Bouwverordening HOOFDSTUK1Inleidende bepalingen Artikel1.1Begripsomschrijvingen 1.In deze verordening wordt verstaan onder: Asbest: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, onder a van het Asbes
Artikel2
.6.9Aanwezigheid van
Artikel2
.6.10Kwaliteit van
Artikel2
.6.11Gelijkwaardigheid Vervallen Artikel2.6.12Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten Vervallen §7Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen Artikel2.7.1Eis tot aansluiting aan de waterleiding De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan het distributienet van de openbare waterleiding: indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtstbijzijnde leiding van het distributienet is gelegen; of indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtstbijzijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 50 m. Artikel2.7.2Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare-distributienet voor elektriciteit: indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtstbijzijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 100 m. Artikel2.7.3Eis tot aansluiting aan het aardgasnet 1.De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor aardgas: indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m. afstand van de dichtstbijzijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m. Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid op woningen, waarin voor het kunnen koken een andere energiebron dan gas aanwezig is en voor verwarming geen individuele aansluiting van gastoevoer nodig is. 2.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid: voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m²; voor woningen die niet bestemd zijn om te worden verhuurd; voor woningen met een aansluiting op een gemeenschappelijke of publieke voorziening voor verwarming, als bedoeld in artikel 2.69 van het Bouwbesluit (warmtedistributienet). Artikel2.7.4Eis tot aansluiting aan de openbare riolering 1.De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzie-ningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, alsmede de in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten zijn aangesloten aan een openbaar riool. Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid: in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig is; voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd. 2.Op aanwijzing van het bouwtoezicht moet worden bepaald; op welke plaats, op welke hoogte en met welke binnenmiddellijn de voor het maken van de aansluiting noodzakelijke leiding of leidingen de gevel van het gebouw dan wel de grens van het erf of terrein moet of moeten kruisen; of er al dan niet voorzieningen in die aansluitingsleiding moeten worden tussen geschakeld ter voorkoming van het terugvloeien van afvalwater, faecaliën en hemelwater, ingeval de leiding te laag gelegen is om op natuurlijke wijze op het openbaar riool te lozen. 3.Op aanwijzing van het bevoegd gezag krachtens de Wet Milieubeheer moet worden bepaald of er al dan niet voorzieningen in de bedoelde aansluitleiding moet worden tussen geschakeld ter verzekering van de goede werking of de goede staat van het openbaar riool, dan wel ter voorkoming van hinder voor andere aangeslotenen aan het openbaar riool, ingeval de hoeveelheid of de aard van de af te voeren stoffen daartoe aanleiding geeft. 4.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op een andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem of lucht mogelijk is: voor bouwwerken die op een grotere afstand van 40 m. van een openbaar riool zijn gelegen; voor agrarische bedrijven. Artikel2.7.5Aansluiting anders dan aan de openbare riolering 1.Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, alsmede de in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van hemelwater niet aan een openbaar riool worden aangesloten, gelden de volgende bepalingen: leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten met waterspoeling, moeten lozen op een rottingput met overstort; leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder waterspoeling, moeten lozen op een mestkelder of een beerput zonder overstort, een gierput of een rottingput met overstort; leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden; leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput. 2.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder a en b, indien afvoer op andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem en lucht mogelijk is. Artikel2.7.6Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen 1.Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk haaks plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn aangewerkt. 2.De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de dichtheid van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige zetting van het bouwwerk of de buitenriolering. 3.In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen beerputten of rottingputten voorkomen. 4.Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen geen vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten een vloeiend beloop hebben, alsmede een voldoende lucht en waterdichtheid en een voldoende binnenwerkse middellijn. Aan beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, uitgave
- 5.Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding voor de afvoer van afvalwater, faecaliën en hemelwater ter plaatse waar zij de grens van de weg kruist, een binnenwerkse middellijn hebben van ten minste 125 mm. 6.Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken van leidingen van de bui-tenriolering op erven en terreinen moeten doeltreffend zijn. Aan deze eis wordt geacht te zijn vol-daan, indien wordt voldaan aan het bepaalde in de NEN-normen die zijn opgenomen in bijlage
- Artikel2.7.7Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich te zamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd. HOOFDSTUK3De melding Artikel3.1De wijze van melden Vervallen Artikel3.2Welstandscriteria Vervallen HOOFDSTUK4Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van een bouwwerk Artikel4.1Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden Vervallen Artikel4.2Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk, aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven: de omgevingsvergunning voor het bouwen; andere toestemmingen; het bouwveiligheidsplan; een besluit ingevolge artikel 13, 13a en 14, tweede lid, sub b van de Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom. Artikel4.3Wijzigingen in gegevens bouwregistratie Vervallen Artikel4.4Het uitzetten van de bouw Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend mag - onverminderd het in de voorwaarden van een omgevingsvergunning voor het bouwen bepaalde - niet worden begonnen alvorens door of namens het bevoegd gezag voor zover nodig: het straatpeil is aangegeven; de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet. Artikel4.5Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden 1.Het bouwtoezicht dient - voor zover het betreft bouwwerken waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend en onverminderd het bepaalde in de voorwaarden van een omgevingsvergunning voor het bouwen - ten minste twee dagen voor de aanvang van elk der hierna te noemen onderdelen van het bouwproces in kennis te worden gesteld: de aanvang der werkzaamheden, ontgravingswerkzaamheden daaronder begrepen; de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het slaan van proefpalen daaronder begrepen; de aanvang van de grondverbeteringswerkzaamheden. 2.Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te worden gesteld van het storten van beton. 3.Het bouwtoezicht dient ten minste een week van tevoren in kennis te worden gesteld van het voornemen om een werktuig te gebruiken, dat schade of ernstige hinder voor de omgeving kan veroorzaken. 