Welstandsnota
- LEESWIJZER De nota bestaat uit vier delen: Deel 1 het algemene deel bevat de uitleg van de beoordeling van bouwplannen, de algemene welstandscriteria en een overzicht van de verschillende soorten criteria. Deel 2 bevat de beschrijvingen van de deelgebieden. De gemeente is ingedeeld in handzame bruikbare deelgebieden (zoals kernen en landelijk gebied). Daarbij behoren een concrete beschrijving van die locatie en een opsomming van de gebiedstypen, zoals die in het betreffende gebied voorkomen. Deel 3 bevat de gebiedstypen en gebouwtypen. Gebiedstypen zijn gebieden met eenzelfde bouwvorm en verkavelingsvorm. Het voor het gebied geldende welstandsniveau en de welstandscriteria zijn daar te vinden. De gebiedstypen zijn op kaarten aangegeven door middel van kleuren. Met deze gebiedstypen kaarten corresponderen de welstandsniveau kaarten. Deel 4 bevat de sneltoetscriteria voor veel voorkomende (kleine) bouwplannen. De nota is op twee manieren te gebruiken: Als beleidsstuk, dat als één geheel gelezen kan worden. Daarbij zijn de bijbehorende kaarten een goed hulpmiddel om in de materie thuis te raken. De kaarten behoren bij deel
- Als naslagwerk, waarin opgezocht kan worden welke criteria voor één adres gelden. Een adres behoort altijd bij een deelgebied én bij een gebiedstype. De onder beide vermelde teksten bevatten samen de nodige gegevens voor de aanvrager en voor de toetser op de welstandsaspecten.
- INLEIDING 2.
- Aanleiding voor de nota De herziening van de Woningwet, die 1 januari 2003 in werking is getreden, heeft ondermeer als doel, het inzichtelijk maken van de beoordeling van de aanvragen voor bouwplannen door de welstandscommissie. Die beoordeling zelf is niet veranderd en betreft: ‘De aanvaardbaarheid van het bouwwerk in zijn omgeving, van het bouwwerk op zichzelf en van de toegepaste details, materialen en kleuren’. Daaraan wordt nu toegevoegd: ‘De gemeenteraad stelt de welstandsnota vast’. Deze nota bevat de criteria die gelden bij de beoordeling van bouwplannen door de welstandscommissie. De reden voor dit nieuwe beleidsinstrument is èn de gemeenteraad èn de burger te betrekken bij het welstandsbeleid, zodat dit beleid voor een ieder inzichtelijk wordt. De formulering luidt, dat de plannen moeten voldoen ‘aan redelijke eisen van welstand’. Thans is het al lang niet meer zo dat overal op dezelfde wijze naar de plannen wordt gekeken. Eerst wordt de aanvraag getoetst aan het bestemmingsplan. Daarin kunnen aanwijzingen staan voor de beoordeling. In nieuwe plangebieden bepalen beeldkwaliteitplannen waaraan de bouwplannen moeten voldoen. In beschermde stads- en dorpsgezichten wordt speciaal gelet op het historische kader. Wat ‘redelijk’ is voor welstand, hangt dus af van het kader waarbinnen de plannen worden getoetst. De voorliggende nota beoogt samenhang te brengen in die toetsingskaders en de daarbij behorende criteria en deze overzichtelijk en inzichtelijk te presenteren. Na 1 juli 2004 zal het niet meer mogelijk zijn zonder vooraf bekend gemaakte criteria welstandseisen aan bouwplannen te stellen. Na vaststelling van de welstandsnota door de gemeenteraad kan de welstandsbeoordeling alleen nog maar gebaseerd worden op de criteria die in de welstandsnota worden genoemd. Daarnaast is het maken van de welstandsnota een uitnodiging aan de gemeenten de eigen kwaliteiten te inventariseren en een inspirerende visie te ontwikkelen voor de toekomst. 2.
- Totstandkoming van de nota Tussenproducten en het eindproduct werden telkens voorbereid door een werkgroep en een stuurgroep, deze laatste bestaande uit de werkgroepleden, de portefeuillehouder en enige raadsleden. Om de burger daadwerkelijk te betrekken bij het welstandsbeleid is bij de totstandkoming van de nota bovendien een klankbordgroep opgericht. Deze groep is door de gemeente samengesteld en bevatte geïnteresseerde burgers en vertegenwoordigers van verschillende organisaties die bij de bouw, het onderhoud of het beheer ervan betrokken zijn. Deze groep kwam meerdere malen bijeen. De eerste bijeenkomst had vooral een voorlichtend karakter. De tweede maal is de waardering van de deelgebieden uitvoering bediscussieerd. En de derde maal stond het welstandsbeleid en de criteria centraal. De bijeenkomsten waarvoor veel belangstelling was, hadden een levendig karakter en goede suggesties en voorstellen zijn in de nota verwerkt. 2.
- Positie van welstand Welstandsbeleid is eigenlijk de ‘finishing touch’ van het ruimtelijk beleid: het ligt in het verlengde van structuurvisies, bestemmingsplannen en andere ruimtelijke beleidsstukken. Zo is er het structuurplan voor bepaling van de grote lijnen en nieuwe ontwikkelingen, het bestemmingsplan als een meer gedetailleerde uitwerking daarvan en het daaraan gekoppelde beeldkwaliteitplan voor de uiterlijke verschijningsvorm. Dan is er het monumentenbeleid van het rijk, de provincie en de gemeente voor de historische aspecten. Het welstandsbeleid vormt daarop een aanvulling en heeft meer de trekken van beheersinstrument voor bestaande gebieden. Toch is welstandsbeleid ook een instrument voor vernieuwing en verbetering met name die van bestaande gebieden.
- TOETSINGSKADER 3.
- Aanpak toetsingskader Volgens de Woningwet moet het plan voldoen aan redelijke eisen van welstand, aan algemene welstandscriteria. Deze eisen betreffen: Het bouwwerk in zijn sociaal – culturele context, het bouwwerk in zijn omgeving, het bouwwerk op zichzelf, en de details, de materialen en kleuren. Thans zijn deze algemene eisen niet meer voldoende om een welstandsadvies op te baseren. Deze dienen nader te worden bepaald, afhankelijk van de categorie waartoe het plan behoort. De wetgever onderscheidt drie categorieën plannen: De vergunningvrije bouwwerken De licht vergunningplichtige bouwwerken De regulier vergunningplichtige bouwwerken Voor de beide laatste blijft het mogelijk welstandseisen te stellen. Aan de beoordeling zitten twee kanten namelijk: Wat wordt beoordeeld? Waarnaar kijkt de commissie bij de beoordeling. En hoe wordt er beoordeeld? Met welke ogen kijkt de commissie: waarop is de beoordeling gericht, op behoud, op verbetering? Hoe streng of soepel kijkt de commissie? Waarnaar de commissie kijkt, hangt behalve van het plan zelf, af van de omgeving van het plan. Betreft het een bestaande omgeving, dan wordt het toetsingskader daaraan ontleend. Is het een nieuwe ontwikkeling, dan wordt het kader ontleend aan de (stedenbouwkundige) randvoorwaarden, of het beeldkwaliteitplan. Deze nota gaat in op het toetsingskader voor de bestaande bebouwde omgeving. De nieuwe plannen en geldende beeldkwaliteitplannen van gebieden in wording worden in de nota van toepassing verklaard. 3.
- Samenhang criteria De herziene Woningwet maakt onderscheid in vier soorten criteria: de algemene welstandscriteria, de gebiedsgerichte criteria, de criteria voor bepaalde typen bouwwerken en de objectcriteria. De algemene welstandscriteria gelden voor alle bouwwerken en zijn gebaseerd op de algemene kenmerken van gebouwen. De gebiedsgerichte welstandscriteria gelden voor bepaalde gebieden en zijn gebaseerd op de kenmerken van die gebieden. De criteria voor bepaalde typen bouwwerken zijn op de specifieke kenmerken van die bouwwerken gebaseerd en gelden voor die typen. De objectcriteria tenslotte betreffen welstandscriteria voor veel voorkomende kleine bouwwerken, waarvan de criteria vooral berusten op de objectkenmerken. Welke die bouwwerken zijn is wettelijk bepaald en criteria daarvoor zijn in brochurevorm beschikbaar. Om samenhang te brengen in de criteria is het nodig om ordening aan te brengen in de kenmerken van de gebieden, de bouwwerken en de objecten. Daarnaast is het nodig de toetsing in een vaste volgorde te laten verlopen. 3.
- Ordening kenmerken Gebieden: Het grondgebied van de gemeente wordt verdeeld in gebiedstypen, dat wil zeggen gebieden die de dezelfde kenmerken dragen. Voorbeelden zijn: historische dorpslinten, tuindorpverkavelingen e.d. Vervolgens wordt een waardering van de gebieden gemaakt. Sommige gebieden kennen al zo’n waardering. Het zijn de Beschermde stads- en dorpsgezichten en de Beschermde Buitenplaatsen. De redengevende omschrijvingen worden in de nota van toepassing verklaard ook voor de welstandstoets. Voor de gebieden in ontwikkeling bestaan veelal reeds randvoorwaarden in de vorm van een beeldkwaliteitplan. De betreffende plannen worden in de nota van toepassing verklaard. Gebouwen: Er zijn gebouwen (of ensembles van gebouwen) die zich niet laten vangen in een gebiedsbeschrijving. Vormen deze een apart type dan worden daar aparte omschrijvingen voor gemaakt en een bijbehorende waardering. Hetzelfde geldt voor ensembles van gebouwen. Voorbeelden daarvan zijn: molens, of specifieke boerderijtypen e.d. Er zijn ook groepen bouwwerken die een aparte waardering kennen. Dat zijn de monumentenlijsten van rijk en gemeente. De bijbehorende waardestelling wordt in de nota van toepassing verklaard en op een lijst aan de nota toegevoegd. Objecten: Tenslotte zijn er objecten die zich lenen voor aparte toetsing. Welke dat zijn is wettelijk geregeld. Voorbeelden daarvan zijn: dakkapellen en aanbouwen e.d. Voor de toetsingscriteria voor deze groep bouwwerken is een voorzet door de gezamenlijke welstandsfederaties gedaan: de zogenaamde sneltoetscriteria, omdat deze zoveel mogelijk snel afgedaan moeten kunnen worden. 3.
- Toetsingniveau Hoe er naar de plannen gekeken wordt hangt af van de waarde die aan het gebied, gebouw of object wordt gehecht. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft voor de algemene indeling van deze waarderingsniveaus een voorzet gedaan met een indicatie over wat voor soort gebieden het gaat. De gemeente neemt deze indeling over te weten: Niveau 1 : bijzondere toetsing Niveau 2 : reguliere toetsing Niveau 3 : soepele toetsing Niveau 4 : welstandsvrij Niveau 1 bijzondere toetsing. Deze toetsing houdt in dat de gemeente de bijzondere kwaliteiten van het betreffende gebied wil behouden en/of verbeteren, ofwel een gebied met bijzondere kwaliteiten wil realiseren. Dat betekent voor nieuwe plannen, wijzigingen en toevoegingen dat deze een bijdrage dienen te leveren aan het gestelde doel. Het zijn de gebieden die van cruciale betekenis voor het totaalbeeld van de gemeente (bijvoorbeeld het centrumgebied) en van het landschap (bijvoorbeeld waardevolle boerderijen), of gebieden met een hoge cultuurhistorische waarde (bijvoorbeeld een beschermd stads- en dorpsgezicht). Niveau 2 reguliere toetsing. Deze toetsing beoogt handhaving en continuering van de huidige kwaliteit van een gebied. Dat betekent voor nieuwe plannen, wijzigingen en toevoegingen dat deze moeten passen in de omgeving. Het zijn met name gebieden met een planmatig karakter (bijvoorbeeld bestaande woon- en werkgebieden). Niveau 3 soepele toetsing. Deze toetsing beoogt de basiskwaliteit van het betreffende gebied te handhaven. Dat betekent voor nieuwe plannen, wijzigingen en toevoegingen, dat deze niet storend dienen te zijn voor de omgeving. Voor gebieden met een beperkte betekenis voor de openbare ruimte die zonder al te veel problemen afwijkingen kunnen verdragen (bijvoorbeeld een bedrijventerrein met een laag representatief gehalte). Niveau 4 welstandsvrije gebieden. Er worden geen eisen gesteld. De aanleiding kan tweeledig zijn: vrijheid in de betreffende gebieden zonder nadere eisen te stellen, omdat daar geen publiek belang mee gemoeid is; vrijheid kan ook een uitnodiging inhouden meer dan normale kwaliteiten mogelijk te maken. Alleen de eisen van het bestemmingsplan gelden, en de z.g. excessenregeling. Beiden gelden altijd. 3.
- Toetsingstraject Om de verschillende soorten criteria goed te kunnen hanteren is het nodig de toetsing in een vaste volgorde te laten verlopen. Eerst wordt gekeken of het plan vergunningvrij is. Is dat het geval dan wordt het plan niet preventief getoetst. Op verzoek van de aanvrager kan het plan wél getoetst worden. Is het plan niet vergunningvrij, dan wordt gekeken of het plan licht vergunningplichtig is. Is dat het geval, dan wordt het plan getoetst aan de objectcriteria of sneltoetscriteria. Voor deze criteria is een standaardtekst beschikbaar. De gemeente Wijchen heeft deze tekst in gewijzigde vorm overgenomen. De wijzigingen zijn in de tekst gemarkeerd. Voldoet het plan daaraan dan is het akkoord. Voldoet het er niet aan, dan gaat het plan naar de commissie. Deze bekijkt of het plan voldoet aan de gebiedsgerichte criteria of criteria voor bepaalde typen bouwwerken. Voldoet het plan daaraan, dan is het alsnog akkoord. Voldoet het daar ook niet aan, dan is het plan niet akkoord. Is het plan niet licht vergunningplichtig, dan is er sprake van reguliere vergunningplicht en wordt het plan aan de welstandscommissie voorgelegd ter beoordeling. Deze toetst het plan aan de gebiedsgerichte criteria of criteria voor bepaalde typen bouwwerken. Voldoet het plan daaraan dan is het akkoord. Voldoet het daar niet aan, dan is het plan – afgezien van de mogelijkheid tot aanhouding – niet akkoord. 3.
- Excessenregeling Zowel bij lichte als bij regulier vergunningplichtige bouwwerken kan het voorkomen dat een plan niet voldoet aan de gebieds- gebouwtype- of objectcriteria. Toch kan de commissie oordelen, dat het plan op grond van meer dan gewone eigen kwaliteiten, een bijdrage levert aan de betreffende omgeving. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan een plan met gevels van een afwijkend materiaal dat wel prefect past in de maat en schaal van de omgeving. Daarbij beroept zij zich op de algemene welstandscriteria die altijd aan de basis vormen voor de andere welstandscriteria. De commissie adviseert dan B&W, voorzien van goede argumenten waarom dit plan afwijkt van de gebieds- en typecriteria, toch met het plan akkoord te gaan. 3.
- Hardheidsclausule Tenslotte kunnen ook achteraf excessen worden onderworpen aan een beoordeling. Het moet dan gaan om bouwwerken waarvan de negatieve invloed op de omgeving breed gedragen wordt. Vaak heeft dit betrekking op de ondeugdelijke uitvoering van vergunningvrije bouwwerken met een storende uitwerking op de omgeving door slecht materiaalgebruik, sterk afwijkend of contrasterend kleurgebruik of te opvallende of ondoelmatige reclame-uitingen etc. Deze excessenregeling voorziet dan achteraf in het ongedaan maken of herstellen van de schadelijke gevolgen van het betreffende bouwwerk. Burgemeester en wethouders kunnen de eigenaar aanschrijven en het bouwwerk laten verwijderen of aanpassen. Om te voorkomen dat men achteraf geconfronteerd wordt met de excessenregeling, kan de eigenaar van het te bouwen vergunningvrije bouwwerk toch laten toetsen door welstand, de vrijwillige welstandstoets.
- ALGEMENE WELSTANDSCRITERIA 4.
