Verordening algemene bijstand gemeente Breda 1997§1Algemene bepalingen Artikel1 In deze verordening wordt verstaan onder alleenstaande: de belanghebbende bedoeld in artikel 4 sub a jo. artikel 30 sub a Algemene bijstandswet; alleenstaande ouder: de belanghebbende bedoeld in artikel 4 sub b jo. artikel 30 sub b Algemene bijstandswet; gezin: het gezin als bedoeld in artikel 4 sub c, ten 1e en ten 2e en artikel 3 jo. artikel 30 sub c Algemene bijstandswet. Voor de toepassing van artikel 4 en artikel 5 wordt mede onder een gezin verstaan het gezin bedoeld in artikel 29, tweede lid sub c Algemene bijstandswet; kind: het kind als bedoeld in artikel 4 sub d Algemene bijstandswet; minimumloon: het netto minimumloon voor een gezin, bedoeld in artikel 55 Algemene bijstandswet, respectievelijk het bedrag genoemd in artikel 30 sub c Algemene bijstandswet; woonkosten: hetgeen in geld verschuldigd is voor of in verband met het normale gebruik van woonruimte; zorgbehoevende: de belanghebbende die, indien hij niet te zamen met een andere persoon de woning zou bewonen, zou zijn aangewezen op beroepsmatige hulp zoals verzorging in een verzorgingstehuis of in een andere inrichting ter verpleging of verzorging; schoolverlater: de belanghebbende, bedoeld in artikel 36, eerste en tweede lid Algemene bijstandswet. §2Toeslagen Artikel2 Recht op toeslag bestaat indien en voor zover de belanghebbende hogere algemeen noodzake-lijke kosten van het bestaan heeft, dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander. Artikel3 1.De toeslag voor een alleenstaande, die voor zijn woning aantoonbaar woonkosten verschuldigd is en zijn algemeen noodzakelijke bestaanskosten niet kan delen met een ander, bedraagt voor de alleenstaande van 23 jaar en ouder: 20% van het minimumloon; voor de alleenstaande van 22 jaar: 10% van het minimumloon; voor de alleenstaande van 21 jaar: 2% van het minimumloon. 2.De toeslag voor een alleenstaande van 23 jaar en ouder, die voor zijn woning aantoonbaar woonkosten verschuldigd is en zijn algemeen noodzakelijke bestaanskosten kan delen met een ander, bedraagt 10% van het minimumloon. 3.In afwijking van het eerste lid heeft de kostganger recht op toeslag ingevolge dit artikel, indien de verschuldigde kostprijs tenminste 20% van het minimumloon bedraagt. 4.De kostgever of (kamer)verhuurder wordt geacht kosten te delen, als bedoeld in het tweede lid. 5. De alleenstaande, in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt geacht zijn algemene kosten van bestaan niet te kunnen delen. 6.De zorgbehoevende en zijn verzorger hebben recht op toeslag ingevolge het eerste lid, indien zij niet tevens kostgever of (kamer)verhuurder zijn, anders dan jegens elkaar. 7.Indien sprake is van medebewoning van uitsluitend één of meer niet ten laste komende kinderen, met een inkomen lager of gelijk aan de van toepassing zijnde norm ex artikel 29 Algemene bijstandswet, verhoogd met 10% van het minimumloon, bestaat recht op toeslag ingevolge het eerste lid. Artikel4 1.De alleenstaande ouder, die voor zijn woning aantoonbaar woonkosten verschuldigd is en zijn algemeen noodzakelijke bestaanskosten niet kan delen met een ander, krijgt een toeslag ter hoogte van 20% van het minimumloon. 2.De alleenstaande ouder, die voor zijn woning aantoonbaar woonkosten verschuldigd is en zijn algemeen noodzakelijke bestaanskosten kan delen met een ander, krijgt een toeslag ter hoogte van 10% van het minimumloon. 3.In afwijking van het eerste lid heeft de alleenstaande ouder, die kostganger is, recht op toeslag ingevolge dit artikel, indien de verschuldigde kostprijs tenminste 20% van het minimumloon bedraagt. 4.De alleenstaande ouder, die kostgever of (kamer)verhuurder is, wordt geacht kosten te delen, als bedoeld in het tweede lid. 5.De alleenstaande ouder, in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt geacht zijn algemene kosten van bestaan niet te kunnen delen. 