4.De in het eerste, tweede en derde lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden. Artikel4.6Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze verordening en van het Bouwbesluit nodig acht. Artikel4.7Bemalen van bouwputten Bij het bemalen van een bouwput of bouwputten, een leidingsgleuf of een andere tijdelijke ontgraving ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op zodanige wijze water aan de bodem worden ont-trokken, dat een verlaging van de grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de veiligheid van die bouwwerken schaadt. Artikel4.8Veiligheid op het bouwterrein 1.Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat, moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in de weg gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers. 2.Op een terrein, waarop een bouw of grondwerk wordt uitgevoerd moeten, wanneer er niet wordt gewerkt - rustpauzen tijdens de dagelijkse werktijd niet inbegrepen -: de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van de uitvoering van het bouw en grondwerk, in hun geheel op zodanige wijze zijn uitgeschakeld, dat het weer in gebruik stellen van de installaties door anderen dan daartoe bevoegde personen niet zonder meer mogelijk is; machines en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige toestand, dat deze dan wel mechanismen daarvan, niet zonder meer door anderen dan de daartoe bevoegde personen in werking kunnen worden gesteld; 3.Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer elektrisch aangedreven bemalingspompen, indien de omstandigheden vereisen dat de voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid voldoende is gewaarborgd. 4.Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit veiligheidsoogpunt nodig zijn. Artikel4.9Afscheiding van het bouwterrein 1.Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of hinder te duchten is. 2.De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere openbare voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt belemmerd. 3.Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt, tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht. Artikel4.10Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder 1.Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen, transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van goed en veilig werk en in goede staat van onderhoud verkeren. 2.Het is verboden bij de uitvoering van een bouw of grondwerk een werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de omgeving optreedt. 3.Het bevoegd gezag kan het gebruik van een werktuig, dat schade of ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan veroorzaken, verbieden. 4.Het bevoegd gezag kan voorschrijven, dat voor een op een werk te gebruiken krachtwerktuig: uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd, en/of de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet mag worden gebruikt. 5.Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van toepassing indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde Milieuwet van toepassing is. Artikel4.11Bouwafval 1.Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in de volgende fracties: de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9); steenwol, mits dit meer dan 1m³ per bouwproject bedraagt; glaswol, mits dit meer dan 1m³ per bouwproject bedraagt; overig afval. 2.Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid, onder d, en de fracties bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten op de bouwplaats gescheiden worden gehouden. 3.Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een bouwproject, minder bedraagt dan de inhoud van één container van 10m³, mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht, dit bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag. Artikel4.12Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden. 1.Van het gereedkomen: van putten en van grond- en huisaansluitleidingen van de riolering, alsmede van leidingdoorvoeren en mantelbuizen door wanden en vloeren beneden straatpeil; van de thermische isolatie in de spouw van wanden, alsmede van de thermische isolatie in andere besloten constructies moet het bouwtoezicht onmiddellijk na de voltooiing van de onder a en b bedoelde werkzaamheden in kennis worden gesteld. 2.Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking heeft, mogen niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het oog worden onttrokken gedurende twee dagen na het tijdstip van kennisgeving. 3.Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de omgevingsvergunning voor het bouwen verbonden voorwaarden een plicht tot kennisgeving van voltooiing is bepaald. 4.Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de omgevingsvergunning voor het bouwen betrekking heeft, wordt het einde van die werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld. 5.De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden. Artikel4.13Melden van werken bij lage temperaturen 1.Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-, metsel of buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten minste twee dagen voor het begin van het desbetreffende werk in kennis worden gesteld van de te treffen maatregelen ten behoeve van: het niet verwerken van bevroren materialen; het verkrijgen van een goede binding en verharding; de bescherming van het desbetreffende werk na de voltooiing tegen vorstschade, zolang het nog onvoldoende is verhard of de temperatuur nog beneden 2 graden Celsius is. 2.De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden. Artikel4.14Verbod tot ingebruikneming Het is verboden na de bouw van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is verleend, het bouwwerk in gebruik te geven of te nemen, indien het bouwwerk niet gereed is gemeld bij het bouwtoezicht. Artikel4.15 Vervallen HOOFDSTUK5Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte §1Staat van open erven en terreinen Artikel5.1.1Staat van onderhoud van open erven en terreinen 1.Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden. 2.Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor de veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor de gebruikers of anderen, ten gevolge van: drassigheid; stank; verontreiniging; aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte; aanwezigheid van begroeiing. Artikel5.1.2Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen 1.Indien de toegang van een gebouw meer dan 10 meter is verwijderd van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen. 2.Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet, tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voorschriften heeft vastgesteld: een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van ten minste 4,2 m; zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en op doeltreffende wijze kunnen afwateren.’ 3.Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover dat bijgebouw niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is gelegen. 4.Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto's aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen. 5.Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening. Artikel5.1.3Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten 1.Tussen de toegang van enerzijds: een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit; een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit; en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pas aanwezig zijn. 2.Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij: ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m, tenzij dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit. §2Staat van brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen. Artikel5.2.1Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