- Inleiding De algemene welstandscriteria worden ontleend aan het vakmanschap van het architectonisch en stedenbouwkundig ontwerp, alsmede aan algemeen aanvaarde normen van fatsoen. Deze criteria laten zich niet beperken tot hetgeen bouwvergunningplichtig is, maar hebben betrekking op de hele gebouwde omgeving met inbegrip van de inrichting van het private en publieke domein. Deze algemene criteria liggen ten grondslag aan elke planbeoordeling en vormen dus ook de onderlegger voor gebiedsgerichte en objectgerichte welstandscriteria, zoals verder in de nota uitgewerkt. De algemene welstandscriteria laten zich als volgt onderverdelen: Het bouwwerk sociaal – cultureel. Het bouwwerk en omgeving. Het bouwwerk op zich. 4.
- Bouwwerk sociaal cultureel Een bouwwerk voldoet aan redelijke eisen van welstand als verwijzingen en associaties zorgvuldig zijn gebruikt en uitgewerkt. Vormen van of aan gebouwen die regelmatig worden herhaald of geciteerd, krijgen een zelfstandige betekenis: zuilen doen denken aan een klassieke omgeving, een gevel van staal en glas aan de moderne tijd. Daardoor kunnen ze zich geheel los maken van de andere uitgangspunten bij de vormgeving van een gebouw of de omgeving, maar ook van de actuele culturele context waarin ze tot stand komen. Aan een raadhuis stelt men andere eisen dan aan een boeren schuur! Bij restauratie is sprake van herstel van elementen uit het verleden, maar bij verbouw of nieuwbouw in een monumentale omgeving dient duidelijk te zijn wat is hersteld en wat is geïnterpreteerd. Een door een bepaalde stijlperiode geïnspireerd ontwerp is dan ook iets anders dan het kopiëren van oude vormen. Bij geregistreerde monumenten is de beoordeling van de historische aspecten onderscheiden van de welstandsaspecten. En voor beiden functioneert een afzonderlijke commissie. De monumentencommissie toetst het plan volgens de regelen van de monumentenverordening aan de Monumentenwet, met andere woorden of het plan de omschreven historische waarden respecteert. De welstandscommissie toetst het plan aan welstandseisen, met andere woorden of de voorgestelde wijziging en/of toevoeging op zichzelf een goed totaalbeeld oplevert, dat past in de omgeving. Voor de welstandscommissie is het belangrijk het oordeel van de monumentencommissie te kennen om het bij de beoordeling te kunnen betrekken. 4.
- Bouwwerk en omgeving Van alle welstandscriteria zijn de ‘omgevingscriteria’ het best te objectiveren. Immers de bestaande of te projecteren kenmerken kunnen worden geformuleerd, zonder veel subjectieve invloed. Het gebouw of de wijziging aan het gebouw voldoet aan redelijke eisen van welstand als het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van die omgeving en er de juiste houding in aanneemt. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is: m.a.w. de sociaal-culturele context waarin het bouwwerk geplaatst wordt speelt daarbij een rol. Hoe die omgeving beoordeeld wordt en op welk niveau, dat wordt aangegeven in het hoofdstuk gebiedsgerichte criteria. 4.
- Bouwwerk op zich Een bouwwerk voldoet aan redelijke eisen van welstand, als het toont ‘wat het is’, hoe het gemaakt is en hoe het is samengesteld, en als het tegelijk beantwoordt aan eigen compositieregels van de architectuur. Het welstandstoezicht is gericht op het uiterlijk van het bouwwerk, maar bij de beoordeling daarvan zijn onderliggende relaties tussen constructie of structuur en vorm, en relaties tussen gebruik en vorm mede bepalend. Tot het eigen domein van de architectuur behoren beheersing van maat en schaal en daarmee samenhangend eenvoud of complexiteit; voorts de vorm van het gebouw, en het gebaar dat een gebouw maakt naar de omgeving. Het uiterlijk van een gebouw wordt mede bepaald door de toegepaste materialen en kleuren. Deze dienen de andere genoemde aspecten van het gebouw te ondersteunen en te versterken, zodat een afleesbare samenhang tot stand komt van alle aspecten. 4.
- Aspecten van de welstandscriteria Maat en schaal Doorgaans geeft het bestemmingsplan al minimum en maximum maten voor de bouwwerken; Voorzover dat niet het geval is, beoordeelt de commissie of het bouwwerk ‘op maat’ is, dus niet te groot of te klein. Schaal is een typisch welstandscriterium; het gaat om de onderverdeling van een bouwwerk in kleinere eenheden; dat kunnen volumes zijn of gevelverdelingen of zelfs kleinere dingen als stenen, pannen of kozijnstijlen. Het bepaalt de eenvoud / complexiteit van een bouwwerk. Maat en schaal vormen een onafscheidelijk duo, dat altijd bij een welstandsbeoordeling betrokken wordt. Vorm en gebaar. Vorm heeft te maken met recht schuin of rond, dus met kap of plat, vlak of plastisch, en dergelijke. Het gebaar of de ‘houding’ van een gebouw wordt bepaald door allerlei aspecten samen, zoals de positie van een gebouw, de entree en het gezicht, symmetrie of asymmetrie en dynamiek. Vorm en gebaar spelen vaak samen een rol en dragen vaak bij aan de betekenis van een gebouw. Stijl en detail. Beeldbepalende details bepalen juist als bij alle andere producten, de ‘stijl’. Hierdoor verraadt het bouwwerk zijn leeftijd, het beschikbare materiaal en de bouwwijze. Naast details die de stijl bepalen zijn er ondergeschikte details aan een bouwwerk te onderscheiden; deze zijn vooral belangrijk als er hoge eisen aan een bouwwerk gesteld worden; het zijn bijvoorbeeld materiaalovergangen, ontmoetingen van materialen op de hoek. Materiaal en kleur Het toegepaste materiaal bepaalt het karakter van een bouwwerk; de wijze waarop het wordt toegepast, bepaalt de kwaliteit (ook letterlijk: weerbestendigheid) De kleur is een laatste maar erg belangrijk beoordelingsaspect: namelijk licht of donker, en de kleursoort als rood, geel, blauw, e.d. kan praktisch nooit buiten beschouwing worden gelaten. Ook op grote afstand kan juist een kleur invloed hebben op de omgeving.
- CRITERIA GEBIEDSTYPEN (BOUWSTENEN) 5.
- Werkwijze De bebouwing die in de gemeente voorkomt wordt op twee wijzen in gebieden onderscheiden namelijk getypeerd op grond van kenmerken (gebiedstypen) en volgens op gangbare wijze ingedeeld in buitengebied, kernen en wijken of buurten (deelgebieden). Typering van de bebouwing op grond van kenmerken leidt tot een indeling in gebieden, waarbinnen het type verkaveling, de vorm en het uiterlijk van de bebouwing en (soms ook) de toegepaste materialen en kleuren overeenkomen. Voor deze gebiedstypen (of bouwstenen) is een bestaande systematiek voorhanden. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten maakte er een voorstel voor. Hiervan wordt in de nota uitgegaan en op de gemeente toegepast. Daarnaast wordt het grondgebied verdeeld in deelgebieden volgens de gangbare indeling in buitengebied, kernen en wijken of buurten. Per deelgebied wordt aangegeven welke gebiedstypen er voorkomen aangevuld met een locatieomschrijving met bijzonderheden ter plaatse die niet in de gebiedstypen zijn onder te brengen. Zo ontstaat per deelgebied een compleet uitgangspunt voor de welstandstoets. 5.
- Typering gebieden Van ieder gebiedstype worden de volgende gegevens beschreven: de kenmerken, de bij dit type passende waarden, toetsingsniveau en de toetsingscriteria. Per locatie kunnen nuances ontstaan in de waardering en het toetsingsniveau, bijvoorbeeld door de ligging van het gebiedstype in een groter verband, of door andere bijzonderheden. Deze worden dan bij het betreffende deelgebied vermeld waartoe de locatie behoort. Kenmerken: Deze worden behandeld volgens de indeling van de Woningwet namelijk de omgeving van het bouwwerk, het bouwwerk zelf en de details, het materiaal en de kleur, vertaald in de concrete rubrieken en samengevat in een matrix: kenmerkenmatrix Wegen / profiel de ontwikkelingsvorm van het gebied gegroeid of gepland, het verkavelingprincipe en het profiel. Bebouwing Gevarieerd of uniform, per pand, per blok of per hele buurt. Enkelvoudig of samengesteld, hoogte, kapvorm en geveltype. Stijl / detail gevarieerd of uniform, gegroeid of ontworpen, traditioneel of industrieel, Materiaal / kleur Afhankelijk van de mate waarin deze overeenkomen, met name genoemd. De gebiedstypen worden tevens aangegeven op een gebiedstypenkaart. De gebruikte kleuren sluiten aan bij het kleurenvoorstel, dat is gedaan door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en is toegesneden op de gemeente. Waarden: Er wordt aangegeven welke kenmerken voor het beeld van belang zijn. Tevens wordt een gemotiveerde waardering toegekend aan het gebiedstype. Toetsingsniveau: Bij de gebiedstypen behoort doorgaans een algemeen toetsingsniveau. Dit wordt gemotiveerd of er wordt aangegeven hoe er anderszins (bijvoorbeeld per locatie) met het toetsingsniveau wordt omgegaan. Bij het toetsingniveau behoort een toetsingskaart, waarop de niveaus middels kleuren zijn aangegeven, eveneens volgens de standaard kleurenset van het VNG. Toetsingscriteria: Deze worden altijd gehanteerd in combinatie met de beschreven kenmerken. Zij vormen het toetsingskader voor het betreffende gebied: naar welke zaken de commissie kijkt. Het toetsingsniveau kleurt de criteria in: hoe de commissie kijkt. Tenslotte wordt aangegeven waar de criteria van toepassing zijn (bijvoorbeeld verschil in voorkant / achterkant) samengevat in een matrix: Criteria matrix: Omgeving Onderscheid voor – achter Aandachtpunten. Maat / schaal ‘overeenkomstig’ bij bijzonder toezicht … ‘passend’ bij regulier toezicht … ‘niet storend’ bij soepel toezicht … waarna de uit de kenmerken volgende aandachtspunten volgen. Vorm / gebaar Stijl / detail Materiaal / kleur De gebiedscriteria vormen aldus het beoordelingskader voor bouwwerken in het betreffende gebied. Het houdt geenszins in, dat die klakkeloos moeten worden overgenomen – een goed ontwerp is meer dan kijken naar de omgeving – maar er dient rekening mee gehouden te worden in die mate die voor het gebied in kwestie geldt. 5.
- Deelgebieden Voorafgaand aan het onderscheid de in de gemeente voorkomende gebiedstypen (bouwstenen) vindt een indeling van de gemeente in deelgebieden plaats. Deze indeling volgt de praktische indeling van de gemeente in kernen en buitengebied met de daarin voorkomende landschapstypen, dit laatste voor zover relevant voor deze welstandsnota. Dat betekent dat begrenzingen zo mogelijk overeenkomen met gangbare gebiedsdelen met herkenbare benamingen. Er wordt rekening gehouden met bestemmingsplangrenzen of andere relevante beleidsstukken. De grote kernen [zoals de kern Wijchen] worden nader ingedeeld in centrumgebied en wijken. Naast een beschrijving van de begrenzing, de (historische) ontwikkeling en eventuele plannen worden de in het gebied voorkomende gebiedstypen of bouwstenen vermeld in hun onderlinge samenhang. Aldus wordt vermeden, dat de typische kenmerken van de gebiedstypen (bouwstenen) telkens herhaald moeten worden, terwijl toch specifieke kenmerken van iedere locatie een logische plaats hebben. De toetsing van de plannen dient plaats te vinden op grond van beide typen kenmerken. Daarna worden de voorkomende gebouwtypen vermeld en bijzondere gebouwen en ensembles beschreven. De meeste deelgebieden bevatten meerdere gebiedstypen. Deze worden dan bij het betreffende deelgebied herhaald, waardoor men per locatie het complete toetsingskader bij elkaar ziet. (één dubbel A4tje).
- CRITERIA GEBOUWTYPEN (ENSEMBLES) 6.
- Werkwijze Het onderscheiden van gebieden leidt niet voor alle bouwvormen tot voldoende nauwkeurige criteria. Met name in het buitengebied is het soms beter bepaalde typen bouwwerken of ensembles bijvoorbeeld boerderijen of buurtschappen als uitgangspunt te nemen. 6.
- Typering gebouwen Van ieder gebouwtype worden de volgende gegevens beschreven: de kenmerken, de bij dit type passende waarden, toetsingsniveau en de toetsingscriteria. Per locatie kunnen nuances ontstaan in de waardering en het toetsingsniveau, bijvoorbeeld door de ligging van het gebouwtype in een groter verband, of door andere bijzonderheden. Deze worden dan bij de betreffende locatie vermeld. Kenmerken: Deze worden behandeld volgens de indeling van de Woningwet namelijk de omgeving van het bouwwerk, het bouwwerk zelf en de details, het materiaal en de kleur, vertaald in de concrete rubrieken en samengevat in een matrix: Kenmerkenmatrix Wegen / profiel het type bouwwerk in zijn omgeving Bebouwing Beschrijving en varianten. Enkelvoudig of samengesteld, hoogte, kapvorm en geveltype. Stijl / detail gevarieerd of uniform, gegroeid of ontworpen, traditioneel of industrieel. Materiaal / kleur Afhankelijk van de mate waarin deze overeenkomen, met name genoemd. Waarden: Er wordt aangegeven welke kenmerken voor het beeld van belang zijn. Tevens wordt een gemotiveerde waardering toegekend aan het gebouwtype. Toetsingsniveau: Bij de gebouwtypen behoort doorgaans een algemeen toetsingsniveau. Dit wordt gemotiveerd of er wordt aangegeven hoe er anderszins (bijvoorbeeld per locatie) met het toetsingsniveau wordt omgegaan. Toetsingscriteria: Deze worden altijd gehanteerd in combinatie met de beschreven kenmerken. Zij vormen het toetsingskader voor het betreffende gebouwtype: naar welke zaken de commissie kijkt. Het toetsingsniveau kleurt de criteria in: hoe de commissie kijkt. Tenslotte wordt aangegeven waar de criteria van toepassing zijn (bijvoorbeeld verschil in voorkant / achterkant) samengevat in een matrix: Criteria matrix: Omgeving Onderscheid voor – achter Aandachtpunten. Maat / schaal ‘overeenkomstig’ bij bijzonder toezicht … ‘passend’ bij regulier toezicht … ‘niet storend’ bij soepel toezicht … waarna de uit de kenmerken volgende aandachtspunten volgen. Vorm / gebaar Stijl / detail Materiaal / kleur De criteria per gebouwtype vormen aldus het beoordelingkader voor wijzigingen en toevoegingen aan of bij het betreffende type. Het houdt geenszins in, dat die kenmerken klakkeloos moeten worden overgenomen – een goed ontwerp is meer dan het overnemen van bestaande kenmerken – maar er dient rekening mee gehouden te worden in die mate, die voor het gebouwtype in kwestie geldt.
- OBJECTCRITERIA (SNELTOETSCRITERIA) 7.
- Werkwijze Welke bouwwerken onder deze categorie vallen is wettelijk vastgelegd: Erf- en perceelsafscheidingen. Bijgebouwen en overkappingen. Aan- en uitbouwen. Kozijn en gevelwijzigingen. Dakramen. Dakkapellen. Zonnepanelen en zonnecollectoren. Schotel- staaf- en sprietantennes. Welke welstandscriteria vervolgens aan deze bouwwerken gesteld worden is niet vastgelegd, maar het dienen wel zo eenduidig mogelijke liefst meetbare criteria te zijn. Voor deze criteria is door de gezamenlijke welstandsfederaties een handboek samengesteld. Dit boek wordt met wijzigingen in de nota opgenomen [par.7.2 bijzonderheden]. De beslissing is aan de gemeente wie de bouwplannen aan deze criteria toetst, maar in ieder geval moet de aanvrager al kunnen inschatten wat het oordeel zal zijn. Is de aanvraag wat deze criteria betreft niet akkoord, dan gaat het plan naar de commissie die kijkt of het plan aan de gebiedscriteria voldoet. Zie ook het toetsingstraject par.2.
- 7.
- Bijzonderheden De gemeente Wijchen heeft de sneltoetscriteria uit het handboek van de welstandsfederaties kritisch getoetst aan de praktijk door ze toe te passen op binnengekomen bouwaanvragen. Tevens heeft afstemming plaatsgevonden met de in Wijchen gangbare maatvoeringseisen in bestemmingsplannen. Een en ander heeft geleid tot diverse aanpassingen, welke duidelijk zijn aangegeven in deel 4 sneltoetscriteria van de nota. Voornaamste drijfveer is het daadwerkelijk kunnen afhandelen van het merendeel van de aanvragen voor lichtvergunningplichtige bouwwerken aan het loket.