6.De zorgbehoevende en zijn verzorger hebben recht op toeslag ingevolge het eerste lid, indien zij niet tevens kostgever of (kamer)verhuurder zijn, anders dan jegens elkaar. 7.Indien sprake is van medebewoning van uitsluitend één of meer niet ten laste komende kinderen, met een inkomen lager of gelijk aan de van toepassing zijnde norm ex artikel 29 Algemene bijstandswet, verhoogd met 10% van het minimumloon, bestaat recht op toeslag ingevolge het eerste lid. §3Verlaging uitkering Artikel5 1.De uitkering voor een gezin, dat voor zijn woning geen woonkosten verschuldigd is en dat zijn algemeen noodzakelijke bestaanskosten niet kan delen met een ander, wordt verlaagd met 20% van het minimumloon. 2.De uitkering voor een gezin, dat voor zijn woning aantoonbaar woonkosten verschuldigd is en dat zijn algemeen noodzakelijke bestaanskosten kan delen met een ander, wordt verlaagd met 10% van het minimumloon. 3.De uitkering voor een gezin, dat voor zijn woning geen woonkosten verschuldigd is en dat zijn algemeen noodzakelijke bestaanskosten kan delen met een ander, wordt verlaagd met 25% van het minimumloon. 4.Het gezin, dat kostgever of (kamer)verhuurder is, wordt geacht kosten te delen, als bedoeld in het tweede en derde lid. 5.Het gezin, in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt geacht zijn algemene kosten van bestaan niet te kunnen delen. 6.De verlaging op grond van het tweede en derde lid blijft achterwege: voor de zorgbehoevende en zijn verzorger, indien zij niet tevens kostgever of (kamer) verhuurder zijn, anders dan jegens elkaar; indien sprake is van medebewoning van uitsluitend één of meer niet ten laste komende kinderen, met een inkomen lager of gelijk aan de van toepassing zijnde norm ex artikel 29 Algemene bijstandswet, verhoogd met 10% van het minimumloon. Artikel6 1.Bij medebewoning van één of meer niet ten laste komende kinderen met een inkomen hoger of gelijk aan de van toepassing zijnde norm ex artikel 29 Algemene bijstandswet, verhoogd met 10% van het minimumloon, wordt de uitkering verlaagd met 10% van het minimumloon. 2.Verlaging op grond van dit artikel blijft achterwege indien met de medebewoning van de in het eerste lid bedoelde kinderen reeds rekening is gehouden bij de toepassing van artikel 3, tweede lid, artikel 4, tweede lid of artikel 5, tweede en derde lid; voor de zorgbehoevende, indien geen sprake is van medebewoning van meerdere kinderen, als bedoeld in het eerste lid. §4Uitkering schoolverlaters Artikel7 1.De uitkering voor een schoolverlater wordt gedurende zes maanden vastgesteld in afwijking van het bepaalde in de paragraaf 2. 2.Voor de schoolverlater, voor wie op grond van artikel 2, tweede lid, van de Jeugdwerkgarantiewet de werkloosheidsduur wordt verlengd, wordt de in het eerste lid gegeven termijn verlengd met zes maanden. 3.De uitkering voor een alleenstaande die schoolverlater is en die zijn kosten kan delen met een ander, wordt verlaagd met 15% van het minimumloon. 4.De uitkering voor een alleenstaande die schoolverlater is en die zijn kosten niet kan delen met een ander, wordt verlaagd met 5% van het minimumloon. 5.De uitkering voor een gezin, waarvan tenminste één partner schoolverlater is, wordt verlaagd met 5% van het wettelijk minimumloon. §5Herindelingstoeslag Artikel8 1.De persoon, die op 31 december 1996 een uitkering ontvangt op grond van de Algemene bijstandswet welke hoger is dan de uitkeringshoogte waarin deze verordening voorziet, en op wie ter zake van die uitkering de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet niet van toepassing was, ontvangt met inachtneming van het derde lid voor het verschil een herindelingstoeslag. 2.De persoon, die op 31 december 1996 een uitkering ontvangt en wiens uitkering per 1 januari 1997 op grond van een beschikking als bedoeld in artikel 4 van de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet hoger is dan de uitkeringshoogte waarin deze verordening voorziet, ontvangt met inachtneming van het tweede lid voor het verschil een herindelingstoeslag. 