Verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing en reinigingsrechtenDe raad van de gemeente Putten; Vastgesteld bij besluit van de raad van 14 november 2008 nr. 148174 VERORDENING OP DE HEFFING EN INVORDERING VAN AFVALSTOFFENHEFFING EN REINIGINGSRECHTEN HOOFDSTUKIALGEMENE BEPALINGEN Artikel1 Krachtens deze verordening worden geheven: een afvalstoffenheffing; reinigingsrechten. Artikel2Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: perceel: een gebouwde onroerende zaak - of een gedeelte ervan - dat blijkens indeling en inrichting bestemd is om als afzonderlijk geheel door een particuliere huishouding te worden gebruikt en ook als zodanig wordt gebruikt. Met perceel worden gelijkgesteld: een stacaravan, een woonboot, een woonwagen en een demontabel zomer- of vakantiehuisje, indien gebruikt door een particuliere huishouding. bedrijfspand: een gebouwde onroerende zaak - of een zelfstandig gebruikt gedeelte ervan - geen perceel zijnde. HOOFDSTUKIIAFVALSTOFFENHEFFING Artikel3Aard der heffing Onder de naam "afvalstoffenheffing" wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. Artikel4Belastingplicht 1.De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente feitelijk gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. 2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt als gebruiker aangemerkt: degene die naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht feitelijk gebruik maakt van het perceel; ingeval een gedeelte van een perceel ten gebruike is afgestaan: degene die dat gedeelte ten gebruike heeft afgestaan. Artikel5Maatstaf van heffing en tarief De belasting wordt geheven naar de maatstaf en het tarief, opgenomen in hoofdstuk 1.1 van de bij deze verordening behorende tarieventabel. Artikel6Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel7Tijdstippen van ontstaan van de belastingschuld en termijnen van betaling 1.De belastingschuld ontstaat bij de aanvang van het belastingjaar, of indien het gebruik van een perceel in de loop van het belastingjaar aanvangt, bij de aanvang van dat gebruik. 2.In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingwet 1990 moeten de aanslagen moeten worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. 3.In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen afvalstoffenheffing en andere heffingen meer is dan € 150,-- doch minder dan € 1.500,-- en het totaalbedrag van dat aanslagbiljet door middel van automatische incasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kan worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in negen gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. HoofdstukIIIREINIGINGSRECHTEN Artikel8Belastbaar feit Onder de naam "reinigingsrechten" worden rechten geheven voor het genot van door de gemeente verstrekte diensten en voor het gebruik van bezittingen, werken en inrichtingen, die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn. Artikel9Belastingplicht Belastingplichtig voor de reinigingsrechten is degene op wiens verzoek dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht of degene die van de bezittingen, werken of inrichtingen, bedoeld in artikel 8, gebruikmaakt. Artikel10Maatstaf van heffing en tarief 1.De rechten worden geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in de hoofdstukken 2 en 3 van de bij deze verordening behorende tarieventabel. 2.Voor de berekening van de rechten wordt een gedeelte van de in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt. Artikel11Wijze van heffing De rechten, bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel, worden geheven bij wege van aanslag. De rechten, bedoeld in hoofdstuk 3 van de tarieventabel, worden geheven door middel van een gedagtekende kennisgeving, waarop het gevorderde bedrag is vermeld. Artikel12Tijdstippen van verschuldigdheid en van betaling 1.De rechten, bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel, zijn verschuldigd bij de aanvang van het belastingjaar of, indien de belastingplicht op een later tijdstip aanvangt, bij de aanvang van de belastingplicht. 2.De rechten, bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel, zijn invorderbaar twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet. 3.De rechten, bedoeld in hoofdstuk 3 van de tarieventabel, worden verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening of bij de aanvang van het gebruik van de bezittingen, werken of inrichtingen. 4.De rechten, bedoeld in hoofdstuk 3 van de tarieventabel, moeten worden betaald: ingeval van uitreiking van de kennisgeving: op het tijdstip van uitreiking; ingeval van toezending van de kennisgeving: binnen 30 dagen na de dagtekening. Artikel13Kwijtschelding Met betrekking tot de in de artikelen 10 en 11 genoemde rechten wordt geen kwijtschelding verleend. HoofdstukIVALGEMENE BEPALINGEN Artikel14Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel15Aanvang belastingplicht in de loop van het belastingjaar Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, wordt de heffing, bedoeld in hoofdstuk 1.1, en worden de rechten, bedoeld in hoofdstuk 2, met uitzondering van 2.1.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.