- INLEIDING 8.
- inleiding Dit derde deel van welstandsnota bevat de beschrijvingen van de deelgebieden. Deze beschrijvingen vormen het complement van de beschrijvingen van de gebiedstypen en vormen samen een volledige set kenmerken ten behoeve van de welstandscriteria. Het landelijk gebied wordt als één deelgebied behandeld, maar er wordt wel onderscheid gemaakt tussen bebouwingslinten en open land.
- LANDELIJK GEBIED 9.
- landschapstypen Landschapstypen (plan buitengebied) Op basis van de ondergrond is het grondgebied van de gemeente te onderscheiden in een viertal landschapstypen: uiterwaarden, stroomruggen en oeverwallen, komgronden, en rivierduinen. Deze landschappen zijn ruimtelijk niet even duidelijk te onderscheiden. Het rivierenland toont zich als een vlak landschap, waarin de hogere rivierduinen liggen. Door aanleg van bos op de duinen wordt dit effect versterkt. De dijken scheiden de uiterwaarden van het voormalige deel van het stroomgebied: de stroomruggen, oeverwallen en komgronden. Het ingepolderde deel wordt gekenmerkt door rechte wegen of wegen die oude oeverwallen volgen, de duinen door een bochtig wegenpatroon. In het poldergedeelte bevinden zich nog diverse boerderijen op terpen, die verwijzen naar de overstromingen. 9.
- historisch ontwikkelingspatroon Kaart historische nederzettingen in en rondom de gemeente Wijchen. Renvooi: gearceerd gebied = rivierduinen; kruisjeslijn = gemeentegrens; Dikke lijnen = oude landwegen; getande blokjes = kasteelnederzetting; Blokjes met kruisje = kerknederzetting. De gemeente Wijchen is gelegen in het land van Maas en Waal aan de zijde van de Maas. De historische nederzettingen zijn gelegen in de zone van rivierduinen en aan of nabij de Maasoevers. In de rivierduinen liggen kern Wijchen, Alverna, Hernen, Bergharen. Kleinere historische kernen zijn Woezik, Woord en Lunen. Leur ligt in de zone van de komgronden. Aan de Maasoever liggen Batenburg, Niftrik en Balgoy. 9.
- oude en nieuwe lijnen Kaart oude en nieuwe lijnen. Renvooi: gearceerd gebied = landelijk gebied gemeente; grijze lijnen = oude routes; rode lijnen = nieuwe routes. Het naoorlogse systeem van snelwegen doorsnijdt op diverse plaatsen de gemeente Wijchen. Het oorspronkelijke wegennet wordt daardoor opgeknipt in stukjes. De dorpskernen en de veldlinten zijn onlosmakelijk met dat oude wegenpatroon verbonden. Om die bebouwingspatronen goed te verstaan, is het belangrijk die patronen te blijven onderscheiden. 9.
- deelgebieden Kaart deelgebieden gemeente. Renvooi: omlijnd gebied = kernen en linten landelijk gebied; Slingerlijn = dijklint; Stippellijn = spoorlijn. Ter behoeve van welstandsbeoordeling vormt het onderscheid in bebouwingspatronen de geëigende onderlegger. Daartoe wordt allereerst onderscheid gemaakt tussen kernen en landelijk gebied. De kernen worden op aparte kaarten op grotere schaal uitgewerkt. Het landelijk gebied is in beginsel één deelgebied, maar de bebouwingslinten worden onderscheiden van het open veld en het bos. Bijzondere gebieden zijn de Loonse waard, het militair terrein bij Alverna, alsmede het aldaar gelegen recreatieterrein. 9.
- bijzondere gebieden (landelijk gebied) Bijzondere gebieden zijn die grotere terreinen, waarbij er sprake is van één [niet agrarische] functie, die bovendien beeldbepalend is voor dat terrein. De hier bedoelde grotere terreinen hebben een eigen ontsluiting en een eigen wegenstelsel. Kenmerken Loonse Waard: Dit bedrijfsterrein richt zich op relatief zware watergebonden industrie. In het fraaie zeer open rivierenlandschap vormt het een incident. Door groen is het deels afgeschermd van de omgeving. Op bescheiden schaal vindt daar waterrecreatie plaats. In ieder geval zijn de gebouwen en dus ook wijzigingen en toevoegingen soms goed zichtbaar vanuit het open land. Militair terrein bij Alverna Kenmerken Militair terrein bij Alverna: Dit militaire complex bestaat uit een wegenstelsel met daaraan een reeks eenvoudige loodsen. Het complex is met uitzondering van twee bungalows geheel in het bos opgenomen. Alleen de afrastering en de toegang is zichtbaar vanaf de openbare weg. Recreatieterrein Alverna Kenmerken recreatieterrein Alverna: Op het terrein is een eigen wegenstelsel aanwezig. Het recreatieterrein Alverna bestaat uit een onderdeel met stacaravans en zelfbouwhuisjes en een nieuw deel met uniforme, gemetselde huisjes. Met name aan de randen langs de openbare weg zijn de gebouwen en bouwwerken op het terrein van belang voor de openbare weg. 9.
- streekgebonden type boerderijen Specifieke beschrijvingen van belangrijke boerderijen zijn te vinden in de lijsten van Rijksmonumenten en Gemeentelijke Monumenten. Behoudens hun betekenis voor geschiedenis en kunst, zijn de redengevende omschrijvingen ook voor welstand maatgevend [deel3 par.5.1 – 5.2].
- Kern Wijchen situatie rond 1820 10.
- Kern Wijchen algemeen Gebiedstypen kern Wijchen: (historische) dorpsgebieden en linten, gemengde bebouwing, typen planmatige woningbouw (per deelgebied), wooncomplexen, scholen en instituten, bedrijven / kantoren, parken / sport en groen. Kenmerken kern Wijchen: Het zandgrondgebied waarop Wijchen ligt is een zeer oude vestigingsplaats Prehistorische en Romeinse vondsten getuigen daarvan. Na 300 ontbreken bewoningssporen vrijwel geheel. In de Karolingische tijd duiken deze weer op; mogelijk profiteerde men nog van open water ‘Het Wijchens Maasje’. Het dorp ontwikkelt zich als marktdorp temidden van verspreide ‘kampen’ in het bosgebied. Woezik is de oudste nevenkern ‘een randontginning door keuters’. De aanleg van de Niftikse Wetering maakt ontginning van de daar gelegen komgronden mogelijk. Woord en Lunen zijn kleine individuele ontginningen. De vestiging bij het kasteelachtig huis ‘de Vormer’ is mogelijk van ouder datum. Gedurende de 19e eeuw ontstaan jongere ontginningen door keuters. Het zijn de buurtschappen Valendries, Boschkant, Valenberg, Bullenkamp, Houtberg en Munnikkenveld. Een volledig nieuwe stichting is het laat 19e eeuwse klooster Alverna. Het kadastraal minuutplan van 1820 geeft de situatie rond het kasteel goed weer. Het huidige Wijchen is reeds goed herkenbaar. Tot begin van de 20e eeuw verandert er niet zoveel, behoudens wat verdichting en vervanging van oudere gebouwen door recentere. Opmerkelijk is de vervanging van de middeleeuwse kerk door een veel groter exemplaar in
- De toren blijft in de kern gehandhaafd, maar de kerkzaal wordt een kwartslag gedraaid, waardoor het nieuwe front zich richt naar de Markt. De molen ontbreekt nog en op het terrein van het kasteel is een extra gracht te zien direct achter het ‘bouwhuis’. Behalve de reeds genoemde kerk en het kasteel zijn belangrijke monumenten de RK pastorie, de voormalige hervormde kerk en pastorie Herenstraat 7 – 9, ‘de Oude Molen’ aan de Baron d’Osystraat. De historische kern van Wijchen valt thans bijna geheel samen met het winkelcentrum. Aanpassingen aan het gebruik veranderen de kern drastisch en kleine planmatige inbreidingen volgens nieuwe maatstaven [winkels met bovenwoningen] geven het een suburbaan karakter. Om dit centrum heen zijn diverse milieus met een historisch karakter te vinden. 10.
- Kernwinkelcentrum Wijchen Gebiedstype kernwinkelcentrum Wijchen: winkelcentrum (kern) gemengde bebouwing, kenmerken kernwinkelcentrum Wijchen: het Winkelcentrum bestaat uit een historisch deel en een uitbreidingsgebied rond het Europaplein. Het historische deel heeft als centraal element de Markt, met de Touwslagersbaan en de Burchtstraat als winkelstraten. Tegenover het Kasteel bevinden zich ook uitbreidingen met dienstverlening en dergelijke. Aan alle zijden bevinden zich incidentele uitbreidingen zoals bijvoorbeeld aan Het Sterrenbos en de Spoorstraat. In het hele gebied is de bebouwing gevarieerd van historisch tot recent. Deze mengvorm is aantrekkelijk, daar waar de schaal niet wordt aangetast. De invullingen met grotere [niet pandgewijze] projecten en in vier tot vijf bouwlagen veranderen de schaal wel en dat leidt op sommige plaatsen tot harde overgangen tussen groot en klein. Sommige grotere projecten zoals die naast het gemeentehuis, spelen in op een landelijk beeld; daarmee blijft Wijchen zich onderscheiden van nieuwe winkelcentra. De Markt kent nog veel historische panden. Sommigen zijn drastisch verbouwd, maar naar de Markt toe tonen zij hun historisch gezicht. De compacte vorm van het winkelgebied is aantrekkelijk, voor een deel echter gebouwd in weinig sprekende architectuur, waardoor het geheel snel rommelig overkomt. Zo’n gebied vraagt dan ook om een beheerst reclame- en uitstallingsbeleid. De openbare ruimte biedt met name bij het kasteel een verzorgde aanblik. 10.
- Valendries gebiedstypen Valendries: historische dorpsgebieden en linten traditionele blokverkaveling het nieuwe bouwen wooncomplexen, scholen en instituten individuele woningbouw sportterreinen parken en groen Kenmerken Valendries: Het eerste naoorlogse uitbreidingsgebied is de wijk Valendries. Het wegenplan van de buurt borduurt voort op de oude routes aangevuld met nieuwe wegen. Met name de Ringlaan is een geheel nieuw element. In de verkaveling is de invloed van het nieuwe bouwen al te zien [blokken geplaatst in een vast patroon = stempel]. Deze buurt draagt het architectonische karakter van de Delftseschool: rode baksteen en rode pannen overheersen en bestaat voor het overgrote deel uit straatjes met een tuindorpprofiel. Bij het Everardus plein zijn enkele nieuwe invullingen gemaakt, met een thematisch karakter. 10.
- Wijchen noord gebiedstypen Wijchen noord: historische dorsgebieden en linten het nieuwe bouwen winkelcentrum wooncomplexen, scholen en instituten bedrijven/kantoren sportterreinen, parken en groen kenmerken Wijchen Noord: Noord is een plan waarbij de principes van industrieel bouwen consequent worden doorgevoerd. De basis van het plan is een omlijsting van haaks op groen staande rijenbouw, terwijl naar binnen toe meerdere stempels ofwel vaste steeds herhaalde blokvormen zijn toegepast. In die binnenzone bevinden zich nog oude routes met vooroorlogse bebouwing. Bij de spoorlijn bevindt zich een zone met bedrijven. Voor een gedeelte vigeert een beeldkwaliteitplan. Een kwaliteit van deze buurt is de overmaat die men bij de eerste grote uitbreidingen toepaste. 10.
- Wijchen west Gebiedstypen Wijchen west: Kleine stukjes dorplinten Het Nieuwe Bouwen, Woonerven Individuele bouw Sportcomplexen parken en groen Kenmerken Wijchen west: De uitbreidingen in dit gebied hebben allen een naam: Aalsburg, Blauwe Hof, Homberg, Heilige Stoel, Kraaienberg. Deze buurten hebben in meer en mindere mate hun eigen karakter variërend tussen stempelstedenbouw [=het nieuwe bouwen], woonerven en individuele woningbouw. Aanvankelijk overheerst de rechte lijn en het herhaalde motief, terwijl later de verspringende rooilijn en hoekverdraaiingen populair worden om de schaal van de buurt te verkleinen. Voor de daken overheerst de grijze kleur. De geveltinten overwegend baksteen zijn gevarieerd. Er is veel aandacht besteed aan autovrije routes door de wijk. 10.
- Veenhof, Saltshof Gebiedstypen Saltshof: Kleine stukjes dorpslint Sportterrein, parken en groen Thematische woningbouw Kenmerken Veenhof, Saltshof: Beide buurten zijn uitbreidingen rond de oude kern Woezik. Veenhof draagt de kenmerken van de (jaren ’80) woonerven. Niet alleen zijn de straten genummerd, maar de verspringende rooilijnen en verspringende gevels verkleinen de schaal. De daken zijn overwegend grijs en de gevels van bleekrode baksteen. Vanaf ’90 wordt er gebouwd aan Saltshof. Al reeds op kaart is de stijlperiode thematische woningbouw te raden: een ronde cirkelvorm bepaalt het patroon. De architectuur is steeds in groepjes van gelijk ontwerp, hetgeen een levendige indruk wekt. Het straatprofiel is weer terug, de auto uit de voortuin en er zijn weer voor- en achtertuinen. De daken zijn gevarieerd maar met grijs als boventoon gekleurd. In de gevels zit meer variatie: in overwegend lichte tinten. 10.
- Wijchen zuid, Kerkeveld Gebiedstypen Wijchen zuid, Kerkeveld: Woonerven Thematische woningbouw Individuele woningbouw Winkelcentrum Wooncomplexen, scholen en instituten Sportterreinen, parken en groen Kenmerken Wijchen zuid, Kerkeveld: Onder het Wijchens Meer bevinden zich twee grote uitbreidingsgebieden. Wijchen zuid kent namen van buurten en genummerde straten, zoals gebruikelijk in de tijd van de woonerven. Het is een buurt waar het groen een overheersende rol speelt. De architectuur is bescheiden en speelt nauwelijks een rol van betekenis. De kleuren van daken zijn per buurt gevarieerd, zowel rood als groen komen voor. Een opvallend element hier is het halfronde winkelcentrum. Eveneens halfrond is de woningbouw van de buurt Elsland; het is de eerste buurt met een ‘thematische’ verkaveling. Kerkeveld grenst aan de oostzijde aan het oude gehuchtje Woord. Het is een thematisch woongebied dat thans zijn voltooiing nadert. In tegenstelling tot Wijchen zuid, zijn hier de straatwanden goed zichtbaar en worden ingezet om ruimtes mee te vormen. De architectuur is voor een deel meer uitgesproken en in groepjes of per bouwstrook van telkens andere architecten. 10.
- Bedrijventerreinen Nieuwe Weg en Zesweg Gebiedstype bedrijventerreinen Nieuwe Weg en Zesweg: Dorpslinten Veldlinten Bedrijven / kantoren Landelijk gebied Kenmerken bedrijventerreinen Nieuwe Weg en Zesweg: ‘Nieuwe Weg’ is een naoorlogs bedrijventerrein dat zich ontwikkeld heeft vanuit de bebouwing aan genoemde weg. Het is een geleidelijk proces geweest, waardoor de aanwezige bebouwing erg gevarieerd is en uit de gehele naoorlogse periode afkomstig is. Zesweg is een recente ontwikkeling. Het terrein kent een verzorgde straatprofilering waarmee de bedrijfsbebouwing bij elkaar gehouden wordt. 10.
- Bedrijventerrein Groot Bijsterhuizen Gebiedstype bedrijventerrein Groot Bijsterhuizen: Bedrijven / kantoren Landelijk gebied Kenmerken bedrijventerrein Groot Bijsterhuizen: Het omvangrijke bedrijventerrein Groot Bijsterhuizen ligt deels in de gemeente Wijchen en deels in de gemeente Nijmegen. Met name ter weerszijden van de A326 zijn zichtlocaties geprojecteerd. Doel is het realiseren van een hoogwaardig bedrijventerrein dat voldoet aan hoge eisen van beeldkwaliteit. Op basis van de door de gemeente vastgestelde “Ruimtelijke Richtlijnen Bijsterhuizen” wordt de beoogde kwaliteit aangestuurd en bewaakt door de Architecten BegeleidingsCommissie .
