Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2008 gemeente Millingen aan de RijnDe raad van de gemeente Millingen aan de Rijn, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 18 december 2007; gelet op de artikelen 4, 5, 15 lid 1 en 19 lid 1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning; overwegende dat het noodzakelijk is om bij verordening regels te stellen in verband met de plicht tot het compenseren van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4° , 5° en 6° in de Wet maatschappelijke ondersteuning, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie; BESLUIT: vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2008: Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1.1Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt verstaan onder: Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning; Compensatiebeginsel: de algemene verplichting aan het gemeentebestuur om personen met aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek door het treffen van voorzieningen een gelijkwaardige uitgangspositie te verschaffen, zodat zij zelfredzaam zijn en in staat tot maatschappelijke participatie; Beperkingen: moeilijkheden die een persoon heeft met het uitvoeren van activiteiten; Persoon met beperkingen: een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische en psychosociale problemen, aantoonbare beperkingen ondervindt bij: het uitvoeren van activiteiten op het gebied van het voeren van het huishouden; het normale gebruik van de woning; het verplaatsen in en om de woning; het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel; het ontmoeten van medemensen en het op basis daarvan aangaan van sociale verbanden; Mantelzorger: een persoon, die mantelzorg verleent als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b. van de wet; Zelfredzaamheid: het lichamelijk, verstandelijk, geestelijk en financiële vermogen om voorzieningen te treffen die deelname aan het normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken; Maatschappelijke participatie: normale deelname aan het maatschappelijke verkeer, te weten: het voeren van een huishouden: het normale gebruik van de woning; het zich in en om de woning verplaatsen; het zich zodanig verplaatsen dat aansluiting wordt gevonden bij regionale, bovenregionale en landelijke vervoersystemen; het ontmoeten van andere mensen en het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die manier deel te nemen aan het lokale maatschappelijke leven; Algemene voorziening: een voorziening die wordt geleverd op basis van directe beschikbaarheid, een beperkte toegangsbeoordeling en die een snelle, regelarme en adequate oplossing biedt voor de beperkingen die een persoon ondervindt; Individuele voorziening: een voorziening die individueel wordt aangeboden indien een algemene voorziening geen adequate oplossing biedt; Eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten: een door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen bijdrage, die betaald moet worden bij de verstrekking van: een voorziening in natura (een eigen bijdrage), en/of een persoonsgebonden budget (een eigen bijdrage), en/of een financiële tegemoetkoming (een eigen aandeel) en waarop de regels van het landelijke Besluit maatschappelijke ondersteuning van toepassing zijn; Voorziening in natura: een voorziening die wordt verstrekt: in eigendom, of in bruikleen, of in huur, of in de vorm van persoonlijke dienstverlening; Persoonsgebonden budget: een geldbedrag waarmee de aanvrager een of meer aan hem te verlenen voorzieningen kan verwerven en waarop de in deze verordening en het Millingse Besluit maatschappelijke ondersteuning te stellen regels van toepassing zijn; Financiële tegemoetkoming: een tegemoetkoming in de kosten van een voorziening die kan worden afgestemd op het inkomen van de aanvrager; Algemeen gebruikelijk: naar geldende maatschappelijke normen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als de aanvrager behorend; Meerkosten: kosten van een mogelijk krachtens de wet te verlenen voorziening, voorzover dit deel van de kosten uitgaat boven voor die persoon als algemeen gebruikelijk te beschouwen kosten van een dergelijke voorziening; Besparingsbijdrage: een door de aanvrager te betalen bijdrage, gelijk aan het bedrag dat ten gevolge van de verstrekking van een voorziening door de aanvrager wordt bespaard, omdat deze verstrekte voorziening een algemeen gebruikelijke voorziening vervangt of kan vervangen; Huisgenoot: iedere meerderjarige met wie de aanvrager duurzaam gemeenschappelijk een woning bewoont; Budgethouder: een persoon aan wie ingevolge deze verordening een persoonsgebonden budget is toegekend en die aan het college verantwoording over de besteding van het persoonsgebonden budget verschuldigd is; Leefeenheid: Een eenheid bestaande uit gehuwden die al dan niet tezamen met één of meer minderjarige ongehuwden duurzaam een huishouden voeren, dan wel bestaande uit een ongehuwde meerderjarige die met