Re-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ 2011Re-integratieverordening in het kader van artikel 8, lid 1, sub a van de WWB en artikel 35, lid 1, sub a van de IOAW/ IOAZ. Verordening conform de Wet werk en bijstand (WWB), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ). Deze verordening gaat over het bieden van ondersteuning gericht op het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid of maatschappelijke participatie met de daaraan verbonden verplichtingen van de belanghebbende. De raad van de gemeente Delft, gezien het voorstel van het college van 24-5-2011; gelet op artikel 6, 7, 8, 10 en 10a van de Wet werk en bijstand (WWB), artikel 34, 35 en 36 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), artikel 34, 35 en 36 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), artikel 3 Wet participatiebudget en artikel 149 van de Gemeentewet. voorts gelet op Verordening (EG) nr. 2204/2002 van de Europese Commissie van 12 december 2002 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG -Verdrag op werkgelegenheidssteun, Pb. 202, nr. L 337, Besluit: Vast te stellen de volgende verordening: RE-INTEGRATIEVERORDENING WWB, IOAW en IOAZ 2011 Hoofdstuk1.Algemene bepalingen Artikel1.Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: de wet: Wet werk en bijstand; doelgroep: Personen aan wie op grond van artikel 7, lid 1, sub a en artikel 10, lid 1 van de wet of artikel 34 van de IOAW/IOAZ door het college ondersteuning en een voorziening gericht op arbeidsinschakeling wordt geboden. uitkeringsgerechtigde: Persoon die algemene bijstand ontvangt op grond van de wet, of een uitkering ontvangt ingevolge de IOAW of de IOAZ; niet-uitkeringsgerechtigde: Persoon als bedoeld in artikel 6, lid 1 sub a, van de wet; Met een niet-uitkeringsgerechtigde wordt gelijkgesteld de persoon die arbeid verricht waarmee volledig in de kosten van het bestaan kan worden voorzien, doch waarvoor een vorm van subsidie aan de werkgever wordt verleend. Van toepassing is artikel 10, lid 2 van de wet; Anw -er: Persoon met een uitkering volgens de Algemene nabestaanden wet; het college: Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft; de raad: De gemeenteraad van de gemeente Delft; IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeids- ongeschikte werkloze werknemers; IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeids-ongeschikte gewezen zelfstandigen; belanghebbende: Persoon die overeenkomstig artikel 10 van de wet of artikel 36 van de IOAW/IOAZ aanspraak kan maken op ondersteuning en een voorziening, met inbegrip van de instelling of onderneming waaraan een werkgelegenheidsubsidie wordt toegekend; voorziening: Specifiek re-integratiemiddel gericht op arbeidsinschakeling, als bedoeld in artikel 7, lid 1, sub a van de wet, artikel 34, lid 1, sub a van de IOAW/IOAZ, en artikel 3 van de Wet participatiebudget; premie: De premie, als bedoeld in artikel 31, lid 1 sub j, van de wet die kan worden toegekend in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling; dienstbetrekking: Een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek dan wel een aanstelling als ambtenaar als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Ambtenarenwet, uitge-zonderd arbeidsovereenkomsten waarvan de bedongen arbeid wordt gesubsidieerd op grond van de wet en arbeids-overeenkomsten ingevolge de Wet sociale werkvoorziening; sociale activering: Het verrichten van onbeloonde maatschappelijke zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeids-inschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappe-lijke participatie; UWV WERKbedrijf: Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen WERKbedrijf; algemeen geaccepteerde Arbeid die maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht; arbeid: q.voorliggende voorziening: Elke voorziening buiten deze verordening waarop de belang-hebbende aanspraak kan maken dan wel een beroep kan doen ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven. Hoofdstuk2.Beleid en financiën Artikel2.Opdracht aan het college 1.Het college biedt aan de doelgroep ondersteuning en een voorziening gericht op het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid of, als dat doel niet of nog niet bereikbaar is, sociale activering. Artikel 40, lid 1 van de wet en artikel 11 van de IOAW/IOAZ is van overeenkomstige toepassing. 2.Bij het aanbieden van een voorziening maakt het college een afweging, waarbij beoordeeld wordt of de voorziening, gelet op de mogelijkheden en capaciteiten van de belanghebbende, het meest doelmatig is met het oog op inschakeling in de arbeid. 3.Het college kan bij het bepalen van het aanbod van voorzieningen prioriteiten stellen in verband met de financiële mogelijkheden en met maatschappelijke en economische ontwikkelingen. 4.Uitvoering van dit artikel vindt plaats binnen de daarvoor door de gemeenteraad beschikbaar gestelde middelen. Artikel3.Aanspraak 1.De doelgroep heeft aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op een voorziening, indien de inzet daarvan door het college noodzakelijk wordt geacht. Het college bepaalt welke voorziening of combinatie van voorzieningen wordt aangeboden. 