3.De toeslag als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt telkens verminderd met de stijging van de in de Algemene bijstandswet vastgestelde basisnormen. 4.De in het eerste en tweede lid bedoelde toepassing van deze verordening eindigt zodra een wijziging van omstandigheden van de persoon of het gezin optreedt of is opgetreden die op grond van hoofdstuk IV, afdeling 1, paragraaf 2 en 3, van de nieuwe Algemene bijstandswet tot toepassing van een andere bijstandsnorm dient te leiden en burgemeester en wethouders in het betreffende geval een nieuw besluit inzake de verlening van algemene bijstand hebben getroffen. §6Slotbepalingen Artikel9 1.In gevallen waarin deze verordening niet voorziet beslissen Burgemeester en wethouders, onverminderd het bepaalde in artikel 13 Algemene bijstandswet. 2.Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen met betrekking tot het bepaalde in deze verordening. Artikel10 Het op grond van deze verordening gevoerde beleid wordt voor de eerste maal één jaar na de inwerkingtreding van deze verordening en vervolgens eenmaal per twee jaar geëvalueerd. Artikel11 Deze verordening kan worden aangehaald als Verordening algemene bijstand gemeente Breda 1997 en treedt in werking per 1 januari 1997. Artikelsgewijze toelichting § 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Sub a t/m e. Voor de gehanteerde begrippen wordt verwezen naar de Wet. Sub c. Het begrip 'gezin' is met name relevant voor de toepassing van regels met betrekking tot verlaging van de basisuitkering. Het begrip wordt in deze verordening beperkt tot gezinnen, waarvan beide echtgenoten tenminste 21 jaar zijn. Reden hiervoor is dat de basisuitkering voor beneden-21-jarigen over het algemeen fors lager ligt dan die voor boven-21-jarigen. Voor de toepassing van de artikelen 5 en 6 (verlaging van de gezinsnorm) geldt een uitzondering voor het gezin met kinderen, waarvan slechts één der echtgenoten 21 jaar of ouder is (basisnorm ex artikel 29, tweede lid, sub c). De reden hiervan is gelegen in de totstandkoming van de basisnorm voor dit echtpaar. Daarbij is de basisnorm ex artikel 29, eerste lid sub c (jong echtpaar zonder kinderen) verhoogd met het bedrag van de maximale toeslag ex artikel 33 Abw. Het ligt in de rede in die situatie het verlagingen-beleid te hanteren, bijvoorbeeld indien geen woonkosten verschuldigd zijn. 1 Sub f. Het begrip woonkosten gaat verder dan het oude BLN-begrip. Hieronder wordt meer verstaan dan het betalen van huur of de kosten verbonden aan eigen woningbezit. Een vergoeding voor kostgeving of inwoning valt ook hieronder, ook ten aanzien van diegene, die bij zijn ouders inwoont. Het gaat om kosten die direct op het gebruik van woonruimte betrekking hebben. Kosten in verband met gebruik van energie, riolering e.d. behoren niet hiertoe. Voor een eigenaar-bewoner behoren wel tot de woonkosten, die heffingen, waarmee de huurder niet te maken heeft (zoals waterschapslasten). Voor een kamerhuurder wordt, uit praktische overwegingen, uitgegaan van de all-in prijs, aangezien het huurbedrag meestal niet uitgesplitst is. In alle gevallen geldt dat met deze kosten rekening wordt gehouden, indien deze zijn aangetoond. Dit impliceert mede een aantoonplicht voor degene die bij zijn ouders inwoont. Deze kan op grond van § 2 voor een toeslag in aanmerking komen indien hij aantoont bij te dragen in de woon- en/of huishoudingskosten. 