één of meer minderjarige ongehuwden duurzaam een huishouden voert. Onder gehuwden worden hierbij ook verstaan ongehuwd samenwonenden en andere volwassenen die met elkaar en/of met kinderen samenwonen; Delegatie: Overdracht van een bevoegdheid door een bestuursorgaan (bijvoorbeeld gemeenteraad) aan een ander bestuursorgaan (bijvoorbeeld het college van burgemeester en wethouders); Hoofdverblijf: De woonruimte waar belanghebbende zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en op welk adres de belanghebbende in de gemeentelijke basisadministratie staat of zal staan ingeschreven; Belanghebbende: Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 5 en 6 van de wet, te weten: een persoon met beperking of chronisch psychisch probleem; een persoon met psychosociaal probleem. Artikel1.2Beperkingen 1.Een voorziening kan slechts worden toegekend voorzover: deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op te heffen of te verminderen op het gebied van: - het voeren van het huishouden, en/of - het normale gebruik van de woning, en/of - het verplaatsen in en om de woning, en/of - het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel, en/of - het ontmoeten van medemensen en op basis daarvan aangaan van sociale verbanden; deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt; deze in overwegende mate op het individu is gericht. 2.Géén voorziening wordt toegekend: indien de voorziening voor een persoon als de aanvrager algemeen gebruikelijk is; indien de aanvrager niet woonachtig is in de gemeente Millingen aan de Rijn; voor zover de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; voor zover de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw; voor zover er aan de zijde van de aanvrager geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor de voorziening wordt aangevraagd; voorzover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de aanvrager voorafgaand aan het moment van beschikken heeft gemaakt; indien een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds eerder krachtens deze, dan wel krachtens de aan deze verordening voorafgaande Verordening voorzieningen gehandicapten is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is verstreken, tenzij de eerder vergoede of versterkte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen. Hoofdstuk2Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen Artikel2.1Keuzevrijheid Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als financiële tegemoetkoming en als persoonsgebonden budget. Het college stelt vast in welke situaties de bij wet verplichte keuze tussen een voorziening in natura en een persoonsgebonden budget niét wordt geboden. Dit gebeurt aan de hand van de in het Millingse Besluit maatschappelijke ondersteuning neergelegde criteria. Artikel2.2Voorziening in natura 1.Indien een voorziening in natura wordt verstrekt die in eigendom is van de leverancier, is de bruikleenovereenkomst of huurovereenkomst tussen de leverancier en de aanvrager van toepassing. 2.Indien een voorziening in natura wordt verstrekt die in eigendom is van de gemeente Millingen aan de Rijn, is de bruikleenovereenkomst of huurovereenkomst van de gemeente Millingen aan de Rijn van toepassing. 3.Indien een voorziening in natura wordt verstrekt in de vorm van persoonlijke dienstverlening door een derde, is de dienstverleningsovereenkomst tussen de derde en de aanvrager van toepassing. 4.Indien een voorziening in natura wordt verstrekt in de vorm van persoonlijke dienstverlening door de gemeente Millingen aan de Rijn, is de dienstverleningsovereenkomst tussen de gemeente Millingen aan de Rijn en de aanvrager van toepassing. Artikel2.3Financiële tegemoetkoming Bij verstrekking van een financiële tegemoetkoming worden de toepasselijke voorwaarden zoals genoemd in het Millingse Besluit maatschappelijke ondersteuning in de beschikking opgenomen. Artikel2.4Persoonsgebonden budget 1.Op het persoonsgebonden budget zoals genoemd in artikel 6 van de wet, zijn de volgende voorwaarden van toepassing: een persoonsgebonden budget wordt alleen verstrekt ten aanzien van individuele voorzieningen; de omvang van het persoonsgebonden budget is de tegenwaarde van de in de betreffende situatie goedkoopst adequaat te verstrekken voorziening in natura, zoals vastgelegd in het Millingse Besluit maatschappelijke ondersteuning; indien nodig wordt de tegenwaarde als bedoeld in lid 1 onder b aangevuld met een vergoeding voor de instandhoudingkosten van de voorziening, zoals vastgelegd in het Millingse Besluit maatschappelijke ondersteuning; de wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld wordt door het college vastgelegd in het Millingse Besluit maatschappelijke ondersteuning. 2.De toekenning van het te verstrekken persoonsgebonden budget, de omvang en de looptijd ervan worden bij beschikking vastgesteld. 3.Bij de beschikking wordt een program van eisen verstrekt waarin aangegeven is aan welke vereisten de met het persoonsgebonden budget te verwerven voorziening dient te voldoen. 