← Nederland

Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand. ('s-Gravenhage)

Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand. HOOFDSTUK1Algemene bepalingen Artikel1 In deze verordening wordt verstaan onder

  1. de wet: de Wet werk en bijstand;
  2. woning: een woonruimte waarin geen wezenlijke woonfuncties, te weten woon- en slaapruimte, was- en kookgelegenheid en toilet met andere wooneenheden worden gedeeld. Onder een woning wordt mede verstaan een woonwagen en een woonschip;
  3. woonkosten:
  4. indien een huurwoning wordt bewoond, de op de aanvangsdatum van het lopende huursubsidietijdvak per maand geldende huurprijs, als bedoeld in de Huursubsidiewet;
  5. indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand omgerekende som van de verschuldigde hypotheekrente, de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud;
  6. norm: de uitkeringsbedragen zoals bedoeld in artikel 21 van de wet;
  7. hulpbehoevende: degene die, indien hij niet tezamen met een andere, niet tot het gezin behorende persoon de woning zou bewonen, zou zijn aangewezen op beroepsmatige hulp zoals verzorging in een verzorgingshuis of in een andere inrichting ter verpleging of verzorging. Onder hulpbehoevende wordt ook verstaan een bloedverwant in de tweede graad die zorgbehoeftig is;
  8. de peildatum: de dag voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van deze verordening, dan wel, in geval van toepassing van artikel 11, de dag voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van dit artikel, onder toepasselijkheid van artikel
  9. HOOFDSTUK2Toeslagen op de norm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder Artikel2 De norm wordt verhoogd met een toeslag indien de alleenstaande of de alleenstaande ouder hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander. Artikel3 De norm wordt verhoogd: met een toeslag gelijk aan 20% van de norm als bedoeld in artikel 21, aanhef onder c van de wet indien de alleenstaande of alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kind(eren) een woning bewoont waarin geen ander hoofdverblijf heeft, tenzij het betreft een of meer anderen die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt; met een toeslag gelijk aan 10% van de norm als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder c van de wet indien de alleenstaande of alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kind(eren) een woning bewoont waarin tevens een of meer anderen die de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, hoofdverblijf hebben. HOOFDSTUK3Verlagingen van de norm voor gehuwden van 21 jaar en ouder Artikel4 De norm wordt verlaagd voor zover de gehuwden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander. Artikel5 De norm wordt verlaagd: met een bedrag gelijk aan 10% van de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 21, aanhef onder c van de wet indien de gehuwden met eventueel ten laste komende kind(eren) een woning bewonen waarin tevens één of meer anderen die de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, hoofdverblijf hebben. Artikel6 In afwijking van artikel 5 van de verordening wordt de norm niet verlaagd indien de gehuwden met eventuele ten laste komende kind(eren) een woning bewonen waarin geen anderen tevens hoofdverblijf hebben, tenzij het betreft een of meer anderen die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt. HOOFDSTUK4Uitzonderingen op het toeslagen- en verlagingenbeleid ingevolge hoofdstuk 2 en 3 Artikel7 De bijstandsuitkering van de ouder(s) wordt vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 onder a dan wel artikel 6 van de verordening, indien naast eventuele in de norm begrepen kind(eren ) uitsluitend sprake is van één of meer niet ten laste komende inwonende kind(eren) van 18 jaar of ouder en elk van deze kinderen geacht wordt te kunnen beschikken over eigen inkomsten van ten hoogste de norm bedoeld in artikel 21, aanhef onder a van de wet. Met niet ten laste komende kinderen van 18 jaar of ouder, bedoeld in dit artikel, worden gelijkgesteld pleegkinderen die vóór het bereiken van de leeftijd van 18 jaar zijn geplaatst op grond van de Wet op de Jeugdhulpverlening. Artikel8 1.De bijstandsverlening wordt eveneens vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 onder a dan wel artikel 6 van de verordening ten aanzien van: een hulpbehoevende; degene die, behoudens met de tot het gezin behorende personen, tezamen met één of meer op zijn verzorging aangewezen hulpbehoevenden, hoofdverblijf heeft in dezelfde woning; 2.De bijstandsverlening wordt eveneens vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 onder a. dan wel artikel 6 van de verordening ten aanzien van degene die tezamen met de tot zijn gezin behorende personen: na bemiddeling van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten tijdelijk is gehuisvest in een daarvoor bestemde voorziening voor noodopvang; tijdelijk is gehuisvest in een door het college aan te wijzen voorziening voor noodopvang dan wel maatschappelijke opvang. HOOFDSTUK5Overige verlagingen en kortingen Artikel9 De norm en toeslag worden verlaagd met een bedrag gelijk aan 18% van de norm als bedoeld in artikel 21, aanhef onder c van de wet indien de belanghebbende een woning bewoont waaraan geen woonkosten verbonden zijn of geen woning aanhoudt. Artikel10 De norm van een alleenstaande van 21 of 22 jaar wordt, in afwijking van artikel 3 lid 1, verhoogd met een toeslag van 15% van de norm als bedoeld in artikel 21 aanhef en onder c van de wet als deze alleenstaande een woning bewoont waarin geen ander hoofdverblijf heeft, tenzij het betreft een of meer anderen die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt. Artikel11 Indien er sprake is van schoolverlating als bedoeld in artikel 28 van de wet en het betreft een alleenstaande dan wordt de eerste 6 maanden na het tijdstip van beëindiging een basisnorm toegekend van 50% zonder toeslag. HOOFDSTUK6Overgangsrecht Artikel12 Als artikel 11 van toepassing is worden andere verlagingen uit deze verordening buiten toepassing gelaten. HOOFDSTUK7Slotbepalingen Artikel13 De inwerkingtreding van deze verordening is 1 januari 2007 met uitzondering van artikel
  10. Dit artikel treedt per 1 juli 2007 in werking. Artikel14 Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2007.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.