VERORDENING INBURGERING MEDEMBLIK 2011 De gemeente Medemblik stelt de VERORDENING INBURGERING MEDEMBLIK 2011 vast. Artikel1Begripsomschrijvingen 1. In deze verordening wordt verstaan onder: a. college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Medemblik; b. inburgeringsplichtige: de persoon als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder b van de wet die in de gemeente Medemblik zijn woonplaats heeft; c. vrijwillige inburgeraar: de persoon als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder r van de wet die in de gemeente Medemblik zijn woonplaats heeft; d. inburgeraars: de inburgeringsplichtigen en de vrijwillige inburgeraars tezamen; e. wet: de Wet inburgering. 2. De begripsomschrijvingen in de wet en de daarop berustende regelingen en besluiten zijn van toepassing op de begrippen die in deze verordening worden gebruikt. Artikel2Informatieverstrekking 1. Het college draagt er zorg voor dat de inburgeringsplichtigen en de vrijwillige inburgeraars op een doeltreffende en doelmatige wijze worden geïnformeerd over hun rechten en plichten uit hoofde van de wet en deze verordening, evenals over het aanbod van en de toegang tot inburgeringsvoorzieningen. 2. Het college maakt bij de informatieverstrekking aan de inburgeringsplichtige gebruik van de volgende middelen: a. algemene informatievoorziening door medewerkers van de gemeente Medemblik; b. de website van gemeente Medemblik; c. brochures en informatiefolders; d. individuele benadering van de inburgeringsplichtige; e. de inschakeling van maatschappelijke organisaties. Artikel3Doelgroepen Het college stelt vast aan welke groepen inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars een inburgeringsvoorziening kan worden aangeboden, waarbij voorrang wordt gegeven aan de inburgeraars die: 1. a. kunnen worden aangemerkt als asielgerechtigden; b. een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand en de Wet investering in jongeren ontvangen; c. een opvoedingstaak vervullen; d. in Medemblik een maatschappelijke rol vervullen; e. nieuw in Nederland zijn komen wonen; f. eigen initiatief tonen en gemotiveerd zijn om het inburgeringsexamen te behalen. 2. Het college kan bij nadere regeling de weging van deze voorrangscriteria vaststellen. Artikel4Inhoud inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening 1. Het college stemt de inburgeringsvoorziening of de taalkennisvoorziening, met uitzondering van de inburgeringsvoorziening aan geestelijke bedienaren, af op het startniveau en de vaardigheden, de persoonlijke omstandigheden en de maatschappelijke positie van de inburgeringsplichtige. 2. Indien de inburgeringsplichtige of de vrijwillige inburgeraar een voorziening gericht op arbeidsinschakeling wordt aangeboden, draagt het college er zorg voor dat de inburgeringsvoorziening of de taalkennisvoorziening wordt afgestemd op de voorziening gericht op arbeidsinschakeling. 3. Een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening bestaat, naast datgene dat in de wet is geregeld, uit trajectbegeleiding, periodieke voortgangsgesprekken of uitbreiding van de opleiding. Artikel5Procedure inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening 1. Het college doet het aanbod, bedoeld in artikel 19, eerste of tweede lid, en artikel 24a, eerste of tweede lid, van de wet schriftelijk. 2. Het aanbod wordt gezonden naar het adres waar de inburgeringsplichtige of de vrijwillige inburgeraar in de gemeentelijke basisadministratie is ingeschreven. 3. In het aanbod wordt een omschrijving gegeven van de inburgeringsvoorziening of de taalkennisvoorziening die wordt aangeboden en worden de rechten en verplichtingen vermeld die aan de inburgeringsvoorziening of de taalkennisvoorziening worden verbonden. 4. De inburgeringsplichtige of de vrijwillige inburgeraar aan wie een aanbod wordt gedaan, deelt binnen vier weken het college schriftelijk mee of hij het aanbod al dan niet aanvaardt. 5. Wanneer de inburgeringsplichtige of de vrijwillige inburgeraar het aanbod aanvaardt, neemt het college binnen vier weken na ontvangst van deze mededeling het besluit tot toekenning van de inburgeringsvoorziening in overeenstemming met het gedane aanbod. 