4.Na verzending van de beschikking wordt het persoonsgebonden budget ter beschikking gesteld door storting op de rekening van de aanvrager. 5.Na aanschaf van de voorziening waarvoor het persoonsgebonden budget verstrekt is, dan wel na afloop van de periode waarop het persoonsgebonden budget van toepassing is, wordt aan het college door de budgethouder, voor zover van toepassing, verstrekt: de nota/factuur van de aangeschafte voorziening; een betalingsbewijs van de aangeschafte voorziening; een overzicht van de salarisadministratie; volgens de voorschriften zoals door het college in het Millingse Besluit maatschappelijke ondersteuning opgenomen. 6.Na ontvangst van de in het vorige lid genoemde bescheiden wordt door het college beoordeeld of er aanleiding bestaat het persoonsgebonden budget geheel of ten dele terug te vorderen of te verrekenen. Artikel2.5Eigen bijdragen en eigen aandeel Bij het verstrekken van individuele voorzieningen op grond van de wet is de aanvrager een eigen bijdrage verschuldigd of wordt de financiële tegemoetkoming afgestemd op het inkomen. De raad legt jaarlijks in een nader besluit de omvang van de eigen bijdrage en het eigen aandeel vast met inachtneming van het landelijk Besluit maatschappelijke ondersteuning (Algemene maatregel van bestuur). Hoofdstuk3Hulp bij het huishouden Artikel3.1Vormen van hulp bij het huishouden De door het college, ter compensatie van beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek bij het voeren van een huishouden, te verstrekken voorziening kan bestaan uit: een algemene voorziening waaronder algemene hulp bij het huishouden; hulp bij het huishouden in natura; een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het huishouden. Artikel3.2Primaat van de algemene hulp bij het huishouden 1.Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 4 van de wet en belanghebbende kunnen voor de in artikel 3.1 onder a. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien: aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek of problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg het zelf uitvoeren van een of meer huishoudelijke taken onmogelijk maken en de algemene hulp bij het huishouden dit snel en adequaat kan oplossen. 2.Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 4 van de wet en belanghebbende kunnen voor de in artikel 3.1 onder b. en c. vermelde voorzieningen in aanmerking worden gebracht als: de in artikel 3.1 onder a. genoemde voorziening een onvoldoende oplossing biedt of niet beschikbaar is. Artikel3.3Gebruikelijke zorg In afwijking van het gestelde in artikel 3.2 komen een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 4 van de wet en belanghebbende niét in aanmerking voor hulp bij het huishouden als tot de leefeenheid waar deze persoon deel van uitmaakt een of meer huisgenoten behoren die wel in staat zijn het huishoudelijk werk te verrichten. Artikel3.4Omvang van de hulp bij het huishouden De omvang van de hulp in het huishouden wordt uitgedrukt in uren, afgerond naar decimalen, per week. Artikel3.5Omvang van het persoonsgebonden budget Het bedrag per uur dat in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, wordt door het college vastgesteld en vastgelegd in het Millingse Besluit maatschappelijke ondersteuning. Hoofdstuk4Woonvoorzieningen Artikel4.1Vormen van woonvoorzieningen De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het voeren van een huishouden, te verstrekken woonvoorziening kan bestaan uit: een algemene woonvoorziening; een woonvoorziening in natura; een persoonsgebonden budget te besteden aan een woonvoorziening; een financiële tegemoetkoming in de kosten van een woonvoorziening. Artikel4.2Primaat algemene voorzieningen en recht op individuele voorzieningen 1.Een belanghebbende kan voor de in artikel 4.1 onder a. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek een aanpassing aan de woning noodzakelijk maken en de algemene woonvoorziening dit snel en adequaat kan oplossen. 2.Een belanghebbende kan voor de in artikel 4.1 onder b., c. en d. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien de in het vorige lid genoemde voorziening niet aanwezig is of niet tot een adequate oplossing leidt. Artikel4.3Soorten individuele voorzieningen De in artikel 4.1 onder b., c. en d. genoemde voorzieningen kunnen betreffen: verhuis- en herinrichtingskosten; een woningaanpassing; een woningsanering; een roerende woonvoorziening een uitraasruimte; onderhoud, keuring en reparatie van woonvoorzieningen; tijdelijke huisvesting; huurderving het verwijderen van voorzieningen Artikel4.4Primaat van de verhuizing 1.Een belanghebbende kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 4.3 onder a. in aanmerking worden gebracht wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het normale gebruik van de woning belemmeren. 