2 De kosten moeten betrekking hebben op het normale gebruik van woonruimte. Daaronder worden de normale woonfuncties als eten, maaltijdbereiding, lichaamsreiniging en slapen verstaan. Geen rekening wordt gehouden met kosten van woonruimte, indien of voor zover deze wordt gebruikt als bedrijfsruimte, opslagruimte of atelier. Normaal gebruik impliceert ook dat sprake moet zijn van feitelijk gebruik van de ruimte door de belanghebbende: kosten van een woning, die niet door de belangheb-bende zelf wordt bewoont, worden niet als woonkosten aangemerkt. Sub g. Hier is voor de zorgbehoevende de definitie overgenomen, die voorheen in het BLN werd gegeven aan de 'hulpbehoevende'. Om te benadrukken dat het gaat om een verzorgingsbehoefte - en uit het oogpunt van harmonisatie - is gekozen voor de aanduiding 'zorg-' in plaats van 'hulp-'. Sub h. De schoolverlater wordt in de Wet gedefinieerd als 'de belanghebbende die recent de deelname heeft beëindigd aan onderwijs of beroepsopleiding op grond waarvan aanspraak bestond op studiefinanciering op grond van hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering dan wel op kinderbijslag. Van een recente beëindiging van de deelname aan onderwijs of beroepsopleiding (...) is sprake zolang nog geen periode van een half jaar is verstreken, gerekend vanaf het tijdstip van die beëindiging'. § 2 Toeslagen Artikel 2 Dit artikel bevat de algemene rechtsgrond voor de toeslag. Dit recht vloeit voort uit de wet. De criteria voor het recht zijn gegeven in artikel 33, eerste lid Abw. Voor alle duidelijkheid zijn deze ook in de verordening opgenomen. Er moet op de eerste plaats dus sprake zijn van hogere noodzakelijke bestaanskosten, die niet uit de basisuitkering betaald kunnen worden. Op de tweede plaats moeten die hogere kosten het gevolg zijn van het niet kunnen delen met anderen. Met 'anderen' wordt hier bedoeld: de medebewoners van de woning, waarin men zijn hoofdverblijf heeft. Anderen dan deze medebewoners spelen hierbij dus geen rol (zie ook de toelichting op het vijfde lid van artikel 3). Geen rekening wordt gehouden met noodzakelijke kosten, die niet uit de basisnorm kunnen worden betaald, om een andere reden, dan het niet kunnen delen hiervan met anderen. Voor kosten, die voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden is immers bijzondere bijstand mogelijk. Zie ook § 5.3.1 en § 5.5.1 van de algemene toelichting. Artikel 3 Eerste lid De alleenstaande vanaf 23 jaar doch jonger dan 65 jaar, die geheel een eigen huishouding voert, komt in aanmerking voor de maximale toeslag. Daarmee is het niveau van de 'alleenstaande niet-woningdeler' (70%) bereikt. Aangetoond moet worden dat voor de woning, die men bewoont, woonkosten verschuldigd zijn en dat men noodzakelijke bestaanskosten niet kan delen met anderen. Als woonkosten worden aangetoond, en de noodzakelijke kosten van het bestaan niet gedeeld kunnen worden, bestaat voor de alleenstaande van 23 jaar en ouder doch jonger dan 65 jaar recht op een toeslag van 20% van het minimumloon, hetgeen overeenkomt met het bedrag, genoemd in artikel 33, tweede lid Abw. Als voor de woning die men bewoont geen woonkosten verschuldigd zijn, bestaat geen recht op toeslag. De in dit artikellid bedoelde toeslag is niet van toepassing op personen van 65 jaar of ouder. Voor hen geldt sinds 1 april 1998 een aparte bijstandsnorm (artikel 33 Abw). Voor alleenwonende alleenstaanden van 21 en 22 jaar ligt de toeslag op een lager niveau. Door beperking van de toeslag wordt bereikt dat de hoogte van de toeslag geen belemmering vormt voor de aanvaarding van arbeid, gelet de hoogte van het minimumjeugdloon. Artikel 37 van de Abw biedt daartoe de mogelijkheid. Voor de alleenstaande van 21 jaar, die geheel een eigen huishouding voert, is de toeslag zodoende beperkt tot 2% van het netto minimumloon voor een gezin, voor de alleenwonende alleenstaande van 22 jaar is dit 10% van dit netto minimumloon. Dit artikellid is ook van toepassing voor de situatie van een echtpaar waarbij één van de echtelieden geen recht op bijstand heeft (bijvoorbeeld omdat deze geen status heeft). In dat geval krijgt de rechthebbende partner van 23 jaar en ouder, boven op de halve gezinsnorm (50% van het minimumloon), een