- Kern Alverna Gebiedstypen kern Alverna: (historische) dorpsgebieden en linten, gemengde planmatige woningbouw, individuele woningbouw. Kenmerken kern Alverna: Alverna ligt ten oosten van Wijchen en is een wegdorp dat zijn ontstaan in hoofdzaak te danken heeft aan het gelijknamige Franciscanenklooster gebouwd in de late 19e eeuw en gesloopt in
- Het vervulde voornamelijk een horecafunctie bij het klooster. Op het kloosterterrein is een bejaardenhuis gebouwd. Langs de Graafseweg en ten oosten daarvan ontwikkelen zich uitbreidingen van bescheiden omvang. Behalve de Graafseweg is de Leemweg – Heumenseweg een belangrijke verbinding. Het kruispunt van beide wegen bepaalt mede de plaats van het dorp. Het onderscheidt zich nauwelijks meer van Wijchen vanwege forse uitbreidingen aan deze zijde. Opmerkelijke gebouwen zijn o.a. boerderij ‘De Soetenborn’ en boerderij ‘Munnikhof’ van het type kortgevel en de korenmolen ‘Schoonoord’. De voorzieningen liggen verspreid langs de beide genoemde hoofdwegen. Deze leiden niet tot onderscheiden kenmerken maar zijn in de betreffende gebiedstypen opgenomen.
- Kern Leur kaartfragment Leur, kad. Minuut. gebiedstypen Leur: (historische) dorpsgebieden en linten Kenmerken Leur: De structuur van Leur wordt gevormd door een slingerende straat met aan de noord- en zuidzijde een driespring. Hier vormen de concentraties boerderijen esdorpachtige structuren [esdorp = akkerdorp, gelegen in een krans van akkers]. Rondom de Middeleeuwse kerk bevinden zich een maalderij en een begraafplaats. De noordelijke driesprong bij het Hernense Meer wordt oorspronkelijk door meer boerderijen omgeven. Het gave cultuurhistorische nederzettingpatroon en de overgang hiervan naar de weinig aangetaste landschapselementen op de zandrug vormen een erg waardevol ensemble. Het is dan ook terecht een Gemeentelijk Beschermd Gezicht. De redengevende omschrijving is ook voor welstand een leidraad.
- Kern Hernen Gebiedstypen Hernen: (historische) dorpsgebieden en linten, gemengde planmatige woningbouw, parken / sport. Kenmerken Hernen: Voor 1850 bestaat Hernen uit een Dorpsstraat met aan de uiteinden gaffelvormige vertakkingen van wegen. Hernen is een typisch kasteeldorp met de kerk recht tegenover de oprijlaan van het Huis te Hernen. Lineaire bebouwing concentreert zich aan de Dorpsstraat / Dreef en de Broekstraat. In de periode 1850 – 1940 treedt hierin weinig verandering op. Enige planmatige woningbouw vindt daarna een plaats tussen en ten zuiden van de dorpslinten. Door de nieuwe snelweg en de aansluiting daarop worden deze woonbuurten ingesloten. Naast het historisch centrum fungeren de basisschool en het dorpshuis als functioneel centrum. Vanwege de geringe omvang is dit niet als gebiedstype onderscheiden. Ook een enkel bedrijf leidt niet tot de aanduiding van een afzonderlijk gebiedstype.
- Kern Bergharen Gebiedstypen Bergharen: (historische) dorpsgebieden en linten, gemengde planmatige woningbouw, bedrijven / kantoren, parken / sport. Kenmerken Bergharen: Tot 1850 wordt de nederzetting gekenmerkt door een wegenpatroon om de rivierduin heen. Daaraan zijn verspreide boerderijen gelegen en kleine verhogingen (donken). In de periode 1850 – 1940 treedt verdichting op van de bestaande bebouwing, in het bijzonder langs de Wijksestraat. Planmatige woningbouw wordt gesitueerd binnen de ring van gegroeide bebouwing. Aan de west zijde vindt een bescheiden bedrijventerrein zijn plaats. De forse RK kerk is een baken in de wijde omgeving. Het gebied met de kerk, het dorpshuis en de basisschool fungeert als centrum. De aanwezige kleinschalige functies leiden niet tot afzonderlijke gebiedstypen.
- Kern Batenbvu Gebiedstypen Batenburg: (historische) dorpsgebieden en linten, dijklinten, planmatige woningbouw, parken / sport. Kenmerken Batenburg: Batenburg heeft zich ontwikkeld in de onmiddellijke nabijheid van het gelijknamige kasteel, thans ruïne in groene setting. Voor 1850 bestaat Batenburg voornamelijk uit een kruisend stratenpatroon op een bij benadering vierkante plattegrond. De belangrijkste straten zijn de Grotestraat, de Kruisstraat, de Kerkstraat en de Achterstraat. Het verloop van de vroegere ommuring is terug te vinden door de vorm van de stadswal. De Veerdam, die na de Maasverbeteringswerken verlengd wordt tot Veerstraat, ligt in het verlengde van de Grotestraat. Aan de Grotestraat is aaneengesloten lineaire bebouwing te vinden. Omstreeks 1870 wordt in het gebied Kruisstraat/Kerkstraat een kerk gebouwd. Omstreeks 1900 vindt verdichting plaats langs de noordelijke stadswal. Batenburg kent een planmatige uitbreiding aan de noord – westzijde. De plaats van Batenburg aan de rivierdijk en de relatie met de dijk is een uitermate waardevol en uniek ruimtelijk en historisch gegeven. Batenburg is thans een Rijks beschermd Stads- en Dorpsgezicht. De redengevende omschrijving is ook voor welstandsbeoordeling een leidraad.
- Kern Niftrik Gebiedstypen Niftrik: (historische) dorpsgebieden en linten, gemengde planmatige woningbouw. dijklinten, parken / sport. Kenmerken Niftrik: Niftrik is een typisch dijkdorp met bebouwingsconcentratie rond de kerk. Het is gelegen aan het einde van de oude verbinding tussen Nijmegen en Ravenstein. De middeleeuwse St. Damianuskerk stond aan de overzijde van de weg. Die wordt eind 19e eeuw vervangen door een neogotisch exemplaar, dat in 1940 wegens oorlogshandelingen het veld moet ruimen. In 1942 komt de huidige kerk gereed. De verkeersbrug loopt rakelings langs het dorp dat daardoor bekneld is geraakt. Niftrik kent geen uitbreidingen van betekenis, maar wel enige naoorlogse verdichting. Het gebied met de kerk en de basisschool kan aangemerkt worden als het centrum. Kleinschalige functies in het dorp geven geen aanleiding tot onderscheid in gebiedstypen . De naoorlogse inbreidingen zijn aangegeven als planmatig; in feite gaat het hier om verschil in bouwperiode. Het weinig aangetaste beeld vanuit en de directe relatie met het landschap vertegenwoordigen de ruimtelijke waarden van dit rivierdorp.
- Kern Balgoij Gebiedstypen Balgoij: (historische) dorpsgebieden en linten, veldlinten, gemengde planmatige woningbouw, parken / sport. Kenmerken Balgoij: In de vroege middeleeuwen was Balgoij ten zuiden van de Maas gelegen. De rivier liep toen aan de noordzijde in een lus om het dorp heen. Later stroomde de Maas om het thans ten zuiden van de rivier gelegen Keent heen. Ook aan deze situatie kwam een eind toen voor WO II deze lus werd afgesneden. Balgoij is een goed voorbeeld van verspreid op de oeverwal gegroepeerde boerderijen met de kerk bij het ontmoetingspunt van de ontginningsassen. Het kasteel is een latere toevoeging en gesticht in de verlande rivierbedding. Op het verlaten kerkhof aan de Torenstraat staat de 15e – 16e eeuwse toren van de in 1914 gesloopte Waterstaatskerk die op haar beurt een middeleeuwse voorganger verving. In 1914 komt een nieuwe parochiekerk aan de Boomsestraat gereed. De toren wordt in 1940 door eigen troepen deels opgeblazen, en in 1941 hersteld. In het dorp bevinden zich een aantal markante boerderijen van het kortgeveltype en ook T-boerderijen. Na WO II vindt enige verdichting en een kleine planmatige uitbreiding van het dorp plaats bij de Boomsestraat. Het gebied rond de kerk wordt aangemerkt als centrum. Hier bevinden zich ook bijzondere functies als de basisschool en het dorpshuis. Deze vormen samen met de planmatige woningbouw één gebiedstype. Met name het dorpsgezicht van de middeleeuwse toren met omringende gebouwen is fraai, vanwege het ontbreken van uitbreidingen rondom.
- Gegroeide bebouwing Gegroeide bebouwing komt zowel voor in de kernen als in het landelijk gebied. In de gemeente Wijchen zijn de kernen bijna uitsluitend verdichte knooppunten van oude landwegen. Soms speelt de nabijheid van een kasteel of oversteekpunt over water daarbij een rol. In het landelijk gebied zijn twee soorten linten onderscheiden: de veldlinten ofwel de oude landwegen met daaraan lintvormige bebouwing, en de dijklinten ofwel dijken met daaraan dijkbebouwing. In de bebouwde gebieden zijn het de historische dorpsgebieden en linten, ofwel de plaatselijk tot kern verdichte linten. Alleen het stadje Batenburg kent een rechthoekig min of meer planmatig stratenpatroon binnen de vestingwerken. 18.
- (Historische) dorpsgebieden en linten kenmerken (historische) dorpsgebieden en linten: De oude dorpsgebieden ontlenen hun kenmerken aan een langere periode van ontwikkeling. Deze bestaan uit een relatief open en kleinschalige bebouwing met een grote variatie aan bouwvormen en stijlen. De gemeente Wijchen kent alleen verdichting van enige omvang. Verder blijven aaneengesloten straatwanden beperkt tot korte stukjes zoals bijvoorbeeld in Batenburg. De bebouwing is als regel direct met aan rabatstrook aan de weg geplaatst, met naar de weg gekeerde gevels. Deze krijgen zo alle nadruk, terwijl de zij- en achtergevels veel minder bewerkt zijn. De bebouwing is een tot twee bouwlagen met kap, hoge uitzonderingen daargelaten. Traditionele materialen als baksteen, keramische pan, hout en zink overheersen. Kenmerken matrix (historische) dorpsgebieden en linten: Wegen / profiel Gegroeide linten; gevarieerde rooilijn Dorps- / tuindorps bebouwing Gegroeid per pand; 1 tot 2 lagen + kap met overwegend lage goot. Stijl / detail Gevarieerd; eenvoudig; meest landelijk; Gatengevels; Onderverdeelde ramen. Gevarieerd; meest natuurlijk Materiaal / kleur baksteen, keramische pan en hout. Kozijnen ramen, goten en boeidelen: meest lichte tinten en trad. groen. Waarden historische dorpskernen: Deze gebieden hebben een hoge belevingswaarde, zijn de dragers van de streekkenmerken en vertellen van hun geschiedenis en cultuur. Het zijn ook de gebiedsdelen waardoor de kernen zich van elkaar onderscheiden en als zodanig worden zij ook gewaardeerd. Verder zijn er twee beschermde gezichten die door de Monumentenwet een bijzondere bescherming genieten. Batenburg is een van rijkswege Beschermd Stads- en Dorpsgezicht. Leur is een gemeentelijk beschermd dorpsgezicht. Algemeen toetsingsniveau (historische) dorpsgebieden en linten: vóórzijde bijzonder; achterzijde regulier. Vanwege identiteit en historische kenmerken, alsook als publiek belangrijke plek. Criteria tekst (historische) dorpsgebieden en linten: De welstandscriteria altijd hanteren in combinatie met de beschreven kenmerken. Een lint vraagt om het open houden van zijtuinen; geen herhaling van bouwvormen; niet aaneenbouwen. Bij beoordeling van wijzigingen en toevoegingen in deze gebieden is de karakteristiek en het historisch aspect een belangrijke toets; dit houdt geenszins in, dat nieuwe ingrepen, mits van enige omvang, geen eigen gezicht mogen hebben. De bestaande omgeving is immers ook gegroeid en gevarieerd. Afwijken van de aspecten die juist de samenhang in deze gebieden uitmaken dit met name aan de wegzijde, zoals maat en schaal, de spelregels van rooilijnbebouwing, overwegend mét kap, rustig ‘natuurlijk’ materiaal en kleurgebruik vormen de leidraad. Stijl en detail zijn aspecten waar juist variatie zit; maar deze dienen dan wel niveau te hebben. Verandering en vernieuwing dienen de karakteristiek te ondersteunen en de samenhang te versterken. Een versnipperd beeld dient daarbij vermeden te worden door: het versterken van de rooilijn, het vergroten van de samenhang door rustig en evenwichtig materiaal- en kleurgebruik, en door vermijding van felle contrasten. Nieuwbouw in de eigen stijl in overeenstemming met de landelijke omgeving. Wijzigingen en aan- en bijgebouwen passend bij de stijl van het hoofdgebouw. Criteria matrix (historische) dorpsgebieden en linten: Omgeving Onderscheid vóór – achter: bijzonder – regulier Straatprofiel respecteren. Maat / schaal Variatie overeenkomstig de bestaande landelijke Omgeving. Vorm / gebaar Straatgerichte gevels met passende dakvorm. Stijl / detail Nieuwbouw in eigen stijl overeenkomstig de bestaande kenmerken. Wijzigingen en toevoegingen overeenkomstig de bestaande stijl en details. Materiaal / kleur In overeenstemming met de landelijke omgeving. Passende materialen en kleuren: Bij baksteen, keramische pan, hout in lichte of Traditionele tinten. 18.
- Gemengde bebouwing Kenmerken gemengde bebouwing: In en rondom historische kernen heeft in de loop der tijd een verdichting van de bebouwing plaatsgevonden. Omdat deze verdichting een langere periode beslaat, is de bebouwing gevarieerd van karakter. Deze vorm van verdichting heeft alleen in de kern Wijchen tot een afzonderlijk gebiedstype geleid. De bebouwing heeft daar een substedelijk karakter gekregen. Kenmerken matrix gemengde (dorps) bebouwing Wegen / profiel Gegroeid; deels planmatig. Dorps / tuindorp-profiel bebouwing Gegroeid per pand / per rijtje / complex. Overwegend 1 tot 2 bouwlagen + kap. Stijl / detail Gevarieerd; eenvoudig; meest landelijk en sub- stedelijk. Overwegend gatengevels. Materiaal / kleur Gevarieerd, maar overwegend: baksteen, keramische pan en hout. Kozijnen en ramen, goten en boeidelen: Meest lichte tinten. Waarden gemengde bebouwing: De waardering van deze gebieden is geheel afhankelijk van de kwaliteiten van de aanwezige bebouwing. Wat het in Wijchen aangeduide gebied betreft is de waardering hoog, door met name het bebouwingsbeeld uit het begin van de vorige eeuw. Algemeen toetsingsniveau gemengde bebouwing: bijzondere toetsing. In verband met het belang van deze gebieden voor het centrum en vanwege de in het gebied aanwezige historische waarden. Criteria tekst gemengde bebouwing. De welstandscriteria altijd hanteren in combinatie met de beschreven kenmerken. Bij nieuwbouw rekening houden met de kleine schaal van de historische bebouwing. Bij wijzigingen en toevoegingen ligt in dit gebied de nadruk op de kenmerken van het hoofdgebouw. Criteria matrix gemengde bebouwing: omgeving Onderscheid vóór – achter: bijzonder – regulier. Straatprofiel respecteren. Maat / schaal Variatie overeenkomstig de bestaande Omgeving. Vorm / gebaar Doorgaand profiel. Straatgerichte gevels met passende dakvorm. Stijl / detail Nieuwbouw in overeenstemming met de bestaande kenmerken. Wijzigingen en toevoegingen overeenkomstig de bestaande stijl en details. Materiaal / kleur Passend in landelijke - substedelijke omgeving. Passende materialen en kleuren: Bij baksteen, keramische pan, hout in lichte of Traditionele tinten. 18.