Artikel5
.2.2Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in gebouwen niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of kantoorgebouwen Vervallen Artikel5.2.3Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in woongebouwen van bijzondere aard Vervallen Artikel5.2.4Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in logiesverblijven en logiesgebouwen Vervallen Artikel5.2.5Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in kantoorgebouwen Vervallen §3Aansluiting op de nutsvoorzieningen Artikel5.3.1Eis tot aansluiting aan de waterleiding De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan het distributienet van de openbare waterleiding: indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtstbijzijnde leiding van het distributienet is gelegen; of indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtstbijzijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 50 m. Artikel5.3.2Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor elektriciteit: indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtstbijzijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 100 m. Artikel5.3.3Eis tot aansluiting aan het aardgasnet De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor aardgas: indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtstbijzijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m. Niet van toepassing is voorgaande eis op: woningen, waarin voor het kunnen koken een andere energiebron dan gas aanwezig is en voor verwarming geen individuele aansluiting van gastoevoer nodig is; woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m²; woningen die niet worden verhuurd; woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingsnet. Artikel5.3.4Eis tot aansluiting aan de openbare riolering 1.De in artikel 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, alsmede de eventueel in of aan bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3.6, op een doeltreffende wijze zijn aangesloten aan een openbaar riool.’ 2.Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid: in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig is; op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een openbaar riool zijn gelegen; voorzover uitsluitend hemelwater wordt geloosd; op agrarische bedrijven waarin de faecaliën voor bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe voldoende ruime mestkelder, gier of beerput aanwezig is. Artikel5.3.5Aansluiting anders dan aan de openbare riolering Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is, gelden de volgende bepalingen: voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten met waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met een doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig zijn, tenzij de faecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden worden gebruikt; voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput zonder overstort, een doeltreffende gierput of een doeltreffende rottingput met overstort aanwezig zijn, alsmede een doeltreffende aansluitleiding tussen die toiletten en de genoemde put, tenzij op andere zodanige wijze wordt geloosd dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden; leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden; leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput. Artikel5.3.6Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel5.3.7Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd. §4Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid. Artikel5.4.1Preventie Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het bouwwerk zich in een zindelijke staat bevindt. HOOFDSTUK6Gebruiksvergunning en gebruikseisen §1Gebruiksvergunning. Artikel6.1.1Vergunning gebruik bouwwerk 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een gebruiksvergunning van burgemeester en wethouders een bouwwerk in gebruik te hebben of te houden, waarin: meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zullen zijn, anders dan in een één- of meergezinshuis; aan meer dan vier personen bedrijfsmatig woon- en/of nachtverblijf zal worden verschaft (verblijfsinrichting); aan meer dan vier personen in het kader van verzorging nachtverblijf zal worden verschaft; aan meer dan tien kinderen jonger dan twaalf jaar, of aan meer dan tien lichamelijk en/of verstandelijk gehandicapten dagverblijf zal worden verschaft. 2.Burgemeester en wethouders kunnen aan de gebruiksvergunning slechts voorwaarden verbinden in het belang van het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgebaar en het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand. 3.Onverminderd het bepaalde in het tweede lid en artikel 7.1.1 kunnen burgemeester en wethouders ten aanzien van de in het eerste lid onder b genoemde bouwwerken aan de gebruiks-vergunning voorwaarden verbinden met betrekking tot het maximum aantal bewoners per verblijfs-ruimte of per bouwwerk, de minimum gebruiksoppervlakte per verblijfsruimte of per bouwwerk dan wel met betrekking tot het beheer over (het gebruik van) het bouwwerk. 4.Indien het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op grond van een verandering van de inzichten en/of verandering van de omstandigheden gelegen buiten het bouwwerk, opgetreden na het verlenen van de vergunning, kunnen burgemeester en wethouders aan de vergunning nieuwe voorwaarden verbinden en gestelde voorwaarden wijzigen of intrekken. 5.Het is verboden het in het eerste lid bedoelde bouwwerk in gebruik te geven aan een exploitant die niet beschikt over een gebruiksvergunning. Artikel6.1.2Aanvraag gebruiksvergunning (Vervallen) Artikel6.1.3In behandeling nemen. (Vervallen) Artikel6.1.4Termijn van beslissing. (Vervallen) Artikel6.1.5Weigeren gebruiksvergunning (Vervallen) Artikel6.1.6Intrekken gebruiksvergunning (Vervallen) Artikel6.1.7Verplicht aanwezige bescheiden (Vervallen) §2Het voorkomen van brand en het beperken van brand en brandgevaar. Artikel6.2.1Gebruikseisen voor bouwwerken (Vervallen) Artikel6.2.2Opslag brandgevaarlijke stoffen (Vervallen) Artikel6.2.3Opslag en verwerking stoffen Vervallen §3Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij brand. Artikel6.3.1Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen. Vervallen. Artikel6.3.2Gebruik middelen en voorzieningen. (Vervallen) §4Hinder in verband met de brandveiligheid Artikel6.4.1Hinder in verband met de brandveiligheid (Vervallen) HOOFDSTUK6AGeschiktheidsverklaring en gebruiksvoorschriften prostitutiebedrijven §1Begripsomschrijvingen Artikel6A.1.1Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: 1. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; 2. prostituée: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; 3. prostitutie bedrijf: een voor het publiek openstaand bouwwerk, geheel of gedeeltelijk bestemd of in gebruik, voor het daarin uitoefenen van prostitutie; 4. besloten prostitutiebedrijf: prostitutiebedrijf niet zijnde een raamprostitutiebedrijf; hieronder vallen in ieder geval seksclubs en privéhuizen. 5. privé huis: een prostitutiebedrijf waar door ten minste twee personen prostitutie wordt bedreven; 6. seksclub: een prostitutiebedrijf waarin, naast het bedrijven van prostitutie, tevens andere vormen van vermaak en amusement worden geboden en/of in een daarvoor bestemde of gebruikte ruimte anders dan om niet drank wordt verstrekt; 7. raamprostitutiebedrijf: een prostitutiebedrijf waarin door prostituees vanuit de vitrine de aandacht op het bedrijf wordt gevestigd; 8. werkruimte: een ruimte, al dan niet achter een raam of deur, waar de feitelijke seksuele dienstverlening door prostituees plaatsvindt; 9. vitrine: een al dan niet van de werkruimte deel uitmakende ruimte met één of meer ramen en/of deuren van waarachter de prostituée tracht de aandacht van passanten op zich te vestigen. 