6. Het college kan de inburgeringsvoorziening of de taalkennisvoorziening niet vaststellen in de zin van artikel 19A lid 1 van de wet. Artikel6Eigen bijdrage 1. De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet, is verschuldigd door de inburgeringsplichtige en de vrijwillige inburgeraar. 2. De in het eerste lid bedoelde eigen bijdrage moet na afloop van de inburgeringsvoorziening of de taalkennisvoorziening in ten hoogste zes maandelijkse termijnen worden betaald. 3. Het college verrekent de eigen bijdrage met de uitkering op grond van de Wet werk en bijstand van de inburgeringsplichtige. 4. In afwijking van lid 1 wordt de eigen bijdrage kwijtgescholden van de inburgeringsplichtige en vrijwillige inburgeraar: - die binnen de termijn genoemd in artikel 7 van de wet is geslaagd voor het inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II; - aan wie op grond van artikel 31, lid 2 onder c, van de wet ontheffing is verleend van de inburgeringsplicht. Artikel7Verplichtingen inburgeringsplichtige of de vrijwillige inburgeraar De inburgeringsplichtige of de vrijwillige inburgeraar aan wie door het college een inburgeringsvoorziening is aangeboden, is verplicht: a. gehoor te geven aan oproepen om in persoon te verschijnen op een plaats en tijdstip zoals bepaald door het college of door de instantie welke opleidt voor het inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II; b. gehoor te geven aan oproepen om deel te nemen aan de gesprekken met de participatiecoach; c. deel te nemen aan de aangeboden inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening; d. deel te nemen aan het inburgeringsexamen op een tijdstip dat door het college wordt bepaald; e. het college melding te doen van ziekte of andere omstandigheden waardoor niet aan de verplichtingen kan worden voldaan. Artikel8Bestuurlijke boete 1. De inburgeringsplichtige die geen gehoor geeft aan oproepen, als bedoeld in artikel 25 van de wet en artikel 7 onder a en b van de verordening, wordt een boete opgelegd van € 125,00. 2. De inburgeringsplichtige die geen of onvoldoende medewerking verleent aan de uitvoering van de voor hem vastgestelde inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de wet en aan de verplichtingen bedoeld in artikel 7 onder c, d en e van deze verordening, wordt een boete opgelegd van € 250,00. 3. De inburgeringsplichtige die niet binnen de in artikel 7, eerste lid, van de wet bedoelde termijn, of binnen de door het college op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel a of b, van de wet verlengde termijn, het inburgeringsexamen heeft behaald, wordt een boete opgelegd van € 250,00. Artikel9Bestuurlijke boete bij herhaling van de overtreding 1. Indien de inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw schuldig maakt aan de overtreding als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van deze verordening, wordt een boete opgelegd van € 250,00. 2. Indien de inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw schuldig maakt aan de overtreding als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van deze verordening, wordt een boete opgelegd van € 500,00. 3. Indien de inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen niet alsnog behaalt binnen de door het college op grond van artikel 32 van de Wet inburgering gestelde termijn van ten hoogste twee jaren, wordt een boete opgelegd van € 500,00. Artikel10Persoonlijk inburgeringsbudget (PIB) 1. Het college behandelt het verzoek van de inburgeringsplichtige of vrijwillige inburgeraar om in aanmerking te komen voor een voorziening in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget op de volgende wijze: a. de inburgeringsplichtige of vrijwillige inburgeraar dient voorafgaande aan de voorziening een schriftelijk gemotiveerd verzoek tot een persoonlijk inburgeringsbudget in te dienen; b. het college begeleidt de betreffende inburgeraar actief met de samenstelling van de inburgeringsvoorziening, met als uitgangspunt dat de inburgeringsvoorziening moet leiden tot een succesvol afgelegd inburgeringsexamen of een van de inburgeringsplicht vrijstellend examen. 