- Dijklinten Kenmerken dijklinten: Dijken bieden vanouds primair bescherming tegen hoogwater. Maar eenmaal uitgegroeid tot een stelsel van doorgaande dijken vormen zij een ideale basis voor droog blijvende wegen door een gebied, en ook om aan te bouwen. Oude dijken bevatten een schat van informatie over de historie van een gebied. In het begin vaak aangelegd als verbinding van pol naar pol, ontstaat een grillig patroon, nog verlevendigd door oude dijkdoorbraken, waarbij de daarbij ontstane ‘wielen’ moeten worden ontzien. De plaats van de bebouwing varieert nogal: afhankelijk van de feitelijke mogelijkheden eigendomsverhoudingen, de bestuurlijke situatie en terrein-omstandigheden binnendijks of buitendijks of beide, hoog aan de dijk, halverwege, of aan de voet. Vanwege het hoogteverschil en buitendijks de noodzaak om hoog te bouwen concentreert de bebouwing zich dicht om de dijk. Zo ontstaat het grote schaalverschil tussen de bebouwing langs de dijken en het open polder- of uiterwaardenlandschap. Kenmerken matrix dijklinten: Wegen / profiel Gegroeide linten langs dijken; wisselwerking dijk en bebouwing. zowel binnen- als buitendijks. Met rabat aan de dijk; lager of aan de voet; Bebouwing Gegroeid per pand; 1 tot 2 bouwlagen + kap met lage goot. Stijl / detail Gevarieerd; eenvoudig; meest landelijk; Gatengevels; Onderverdeelde ramen. Materiaal / kleur Gevarieerd; meest natuurlijk: baksteen, keramische pan en hout. Kozijnen ramen, goten en boeidelen: meest lichte tinten en trad. groen. Waarden dijklinten: Het schaalverschil tussen het wijde open land en de relatief knusse kleinschalige dijkprofiel wordt zeer gewaardeerd. De kenmerkende en historisch waardevolle bebouwing bevindt zich bijna uitsluitend daar. Daarbij komt het gevarieerde karakter van de bebouwing zelf en de variatie in openheid en in beplanting. Algemeen toetsingsniveau dijklinten: bijzondere toetsing. Vanwege de hoge waardering in combinatie met de kwetsbaarheid van dit milieu. Wijzigingen zijn bovendien erg goed zichtbaar, zowel aan de wegzijde als aan de achterzijde. Criteria tekst dijklinten: De welstandscriteria altijd hanteren in combinatie met de beschreven kenmerken. Nieuwbouw in de eigen stijl in overeenstemming met de landelijke omgeving. Wijzigingen en aan- en bijgebouwen passend bij de stijl van het hoofdgebouw. Bij beoordeling van wijzigingen en toevoegingen in deze gebieden is de karakteristiek en het historisch aspect een belangrijke toets; dit houdt geenszins in, dat nieuwe ingrepen, mits van enige omvang, geen eigen gezicht mogen hebben. De bestaande omgeving is immers ook gegroeid en gevarieerd. Afwijken van de aspecten die juist de samenhang in deze gebieden uitmaken dit met name aan de dijkzijde, zoals maat en schaal, de spelregels van rooilijnbebouwing, overwegend mét kap, rustig ‘natuurlijk’ materiaal en kleurgebruik vormen de leidraad. Stijl en detail zijn aspecten waar juist variatie zit; maar deze dienen dan wel niveau te hebben. Het versterken van het historisch kader wordt vooral gezocht in het in stand houden c.q. restaureren van karakteristieke panden, alsmede in de inrichting van rabatstroken, erven, straatprofielen en beplantingen. Criteria matrix dijklinten: Omgeving Geen onderscheid vóór – achter. Straatprofiel respecteren c.q. versterken. Maat / schaal Variatie volgens bestaande landelijke omgeving. Vorm / gebaar Straatgerichte gevels met kap. Stijl / detail Nieuwbouw volgens bestaande kenmerken. Wijzigingen volgens stijl en details bestaand gebouw. Materiaal / kleur Overeenkomstig landelijke omgeving. Volgens bestaande materialen en kleuren: baksteen, keramische pan, hout in lichte of traditionele tinten. 18.
- Veldlinten kenmerken veldlinten: Oude landwegen bevatten een schat van informatie over de historie van een gebied. Zij vormen de basis van waaruit het landschap in het verleden werd ontgonnen. In het begin vaak aangelegd als verbinding van boerderij naar boerderij, ontstaat een grillig patroon, waarbij allerlei landschappelijke bijzonderheden als waterlopen en wisseling van ondergrond voor variatie zorgen. De plaats van de bebouwing varieert nogal: afhankelijk van de feitelijke mogelijkheden eigendomsverhoudingen, de bestuurlijke situatie en terreinomstandigheden maar ten opzichte van het open land is er sprake van schaalverschil door ligging aan de weg of met korte insteekwegen. Kenmerkenmatrix veldlinten: Wegen / profiel Gegroeide linten langs oude landwegen; wisselwerking weg en bebouwing. Met rabatstrook aan de weg of met voorerf. Bebouwing Gegroeid per pand; 1 tot 2 bouwlagen + kap met lage goot. Stijl / detail Gevarieerd; eenvoudig; meest landelijk; Gatengevels; Onderverdeelde ramen. Materiaal / kleur Gevarieerd; meest natuurlijk: baksteen, keramische pan en hout. Kozijnen ramen, goten en boeidelen: meest lichte tinten en trad. groen. Waarden veldlinten: Het schaalverschil tussen het wijde open land en de relatief knusse kleinschalige wegprofiel wordt zeer gewaardeerd. De kenmerkende en (historisch) waardevolle bebouwing bevindt zich bijna uitsluitend daar. Daarbij komt het gevarieerde karakter van de bebouwing zelf en de variatie in openheid en in beplanting. Algemeen toetsingsniveau veldlinten: regulier niveau; niet zichtzijde: soepele toetsing. Vanwege de waardering in combinatie met de kwetsbaarheid van dit milieu. Wijzigingen zijn aan de wegzijde goed zichtbaar. criteria tekst veldlinten: De welstandscriteria altijd hanteren in combinatie met de beschreven kenmerken. Nieuwbouw in de eigen stijl in overeenstemming met de landelijke omgeving. Wijzigingen en aan- en bijgebouwen passend bij de stijl van het hoofdgebouw. Bij beoordeling van wijzigingen en toevoegingen in deze gebieden is de karakteristiek en het historisch aspect een belangrijke toets; dit houdt geenszins in, dat nieuwe ingrepen, mits van enige omvang, geen eigen gezicht mogen hebben. De bestaande omgeving is immers ook gegroeid en gevarieerd. Afwijken van de aspecten die juist de samenhang in deze gebieden uitmaken dit met name aan de wegzijde, zoals maat en schaal, de spelregels van rooilijnbebouwing, overwegend mét kap, rustig ‘natuurlijk’ materiaal en kleurgebruik vormen de leidraad. Stijl en detail zijn aspecten waar juist variatie zit; maar deze dienen dan wel niveau te hebben. Het versterken van het landelijk kader wordt vooral gezocht in het in stand houden c.q. restaureren van karakteristieke panden, alsmede in de inrichting van rabatstroken, erven, straatprofielen en beplantingen. Criteria matrix veldlinten (hoofdgebouwen): Omgeving Onderscheid zichtzijde – niet zichtzijde. Straatprofiel respecteren c.q. versterken. Maat / schaal Variatie volgens bestaande landelijke omgeving. Vorm / gebaar Straatgerichte gevels met kap. Stijl / detail Nieuwbouw volgens bestaande kenmerken. Wijzigingen volgens stijl en details bestaand gebouw. Materiaal / kleur Overeenkomstig landelijke omgeving. Volgens bestaande materialen en kleuren: Baksteen, keramische pan, hout in lichte of traditionele tinten. Criteria matrix veldlinten (bijgebouwen): Omgeving Hoofdgebouw respecteren Maat / schaal Variatie volgens bestaande landelijke omgeving Vorm / gebaar Eenvoudige hoofdvorm met kap Stijl / detail Sober, passend bij stijl hoofdgebouw Materiaal / kleur Passend in landelijke omgeving
- Planmatige woningbouw Onderscheid wordt gemaakt tussen planmatige woningbouw in de kern Wijchen en de overige kleinere kernen in de gemeente. In de kern Wijchen is de planmatige woningbouw onderscheiden in verschillende gebiedstypen. De verschillen in verkavelingsvorm en stijl hebben daar geleid tot gebieden van enige omvang. De planmatige woningbouw is onderscheiden in vijf verschillende typen namelijk: Traditionele blokverkaveling (bijvoorbeeld Valendries), Het Nieuwe Bouwen (CIAM), (bijvoorbeeld Wijchen Noord), Woonerven (forumbeweging), ( bijvoorbeeld Wijchen Zuid), Thematische bebouwing (bijvoorbeeld Kerkeveld en Saltshof), Individuele woningbouw (bijvoorbeeld Heilige Stoel). In de kleine kernen is dat onderscheid niet zichtbaar. Het lage groeitempo en eenvoudiger verkaveling leidt daar niet tot relevante verschillen. Wel is daar relevant het onderscheid in (historische) dorpsgebieden en linten, en planmatige woningbouw. 19.
- Traditionele blokverkaveling Kenmerken traditionele blokverkaveling: Naast de bebouwingslinten zijn tussen ’50 en ’70 bij haast alle in het gebied voorkomende kernen planmatige uitbreidingen gemaakt, alleen de omvang en het groeitempo verschilt sterk van elkaar. Deze uitbreidingen dragen de stedenbouwkundige kenmerken van de vooroorlogse ‘tuindorpen’ met symmetrische straatprofielen met voortuinstroken en op de hoeken zijtuinstroken, woningen in twee bouwlagen met langskap, in tweekaptypen of rijtjes. De architectuur richt zich naar verschillende perioden, maar dit leidt alleen in de grotere kernen tot duidelijk verschillende buurten. Hoe hoger het groeitempo des te uniformer de architectuur per periode. De doorgaande dakvlakken vormen het ‘frame’ van het gebied. Meestal is het metselwerk van de gevels de belangrijkste drager van de hoofdindeling, terwijl raamverdelingen en puien minder belangrijk zijn. Vooral in de kern Wijchen is het planmatige karakter te zien aan de herhaling van uniforme rijtjes. Straten zijn zorgvuldig ontworpen en hebben veelal een rustig en groen karakter. Afhankelijk van de kwaliteit en uniformiteit van de erfafscheidingen is het ‘tuindorp’ karakter aanwezig. Kenmerken matrix traditionele blokverkaveling: Wegen / profiel Planmatige buurten. Tuindorptype; tuinenzone de hoek om. Voortuinen bij voorkeur met groen. Bebouwing Planmatig per pand of rijtje. 1 tot 2 bouwlagen + kap met lage goot. Stijl / detail Gevarieerd per pand of rijtje; meest traditioneel; eenvoudig en meest landelijk; Gatengevels of ondergeschikte puien. Materiaal / kleur Rode baksteen; rode keramische pan; Kozijnen en ramen hout meest lichte tinten; goten en boeidelen zink en hout. Deuren en panelen soms trad. groen. Waarden traditionele blokverkaveling: De groene buitenruimten in deze gebieden worden gewaardeerd. Wel is er kwaliteitsverschil (ook letterlijk) tussen de woningen en de detaillering en materiaaltoepassing. Algemeen toetsingsniveau traditionele blokverkaveling: reguliere toetsing. Voor het behoud en beheer van de bestaande waarden is een regulier niveau voldoende. Aan de achterzijde kan worden volstaan met soepele toetsing. Criteria tekst traditionele blokverkaveling: De welstandscriteria altijd hanteren in combinatie met de beschreven kenmerken. Nieuwbouw in de eigen stijl in overeenstemming met de landelijke omgeving. Wijzigingen en aan- en bijgebouwen volgens de stijl van het hoofdgebouw. Groene erfafscheidingen zijn erg belangrijk voor het aanzien van de buurt. Verharde voortuinen c.q. gebruik als parkeerplaats en weggehaalde erfafscheidingen passen niet . De thans te klein geachte binnenruimte leidt tot veel aanvragen om aan- uitbouwen waarmee het groene karakter afneemt. Belangrijk is daarbij te letten op hoeksituaties; de achtergevels van hoekwoningen daar te behandelen als voorgevels. Aantasting met te veel dakkapellen verminderen de helderheid. Bij woonblokken die stedenbouwkundig en architectonisch één geheel vormen, dienen wijzigingen en toevoegingen ondergeschikt te blijven een de hoofdindeling ervan. Een eenmaal toegevoegde uitbreiding is leidraad voor de volgende. De woningbouw van vlak na WO II heeft soms nog karakteristieke Delftseschool details als metselwerk beëindiging van de goten, schoorstenen, versierde voordeur – bovenramen. Deze zo mogelijk handhaven. Kleur en materiaal is meestal bescheiden. Veranderingen hieraan af te meten. Criteria matrix traditionele blokverkaveling: Omgeving vóór en achter: regulier en soepel. Tuindorpprofiel respecteren. Inrichting tuinen belangrijk voor het beeld. Maat en schaal Omgeving respecteren. Passende maat en schaal. Vorm en gebaar Doorgaand profiel en rooilijn respecteren. Stijl en detail Nieuwbouw passend in de planmatige omgeving. Wijzigingen en toevoegingen passend t.o.v. bestaand Materiaal en kleur Passend; doorgaans natuurlijke materialen en kleuren. Gedekte tinten op grote vlakken. 19.
- Het nieuwe bouwen Kenmerken Het Nieuwe Bouwen (CIAM) Woongebieden die geïnspireerd zijn op het nieuwe bouwen worden gekenmerkt door een consequente scheiding van functies van wonen en werken, maar ook scheiding van verkeerssoorten en bestemming van het openbare gebied. Met verkavelingvormen wordt geëxperimenteerd. De compositie van de rijtjeswoningen vormen heldere rechthoekige structuren, die als compositie in de ruimte staan. Herhalingen van gelijke blokken en gelijke structuren (stempels) zijn ook kenmerkend. Hoewel industriële bouwmethoden vaak de hoofdopzet van de gebouwen bepalen, is er toch een eigen abstracte esthetiek aan te ontdekken. In de kern Wijchen is meestal het onderscheid vóór – achter gehandhaafd en zit het verschil in de afwisseling van doorgaande straten en parkeerhoven. Het architectonische uiterlijk van de gebouwen staat onder druk, omdat met de noodzakelijk geachte modernisering ook die abstracte vormen verdwijnen. Kenmerkenmatrix Het Nieuwe Bouwen: Omgeving Overwegend onderscheid vóór – achter en blokken in openbaar groen. Rijtjes hebben soms tweezijdige ontsluiting Maat en schaal Dominerende blokmaat; stedelijke schaal. Casco’s: basis voor schaal verdeling blokken. Rijtjes in strokenbouw. Vorm en gebaar Stempels als herkenbare eenheden. Stijl en detail Veel montage in de gevels. Vaak verdiepinghoge puien afgewisseld met baksteenstroken. Rijtjes zeer neutraal vormgegeven. Materiaal en kleur Metselwerk rood of lichte beige tinten! Puiframes en invullingen heldere lichte linten! Strakke eenvoudige goten. Waarden Het Nieuwe Bouwen: De heldere opbouw van deze wijken het groene karakter en de ruime verkaveling en een ruim openbaar gebied worden gewaardeerd. Anders dan thans zit er overmaat aan ruimte in deze wijken, waardoor het mogelijk is nieuwe impulsen op te nemen. Algemeen toetsingsniveau Het Nieuwe Bouwen: niveau reguliere toetsing. Voor het behoud van huidige waarden en het minder publieke karakter van deze gebieden is regulier niveau het geëigende toetsingsniveau. Omgeving Meestal vóór en achter: regulier en soepel. Tuindorpprofiel respecteren. Inrichting tuinen belangrijk voor het beeld. Maat en schaal Omgeving respecteren. Passende maat en schaal. Vorm en gebaar Doorgaand profiel en rooilijn respecteren. Stijl en detail Nieuwbouw passend in de planmatige omgeving. Wijzigingen en toevoegingen passend t.o.v. bestaand. Materiaal en kleur Passend; doorgaans natuurlijke materialen en kleuren. Gedekte tinten op grote vlakken. 19.