10. gevelbeslag: de open ruimte in de binnen- of buitengevel van een pand, waarin een raam dan wel deurkozijn zich bevindt. §2Geschiktheidsverklaring Artikel6A.2.1Geschiktheidsverklaring 1.Onverminderd het bepaalde in de Algemene politieverordening 's-Gravenhage is het verbo-den, zonder of in afwijking van een geschiktheidsverklaring van burgemeester en wethouders een bouwwerk in gebruik te nemen, te hebben, te houden of te geven, voor een prostitutiebedrijf. 2.Vervallen 3.In bijlage 9 van deze verordening zijn de inrichtingseisen die burgemeester en wethouders aan een geschiktheidsverklaring verbinden opgenomen. Het betreft daarbij met name afmetingseisen, gebruiksoppervlakte en ventilatiecapaciteit. In specifieke gevallen kan van de eisen zoals gesteld in de bijlage worden afgeweken. Daarnaast kunnen burgemeester en wethouders specifieke voorwaarden stellen inzake andere onderwerpen, bij voorbeeld ten aanzien van het beheer over (het gebruik van) het bouwwerk. 4.Op grond van een verandering van de inzichten en/of verandering van de omstandigheden gelegen buiten het bouwwerk, opgetreden na het verlenen van de geschiktheidsverklaring, kunnen burgemeester en wethouders aan de geschiktheidsverklaring nieuwe voorwaarden verbinden en gestelde voorschriften wijzigen. Artikel6A.2.2Aanvraag geschiktheidsverklaring. 1.Bij de aanvraag moeten de gegevens en bescheiden worden overgelegd als genoemd in bijlage 2 van deze verordening. 2.Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager gebruik maken van de door of namens burgemeester en wethouders vastgestelde formulieren. De bij deze aanvraag behorende gegevens en bescheiden moeten voldoen aan de eisen van de in het eerste lid genoemde bijlage. 3.De aanvraag en de daarbij behorende bescheiden moeten in viervoud worden ingediend. 4.De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in het Nederlands zijn gesteld. 5.De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien zij betrekking heeft op bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar samenhangende terreinen. 6.De bij de aanvraag om geschiktheidsverklaring behorende bescheiden moeten door de aanvrager of diens gemachtigde worden ondertekend dan wel worden gewaarmerkt. 7.Indien de aanvraag betrekking heeft op een wijziging van een bestaande situatie, moeten uit de aanvraag en de daarbij behorende bescheiden de bestaande en de nieuwe toestand duidelijk blijken. 8.De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangsttoegezonden of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld. Artikel6A.2.3In behandeling nemen. Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens artikel 6A.2.2 gestelde eisen, alsmede aan de eisen die gelden ingevolge de artikelen 4:1 en 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht stellen burgemeester en wethouders de aanvrager in de gelegenheid om de door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te leggen. Artikel6A.2.4Termijn van beslissing. 1.Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag voor een geschiktheidsverklaring binnen 13 weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. 2.Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing op een aanvraag voor een geschiktheidsverklaring voor ten hoogste 13 weken verdagen. Hiervan wordt de aanvrager schriftelijk in kennis gesteld. 3.In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid houden burgemeester en wethouders de beslissing op een aanvraag voor een geschiktheidsverklaring, mits zij de geschiktheidsverklaring niet moeten weigeren op grond van artikel 6A.2.6, aan, indien: Voor hetzelfde bouwwerk een omgevingsvergunning, dan wel een vrijstelling tot gebruikswijziging als bedoeld in artikel 352 van de bouwverordening, dan wel een projectbesluit, ontheffing of aanpassing van het bestemmingsplan is vereist, verband houdende met het voorgestane gebruik, en op de aanvraag om omgevingsvergunning, vrijstelling, projectbesluit, ontheffing of aanpassing bestemmingsplan nog niet is beslist. voor hetzelfde bouwwerk een vergunning tot woningonttrekking op grond van de Huisvestingsverordening is vereist en op die aanvraag nog niet is beslist. voor hetzelfde bouwwerk een aanschrijving is vereist wegens strijd met de voorschriften van het Bouwbesluit, de delen over bestaande bouwwerken, als bedoeld in artikel 1b van de Woningwet. aan het beoogde gebruik van het bouwwerk schriftelijke voorwaarden zijn gesteld en aan deze voorwaarden nog niet is voldaan. 4.De in het derde lid, onder a en b bedoelde aanhouding eindigt zes weken na de dag waarop op de aanvraag om omgevingsvergunning, dan wel vrijstelling tot gebruikswijziging als bedoeld in artikel 352 van de bouwverordening, is beslist. 5.De in het derde lid onder c bedoelde aanhouding eindigt de dag nadat burgemeester en wethouders schriftelijk hebben medegedeeld, dat de aanschrijving op voldoende wijze is uitgevoerd. 6.De in het derde lid onder d bedoelde aanhouding eindigt de dag nadat burgemeester en wethouders schriftelijk hebben medegedeeld dat de voorwaarden ten genoegen van burgemeester en wethouders zijn uitgevoerd. 7.In het geval dat meerdere aanhoudingsgronden, als bedoeld onder a, b en d, van toepassing zijn, eindigt de onder a, b en d bedoelde aanhouding, in afwijking van lid 4 en 6, de dag na de dag waarop de laatst van toepassing zijnde aanhoudingsgrond is vervallen. Artikel6A.2.5Weigeren geschiktheidsverklaring 1.Burgemeester en wethouders weigeren een geschiktheidsverklaring voor een privé huis en/of seksclub indien: de omgevingsvergunning, voor het bouwwerk waarvoor de geschiktheidsverklaring is aangevraagd en verband houdend met het gebruik als prostitutiebedrijf, is geweigerd. het prostitutiebedrijf niet (meer) voldoet aan het bepaalde in de artikelen 6A.3.1 tot en met 6A.3.4, alsmede aan de artikelen 6A.5.1 tot en met 6A.6.1 van deze verordening. 2.Burgemeester en wethouders weigeren een geschiktheidsverklaring voor een raamprostitutiebedrijf indien: een omgevingsvergunnning, voor het bouwwerk waarvoor de geschiktheidsverklaring is aangevraagd en verband houdend met het gebruik als prostitutiebedrijf, is geweigerd. indien het prostitutiebedrijf niet (meer) voldoet aan het bepaalde in de artikelen 6A.4.1 tot en met 6A.4.4, alsmede aan de artikelen 6A.5.1 tot en met 6A.6.1 van deze verordening. 3.Burgemeester en wethouders weigeren een geschiktheidsverklaring, onverminderd het eerste en tweede lid, indien één of meer van de volgende omstandigheden zich voordoet of voordoen: (vervallen); de omgevingsvergunning op basis van artikel 2.1 lid PM onder PM van de Wabo is geweigerd; de ontheffing op grond van de vigerende leefmilieuverordening is geweigerd; de vergunning tot woningonttrekking is geweigerd; aan de aanschrijving als bedoeld in artikel 6.1.4, derde lid, onder c, is niet binnen de in de aanschrijving gestelde termijn voldaan; het prostitutiebedrijf voldoet niet (meer) binnen de gestelde termijn aan de voorwaarden zoals gesteld op grond van artikel 6A.2.1, Artikel6A.2.6Intrekken geschiktheidsverklaring. Burgemeester en wethouders kunnen een geschiktheidsverklaring intrekken indien: blijkt, dat zij de verklaring ten gevolge van onjuiste of onvolledige gegevens hebben verleend. blijkt dat de houder van de verklaring niet heeft voldaan of niet meer voldoet aan één of meer voorwaarde(