2.Een belanghebbende kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 4.3 onder b., c., d., en g in aanmerking worden gebracht wanneer de in het eerste lid genoemde voorziening niet mogelijk is of niet de goedkoopst adequate voorziening is. 3.Een belanghebbende kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 4.3 onder e. in aanmerking worden gebracht wanneer sprake is van een - op basis van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek -aanwezige gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot gevolg, waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon tot rust kan komen. 4.In het Millingse Besluit maatschappelijke ondersteuning wordt geregeld in welke gevallen een voorziening als bedoeld in artikel 4.3 onder f., g., h. en i. kan worden verstrekt. Artikel4.5Verhuis- en inrichtingskosten Burgemeester en wethouders kunnen een financiële tegemoetkoming verlenen in de kosten van verhuizing en inrichting aan een persoon die op verzoek van de gemeente een aangepaste woning vrijmaakt ten behoeve een belanghebbende die vanwege zijn beperking aanspraak kan maken op een aangepaste woning. Artikel4.6Primaat van de losse woonunit Indien een bouwkundige woonvoorziening bestaat uit een aanbouw aan of een aanzienlijke verbouwing van een woning die het eigendom is van een verhuurder, die niet bereid is de aangepaste woning blijvend ter beschikking te stellen van personen die op basis van aantoonbare beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek behoefte hebben aan een dergelijke woning, zal het college een herplaatsbare losse woonunit verstrekken indien daartegen geen bezwaren van overwegende aard bestaan. Artikel4.7Uitsluitingen 1.De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het treffen van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen en kamerverhuur. 2.De bepalingen van dit hoofdstuk zijn eveneens niet van toepassing op specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden. Artikel4.8Hoofdverblijf 1.Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen. 2.In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van één woonruimte indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-instelling. 3.De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente waar de aan te passen woning staat. 4.De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de in het tweede lid bedoelde woonruimte tot een door het college in het Millingse Besluit maatschappelijke ondersteuning vast te leggen maximumbedrag. 5.Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de aanvrager de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken. Artikel4.9Gronden voor weigering woonvoorziening De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt geweigerd indien: de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe geen aanleiding bestond op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolge van ziekte of gebrek, en er geen andere belangrijke reden aanwezig was; de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte, beschikbare woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college; deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen; de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak; De aanvrager : - voor het eerst zelfstandig gaat wonen; - verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden; - verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg; - in de verlaten woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning heeft ondervonden. Indien de kosten van de voorziening meer bedragen dan € 45.000 tenzij weigering van die voorziening, gelet op het belang dat de wet beoogt te beschermen, zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard. Artikel4.10Aard van de materialen Burgemeester en wethouders verlenen slechts een financiële tegemoetkoming ten behoeve van woningaanpassingen voor zover de ondervonden ergonomische beperkingen niet voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen. Artikel4.11Terugbetaling bij verkoop De eigenaar-bewoner, die krachtens deze verordening een woonvoorziening heeft ontvangen die leidt tot waardestijging van de woning, dient bij verkoop van deze woning binnen een periode van 10 jaar na gereedmelding van de voorziening, deze verkoop van de woning onverwijld aan het college te melden. De meerwaarde van de woning dient volgens het in het Millingse Besluit maatschappelijke ondersteuning door het college vastgelegde afschrijvingsschema te worden terugbetaald. Artikel4.12Het verwerven van grond Voor zover een woningaanpassing betreft het uitbreiden van een bestaande woning, dan wel het groter bouwen van een nieuw te bouwen woning dan zonder de voorziening nodig zou zijn, kunnen burgemeester en wethouders een financiële tegemoetkoming verlenen voor de extra te verwerven grond. Deze tegemoetkoming komt ten hoogste overeen met de bijdrage voor het aantal vierkante meters per vertrek en een gedeelte van de buitenruimte bij de woning, zoals vermeld in de bij deze verordening behorende bijlage
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.