2. Het college keurt het voorstel van de inburgeringsplichtige of vrijwillige inburgeraar voor een PIB voor het volgen van een (duaal) inburgeringsprogramma goed, indien: a. het voorgestelde traject naar het oordeel van het college passend is om hem voor te bereiden op en toe te leiden naar het inburgeringsexamen of staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II; en b. de kosten voor dit traject niet hoger zijn dan € 6.000,-; c. de inburgeringsplichtige of vrijwillige inburgeraar niet al deelneemt aan een ander gemeentelijk inburgeringstraject en; d. het voorgestelde traject wordt verzorgd door een inburgeringsbedrijf dat voldoet aan de volgende vereisten: - de aanbieder heeft aantoonbare ervaring op het gebied van het verzorgen van inburgeringsvoorzieningen; - de aanbieder van de voorziening is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. 3. Het college keurt het voorstel van de inburgeraar voor een PIB voor het volgen van een taalkennisvoorziening goed, indien deze taalkennisvoorziening: a. naar het oordeel van het college passend is om hem de kennis van de Nederlandse taal te laten verwerven die noodzakelijk is voor het kunnen afronden van een MBO-opleiding op niveau 1 of 2; en b. wordt verzorgd door een erkend taalinstituut dat ingeschreven staat bij de Kamer van Koophandel. 4. Indien het college de voorziening in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget heeft vastgesteld, dan sluiten zowel de inburgeringsplichtige als het college een overeenkomst met het inburgeringsbedrijf. Artikel11Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen van deze verordening indien de onverkorte toepassing van de verordening zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard. Artikel12Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking 1 dag na bekendmaking daarvan en werkt terug tot en met 1 januari 2011. Artikel13Citeertitel De verordening wordt aangehaald als: Verordening inburgering Medemblik 2011. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Medemblik, gehouden op 22 september 2011. De griffier, De voorzitter,Nota-toelichting Algemene toelichting op de Verordening Wet inburgering (Wi) De Wet inburgering (Wi) draagt de gemeenten op om ‘bij verordening’ regels te stellen over de volgende onderwerpen: 1. de informatieverstrekking door de gemeente aan inburgeringsplichtigen ter zake van hun rechten en plichten uit hoofde van deze wet, evenals van het aanbod van en de toegang tot inburgeringvoorzieningen of taalkennisvoorzieningen (artikel 8 Wi); 2. het aanbieden van inburgeringvoorzieningen of taalkennisvoorzieningen, al dan niet in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget, aan inburgeringsplichtigen (artikel 19 lid 4 Wi); 3. het wel of niet ‘vaststellen’ (in plaats van het ‘aanbieden’) van een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening (artikel 19a lid 2 Wi); 4. de rechten en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringvoorziening of taalkennisvoorziening is vastgesteld (artikel 23 lid 5 Wi); 5. het aanbieden van een inburgeringsvoorziening of een taalkennisvoorziening, al dan niet in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget, aan vrijwillige inburgeraars (artikel 24a lid 5 Wi); 6. het al dan niet, of het lager vaststellen van de eigen bijdrage voor vrijwillige inburgeraars (artikel 24e lid 2 Wi); 7. de informatieverstrekking aan vrijwillige inburgeraars over de informatieverstrekking door de gemeente aan vrijwillige inburgeraars ter zake van hun rechten en plichten uit hoofde van deze wet (artikel 24f Wi); 8. het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete die voor de verschillende overtredingen kan worden opgelegd (artikel 35 Wi). TOELICHTING, artikelsgewijs Artikel 1 Begripsomschrijvingen Inburgeringsplichtigen Vreemdelingen in de leeftijd vanaf 18 jaar tot 65 jaar die: - voor inwerkingtreding van de Wet inburgering in Nederland woonden, maar geen acht jaar in Nederland hebben gewoond tijdens de leerplichtige leeftijd en evenmin diploma’s hebben waaruit blijkt dat zij beschikken over voldoende kennis van de Nederlandse taal en samenleving. Dit zijn zgn. oudkomers, of: Vreemdelingen in de leeftijd vanaf 16 jaar tot 65 jaar die: - na inwerkingtreding van de wet Inburgering voor een niet tijdelijk doel tot Nederland worden toegelaten (nieuwkomers); - op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet inburgering nieuwkomer was in de