 2.156 zijn gesteld op B5 Afdeling 2.19 Inrichting van rookvrije vluchtroutesEen te bouwen bouwwerk heeft zodanig ingerichte vluchtroutes, dat in geval van brand snel en veilig kan worden gevlucht Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.166 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften. Tabel 2.166 Gebruiksfunctie Leden van toepassing Grenswaarden afmetingen doorgangen scheidings-constructie luchttoevoer en rookafvoer permanente vuurbelasting draairichting loopafstand opvangen doorstroom-capaciteit inrichting Artikel Lid 2.167 1 2.168 1-2 2.169 2.170 1 2.171 2-3 2.172 2.173 2.174 2.171 2 Dierenverblijf * * * - - - * - 1.125 m2 Afwijkingen De grenswaarden van de artikel 2.166 zijn gesteld op B5 Afdeling 2.2 Sterkte bij brandGeen gelijkwaardige oplossing mogelijk op grond van 2.200 tot en met 2.203 Afdeling 2.12 Beperking van ontwikkeling van brandGeen gelijkwaardige oplossing mogelijk op grond van 2.200 tot en met 2.203 Toelichting Hieronder is een voorbeeld opgenomen op welke wijze de onderzijde van het dak afgewerkt kan worden. Afbeelding: Afwerking binnenzijde (onderzijde dak) Afdeling 2.11 Beperkingen van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatieGeen gelijkwaardige oplossing mogelijk op grond van 2.200 tot en met 2.203 Afdeling 2.15 Beperking van ontstaan van rookGeen gelijkwaardige oplossing mogelijk op grond van 2.200 tot en met 2.203 Afdeling 2.20 Voorkoming en beperkingen van ongevallen bij brandEen te bouwen bouwwerk is zodanig dat personen kunnen worden gered en brand kan worden bestreden Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.183 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften. Tabel 2.183 Gebruiksfunctie Leden van toepassing Aanwezigheid Loopafstand Inrichting Artikel Lid 2.184 2.185 2.186 Dierenverblijf - - - Afwijkingen Artikel 2.184, niet van toepassing (hoogte wordt niet toegestaan) Artikel 2.185, niet van toepassing (de bouwwerken mogen niet zo hoog zijn waardoor brandweerliften en vluchttrappenhuizen worden gebruikt) Toelichting Een gemeentelijk beleid mag nooit landelijk geldende regelgeving overstijgen. In het Bouwbesluit is aangegeven dat voorde lichte industriefunctie er geen brandslanghaspels "geëist" kunnen worden. In deze beleidsregel kan dus ook niet geëist worden om brandslanghaspels aan te brengen ook niet voor het uitdrijven van dieren. Dringend advies De brandweer kan wel een dringend advies opnemen om deze slanghaspels op te nemen. Naast het blussen van brand, schoonmaakwerkzaamheden zijn deze slangen zeer goed te gebruiken om dieren uit te drijven zolang de veilige inzet van de brandweerlieden niet in het gevaar komt. Afdeling 2.21 Bestrijding van brandEen te bouwen bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor de bestrijding van brand, dat brand binnen redelijke tijd kan worden bestreden. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.190 voorschriften zijn aangewezen, wordt die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften. Tabel 2.190 Gebruiksfunctie Leden van toepassing aanwezigheid aantal veiligheid Artikel Lid 2.191 2.192 2.193 Dierenverblijf - - - Afwijkingen De artikel 2.191,2.192 en 2.193 niet van toepassing (hoogte wordt niet toegestaan) Afdeling 2.7 Electriciteit en noodverlichtingGeen gelijkwaardige oplossing mogelijk op grond van 2.200 tot en met 2.203 Afdeling 2.8 VerlichtingGeen gelijkwaardige oplossing mogelijk op grond van 2.200 tot en met 2.203 11de wijziging nvl)BV Hoofdstuk 2 (Aanvraag bouwvergunning), paragraaf 5 (Voorschriften van stedebouwkundige aard en bereikbaarheidseisen) Artikel 2.5.3 (11de wijziging (M)bv), lid 3 Een bouwwerk moet bereikbaar zijn met een brandweervoertuig tot op een afstand van maximaal 40 meter. Artikel 2.5.3 (11de wijziging (M)bv), lid 5 Bij de afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening. Toelichting: Onder "voldoende" wordt verstaan tenminste 90 rn3 per uur Onder "openbare bluswatervoorziening" wordt verstaan een bluswatervoorziening op het openbare drinkwaternet (brandkraan). De bedoelde openbare bluswatervoorziening dient op maximaal 80 meter van het bouwwerk aanwezig te zijn. Indien niet kan worden voldaan aan het bovenstaande dient: Er een bluswatervoorziening met een totale capciteit vn 60m3 per uur aanwezig te zijn op maximaal 200 meter afstand van het brandcompartiment Indien dierenverblijven aanwezig zijn die bestaan uit meer dan 1 brandcompartiment dan dient er een tweede bluswatervoorziening aanwezig te zijn binnen 200 meter van het voorste brandcompartiment met een capaciteit van tenminste 60m3 per uur. Deze tweede bluswatervoorziening mag de capaciteit van de eerste bluswatervoorziening niet nadelig beinvloeden. Onder "bluswatervoorziening" dient te worden verstaan: een drinkwaternet; een bluswaterriool; een reservior; een bluswatervijver, en/of een waterput of -bron. De bluswatervoorzieningen dienen wat betreft de aard, ligging en capaciteit te voldoen aan de uitgave "handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid" van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (september 2003) Onder primaire bluswatervoorziening moet worden verstaand: Het openbare drinkwaternet. Afbeelding: Voorbeeld van een eigen bluswatervoorziening Overige regelgeving/wet Milieubeheer Brandblusmiddelen Per brandcompartiment zijn tenminste 2 blustoestellen aanwezig geschikt voor de brandklassen ABC tussen de 6 en 12 kilo elk. Voor de projectering van de brandblustoestellen wordt verwezen naar de meest recente versie de NEN 4001 waarbij wordt aangetekend dat de waarde in tabel moet worden aangepast bij "industriefunctie" en wel "1 per 500 m2" in plaats van "1 per 250 m2". Opslag gevaarlijke stoffen Eventuele opslag van gevaarlijke stoffen ten behoeve van bijvoorbeeld een chemische luchtwasinstallatie of het aftanken van voertuigen moet plaatsvinden conform de vigenrende PGS-richtlijn. Fotografische afbeeldingen specifiek voor kippenstallen Afbeeldingen compartimentering varkensstallen ad Bijlage B Foto van een rundveestal Inrichting van een paardenstal Bijlage A Bijlage A vervolg Afbeeldingen compartimentering varkensstallen ad Bijlage B Afwerking binnenzijde (onderzijde dak) Voorbeeld van een eigen bluswatervoorziening Voetnoten [1] Een brandveilig gebouw bouwen (NBF, 2ds druk 1997), bladzijde
- [234] 2 Bouwbesluit 2003