- Woonerven vervaging grens privé – openbaar Kenmerken woonerven (forumbeweging): De woongebieden uit deze periode hebben een grillig stratenpatroon en weinig doorgaande wegen. De woningen zijn geclusterd rond woonerven, waarbij het onderscheid tussen privé en openbaar ontbreekt, evenals duidelijke vóór- en achterzijden. Er grenzen veel tuinen aan openbaar gebied, hetgeen veel informele erfafscheidingen tot gevolg heeft. Typisch zijn ook de garages of bergingen, die een belangrijke plek hebben. De architectuur uit deze periode is sober, vaak voorzien van grote gelede dakvlakken, die eindigen met lage goten aan de erfzijde. Het is moeilijk uitbreidingen aan deze woningen te maken die niet aan een woonerf of pad grenzen. Rustige kleuren en materialen overheersen zoals bleekrode baksteen en grijze betonpannen. Kenmerken matrix woonerven: Wegen / profiel Planmatige buurten. Evenwaardig vóór en achter. Vermenging prive – openbaar. Voortuinen bij voorkeur met groen. bebouwing Planmatig per pand of rijtje. 1 tot 2 bouwlagen + kap met lage goot. Vaak ingesneden kapvormen. Stijl / detail Weinig variatie over meerdere panden rijtjes. Materialen meest traditioneel; Gevelindelingen industrieel; dunne details. Materiaal / kleur bleke baksteen meest grijze betonpan matte tinten; Kozijnen en ramen hout meest lichte tinten; goten en boeidelen zink en hout. Deuren en panelen licht soms gevarieerd. Waarden woonerven: Het wonen in deze gebieden wordt gewaardeerd om zijn kleinschalige en knusse karakter. Door de geringere scheiding openbaar – privé zijn de woonerven directer bij de woningen betrokken. Deze betrokkenheid vraagt om zorgvuldige omgang met de inrichting van het overgangsgebied. Algemeen toetsingsniveau woonerven: reguliere toetsing zowel aan de voor- als aan de achterzijde. Voor handhaving en beheer van de aanwezige waarden is een regulier toetsingsniveau geëigend. Het publieke belang is hier minder groot. Criteria tekst woonerven: De welstandscriteria altijd hanteren in combinatie met de beschreven kenmerken. Nieuwbouw passend in de ontworpen omgeving. Wijzigingen bijgebouwen volgens de stijl van het hoofdgebouw. Door het naar binnen gekeerde karakter van deze woonclusters is ook het belang van ingrepen beperkt tot de eigen omgeving. Toch zijn wijzigingen aan de woningen in het algemeen moeilijker inpasbaar en vooral aan de tuinzijde kunnen deze ongewild erg op de voorgrond treden. Zelfs ondergeschikte ingrepen als erfafscheidingen, verhardingen, carports en schuurtjes kunnen het beeld snel verstoren als er niet zorgvuldig mee wordt omgegaan. Onder de grote dakvlakken - soms meerdere lagen hoog- zijn aanpassingen in overeenkomstig materiaal en kleur gebruik eerder passend, dan wijzigingen in de dakvlakken zelf. Goede voorlichting en vooral goede standaardoplossingen zijn zeer aan te bevelen. Criteria matrix woonerven: Omgeving Geen onderscheid vóór en achter. Inrichting tuinen en erfafscheidingen passend. Maat en schaal Passend in maat en schaal. geen storende elementen in dakvlakken. Vorm en gebaar Passend bij alzijdige oriëntatie omgeving. Stijl en detail Nieuwbouw passend in de omgeving. Wijzigingen en toevoegingen passend ten opzichte van het hoofdgebouw. Materiaal en kleur Passende toepassing materialen en kleuren. Op grote vlakken gedekte linten, kozijnen en ramen lichte of bijpassende tinten. 19.
- Thematische bebouwing Kenmerken thematische bebouwing: De architectuur in deze woongebieden draagt een meer uitgesproken stempel. Conform ‘de wens uit de markt’ krijgen de woningen in groepjes of rijtjes een individueler gezicht en worden voorzien van bewust gewilde motieven. De erven zijn klein in relatie tot de bouwvolumes en zijdelingse aanbouwen zijn uniform of aaneengebouwd. Er wordt uit alle voorgaande perioden ‘geciteerd’, hetgeen voorbeelden van onderling zeer verschillende kwaliteit oplevert. Het heldere stratenpatroon is weer terug en er wordt weer onderscheid gemaakt tussen openbare ruimten en privé tuinen. Soms vindt men historische routes of waterlopen terug en er is veel aandacht aan de inrichting van het straatprofiel besteed. Kenmerken matrix thematische bebouwing: Wegen / profiel Planmatige buurten tuindorpprofiel Bebouwing Planmatig; herhaling per rijtje / straatwand e.d. (ontwerpseries) Woningen aan inritten. 1 en 2 lagen +kap of studio. Stijl en detail Gevarieerd per ontwerpeenheid. Citatenarchitectuur. Materiaal en kleur Gevarieerd; afhankelijk van citaat Waarden thematische bebouwing: De karakteristiek van deze gebieden biedt een hedendaags antwoord op de woonwensen en een individueler beeld. Samen met een zorgvuldig ingericht openbaar domein zijn die hoog gewaardeerde kwaliteiten. Algemeen toetsingsniveau: reguliere toetsing; achterzijde soepele toetsing. Voor handhaving en beheer van de aanwezige waarden is een regulier toetsingsniveau geëigend. Het publieke belang is hier minder groot. Criteria tekst thematische bebouwing: De welstandscriteria altijd hanteren in combinatie met de beschreven kenmerken. Nieuwbouw passend in de ontworpen omgeving. Wijzigingen bijgebouwen volgens de stijl van het hoofdgebouw. Ook bij deze uitbreidingen is de erfafscheiding en inrichting belangrijk. Door de vele op- en afritten is er weinig plaats voor tuinaanleg aan de voorzijde. Soms worden hele voorerven verhard. De inrichting van de straat wordt dan erg belangrijk (bomenlanen). Mee ontworpen erfafscheidingen vooral handhaven. Bij het veranderen of uitbreiden van de woningen dient rekening gehouden te worden met de andere ‘identieke’ woningen. Ook hier zijn goede standaarden voor veel gevraagde wijzigingen aan te bevelen. Bij nieuwe aanvragen dienen ook eerdere wijzigingen te worden mee bekeken. Criteria matrix thematische uitbreidingen: Omgeving Onderscheid vóór - achter: regulier - soepel. Profielgerichte straten met inritten! Bij voorkeur: groene voortuinen en hagen. Maat en schaal Ontwerpseries herkenbaar houden. Passend in maat en schaal per serie. Open ruimten tussen de woningen respecteren. Vorm en gebaar Woningen aan inritten: straatgericht! Diversiteit aan dakvormen! Wijzigingen en toevoegingen op herhaling richten. Stijl en detail Nieuwbouw passend bij de serie. Wijzigen en toevoegingen passend bij de eigen stijl en details. Letten op eerdere identieke wijzigingen. Materiaal en kleur Wijzigen passend bij de eigen materialen en kleuren. 19.
- Individuele woningbouw Kenmerken individuele woningbouw: Deze bestaat uit vrijstaande gevarieerde woningen in een of twee bouwlagen met kap op eigen kavels. De straten hebben een informeel groen karakter en de karakterverschillen door de jaren heen (periode ’65 tot ’90) hebben een beperkte invloed op de openbare weg. Het groen overheerst en de architectuur van de woningen is nauwelijks zichtbaar. Na ’90 worden de kavels snel kleiner en de woningen groter, waardoor meer samenhang in architectuur nodig is. Bij de nieuwste plannen is beeldregie soms in combinatie met meer standaardisatie onvermijdelijk. Lichtere kleuren en uitgesproken materialen en vormen leiden tot een nieuw gezicht, dat om diezelfde reden moeilijker te wijzigen is. Iedere wijziging komt in het zicht door de ondiepe voortuinen; er is minder groen aanwezig en ook mogelijk. Doorgaande straatprofielen vragen om beheerst materiaal en kleurgebruik aan de naar de weg gekeerde zijde. Erfafscheidingen zijn net als in de ‘30er jaren wijken belangrijk. Kenmerken individuele woningbouw: Wegen / profiel Planmatige buurten. Tuindorpprofiel. bebouwing Gegroeid; gevarieerd; meest landelijk. 1 en 2 lagen + kapvorm e.d. lage goten Stijl / detail Eenvoudig; gevarieerd per pand. Materiaal / kleur Meest rustige tinten en natuurlijke materialen. Waarden individuele woningbouw: De waardering voor deze gebieden is voor meer dan de bewoners alleen van belang. Op den duur als het groen van de tuinen goed is uitgegroeid, dan fungeren deze gebieden als parken voor de wijdere omgeving. Met name dat groene karakter wordt alom gewaardeerd. Algemeen toetsingsniveau individuele woningbouw: reguliere toetsing; achterzijde: soepele toetsing. De karakteristiek van deze gebieden biedt een hedendaags antwoord op de woonwensen en een individueler beeld. Voor deze gebieden is een regulier beleid geëigend om de bestaande waarden te behouden en te beheren. Criteria tekst individuele woningbouw: De welstandscriteria altijd hanteren in combinatie met de beschreven kenmerken. Nieuwbouw passend in de ontworpen omgeving. Wijzigingen bijgebouwen volgens de stijl van het hoofdgebouw. In de mate waarin groen de woningen scheidt, is de omgeving een minder belangrijk criterium. De invloed van de architectonische kwaliteit is beperkter naarmate de kavels groter zijn. Aan de buitenzijde van woongebieden waar deze aan waardevol landschap grenst, dient speciaal gelet te worden op de hoofdkleur en materiaal. Deze dient zich te voegen naar het landschap en in het algemeen rustig en ‘natuurlijk’ te zijn. Bij kleine plukjes woningen of in die gevallen waarbij andere dan de vrije sectorwoningen onderdeel zijn van een buurt, is de toetsing conform de omgeving aangegeven. Criteria matrix individuele woningbouw: Omgeving Voor / achter: regulier / soepel. Open linten: openhouden zijtuinen. Informeel groen straatprofiel; informele rooilijn! Verzorging groene voortuinen en hagen. Maat en schaal Nieuwbouw individueel; passend in omgeving. Aaneenbouwen vermijden. Herhaling vermijden. Vorm en gebaar Kap of gelijkwaardig motief! Gericht op eigen erf! Gezicht naar de straat. Stijl en detail Nieuwbouw passend in omgeving. Wijzigingen en toevoegingen passend bij bestaand gebouw. Materiaal en kleur Kleuren en materialen passend bij bestaand gebouw en omgeving.
- Bijzondere gebiedstypen 20.
- (Woon)complexen / scholen / instituten Kenmerken wooncomplexen, scholen en instituten: Bedoeld worden de complexen waarbij niet een ontsluitingspatroon de vorm bepaalt zoals bij een woonbuurt maar de gebouwen zelf. Het gaat om grotere terreinen die een zelfstandige positie innemen, dus niet een mee ontworpen schooltje of wijkgebouw. Voor deze complexen zijn de eigen architectonische kenmerken belangrijker dan de buurt waarin ze staan. Soms zijn er meerdere ontwerpen aan een complex te onderscheiden. In dat geval gaat het juist als in een woonbuurt om de directe omgeving van het bouwplan. Kenmerken matrix wooncomplexen scholen en instituten: Wegen / profiel Omgeving: afhankelijk van positie. Op eigen terrein planmatig. bebouwing Gevarieerd afhankelijk van type school / instituut 1, 2 of 3 lagen plat / kap. meest paviljoenachtige complexvorm. Stijl en detail Meest uniform per complex; gemengd bij oudere complexen(meerdere ontwerpseries) met latere toevoegingen en bijgebouwen. Materiaal / kleur parallel aan stijl en detail Waarden wooncomplexen scholen en instituten: de architectonische waarde van deze complexen verschilt nogal. Maar het ruimtelijke belang is meestal niet zeer hoog, vanwege de oriëntatie vooral op eigen terrein. Algemeen toetsingsniveau wooncomplexen scholen en instituten: reguliere toetsing; binnenterreinen: soepele toetsing. Naar hun aard zijn deze complexen vooral op zichzelf te beschouwen. In veel gevallen is de erfinrichting en erfafscheiding van groter publiek belang, of het moet gaan over complexen die (deels) op de monumentenlijst staan. Een regulier niveau past bij dit type gebieden. Criteria tekst wooncomplexen scholen en instituten: De welstandscriteria altijd hanteren in combinatie met de beschreven kenmerken. Nieuwbouw passend in de ontworpen omgeving. Wijzigingen bijgebouwen volgens de stijl van het hoofdgebouw. De buitenzijde van het complex vraagt om afstemming met de omgeving met name daar waar het complex zich opent naar de openbare weg. Criteria matrix wooncomplexen scholen en instituten: Omgeving Buitenzijde – binnenzijde: regulier – soepel. Ordelijke inrichting passend bij omgeving. Maat en schaal Ontwerpseries herkenbaar houden. Passend in maat en schaal. Open ruimten tussen de gebouwen respecteren. Vorm en gebaar Complexvorm herkenbaar houden: hoofd- en bijgebouwen en ondergeschikte toevoegingen passend bij bestaande gebouwen. Stijl en detail Nieuwbouw passend bij de serie(s). Wijzigen en toevoegingen in passende stijl en details per ontwerpserie. Materiaal en kleur Materiaal- en kleurgebruik dient te passen bij de aanwezige structuur. Passende materialen en kleuren ten aanzien van de omgeving. 20.
- Winkelcentrum 3.2.1 (Wijk) winkelcentrum Kenmerken modern winkelcentrum: Winkelcentra zijn ontstaan uit de concepten van de Het Nieuwe Bouwen in hun streven naar scheiding van functies in de stad. Het zijn vrij geplaatste éénlaagse gebouwen waarin winkeleenheden zijn ondergebracht. Bij de grotere centra zijn er vaak overdekte passages in opgenomen. Ook kan een winkelcentrum bestaan uit de plint(en) van etagebouw liefst voorzien van een overdekte galerij. De kwaliteit van deze gebouwen loopt nogal uiteen. De oorspronkelijke kenmerken worden nogal eens overwoekerd met ‘gezellige’ details. Kenmerken matrix modern winkelcentrum: Wegen / profiel Omgeving: afhankelijk van positie. Op eigen terrein planmatig; veel parkeeroppervlak bebouwing Planmatig meestal uniform 1 of meer lagen; plat / kap. Meestal platte complexvorm. Stijl en detail Meest uniform per complex; gemengd bij oudere complexen(meerdere ontwerpseries) met latere toevoegingen en bijgebouwen. Materiaal / kleur parallel aan stijl en detail Waarden modern winkelcentrum: De waarde van deze complexen is meestal niet hoog, of er zou van een oorspronkelijk (50er jaren) beeld sprake moeten zijn. Algemeen toetsingsniveau modern winkelcentrum reguliere toetsing: Het niveau is overeenkomstig de omgeving meestal regulier. Criteria matrix: Omgeving Geen onderscheid voor – achter. In kerngroen. Verhardingen en bestratingen erg belangrijk voor het beeld. Maat en schaal Plint: volgens schaal woongebouw; Vrijstaand: zelfstandig samengesteld element. Vorm en gebaar Plint: doorgaande open galerij naar de straat! Vrijstaand: zelfstandige ingangen in samengestelde hallen. Stijl en detail Plint: volgens het ‘lijnbaan’ concept; Vrijstaand: industrieel; enkelvoudig. Materiaal en kleur Plint: heldere lichte tinten; vlakke afwerkingen. Vrijstaand: grote vlakken rustige tinten; rond de entrees en etalages: kleurig. 3.2.2 (Kern) winkelcentrum kenmerken (kern) winkelcentrum: Een kernwinkelcentrum [zoals het centrum van de kern Wijchen] ontstaat als gevolg van een groeiproces waarbij een historische kern zich ontwikkelt tot winkelcentrum. Het betreft kernen die een functie hebben voor een groter gebied of een streek. Dit proces kan zich geleidelijk of in een korte tijd afspelen; in ieder geval gaat het om centra, waarvan het oorspronkelijke karakter niet geheel is uitgewist. De oorspronkelijke bebouwing is grotendeels verbouwd tot winkel of horecapand, waarbij de woonfunctie soms – op de verdieping – nog aanwezig is. daarnaast is de bebouwing vervangen door nieuwbouw met bijvoorbeeld winkels beneden en appartementen boven. Daarbij ontstaat schaalvergroting door samenvoeging van percelen of het betrekken van onbebouwde terreinen bij de nieuwbouw. Ook panden die oorspronkelijk een andere centrumfunctie hadden worden bij de ontwikkeling betrokken. Toch vormen het historische stratenpatroon en de historische schaal nog steeds leidraad bij de toetsing van nieuwe ontwikkelingen. Kenmerken matrix (kern) winkelcentrum Wegen / profiel Gegroeid stratenpatroon; gevarieerde rooilijn; kleinstedelijk. Bebouwing Gegroeid per pand in 2 tot 3 bouwlagen; in het algemeen met kap; op markante punten 4 lagen. Stijl / detail Gevarieerd; gevelexpressie per pand. Gatengevels: onderverdeelde ramen en winkelpuien Materiaal / kleur Gevarieerd; meest natuurlijk baksteen, keramische pan en hout Kozijnen, ramen, goten en boeidelen meest lichte tinten. Waarden( kern) winkelcentrum: Winkelgebieden in oude dorpskernen bezitten een extra aantrekkingskracht door het gemengde en gevarieerde karakter van de bebouwing, de nog aanwezige historische details, de kleinere schaal van de historische gedeelten, door de soms originele oplossingen die bij verandering van bestemming bedacht zijn, en door de vaak nog sfeervolle openbare ruimten. Algemeen toetsingsniveau( kern) winkelcentrum: bijzondere toetsing voor het beheer en versterking van de kenmerkende combinatie historie – nieuwbouw. Niet zichtzijde: reguliere toetsing. Criteria tekst (kern) winkelcentrum: De welstandscriteria altijd hanteren in combinatie met de beschreven kenmerken. Nieuwbouw in de eigen stijl in overeenstemming met het dorps karakter en/of het karakter van de latere toevoegingen. Wijzigingen en aan- en bijgebouwen passend bij de stijl van het hoofdgebouw. Bij beoordeling van wijzigingen en toevoegingen in deze gebieden is de karakteristiek en het historisch aspect een belangrijke toets; dit houdt geenszins in, dat nieuwe ingrepen, mits van enige omvang, geen eigen gezicht mogen hebben. De bestaande omgeving is immers ook gegroeid en gevarieerd. Afwijken van de aspecten die juist de samenhang in deze gebieden uitmaken zoals maat en schaal, de spelregels van rooilijnbebouwing, overwegend mét kap, rustig ‘natuurlijk’ materiaal en kleurgebruik vormen de leidraad. Stijl en detail zijn aspecten waar juist variatie zit; maar deze dienen dan wel kwaliteit te hebben. Het versterken van het historisch kader wordt vooral gezocht in het in stand houden c.q. restaureren van karakteristieke panden, alsmede in de inrichting van rabatstroken, erven, straatprofielen en beplantingen. Criteria matrix kernwinkelcentrum: Omgeving Onderscheid voor – achter: bijzonder – regulier historisch gegroeide structuur respecteren. Maat / schaal Pandsgewijze variatie overeenkomstig de bestaande kleinstedelijke omgeving. Vorm / gebaar Straatgerichte gevels met passende dakvorm. Stijl / detail Nieuwbouw overeenkomstig de bestaande kenmerken. Wijzigingen en toevoegingen overeenkomstig de bestaande stijl en details. Materiaal / kleur In overeenstemming met kenmerken van de omgeving; passende materialen en kleuren. 20.