zin van de Wet Inburgering Nieuwkomers. Vrijwillige inburgeraars Deze personen behoren tot een van de volgende categorieën - (genaturaliseerde) Nederlanders, - bepaalde categorieën vreemdelingen, die rechtmatig in Nederland verblijven en onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie, van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of van Zwitserland. In de laatstgenoemde categorie bevinden zich ook de zogenaamde MOE-landers. Dit zijn de onderdanen van midden- en Oost-Europese lidstaten, waaronder een substantieel aantal Polen, Roemenen en Hongaren. Artikel 2 Informatieverstrekking Deze bepaling vloeit voort uit artikel 8 Wi, welk artikel bepaalt dat de gemeente bij verordening regels moet stellen voor de informatieverstrekking aan de inburgeringsplichtigen. Afgezien van de bepaling dat dit “bij verordening” moet geschieden, laat de wet gemeenten verder vrij om zelf te bepalen op welke wijze de informatievoorziening aan de inburgeringsplichtigen wordt georganiseerd. In deze verordening worden slechts de kaders vastgesteld voor een adequate informatievoorziening door het college aan de inburgeringsplichtigen en de vrijwillige inburgeraars. Daarbij is aangegeven van welke middelen het college gebruik moet maken. Artikel 3 Doelgroepen Artikel 19 lid 5 onderdeel a Wi bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels moet stellen met betrekking tot de criteria die worden gehanteerd bij het doen van een aanbod. Dit is in de verordening vertaald door vast te leggen aan wie voorrang wordt gegeven bij het doen van een aanbod. In eerste instantie worden de asielgerechtigden/statushouders en vervolgens worden inburgeraars met een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand en de Wet investeren in jongeren genoemd. Vervolgens worden de overige groepen inburgeraars genoemd voor wie de inburgering van veel (maatschappelijk of persoonlijk) belang is. De gemeenteraad moet dus bij verordening regels stellen met betrekking tot de criteria die worden gehanteerd bij het doen van een aanbod aan inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars (artikel 19 Wi en artikel 24a Wi). In dit artikel wordt het college opgedragen om vast te stellen aan welke groepen inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars bij voorrang een voorziening wordt aangeboden. Bovendien wordt in dit artikel vastgelegd binnen welke kaders het college tot zijn keuze van doelgroepen moet komen. Het is vooralsnog van belang deze kaders (in casu het aanwijzen van groepen waaraan een inburgeringvoorziening wordt aangeboden) niet te eng te definiëren. Het college zal binnen de in dit artikel gestelde kaders gedurende een periode groepen moeten kunnen aanwijzen. Het alternatief is dat de verordening op dit onderdeel steeds opnieuw moet worden gewijzigd. Een andere reden om de kaders niet te strak vast te stellen is dat onvoldoende zicht is hoe groot de groep oudkomers zonder werk of uitkering en de vrijwillige inburgeraars is waaraan een voorziening kan worden aangeboden. Te strenge criteria zouden wel eens kunnen leiden tot het niet benutten van de beschikbare middelen voor het aanbieden van voorzieningen. Om te voorkomen dat inburgeringsplichtigen die behoren tot de groep of groepen die het college heeft aangewezen aan deze aanwijzing een recht gaan ontlenen op het krijgen van een aanbod, bepaalt dit artikel (tweede lid) dat het college aan de groepen die het aanwijst een inburgeringvoorziening kan aanbieden. Op grond van de actieve informatieplicht van het college aan de raad (artikel 169, tweede lid, Gemeentewet) ligt het voor de hand dat het college zijn besluit aan welke groepen inburgeringsplichtigen bij voorrang een aanbod zal worden gedaan ter kennisname aan de raad aanbiedt. Vooralsnog worden er geen prioritaire groepen aangewezen, omdat daar op dit moment geen reden voor is. Artikel 4 Inhoud inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening Artikel 19 lid 5 onderdeel b Wi bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels moet stellen met betrekking tot de vaststelling van een inburgeringsvoorziening of een taalkennisvoorziening, welke regels in ieder geval betrekking moeten hebben op (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.