- n)van de geschiktheidsverklaring, als bedoeld in artikel 6A.2.1, tweede en/of derde lid, van deze verordening en/of niet meer voldoet aan het bepaalde in artt. 6A.3.1 t/m 6A.6.1. van de verklaring geen gebruik wordt gemaakt binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de verklaring. van de verklaring gedurende een periode van 26 weken of langer geen gebruik is gemaakt. het belang op grond waarvan de verklaring is afgegeven dit vereist op grond van een verandering van inzichten en/of verandering van de omstandigheden, gelegen buiten het bouwwerk, opgetreden na het verlenen van de verklaring, en het niet mogelijk blijkt door het stellen of wijzigen van voorwaarden dat belang voldoende te beschermen. de omgevingsvergunning voor het bouwwerk waarvoor de geschiktheidsverklaring is aangevraagd en verband houdend met het gebruik als prostitutiebedrijf, is ingetrokken, geschorst of vernietigd. Artikel6A.2.7Verplicht aanwezige bescheiden. In het bouwwerk waar de activiteiten plaatsvinden waar de geschiktheidsverklaring betrekking op heeft moet deze geschiktheidsverklaring aanwezig zijn en moet deze op verzoek van degene die is belast met de zorg voor de naleving van dit hoofdstuk ter inzage worden gegeven. §3Inrichtingseisen seksclubs en privé huizen Artikel6A.3.1Verblijfsruimten. 1.Tot een besloten prostitutiebedrijf behoren ten minste de volgende afgescheiden verblijfsruimten: een keuken en een dagverblijf, alsmede een of meer werkruimten. Tevens behoort tot een besloten prostitutiebedrijf een afzonderlijke kleedruimte. 2.Het dagverblijf, de keuken en de kleedruimte mogen niet voor prostitutiedoeleinden worden gebruikt. Artikel6A.3.2Werkruimten. Een werkruimte moet voldoen aan de eisen die op basis van de artikelen 4.25 en 4.28 Bouwbesluit 2003 gelden voor een verblijfsruimte van een woonfunctie. Daarnaast moet elke werkruimte zijn voorzien van een wasbak met warm en koud stromend water. Artikel6A.3.3Badruimten en toiletten. 1.In het prostitutiebedrijf dienen per vijf werkruimten ten minste één badruimte, waaronder mede wordt verstaan een doucheruimte, en één toilet, of een combinatie van badruimte en toilet, aanwezig te zijn. 2.Indien in het prostitutiebedrijf meer dan vijf werkruimten aanwezig zijn, moet het aantal badruimten en toiletten per vijf werkruimten worden vermeerderd met één. Voor de berekening van het aantal toiletten of badruimten dient het aantal werkruimten naar boven te worden afgerond op een veelvoud van vijf. 3.De badruimten en toiletten moeten naar evenredigheid over (de bouwlagen van) het gebouw worden verdeeld. 4.De badruimten moeten beschikken over warm en koud stromend water. Artikel6A.3.4Kleedruimte. In de kleedruimte moet per in de inrichting aanwezige werkruimte een afsluitbare hang/legkast aanwezig zijn. §4Inrichtingseisen raamprostitutiebedrijf Artikel6A.4.1Verblijfsruimten. 1.Tot een raamprostitutiebedrijf behoren ten minste de volgende afgescheiden verblijfsruimten: een keuken, een dagverblijf en een of meer werkruimten. 2.Het dagverblijf en de keuken mogen niet voor prostitutiedoeleinden worden gebruikt. Artikel6A.4.2Werkruimten. 1.Een werkruimte moet voldoen aan de eisen die op basis van de artikelen 4.25 en 4.28 Bouwbesluit 2003 gelden voor een verblijfsruimte van een woonfunctie. 2.In het prostitutiebedrijf moet per werkruimte een afsluitbare hang/legkast aanwezig zijn. 3.Elke werkruimte moet zijn voorzien van een wasbak met warm en koud stromend water. Artikel6A.4.3Badruimten en toiletten. 1.In het prostitutiebedrijf dienen per vijf werkruimten ten minste één badruimte, waaronder mede wordt verstaan een doucheruimte, en één toilet, of een combinatie van badruimte en toilet, aanwezig te zijn. 2.Indien in het prostitutiebedrijf meer dan vijf werkruimten aanwezig zijn, moet het aantal bad-ruimten en toiletten per vijf werkruimten worden vermeerderd met één. Voor de berekening van het aantal toiletten of badruimten dient het aantal werkruimten naar boven te worden afgerond op een veelvoud van vijf. 3.De badruimten en toiletten moeten naar evenredigheid over (de bouwlagen van) het gebouw worden verdeeld. 4.De badruimten moeten beschikken over warm en koud stromend water. Artikel6A.4.4Vitrine. 1.Indien de vitrine geen deel uitmaakt van de werkruimte moet de vitrine met wanden zijn omsloten. 2.Vitrines mogen zich niet achter de hoofdtoegangsdeur van het gebouw bevinden. §5Overige voorzieningen prostitutiebedrijf Artikel6A.5.1Verwarmingsinstallaties. 1.Een prostitutiebedrijf moet zijn voorzien van verwarmingsapparatuur waarmee alle verblijfsruimten veilig en voldoende kunnen worden verwarmd en die voldoet aan paragraaf 4.16.1 van het Bouwbesluit 2003. 2.Het gebruik van verplaatsbare ruimteverwarmingstoestellen is niet toegestaan. Artikel6A.5.2Ventilatie. Het prostitutiebedrijf dient te voldoen aan de ventilatie-eisen voor prostitutiebedrijven. Deze ventilatie-eisen zijn opgenomen in bijlage 9 van deze verordening, maar kunnen ook in afwijking daarvan worden gesteld op grond van artikel 6A.2.1. Artikel6A.5.3Veiligheid. 1.Ruimten in het prostitutiebedrijf waarin zich één of meer prostituees plegen te bevinden, moeten zijn voorzien van duidelijk kenbare gelegenheden tot ontvluchting indien de normale uit-gangen daartoe onvoldoende zijn. Deze moeten, mede gelet op het aantal andere personen dat zich in die ruimten pleegt te bevinden, in aantal, ligging en grootte toereikend zijn om de prostituees op een zo veilig mogelijke wijze een zo veilig mogelijke plaats te doen bereiken. Vorenbedoelde gelegenheden moeten zijn vrijgehouden van obstakels. 2.De toegangsdeur(
- en)van een werkruimte mag/mogen niet van binnenuit afsluitbaar zijn. 3.Het tweede lid geldt niet indien in het bedrijf een, voor de overige prostituees goed bereikbaar, op die deur(
- en)passende moedersleutel aanwezig is en/of een toegangsdeur van een werkruimte is gelegen aan de weg. 4.Een werkruimte waarvan de toegangsdeur is gelegen aan de weg moet in verbinding staan met andere ruimten. 5.Indien het bepaalde in het vierde lid niet mogelijk is of niet kan worden gevergd, dienen ter genoegen van burgemeester en wethouders maatregelen te worden getroffen met het oog op de veiligheid van de in deze kamers verblijvende prostituees. §6Brandveiligheid prostitutiebedrijf Artikel6A.6.1Brandveiligheidsvoorschriften. (vervallen) HOOFDSTUK7Overige gebruiksbepalingen §1Overbevolking Artikel7.1.1Overbevolking van woningen Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 14 m² gebruiksoppervlakte. Artikel7.1.2Overbevolking van woonwagens Het is verboden een woonwagen te bewonen met of toe te staan dat een woonwagen wordt bewoond door meer dan één persoon per 6 m² gebruiksoppervlakte. §2Staken van het gebruik Artikel7.2.1Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid Het is verboden een bouwwerk, een open erf of terrein te gebruiken of te doen gebruiken, indien door of namens burgemeester en wethouders is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is in verband met: bouwvalligheid van het bouwwerk; bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk. Artikel7.2.2Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan hygiëne Indien tengevolge van het niet functioneren - hieronder begrepen het afgesloten zijn - van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht aanwezige voorzieningen tot het kunnen afvoeren van faecaliën, het kunnen beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken over gedistribueerd gas en het kunnen beschikken over gedistribueerde elektriciteit een onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne aanwezig is, kan het bevoegd gezag gelasten het gebruik van het bouwwerk te staken. Artikel7.2.3Staken van het gebruik van een woonwagen (vervallen) §3Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen Zie het gehandhaafde artikel 352 van de bouwverordening (als bijlage bijgevoegd). Artikel7.3.1 Bepaling aantal personen nachtverblijf In afwijking van artikel 2.11.1, tweede lid van het Besluit Brandveilig gebruik gebouwen is het verboden om zonder vergunning een bouwwerk in gebruik te nemen of gebruiken voor het bedrijfsmatig of in het kader van verzorging nachtverblijf verschaffen aan meer dan 4 personen. Artikel7.3.2Hinder Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor: op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid; overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het bouwwerk, het open erf of terrein; op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein; instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt. Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde wet van toepassing is. §4Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid Artikel7.4.1Preventie 1.Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt. 2.Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet wordt aangetrokken. §5Watergebruik Artikel7.5.1Verboden gebruik van water Het is verboden drink en werkwater, waarvan door het bevoegd gezag schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt geacht, te gebruiken. §6Installaties Artikel7.6.1Gebruiksgereed houden van installaties Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit, het Besluit brandveiligheid gebruik bouwwerken of de Bouwverordening de aanwezigheid verplicht stelt, moeten in een goede staat verkeren, zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt. HOOFDSTUK8Slopen §1Omgevingsvergunning voor het slopen. Artikel8.1.1Omgevingsvergunning voor het slopen 1.Het is verboden bouwwerken en woonwagens daaronder begrepen, te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag. 2.De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien naar redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal bedragen dan 10 m³, tenzij het slopen mede betreft het verwijderen van asbest. Voorts is geen vergunning vereist voor het slopen ingevolge een besluit op grond van artikel 13 van de Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom. Het bevoegd gezag kan aan hun besluit voorwaarden verbinden als bedoeld in het derde lid. 3.Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het slopen voorschriften met betrekking tot: de openbare orde, gezondheid en veiligheid tijdens het slopen; de bescherming van nabijgelegen bouwwerken en hun gebruikers; het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden va sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding in een fractie asbest, een fractie gevaarlijk afval en een fractie overig afval; het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen van de gegevens als bedoeld in artikel 8.1.2. tweede lid, letter c, voor zover deze gegevens niet reeds zijn overgelegd. 4.De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde lid, onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief slopen, de fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke opslag op het sloopterrein en het in fracties gescheiden verpakken van het sloopafval op het sloopterrein. Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het slopen met betrekking tot asbest voorschriften over het afzonderlijk gereed maken daarvan voor de afvoer van het sloopterrein en over de termijn waarbinnen dit moet plaatsvinden. 5.Als nadere eis kan worden gesteld, dat in het terrein, waarop het bouwwerk heeft gestaan, putten, kolken, riolen en ondergrondse delen van een bouwwerk worden geruimd, dat afkomende materialen worden afgevoerd en dat het terrein tot weghoogte wordt opgehoogd. 6.De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet indien in een tijdelijke omgevingsvergunning voor het bouwen voor een seizoengebonden bouwwerk voorschriften zijn gesteld over het slopen van het tijdelijke bouwwerk. Artikel8.1.2Aanvraag sloopvergunning (Vervallen) Artikel8.1.3In behandeling nemen. (Vervallen) Artikel8.1.4Termijn van beslissing (Vervallen) Artikel8.1.5Samenloop van slopen en bouwen Vervallen Artikel8.1.6Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen Een omgevingsvergunning voor het slopen moet worden geweigerd indien: voor het slopen een vergunning ingevolge de Monumentenwet
(1988)of een provinciale of een gemeentelijke Monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend; de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en deze ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd; de bescherming van nabijgelegen bouwwerken en hun gebruikers in verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en deze ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd. Artikel8.1.7Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen Een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden ingetrokken indien: de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of onvolledige opgave van gegevens; binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de sloopvergunning geen begin met de werkzaamheden is gemaakt; tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden deze werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen. §2Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het slopen Artikel8.2.1Sloopmelding 1.In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen omgevingsvergunning voor het slopen vereist voor het anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel slopen van geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of uit een op het erf van die woning staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen maximaal vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt; asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking uit een woning of uit een op het erf van die woning staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende vloerbedekking of vloertegels maximaal vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt; mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij burgemeester en wethouders en door burgemeester en wethouders binnen acht dagen na de dag waarop dit is gemeld is medegedeeld dat geen omgevingsvergunning voor het slopen is vereist. 2.Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet worden gemeld met gebruik-making van een door of namens burgemeester en wethouders vastgesteld formulier. 3.De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in tweevoud worden ingediend. 4.De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het Nederlands zijn gesteld. 5.In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de aard en het gebruik van het bouwwerk. 6.Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld. 7.Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde mededeling niet binnen de aldaar gestelde termijn hebben gedaan, is de mededeling van rechtswege gedaan. 8.Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als bedoeld in het eerste lid voorschriften verbinden met betrekking tot de verwijdering, opslag en afvoer van asbest. 9.De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of het tweede lid is verplicht de voorschriften, bedoeld in het achtste lid alsmede de voorschriften die bij of krachtens de artikelen 7 en 8 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn gesteld, in acht te nemen. 10.Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door sloop vrijkomt is niet toegestaan. 11.Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste tot en met het vijfde lid van dit artikel gestelde eisen, stellen burgemeester en wethouders degene die de melding heeft gedaan in de gelegenheid om binnen een week de door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te leggen. Artikel8.2.2Overige uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het slopen In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen omgevingsvergunning voor het slopen vereist, indien het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk verwijderen van: geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen; verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van kassen; rem- en frictiematerialen; pakkingen uit verbrandingsmotoren; pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is dan 2250 kilowatt. §3Verplichtingen tijdens het slopen. Artikel8.3.1Veiligheid op sloopterrein Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van overeenkomstige toepassing op het slopen en het sloopterrein. Artikel8.3.2Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden Op het sloopterrein moet de omgevingsvergunning voor het slopen of een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom tot het slopen, aanwezig zijn en op verzoek van het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven. Artikel8.3.3Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het slopen 1.De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, opdragen aan een deskundig bedrijf. 