- Bedrijven / kantoren Kenmerken bedrijventerreinen: Een bedrijventerrein is vooral bedoeld om de bedrijfsactiviteiten activiteiten uit te oefenen; een doelmatige ontsluiting vanaf de weg en veel verhard terrein en opslag buiten bepalen vaak het beeld. De terreinen zijn vaak met een hek afgezet soms met een groene berm of beplanting. Reclame uitingen zijn divers en niet altijd effectief. De bebouwing op deze terreinen heeft een veel minder geordend karakter; doorgaans bestaat een bedrijf uit een of meerdere hallen met een kantoorgedeelte aan de straatzijde. Materiaal- en kleur bepalen het beeld en niet zozeer de gevelindeling en de details. Het bedrijventerrein Groot Bijsterhuizen vormt een uitzondering. Voor dit terrein gelden apart vastgestelde beeldkwaliteitseisen: de “Ruimtelijke Richtlijnen Bijsterhuizen”. Kenmerken bedrijventerreinen: Wegen / profiel Planmatig patroon. Wegen met grasbermen / parkeerzones. Bebouwing Gevarieerd per perceel. Hallen 1 laag; combinatie hal – kantoor (1 en 2 lagen) Stijl / detail Traditioneel gestapeld/ industrieel plaatmateriaal. Gatengevels resp. gevels met lichtstroken of bandramen. Materiaal / kleur Gevarieerd; meest gedekte lichte tinten. Waarden bedrijventerreinen: De waardering als verblijfsgebied is beperkt. De gebruiksaspecten bepalen meer de omgeving. Toch is ook een werkgebied met kwaliteit van belang voor de gebruikers en bezoekers. Vooral een ordelijk openbaar domein wordt gewaardeerd. Algemeen toetsingsniveau: soepele toetsing; buitenzijde gebieden reguliere toetsing. Het gekozen toetsingsniveau is soepel, met uitzondering van in het zicht komende buitenranden (reguliere toetsing) , met het oog op behoud van de basiskwaliteit van de gebieden, en hun uitstraling naar buiten. Criteria tekst bedrijventerreinen: De welstandscriteria altijd hanteren in combinatie met de beschreven kenmerken. Nieuwbouw passend in de omgeving. Wijzigingen en toevoegingen (bijgebouwen) volgens de stijl van het hoofdgebouw. Een goede Inrichting van de openbare weg heeft veel invloed op het beeld en handhaving van de kwaliteit al evenzeer. Met uitzondering van de zichtlocaties aan hoofdwegen en gevelwanden die direct aan het buitengebied grenzen, wordt het beeld als minder belangrijk ervaren. Daar dient aandacht te worden gegeven aan het effect van de gebouwen op grotere afstand. Met name de kleur (voor het buitengebied gedekt!) en een zekere eenvoud van compositie en materiaaltoepassing vragen aandacht. Hoofdkleur, materiaal en de hoofdgeleding zijn van belang, evenals de inrichting van voorterreinen, reclames, afrasteringen. Criteria matrix bedrijventerreinen: Omgeving Onderscheid binnenzijde gebied – buitenzijde gebied: soepel – regulier. Doelmatige ordelijke terreininrichting. Verzorgde hekken en reclame-uitingen. Maat / schaal Onderscheiden eenheden! Verbrokkeling bouwvormen vermijden. Eenheid in bouwhoogte bevorderen. Vorm / gebaar Onderscheid hal en kantoorgedeelte! Kantoorgedeelte aan de straat! Entrees en routes aangeven. Stijl / detail Onderscheid platengevels (bandramen) en gestapelde gevels (gatengevels). Materiaal / kleur Grote vlakken zeer rustige (uniforme) tinten. Materiaalkeuze in overeenstemming met de gevelindeling. 20.
- Recreatieterrein kenmerken recreatieterrein: Het gaat hier om grotere gebieden buiten de kernen met een recreatieve bestemming. Er komen voor: voorzieningen voor waterrecreatie als was- en kleedruimten, beschoeiingen kaden en stranden. Verder voorzieningen om te verblijven zoals vakantiehuizen, voorzieningen voor tenten en caravans, en bijbehorende parkeerterreinen e.d. Verder komen terreinen voor ten behoeve van de golfsport met bijbehorende gebouwen en voorzieningen. Voor deze terreinen is inpassing in het landschap voor welstand belangrijker als de aard en kwaliteit van de bebouwing op zichzelf. Goede inplanting van deze gebieden is een belangrijk hulpmiddel voor de beeldkwaliteit maar ook voor de recreanten zelf. Kenmerkenmatrix recreatieterrein: Wegen / profiel Planmatige wegen en paden. Bebouwing Positieafhankelijk: in het oog springend of onopvallend. Permanente bebouwing overwegend uniform of in series gelijk. Stijl / detail Meest eenvoudig, uniform Materiaal / kleur Meest uniform, baksteen, hout en pannen of leien. Waarden recreatieterrein: De waardering van recreatieterreinen ligt vooral op het landschappelijke en op het gebruiksvlak. De bebouwing speelt een ondergeschikte rol. De waarde schuilt in de eenvoud en de doelmatigheid. Toetsingsniveau recreatieterrein: soepele toetsing. Buitenzijden reguliere toetsing met het oog op landschappelijke inpassing. Criteria tekst recreatieterrein: De welstandscriteria altijd hanteren in combinatie met de beschreven kenmerken. Nieuwbouw passend in de omgeving. Wijzigingen en toevoegingen niet storend voor de stijl van het hoofdgebouw. De ordelijke inrichting van het terrein is belangrijk voor het beeld; afhankelijk van de positie van de bebouwing in het complex, het al dan niet in het zicht komen van (delen) ervan, dienen bij de beoordeling betrokken te worden. Bij ondergeschikte wijzigingen is de kwaliteit van de bestaande bebouwing ten minste uitgangspunt. Criteriamatrix recreatieterrein: Omgeving Onderscheid binnenzijde – buitenzijde: soepel – regulier. Verzorging openbaar groen. Niet storende aansluiting gebouwen – omgeving. Maat en schaal Positieafhankelijk; niet storend voor omgeving. Vorm en gebaar Positieafhankelijk: passend bij de ontwerp-series. Stijl en detail Nieuwe objecten: niet storend voor de omgeving. Wijzigingen en toevoegingen niet storend voor het bestaand gebouw. Materiaal en kleur Afhankelijk van positie passend in de omgeving of bij betreffende ontwerpserie. Zichtzijden vanuit het landschap: rustige onverzadigde kleuren toepassen. 20.
- Militair terrein Kenmerken militaire terreinen: Militaire terreinen in het landelijk gebied als hier bedoeld, zijn doorgaans geheel aan het oog onttrokken. Zij dienen voor opslag of een andere extensieve functie, waarbij slechts een stevig hekwerk en enige poorten de aanwezigheid van een bijzondere functie verraden. Op het terrein zijn eenvoudige standaard gebouwen of loodsen geplaatst langs een eigen wegenstelsel zonder opvallende kenmerken. Kenmerken matrix militaire terreinen: Wegen / profiel Planmatige wegen en paden. Bebouwing Positieafhankelijk: in het oog springend of onopvallend. Permanente bebouwing overwegend uniform of in series gelijk. Stijl / detail Meest eenvoudig, uniform Materiaal / kleur Meest uniform, baksteen, hout en pannen of leien. Waarden militaire terreinen: De waarde van deze terreinen is die van groene buffer. De bebouwing speelt geen rol van betekenis. Toetsingniveau militaire terreinen: soepele toetsing in verband met het geringe publieke belang van deze terreinen. In het zicht komende elementen reguliere toetsing. Criteria tekst militaire terreinen: De welstandscriteria altijd hanteren in combinatie met de beschreven kenmerken. Nieuwbouw passend in de omgeving. Wijzigingen en toevoegingen niet storend voor de stijl van het hoofdgebouw. De ordelijke inrichting van het terrein is belangrijk voor het beeld; afhankelijk van de positie van de bebouwing in het complex, het al dan niet in het zicht komen van (delen) ervan, dienen bij de beoordeling betrokken te worden. Bij ondergeschikte wijzigingen is de kwaliteit van de bestaande bebouwing ten minste uitgangspunt. Criteria matrix militaire terreinen: Omgeving Onderscheid binnenzijde – buitenzijde: soepel – regulier. Verzorging openbaar groen. Niet storende aansluiting gebouwen – omgeving. Maat en schaal Positieafhankelijk; niet storend voor omgeving. Vorm en gebaar Positieafhankelijk: passend bij de ontwerp-series. Stijl en detail Nieuwe objecten: niet storend voor de omgeving. Wijzigingen en toevoegingen niet storend voor het bestaand gebouw. Materiaal en kleur Afhankelijk van positie passend in de omgeving of bij betreffende ontwerpserie. Zichtzijden vanuit het landschap: rustige onverzadigde kleuren toepassen.
- Groengebieden 21.
- Parken / sport Kenmerken parken en sportterreinen: Het groen binnen de bebouwde kom, vindt zijn oorsprong op diverse wijzen: oude vormen van kerngroen zijn brinken, begraafplaatsen, kerk- en marktpleinen. Verder ingesloten landgoederen, boerenerven of grote tuinen van villa’s. Sportcomplexen worden vanaf de dertiger jaren doelbewust ontworpen en opgenomen in de bebouwing. De naoorlogse groengebieden zijn mee ontworpen, eerst als restgroen, later als kerngroen of als buffer voor verkeerslawaai. Zonder uitzondering nemen de onbebouwde groene gebieden een zeer belangrijke plaats in het bebouwde gebied. De daarin geplaatste bebouwing die vaak van meer kanten zichtbaar is, kan ook erg bepalend zijn. Kenmerken matrix parken en sportterreinen: Wegen / profiel Planmatige wegen en paden. Bebouwing Planmatig per pand. Individueel gelegen. Positieafhankelijk: in het oog springend of onopvallend Stijl / detail Divers en gevarieerd per pand. Materiaal / kleur Divers en gevarieerd. Waarden parken en sportterreinen: De kwaliteit van de groene zones op zich is wisselend. Onderhoud is niet altijd doeltreffend. Verwaarloosd of verwilderd groen haalt een buurt snel naar beneden. De waarde van oudere bomen gaat vaak uit boven de waarde en de levensduur van de bebouwing. Algemeen toetsingsniveau parken en sportterreinen: reguliere toetsing. Het beoordelingsniveau is in principe heel locatiegebonden, maar in de meeste gevallen is de bebouwing meer dan gemiddeld belangrijk.Een regulier toetsingsbeleid met het oog op het behoud van de kwaliteiten is in het algemeen voldoende; echter de invloed van welstand is beperkt. Criteria tekst parken en sportterreinen: De welstandscriteria altijd hanteren in combinatie met de beschreven kenmerken. Nieuwbouw passend in de omgeving. Wijzigingen en toevoegingen volgens de stijl van het hoofdgebouw. De positie van het groen - meer of minder zichtgroen - de mate waarin het een publieke functie heeft en waarvoor het gebruikt wordt zijn belangrijke criteria. De positie van de bebouwing in het groen is belangrijk en het al dan niet in het zicht komen van (delen) ervan. Bij ondergeschikte wijzigingen is de kwaliteit van de bestaande bebouwing ten minste uitgangspunt. Criteria matrix parken en sportterreinen: Omgeving Geen onderscheid voor – achter: beide reguliere toetsing. Verzorging openbaar groen. Passende aansluiting gebouw – omgeving. Maat en schaal Positieafhankelijk; passend omgeving. Vorm en gebaar Positieafhankelijk: passend omgeving. Stijl en detail Nieuwe objecten: niveau afhankelijk van positie. Wijzigingen en toevoegingen passend bij bestaand gebouw. Materiaal en kleur Afhankelijk van positie en rol passend in de omgeving. 21.
- Landelijk gebied Bij de gehanteerde gebiedsindeling zijn de grenzen uit het rapport inbreiding voor uitbreiding gehanteerd. De restjes landelijk gebied zijn als zodanig aangeduid. Voor het toetsingsniveau en de criteria wordt verwezen naar het aangrenzende landelijke gebied.
- Bijzondere gebouwtypen 22.