2.De aanspraak op een voorziening is beperkt tot personen die woonplaats hebben in de gemeente Delft. Indien na aanvang van een voorziening de woonplaats van een rechthebbende wijzigt, is het college bevoegd te bepalen of de voorziening desondanks kan worden voortgezet. Van toepassing is artikel 40, lid 1 van de wet en artikel 11 van de IOAW/IOAZ. 3.Er bestaat geen aanspraak op ondersteuning of een voorziening indien sprake is van een voorliggende voorziening, welke naar het oordeel van het college in voldoende mate bijdraagt aan de re-integratie van de aanvrager. 4.Het college kan één of meerdere subsidie- of budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen. Een door het college ingesteld subsidie- of budgetplafond vormt een weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke voorziening. Artikel4.Uitbreiding doelgroep 1.In afwijking van artikel 3, lid 1, kan het college ondersteuning en een voorziening gericht op arbeidsinschakeling aanbieden aan personen zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet participatiebudget, indien de inzet daarvan door het college noodzakelijk wordt geacht. Indien het college daartoe besluit is artikel 5, lid 2 van toepassing. 2.Het college stelt regels met betrekking tot de uitvoering van dit artikel. Artikel5.Verplichtingen 1.De uitkeringsgerechtigde is vanaf de dag van de melding bij het UWV WERKbedrijf verplicht: naar vermogen te trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen die leidt tot uitkeringsonafhankelijkheid; ervoor te zorgen dat hij/zij geregistreerd is en blijft als werkzoekende bij het UWV WERKbedrijf; algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; na te laten hetgeen arbeidsinschakeling belemmert; mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid voor scholing of opleiding en aan scholing of een opleiding die het college noodzakelijk acht; een trajectplan, opgesteld door een van gemeentewege aangewezen re-integratiebedrijf, tijdig te ondertekenen; beschikbaar te zijn voor door het college aangeboden voorzieningen, mee te werken aan het verkrijgen van die voorzieningen, daarvan gebruik te maken en gehoor geven aan een oproep van de gemeente / re-integratiebedrijf om daartoe op een aangegeven tijd en plaats te verschijnen. 2.De persoon uit de doelgroep, niet zijnde een uitkeringsgerechtigde, is vanaf de dag van de melding bij het UWV WERKbedrijf verplicht: naar vermogen te trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; ervoor te zorgen dat hij/zij geregistreerd is en blijft als werkzoekende bij het UWV WERKbedrijf; algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; na te laten hetgeen arbeidsinschakeling belemmert; mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid voor scholing of opleiding en aan scholing of een opleiding die het college noodzakelijk acht; een trajectplan, opgesteld door een van gemeentewege aangewezen re-integratiebedrijf, tijdig te ondertekenen; beschikbaar te zijn voor door het college aangeboden voorzieningen, mee te werken aan het verkrijgen van die voorzieningen, daarvan gebruik te maken en gehoor geven aan een oproep van de gemeente / re-integratiebedrijf om daartoe op een aangegeven tijd en plaats te verschijnen. 3.De persoon die ondersteuning krijgt bij arbeidsinschakeling en deelneemt aan een voorziening is gehouden aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de IOAW, de IOAZ, de Wet Structuur Uitvoering Werk en Inkomen, deze verordening, alsmede aan de verplichtingen die het college aan de aangeboden voorziening heeft verbonden. 4.Indien een uitkeringsgerechtigde niet voldoet aan het gestelde in het eerste en derde lid, verlaagt het college de uitkering conform hetgeen hierover is bepaald in de Maatregelenverordening. 5.Indien een persoon, niet zijnde een uitkeringsgerechtigde, niet voldoet aan het gestelde in het tweede lid en derde lid, kan het college de kosten van de voorziening dan wel de subsidie geheel of gedeeltelijk terugvorderen. 6.Het college kan in individuele gevallen ontheffing verlenen van de verplichtingen genoemd in het eerste en tweede lid van dit artikel. 7.Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van het eerste, tweede en vijfde lid. Artikel6.Eigen bijdrage Het college kan bepalen dat een persoon, niet zijnde een uitkeringsgerechtigde, aan wie ondersteuning en een voorziening wordt aangeboden, een eigen bijdrage is verschuldigd. De wijze waarop, de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder een zodanige bijdrage wordt opgelegd, worden door het college vastgesteld. Artikel7.Beleidskaders 1.Periodiek, maar tenminste één keer per vier jaar, legt het college beleidskaders ter vaststelling voor aan de raad, waarin in ieder geval de aard, de omvang en het financiële kader van de aan te bieden voorzieningen aan de orde komt. 2.Periodiek, maar tenminste één keer per vier jaar, rapporteert het college de raad over de wijze waarop en de mate waarin beleidskaders, zoals bedoeld in het eerste lid, ten uitvoer zijn gebracht. Hoofdstuk3.Voorzieningen Artikel8.Algemene bepalingen over voorzieningen 1.In de beleidskaders zoals bedoeld in artikel 7 wordt vastgelegd welke voorzieningen het college in ieder geval kan aanbieden alsmede de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen. 2.Een voorziening wordt alleen ingezet als zonder die voorziening het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid naar het oordeel van het college niet mogelijk is. 3.Bij de inzet van voorzieningen kiest het college voor die voorziening die beschikbaar, adequaat en toereikend is voor het doel dat met het traject beoogd wordt. 4.Het college kan een voorziening beëindigen: a.indien de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in artikel 4 van deze verordening, artikel 9 van de wet, artikel 37 van de IOAW/IOAZ niet nakomt; b.indien de persoon die deelneemt aan de voorziening niet meer behoort tot de doelgroep van de wet, de IOAW of de IOAZ; c.indien de persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt en hierdoor uitkerings-onafhankelijk wordt; d.indien naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling. Artikel9.Gesubsidieerde arbeid 1.Indien arbeidsinschakeling in een reguliere werkkring naar het oordeel van het college nog niet mogelijk is, kan het college voor een persoon uit de doelgroep een arbeidsovereenkomst tussen de belanghebbende en een werkgever subsidiëren, al dan niet in aansluiting op één of meer andere voorzieningen. 2.Het college stelt regels over de hoogte van de subsidie, zoals bedoeld in het eerste lid, de voorwaarden waaronder deze subsidie wordt toegekend en de voorwaarden die aan het ontvangen van deze subsidie worden verbonden. 3.Indien arbeidsinschakeling in een reguliere werkkring naar het oordeel van het college nog niet mogelijk is, kan het college aan een persoon uit de doelgroep een dienstverband aanbieden, gericht op arbeidsinschakeling; 4.De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid, zoals bedoeld in het derde lid, gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst. 5.Het college stelt regels met betrekking tot de voorwaarden waaronder de detachering, zoals bedoeld in het vierde lid, wordt toegekend. Artikel10.Werken met behoud van uitkering 1.Het college kan aan een uitkeringsgerechtigde toestaan met behoud van uitkering gedurende ten hoogste 24 uur per week activiteiten te verrichten bij een werkgever. Deze activiteiten dienen gericht te zijn op arbeidsinschakeling, zo mogelijk bij de werkgever die de werkplek aanbiedt. 2.Het college stelt regels met betrekking tot de voorwaarden die aan het werken met behoud van uitkering zijn verbonden. Artikel11.De loonkostensubsidie 1.Het college kan subsidie verstrekken aan werkgevers die met een persoon uit de doelgroep een arbeidsovereenkomst sluiten gericht op arbeidsinschakeling in een reguliere werkkring. 2.Het college stelt regels ten aanzien van de duur van de subsidie, de hoogte en de verplichtingen die aan de subsidie worden verbonden. Artikel12.Premies 1.Het college kan aan personen die behoren tot de doelgroep een premie toekennen. 2.Het college stelt regels ten aanzien van de hoogte en de verplichtingen die aan de premie worden verbonden. Artikel13.Persoonsgebonden re-integratiebudget 1.Het college kan aan personen die behoren tot de doelgroep een subsidie verstrekken in de vorm van een op arbeidsinschakeling gericht persoonsgebonden re-integratiebudget. 2.Het college stelt regels met betrekking tot de uitvoering van dit artikel. Hoofdstuk4.Slotbepalingen Artikel14.Bevoegdheid college 1.In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het College. 2.Het College kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel15.Overgangsrecht Wiw en I/D regelgeving Met de inwerkingtreding van deze verordening gelden de dienstbetrekkingen, bedoeld in artikel 4 van de Wet Inschakeling Werkzoekenden en arbeidsovereenkomsten als bedoeld in artikel 5, eerste lid van die wet en de dienstbetrekkingen als bedoeld in artikel 6 van het Besluit Instroom en Doorstroombanen, als voorzieningen in artikel 7, lid 1, sub a van de wet. Artikel16.Inwerkingtreding 1.Deze verordening treedt in werking met ingang van 15 juli 2011 en heeft onmiddellijke werking. 2.In afwijking van het eerste lid is artikel 5, lid 1, onder f, niet van toepassing op diegenen die reeds een IOAW- of IOAZ-uitkering ontvangen op de datum van inwerkingtreding van deze verordening. Artikel17.Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald als: de Re-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ 2011 . Artikel18.Intrekking bestaande verordeningen Met de inwerkingtreding van deze verordening wordt de “Re-integratieverordening Wet werk en bijstand met reg.nr. 359105 ingaande op 1 juli 2008 ” ingetrokken. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 30 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.