2.De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet een afschrift van de vergunning ter hand stellen aan het deskundig bedrijf dat het slopen krachtens aanneming van werk zal uitvoeren. 3.De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stelt ten minste één week voorafgaande aan de aanvang van het slopen, het bevoegd gezag schriftelijk op de hoogte van de data en tijdstippen waarop het slopen, voorzover dat betrekking heeft op asbest, zal plaatsvinden. 4.De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stuurt binnen twee weken na de uitvoering van de werkzaamheden het bevoegd gezag een afschrift van de resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 9, eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit
- Artikel8.3.4Plichten van degene die sloopt. 1.Indien wordt gesloopt zonder dat een omgevingsvergunning voor het slopen is verleend voor het slopen van asbest en tijdens het slopen asbest wordt ontdekt, is degene die sloopt, verplicht hiervan terstond melding te doen aan burgemeester en wethouders. 2.Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van tevoren de aanvang van de sloop-werkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk op de dag van de beëindiging van de sloopwerk-zaamheden het einde van die werkzaamheden. Indien het bouwtoezicht dit verlangt, moeten genoemde meldingen schriftelijk geschieden. Artikel8.3.5Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest. 1.Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een bouwwerk aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het bouwwerk wordt gesloopt. 2.Bij de verwijdering van asbest moeten de beste bestaande technieken worden toegepast om verontreiniging van het milieu met asbest te voorkomen. Artikel8.3.6Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen Vervallen §4Vrij slopen Artikel8.4.1.Sloopafval algemeen 1.Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen vergunning krachtens artikel 8.1.
- noch een melding krachtens artikel 8.2.
- is vereist, dient ten minste te worden gescheiden in de navolgende fracties: de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9); steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips; bitumineuze en teerhoudende dakbedekking; met PAKS verontreinigde materialen; asfalt; dakgrind; overig afval. 2.Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g en de fracties bedoeld in het voorgaande lid onder a. tot en met f., moeten op het sloopterrein gescheiden worden gehouden. HOOFDSTUK9Welstand Artikel9.1De advisering door de welstandscommissie 1.De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen om omgevingsvergunning voor het bouwen. 2.De welstandscommissie brengt in bezwaar- en beroepsprocedures desgevraagd in heroverweging advies uit. 3.De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria. 4.De adviezen van de welstandscommissie zijn schriftelijk en met redenen omkleed. Artikel9.2Samenstelling van de welstandscommissie 1.De welstandscommissie bestaat uit minimaal 3 en maximaal 9 leden, waaronder een voorzitter en plaatsvervangend voorzitter, met deskundigheid op het gebied van architectuur/esthetiek, stedenbouw, monumentenzorg, de inrichting van de openbare ruimte, dan wel landschapsarchitectuur. 2.Eén van de leden van de welstandscommissie kan worden benoemd als leken-lid. 3.Het leken-lid van de welstandscommissie mag niet professioneel actief zijn op het terrein van architectuur, stedenbouw, monumentenzorg, de inrichting van de openbare ruimte, dan wel landschapsarchitectuur. 4.De leden van de welstandscommissie zijn onafhankelijk ten opzichte van het gemeentebestuur. Zij mogen in ieder geval niet tevens zijn: lid van de gemeenteraad, lid van het college van burgemeester en wethouders, ambtenaar van de gemeente Den Haag, en voorts geen nevenfuncties vervullen waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede invulling van het lidmaatschap van de commissie. Artikel9.3Benoeming en zittingsduur 1.De gemeenteraad benoemt en ontslaat, gehoord de betrokken raadscommissie, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders, de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de overige leden van de welstandscommissie. 2.De leden hebben zitting voor drie jaar, welke periode eenmaal kan worden verlengd. De maximale zittingsduur is zes jaar. 3.De selectie en benoeming van leden vindt plaats op basis van een vastgestelde selectie- en benoemingsprocedure voor deskundige leden en leken-leden, zoals deze in bijlage 14.1 respectievelijk bijlage 14.2 bij deze verordening is opgenomen. Artikel9.4Secretariaat 1.Burgemeester en wethouders wijzen een of meer ambtenaren aan als secretaris van de commissie. 2.Het secretariaat van de commissie is ondergebracht bij de Dienst Stedelijke Ontwikkeling. Artikel9.5 Adviseurs Als ambtelijk adviseurs worden ten behoeve van de commissie aangewezen de algemeen directeur van de Dienst Stedelijke Ontwikkeling, de algemeen directeur van de Dienst Stadsbeheer en de Stadsstedenbouwer. Deze ambtelijke adviseurs kunnen zich laten vervangen. De ambtelijke adviseurs verstrekken aan de commissie alle informatie, die in verband met een goede uitoefening van haar adviestaak noodzakelijk is, desgevraagd ook tijdens vergaderingen van de welstandscommissie. Indien zulks voor een juiste taakoefening van de commissie gewenst is, kan de commissie uit eigen beweging ook andere deskundigen raadplegen. Artikel9.6Termijn van advisering 1.De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht en de aanvraag voldoende beoordeelbaar is. 2.Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies. Een langere termijn kan door burgemeester en wethouders worden gegeven indien de termijn van afdoening van de aanvraag om omgevingsvergunning is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel9.7Wijze van vergaderen 1.De welstandscommissie vergadert zo dikwijls als dit naar oordeel van de voorzitter in verband met de te behandelen zaken noodzakelijk is, of als hierom door ten minste twee leden onder opgaaf van redenen wordt verzocht. 2.De oproeping tot de vergadering geschiedt door de secretaris, met dien verstande dat elk lid, spoedeisende gevallen uitgezonderd, ten minste driemaal vierentwintig uur voor het tijdstip van aanvang van de vergadering de agenda heeft ontvangen. 3.Een lid dat verhinderd is een vergadering van de welstandscommissie bij te wonen, doet daarvan tijdig, ten minste tweemaal vierentwintig uur voor het tijdstip van aanvang van de vergadering mededeling aan de secretaris. 4.De welstandscommissie vergadert in een samenstelling van minimaal 3 en maximaal 8 leden. 5.Een advies van de welstandscommissie moet door een meerderheid van haar leden gedragen worden. 6.In geval van het staken van de stemmen geeft de stem van de (plaatsvervangend) voorzitter de doorslag. 7.Het lid, dat als opdrachtgever, als ontwerper of anderszins als belanghebbende direct of indirect bij een door de commissie te beoordelen ontwerp is betrokken of in het verleden betrokken is geweest, neemt geen deel aan de advisering en/of eventueel te houden collegiaal overleg als bedoeld in artikel 9.