- monumenten Kenmerken en waarden monumenten: rijksmonumenten of [provinciale] en gemeentelijke monumenten zijn gebouwen van als regel 50 jaar of ouder, waaraan hetzij door het Rijk hetzij door Provincie of Gemeente historische waarde wordt gehecht en waarop wettelijke bescherming rust tegen wijziging of sloop. De historische waarden en de motivering van de bescherming zijn vastgelegd in de redengevende omschrijving. Deze vormt voor wat betreft de historische kant ook de basis voor de beoordeling van wijzigingen en toevoegingen. Voor de monumentencommissie is dat de enige leidraad bij de beoordeling. De welstandscommissie beoordeelt bouwplannen vooral in hun omgeving en de relatie oud- nieuw. Dus naast de historische waarden geldt voor de welstandscommissie de omgeving van het bouwwerk en de voorgestelde wijziging uit oogpunt van architectuur [de gebiedsgerichte criteria en in bijzondere gevallen de algemene welstandscriteria] als belangrijk criterium. Kenmerkenmatrix Monumenten: Wegen / profiel Doorgaans oude landwegen. vgl. omschrijving. Bebouwing Positieafhankelijk vgl. omschrijving. Stijl / detail Historisch materiaalgebruik volgens de betreffende stijl en details vgl. omschrijving Materiaal / kleur Meest natuurlijk, baksteen, hout en pannen of leien en kleurgebruik volgens de stijlperiode vgl. omschrijving. Toetsingsniveau Monumenten: bijzondere toetsing met het oog op het beheer en versterking van de historische waarden en de relatie oud – nieuw. Criteria tekst Monumenten: De welstandscriteria altijd hanteren in combinatie met de beschreven kenmerken. Nieuwbouw overeenkomstig de historische context. Wijzigingen en toevoegingen overeenkomstig de stijl en de details van het hoofdgebouw. Bij beoordeling van wijzigingen en toevoegingen aan of bij deze gebouwen is de karakteristiek en het historisch aspect een belangrijke toets; dit houdt geenszins in, dat nieuwe ingrepen, mits van enige omvang, geen eigen gezicht mogen hebben. De bestaande gebouw is immers ook nogal eens gegroeid in de tijd. Afwijken van de aspecten die juist de samenhang in deze gebouwen uitmaken zoals maat en schaal, overwegend mét kap, rustig ‘natuurlijk’ historisch verantwoord materiaal en kleurgebruik vormen de leidraad. Stijl en detail zijn aspecten waar juist variatie zit; maar deze dienen dan wel niveau te hebben. Criteria matrix Monumenten: Omgeving Voor – achter: beide bijzondere toetsing. Verzorging openbaar groen. Overeenkomstige aansluiting gebouwen – omgeving. Maat en schaal Positieafhankelijk; volgens de omgeving. Vorm en gebaar Positieafhankelijk: volgens de bij de ontwerpserie[s]. Stijl en detail Nieuwe objecten: in overeenstemming met de omgeving. Wijzigingen en toevoegingen overeenkomstig het bestaande gebouw. Materiaal en kleur Afhankelijk van positie overeenkomstig de omgeving of de betreffende ontwerpserie. Zichtzijden vanuit het landschap: rustige onverzadigde kleuren toepassen. 22.
- Streekgebonden typen boerderijen Onderscheid wordt gemaakt in de typen boerderijen die in de gemeente Wijchen voorkomen. De boerderijen tot even na de vorige eeuwwisseling verschillen per streek. Deze worden in dit hoofdstuk beschreven en van criteria voorzien. In de periode daarna tot heden verdwijnen die karakteristieken. Kenmerken hallehuis: Dit is de stamvorm van de in dit gebied gangbare boerderijtypen. Het hallehuis bestaat uit een enkelvoudig bouwvolume met een rechthoekige plattegrond. De stallen, de schuur en het woonhuis zijn ondergebracht in een gemeenschappelijke ruimte en onder één gemeenschappelijke kap. Het bouwvolume heeft lage zijmuren en een laaggelegen gootlijn; de zijmuren zijn vaak niet eens manshoog. Grote, niet onderbroken kapvlakken met hoge nokken bepalen voornamelijk het beeld. Het hallehuis komt zowel voor met een langsdeel alsook met een dwarsdeel. Voor/achter wolfseind, of dakschild Gevels van baksteen (soms met vakwerkwanden) Dakbedekking van riet en/of rode/blauw-grijze dakpannen. Komt ook op landgoederen voor Traditionele meerruits schuiframen Luiken, vaak in de kleur van het landgoed waartoe de boerderij behoort Bijgebouwen, schuren, soms aangebouwd en vaak monumentaal. Waterpompen. Vaak erfbeplantingen. Kenmerken rivierendwarshuis: Of T- boerderij is afgeleid van hallehuis. Deze vaak grote en voorname hoeven hebben een groter en breder uitgebouwd woonhuisgedeelte voorzien van een eigen kap. Aan de ene zijde bevindt zich de pronkkamer, aan de andere zijde de boven de kelder gelegen opkamer. Het gebouwtype straalt een voornaam karakter uit. In het rivierengebied liggen deze boerderijen vaak op verhogingen (terpen) en hebben grote halleschuren. De T – boerderij is in dit gebied soms uitgebouwd tot villa met een voornaam voorhuis. Kenmerken kruk-huis: Of L-boerderij komt incidenteel voor. Eveneens ontstaan uit hallehuis en te beschouwen als voorloper van het T-huis. Dit type vertoont slechts aan een zijde een uitgebouwd woonhuisgedeelte en vertoont een eenvoudig karakter. Waarden hallehuis / rivierendwarshuis / krukhuis: De waarde van deze gebouwen is zowel cultuurhistorisch als architectuurhistorisch van aard. Voor het toetsingsniveau geldt het reguliere niveau. Wegen / profiel Gegroeid wegenpatroon. Landelijk profiel; met grasbermen / fietspaden of stroken e.d. Erfbeplantingen inlands assortiment. Gebouwen Gebouwen Gebaseerd op of afgeleid van het Hallehuis. Soms nog voorzien van gebint. Grote doorgaande dakvlakken meestal afgewolfd. Lage goten. Gevels metselwerk of vakwerk. Bijgebouwen vaak eveneens traditioneel; soms geheel van hout. Stijl / detail Traditionele (streekeigen) boerderijstijl. Houten kozijnen; meerruits ramen; houten boeidelen. Details volgens traditie in baksteen, riet en hout. Materiaal / kleur Baksteen rood; houten vlakken naturel, geteerd of gedekt geschilderd; kozijnen en ramen gebroken wit; deuren andere (traditionele) kleur; luiken soms in landgoedkleuren. Riet en/of rode of blauw-grijze dakpannen. Criteria tekst: De welstandscriteria altijd hanteren in combinatie met de beschreven kenmerken. De samenhang in het complex is een belangrijk criterium. Nieuwbouw in de eigen stijl in overeenstemming met de landelijke omgeving. Wijzigingen en aan- en bijgebouwen volgens de stijl van het betreffende hoofd- of bijgebouw. Criteria matrix streekgebonden typen boerderijen: Omgeving Verzorging erf en groene omgeving. streekeigen verhardingen afrasteringen, hekken en poorten nastreven. Maat / schaal Geen onderbrekingen van doorgaande dakvlakken. Kleinschalige onderverdelingen gevels. Vorm / gebaar Eenvoudige landelijke blokvorm; lage goten. Gericht op eigen erf. Onderscheid woon- en bedrijfsgedeelte. Typische kenmerken respecteren. Stijl / detail Wijzigingen en toevoegingen passend bij de traditie en de eigen bouwperiode Materiaal / kleur Traditioneel: baksteen, keramische pan, riet, hout Als regel: kozijnen, boeiboorden en veren in lichte tinten Als regel: houten gevels: luiken, voordeuren en deeldeuren in gedekte / donkere tinten 22.
- Overige typen gebouwen Kenmerken overige typen gebouwen: Andere gebouwen met gemeenschappelijke kenmerken als gemalen, molens, bruggen, sluizen e.d. Voor zover deze niet op monumentenlijsten staan ofwel in beschermde gezichten liggen vallen deze gebouwen onder der criteria sub. Par. 5.
- 22.
- overige boerderijen en verspreide bebouwing landelijk gebied. Kenmerken overige boerderijen en overige bouwwerken landelijk gebied: Onder dit ‘type’ gebouwen vallen de overige bouwwerken landelijk gebied. Het gaat om overige verspreide boerderijen [jongere boerderijen dan de streekgebonden typen boerderijen], om overige verspreide bebouwing die niet tot de dijklinten en de veldlinten behoren, of niet tot één van de bijzondere landelijke gebieden. van deze rest categorie gebouwen zijn geen specifieke kenmerken te geven anders dan hun verspreide ligging. Waarden overige boerderijen en overige bouwwerken landelijk gebied: De waardering is heel verschillend maar het publieke belang beperkt; vooral landschappelijke waarden tellen. Toetsingniveau overige boerderijen en overige bouwwerken landelijk gebied: soepele toetsing aan alle zijden. Criteria tekst overige boerderijen en overige bouwwerken landelijk gebied: De welstandscriteria altijd hanteren in combinatie met de beschreven kenmerken. Nieuwbouw in de eigen stijl passend in de complexvorm en de landelijke omgeving. Wijzigingen en aan- en bijgebouwen passend bij de stijl van het betreffende hoofd- of bijgebouw. Criteria matrix overige boerderijen en overige bouwwerken landelijk gebied : Omgeving Geen onderscheid in het zicht / buiten het zicht. Verzorging erf en groene omgeving. Maat / schaal Eenvoudige bouwvormen; geconcentreerde plaatsing bevorderen. Vorm / gebaar Eenvoudige hoofdvorm nastreven. Verbrokkeling complex vermijden. Gericht op eigen erf. Indien van toepassing: Onderscheid woon- en bedrijfsgedeelte. Stijl / detail Eenvoudige stijl en passende details voor een landelijke omgeving. Wijzigingen en toevoegingen passend bij de eigen bouwperiode. Materiaal en kleur Traditioneel: overwegend natuurlijke materialen en rustige kleuren passend in de landelijke omgeving. Landelijke kleuren: Gevels en daken met onverzadigde tinten en een gemiddelde helderheid.
- Bronnen en literatuur Stichting MIP – Gelderland, Wijchen, gemeentebeschrijving, Oosterbeek,
- A.G. Schulte, Het Rijk van Nijmegen, Westelijk gedeelte, Staatsuitgeverij, ’s-Gravenhage,
- Pouderoyen Compagnons, Gemeente Wijchen, Inbreiding voor uitbreiding, Nijmegen, April
- Pouderoyen Compagnons, Gemeente Wijchen, bestemmingsplan buitengebied nijmegen,
- Gelders Genootschap, Informatiemap welstandsnota, Federatie Welstand en de VNG. Naar een gemeentelijke Welstandsnota. Den Haag,
- Voorwoord Dit hoofdstuk is grotendeels gebaseerd op de gestandaardiseerde welstandscriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen, die op landelijk niveau zijn ontwikkeld. Door middel van een voorzichtige standaardisering van de advieslijn ten aanzien van veel voorkomende kleine bouwplannen wordt helderheid en consistentie nagestreefd voor de aanvrager, de gemeente en de welstandscommissie. Getracht is een consensus te bereiken die na opmerkingen van diverse partijen uiteindelijk heeft geleid tot een ‘grootste gemene deler’. Op deze manier ontstaat een verzameling gestandaardiseerde criteria, waarop in principe elke gemeente delen van haar welstandsbeleid kan baseren. Standaardisering brengt met zich mee, dat deze nota in hoofdzaak geschreven is voor gebiedstypen die een universeel karakter kennen en in de meeste gemeenten voorkomen. Met name geldt dit voor binnen de kernen gelegen gebieden, zoals de deelgebieden 3,4,6, 9, 10 en
- Daarnaast kent iedere gemeente haar eigen ‘couleur locale’ met streekeigen gebieden in een geheel eigen verschijningsvorm, zoals oude dorpskernen, beschermde dorpsgezichten en agrarische buitengebieden. Voor veel van deze gebieden zijn de in dit hoofdstuk beschreven standaardcriteria niet of slechts te dele toepasbaar. In deze gevallen zijn in de gebiedsuitwerkingen van de aparte sneltoetscriteria opgenomen (zie tabel). In de voorgaande hoofdstukken is voor elk deelgebied aangegeven of de standaard sneltoetscriteria kunnen worden toegepast, danwel zijn specifieke sneltoetscriteria gegeven. 23.
- Inleiding Algemeen De nieuwe Woningwet 2003 geeft enkele kaders waarbinnen het welstandstoezicht dient plaats te vinden. Een van die kaders is de verplichting tot het opstellen van een welstandsnota met gebieds- en objectgerichte welstandscriteria. Aangezien de welstandsnota tot doel heeft het welstandsbeleid inzichtelijk en bespreekbaar te maken is het wenselijk de regelgeving t.a.v. het welstandstoezicht openbaar te maken in een welstandsnota en te plaatsen in een begrijpelijke context. In veruit de meeste gevallen komen mensen via de bouwvergunningsaanvraag of in het voortraject daarvan met welstand in aanraking. Met de nieuwe Woningwet 2001 is ook de bouwvergunningsprocedure voor een gedeelte veranderd. In de nieuwe Woningwet 2001 bestaan alleen nog vergunningvrije en vergunningplichtige bouwwerken. Daarnaast is er een lichte en een reguliere procedure geïntroduceerd, alsmede een bouwvergunning eerste en tweede fase. Per Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) is een lijst opgesteld van bouwvergunningvrije bouwwerken en bouwwerkzaamheden waarvoor een lichte bouwvergunningsprocedure gaat gelden. Bouwvergunningsaanvragen voor bouwwerken die niet behoren tot de categorie bouwvergunningvrije of licht vergunningplichtige bouwwerken vallen onder de reguliere bouwvergunningsprocedure. De afhandeling van de bouwaanvraag bij reguliere vergunningplicht duurt maximaal 12 weken met de mogelijkheid tot verdaging van ten hoogste nog eens 6 weken als burgemeester en wethouders daar toe besluit en goedkeuring heeft gekregen van de gemeenteraad. De reguliere bouwvergunning kan op aanvraag (verzoek) ook in twee fases worden verleend. Bij de lichte procedure mag de afhandeling maximaal 6 weken duren. Bij overschrijding van deze termijn wordt een vergunning van rechtswege verleend. Het betreffen hier kleine veelvoorkomende bouwwerken zoals dakkapellen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en dergelijke, binnen de ruimtelijke eisen die gesteld zijn in de AMvB. Ten behoeve van de toetsing van deze licht vergunningplichtige bouwplannen zijn zogenaamde sneltoetscriteria geformuleerd. Het gaat hier om objectieve welstandscriteria die de planindiener vooraf zoveel mogelijk duidelijkheid dienen te geven. De sneltoetscriteria kunnen gezien worden als een verzameling standaardoplossingen die in elk geval geen bezwaren zullen oproepen. Wanneer een bouwplan niet strijdig is met de sneltoetscriteria kan de vergunning binnen zeer korte termijn worden verleend. Toepassingen en gebruik De sneltoetscriteria kunnen gebruikt worden voor: preventieve toetsing van licht vergunningplichtige bouwplannen repressieve toetsing van vergunningvrije bouwplannen vrijwillige toetsing van vergunningvrije bouwplannen Preventieve welstandstoetsing Als een bouwplan vergunningplichtig is wordt door de AMvB (zie bijlage 2) bepaald of een lichte of reguliere procedure wordt gevolgd. Alle vergunningplichtige bouwplannen dienen in ieder geval getoetst te worden aan het bestemmingsplan, de bouwverordening, het bouwbesluit en aan redelijke eisen van welstand. Bij de lichte bouwvergunningsprocedure hebben burgemeester en wethouders de mogelijkheid om zelf te toetsen aan redelijke eisen van welstand zonder advies te vragen aan de welstandscommissie. Het gemeentebestuur kan daarvoor een ambtenaar of een lid van de welstandscommissie mandateren overeenkomstig het advies van haar welstandscommissie en met verwijzing naar de sneltoetscriteria. Wanneer een bouwplan niet aan de sneltoetscriteria voldoet of wanneer er sprake is van een bijzondere situatie, waarbij twijfel bestaat aan de toepasbaarheid van deze criteria, kan het bouwplan alsnog aan de welstandscommissie worden voorgelegd. De welstandscommissie zal in deze gevallen met inachtneming van de gestelde sneltoetscriteria en met onder andere de gebiedsgerichte of de algemene welstandscriteria beoordelen of het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Op deze manier kunnen licht vergunningplichtige bouwwerken die in eerste instantie niet voldoen aan de sneltoetscriteria alsnog door de welstandscommissie bezien worden in relatie tot de context van het gebied waar het bouwplan geplaatst wordt. Van een bijzondere situatie is in ieder geval altijd sprake in door het Rijk aangewezen beschermde stads- of dorpsgezichten en bij, op of aan door het Rijk, de provincie of de gemeente aangewezen beschermde monumenten. Repressieve welstandstoetsing Indien het uiterlijk van een bouwwerk in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand kunnen burgemeester en wethouders degene die tot het opheffen van die strijdigheid bevoegd is, aanschrijven om die strijdigheid op te heffen (behoudens in welstandsvrije gebieden en welstandsvrije objecten). Een bouwwerk is in ernstige mate in strijd met redelijke eisen van welstand indien sprake is van excessen, dat wil zeggen buitensporigheden in het uiterlijk die ook voor niet-deskundigen evident zijn
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.