toeslag van 20 %, de rechthebbende partner van 22 jaar een toeslag van 10% en de rechthebbende partner van 21 jaar een toeslag van 2%. Heeft de niet rechthebbende partner echter wel een inkomen dan wordt daarmee bij de bepaling van het recht op bijstand door de rechthebbende partner rekening gehouden. Dit door toepassing van het gestelde in artikel 50 Abw. Feitelijk komt dit erop neer dat de uitkering van de rechthebbende partner zodanig wordt beperkt dat beide partners te samen over de echtparennorm kunnen beschikken. Tweede lid Als noodzakelijke bestaanskosten gedeeld kunnen worden, bestaat recht op de helft van de maximale toeslag, behoudens als voor de woning die men bewoont geen woonkosten verschuldigd zijn. In dat laatste geval bestaat geen recht op toeslag. Dit 'delen' zal vaak betrekking hebben op woonkosten. Heeft men woonkosten en kunnen bestaanskosten gedeeld worden, dan heeft men recht op een toeslag van 10% van het minimumloon. De uitkering komt daarmee op het '60%-niveau', hetgeen gelijk is aan de BLN-norm voor een woningdeler. Voor alleenstaanden van 21 en 22 jaar, die bestaanskosten kunnen delen, is niet voorzien in een toeslag. De norm op basis van artikel 30, sub a Abw (50% niveau) ligt reeds boven resp. op het uitkeringsniveau voor een 21- en 22-jarige woningdeler, zoals dat gold tot 1996. Gelet op de definitie van het begrip 'woonkosten' komen ook kamerhuurders, kostgangers en diegenen, die bij hun ouders inwonen in principe voor deze toeslag in aanmerking. Ook het delen van andere bestaanskosten kan aanleiding zijn tot het beperken van de bijstand tot het 60%-niveau. Daarvan is bijvoorbeeld sprake, in een situatie van een inwonend, niet ten laste komend kind. Zie hiervoor voorts de toelichting op het zevende lid. Ook kan daarvan sprake zijn bij een kamerbewoner. Alhoewel deze zijn woonkosten doorgaans niet zal delen, kan wel sprake zijn van het delen van andere bestaanskosten. Er is geen sprake van kostendeling, indien en voor zover ook voor deze zaken een commerciële prijs aan de verhuurder wordt betaald. Dit dient dan in de huurovereen-komst tot uiting te komen.3 Om tot de conclusie te komen dat kosten gedeeld kunnen worden, moet voorts sprake zijn van een aanmerkelijk voordeel wegens het kunnen delen van kosten: het voordeel dient in redelijke verhouding te staan tot het nadeel van de ontbrekende toeslag. Zie voor 'aanmerkelijk voordeel' § 5.5 van de algemene toelichting. Derde lid Kostgangers betalen één prijs voor woon- en bepaalde huishoudelijke kosten zoals maaltijden, schoonmaak, gebruik van stoffering en inrichting, nutsvoorzieningen en vaak ook kosten van bewassing resp. gebruik van duurzame goederen. Met het betalen van die prijs wordt voorzien in nagenoeg alle noodzakelijke kosten van levensonderhoud, behoudens die voor kleding en persoonlijke uitgaven. Om voor een toeslag in aanmerking te komen, dient de kostganger aan te tonen, dat sprake is van een commerciële overeenkomst, waarin voorzien is in alle kosten, die met kostgeving samenhangen. Dit dient in de overeengekomen prijs tot uiting te komen, die tenminste op 20% van het minimumloon (ongeveer ƒ 380,- (€ 172,44) per maand, niveau 1995) moet liggen. Dit 'drempelbedrag' ligt lager dan de waarde van kostgeving, zoals die is vastgelegd in de Coördinatiewet sociale verzekering ( ƒ 463,-, (€ 210,10) niveau 1995). Met deze bepaling wordt voorkomen, dat in een situatie waarin een 'vriendenprijsje' wordt gerekend, resp. in een situatie die sterk overeenkomt met die van een 'woningdeler', recht zou bestaan op evenveel bijstand als voor een alleenstaande, die met veel hogere kosten van levensonderhoud is geconfronteerd. Voor deze bepaling wordt een relatief lage prijs voor kostgeving uitgelegd als aandeel in de werkelijke kosten en dus als kostendeling. Vierde lid De alleenstaande, die (een) kamer(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.