- Artikel9.8Verplichtingen van de leden 1.De leden van de commissie mogen geen plan als opdracht aannemen, dat eerder door de commissie gemotiveerd is afgewezen. 2.De leden zijn verplicht tot geheimhouding van hetgeen hen uit hoofde van hun functie vertrouwelijk ter kennis komt. Artikel9.9Openbaarheid van vergaderen 1.De behandeling van omgevingsvergunningen voor het bouwen door de welstandscommissie is openbaar. 2.Indien burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen - een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De beslotenheid geldt zowel voor de beraadslaging, de beoordeling als de adviezen. Artikel9.10Bekendmaking openbare vergaderingen 1.De te houden vergaderingen van de welstandscommissie worden ten minste een week van tevoren bekend gemaakt door middel van het plaatsen van een advertentie in een of meer plaatselijke dag- dan wel weekbladen. 2.De bekendmaking vermeldt de te behandelen aanvragen om omgevingsvergunning voor het bouwen en voorts ten minste het tijdstip en plaats van de vergadering. In de bekendmaking wordt tevens gewezen op het gestelde in artikel 9.11, leden 2 en
- 3.De agenda van een vergadering van de welstandscommissie wordt tenminste een week vóór de betreffende vergaderdatum gepubliceerd op de website van de welstandscommissie en ligt dan tevens ter inzage bij het Den Haag Informatiecentrum. Artikel9.11Mondelinge toelichting en spreekrecht 1.De aanvrager of architect van het omgevingsvergunning voor het bouwen wordt in de gelegenheid gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan. De aanvrager ontvangt hiertoe een uitnodiging. 2.Voorafgaande aan de behandeling van een onderwerp dat in een openbare vergadering van de welstandscommissie aan de orde komt, bestaat de mogelijkheid voor een ieder om over dat onderwerp maximaal vijf minuten in te spreken. 3.Degene die van het spreekrecht, bedoeld in lid 2, gebruik wil maken moet dit in ieder geval een dag voor de vergadering van de welstandscommissie aan de secretaris hebben kenbaar gemaakt. 4.De voorzitter kan een langere spreektijd toestaan. 5.De voorzitter kan aan het aantal insprekers per onderwerp een maximum verbinden. 6.Belangstellenden kunnen geen deel hebben aan de discussie in de welstandscommissie, tenzij de voorzitter anders beslist. Artikel9.12Collegiaal overleg 1.Het is mogelijk om over een uitgebracht advies omtrent een voor een omgevingsvergunning voor het bouwen in collegiaal overleg te treden. 2.Artikel 9.13 is van overeenkomstige toepassing. Artikel9.13Afdoening bij mandaat De advisering over een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen kan geschieden door één van de deskundige leden van de welstandscommissie. Artikel9.14Jaarverslag 1.De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de welstandsnota; de werkwijze van de welstandscommissie; op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen; de aard van de beoordeelde plannen; de bijzondere projecten. 2.De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder. 3.Eénmaal per jaar vindt er mede naar aanleiding van het jaarverslag als bedoeld in lid 1 overleg plaats tussen de regarderende raadscommissie en de welstandscommissie over het welstandstoezicht. HOOFDSTUK10Overige administratieve bepalingen Artikel10.1De aanvraag om woonvergunning (Vervallen) Artikel10.2De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen Vervallen Artikel10.3Overdragen vergunningen (vervallen) Artikel10.4Overdragen mededeling Vervallen Artikel10.5Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen Vervallen Artikel10.6Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften. Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd. HOOFDSTUK11 Handhaving Artikel11.1Stilleggen van de bouw Vervallen Artikel11.2Overtreding van het verbod tot ingebruikneming Vervallen Artikel11.3Stilleggen van slopen. Vervallen HOOFDSTUK12Straf-, overgangs- en slotbepalingen Artikel12.1Strafbare feiten Vervallen Artikel12.2Overgangsbepaling bodemonderzoek Indien ten behoeve van de bouw van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in enig ander ver-band dan de aanvraag om bouwvergunning indicatief bodemonderzoek is verricht, geldt dit indicatieve bodemonder-zoek als het in artikel 2.1.5 bedoelde verkennende bodemonderzoek, tenzij burgemeester en wethouders van mening zijn dat het indicatieve bodemonderzoek niet meer als een recent onderzoek kan worden gezien. Artikel12.3Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en terreinen Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt op basis van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op grond van artikel 40 van de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van dat gebouw zijn gesteld. Artikel12.4Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning (Vervallen) Artikel12.5Overgangsbepaling sloopmelding Vervallen Artikel12.6Overgangsbepaling bouwvergunning en melding Op een aanvraag om bouwvergunning of op een melding als bedoeld in artikel 42 van de Woningwet, die zijn ingediend voor het tijdstip, waarop de bouwverordening Den Haag 1993 als bedoeld in artikel 12.
- tweede lid, is vervallen en op welke aanvraag op dat tijdstip nog niet is beschikt, blijven de bepalingen van die verordeningen van toepassing, tenzij de aanvrager te kennen geeft dat de onderhavige verordening wordt toegepast. Artikel12.7Slotbepaling 1.Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die waarop zij is bekend gemaakt. 2.Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de Bouwverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 9 september 1993 en alle daarin aangebrachte wijzigingen. 3.Deze verordening kan worden aangehaald als 'Bouwverordening'. Bijlage(zie § 3) Artikel 352Verbod tot het gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen in afwijking van de bestemming Zolang bij een bestemmingsplan, tot stand gekomen als uitbreidingsplan of als voorschriften ex artikel 43 van de Woningwet 1901, hetzij voor, hetzij na inwerkingtreding van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (Stb. 1962, 286) geen voorschriften zijn gegeven omtrent het gebruik van de in die plannen of voorschriften begrepen bouwwerken, open erven of terreinen en geen aanpassing aan de Wet op de Ruimtelijke Ordening heeft plaatsgevonden,