Algemene plaatselijke verordening 2007 Leiden (APV)Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen 1.In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder: Weg: 1. de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen; 2. de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen; 3. de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, die uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn; 4. andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten. Openbaar water: alle wateren die - al dan niet met enige beperking - voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn. Bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet. de rechthebbende: eenieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht. Voertuigen: alle voertuigen, als bedoeld in artikel 1, onder a en onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van: 1. treinen en trams; 2. kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen. Vaartuigen: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten en ponten. Woonschepen: schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot woning bestemd. Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. Gebouw: elk bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Vee: dieren die behoren tot de diersoorten genoemd in bijlage A van de Meststoffenwet. Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. Onder hoogspanningsleiding wordt verstaan een leiding behorend tot het landelijk hoogspanningsnet zoals bedoeld in de Elektricitieitswet. Artikel 1.2 Beslistermijn 1.Het bevoegd bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is, tenzij in deze verordening anders is bepaald. 2.Het bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen. Artikel 1.3 Indiening aanvraag 1.Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen. 2.Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken. Artikel 1.4 Voorschriften en beperkingen 1.Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2.Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel 1.5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden. Artikel 1.6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing Een vergunning of ontheffing kan in ieder gevalworden ingetrokken of gewijzigd: indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn; indien de houder dit verzoekt. Artikel 1.7 Termijnen (Vervallen) Artikel 1.8 Inzage vergunning of ontheffing. De houder van een vergunning of ontheffing is verplicht deze op eerste vordering van een ambtenaar, belast met de zorg voor de naleving van een of meer bepalingen van deze verordening ter inzage af te geven aan deze ambtenaar. Hoofdstuk 2 Openbare orde Afdeling 1: Orde en veiligheid op de weg Paragraaf 1: Bestrijding van ongeregeldheden Artikel 2.1.1.1 Samenscholing en ongeregeldheden 1.Het is verboden op de weg deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden. 2.Een ieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3.Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen, wegen of weggedeelten die door of vanwege het bevoegd gezag in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet. 4.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod. 5.Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Artikel 2.1.1.2 Gebiedsontzegging Het is degene aan wie dit door of namens de burgemeester in het belang van de openbare orde of zedelijkheid schriftelijk vooraf bekend is gemaakt verboden zich anders dan in een openbaar middel van vervoer te bevinden op of aan door de burgemeester aangewezen wegen en plaatsen gedurende de uren daarbij genoemd. Dit verbod geldt gedurende de in de bekendmaking genoemde periode. Paragraaf 2:Betoging Artikel 2.1.2.1 Optochten (Vervallen) Artikel 2.1.2.2 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1.Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, moet daarvan voor de openbare aankondiging ervan en ten minste 48 uur voordat de betoging zal worden gehouden, schriftelijk kennis geven aan de burgemeester, met inachtneming van wat in artikel 2.1.2.4, eerste lid, hierover is bepaald. 2.Onder openbare plaats wordt verstaan: een plaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid, juncto tweede lid, van de Wet openbare manifestaties. Artikel 2.1.2.3 Afwijking termijn De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in artikel 2.1.2.2, eerste lid, genoemde termijn van 48 uur verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen. Artikel 2.1.2.4 Te verstrekken gegevens 1.De kennisgeving bevat: naam en adres van degene die de betoging houdt; het doel van de betoging; de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; de plaats en, voorzover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; voorzover van toepassing, de wijze van samenstelling; maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 2.Degene die de kennisgeving inlevert ontvangt daarvan een bewijs, waarin het tijdstip van inlevering is vermeld. 3.De in artikel 2.1.2.2. eerste lid bedoelde kennisgeving wordt geacht eerst dan gedaan te zijn wanneer het in het formulier volledig en naar waarheid is ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld en het in het tweede lid bedoelde bewijs van ontvangst is uitgereikt. 4.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en veiligheid voorschriften geven ter verzekering van een redelijke en veilige afwikkeling van het verkeer, ter beveiliging van personen of goederen, ter voorkoming van ernstige hinder voor anderen dan de deelnemers aan de optocht en ter voorkoming van strafbare feiten. Paragraaf 3 Beperking verspreiding gedrukte stukken Artikel 2.1.3.1 (gereserveerd) Paragraaf 4: Vertoningen e.d. op de weg Artikel 2.1.4.1 Feest, muziek en wedstrijd e.d. (Vervallen) Artikel 2.1.4.2 Dienstverlening 1.Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan de weg op te treden als dienstverlener of zijn diensten als zodanig aan te bieden. 2.De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. het voorkomen of beperken van overlast; c. de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen; d. de zedelijkheid of de gezondheid. Artikel 2.1.4.3 Straatartiest 1.Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op of aan door de burgemeester aangewezen wegen of gedeelten daarvan. 2.De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel 2.1.4.4 Wanordelijkheden Ieder, die op of aan de weg of op openbaar water muziek ten gehore brengt of door middel van het gesproken woord dan wel door middel van afbeelding of geschrift, gedachten of gevoelens openbaart, reclame maakt of propaganda verspreidt, is verplicht om indien zich daarbij wanordelijkheden voordoen op een daartoe strekkend bevel van een daartoe bevoegd ambtenaar terstond de handeling te staken. Paragraaf 5: Bruikbaarheid van de weg Artikel 2.1.5.1 Voorwerpen of stoffen op, in, aan,over of boven de weg 1.Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een voorwerp op, in, aan, over of boven de weg te plaatsen, aan te brengen of te hebben. Dit verbod is van vereenkomstige toepassing op vaartuigen. 2.Het verbod geldt niet voor: vlaggen, wimpels of vlaggenstokken indien deze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt; zonneschermen, mits ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits: - geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt; - geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt; - geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt; de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is; voertuigen; voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; evenementen als bedoeld in artikel 2.2.1; terrassen als bedoeld in artikel 2.3.1.2, vijfde lid; standplaatsen als bedoeld in artikel 5.2.3; winkelwagentjes; vaste containers die van gemeentewege zijn geplaatst ten behoeve van de al dan niet gescheiden inzameling van huishoudelijk afval. uitstallingen en zaken ter verfraaiing van de entree indien: I. deze binnen 100 cm van de gevel van het betreffende pand blijven en II. de strook voor visueel gehandicapten en de ruimte 50 cm aan weerszijden vande strook vrij blijven van obstakels en III. de resterende vrije- of stoepruimte minimaal 150 cm bedraagt, met uitzonderingvan de trottoirs van de Stationsweg, de Steenstraat, de Nieuwe Beestenmarkt (oostzijde), de Turfmarkt, het Kort Rapenburg (oostzijde), de Breestraat, de Korevaarstraat en de Doezastraat waar vanwege de belangrijke functie voor het voetgangerverkeer de vrije doorgang voor voetgangers minimaal 200 cm moet bedragen of zoveel het straatprofiel toelaat, en IV. in voetgangersgebieden een minimale ruimte van 300 cm overblijft voor een ongehinderd passeren van het alarmverkeer. 3.Het is verboden op, aan, over of boven de weg een voorwerp of stof waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien: deze door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik van de weg, of een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van. de weg. 4.Voor de toepassing van het tweede lid, onder c, wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 5.Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 6. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement. De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder a, geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet. De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder b, geldt niet voor vergunningplichtige bouwwerken; De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c, geldt niet indien en voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 2.1.5.2 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.Het is verboden zonder vergunning van het college een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle niet openbare ontsluitingswegen van gebouwen. 3.Het verbod geldt niet voor het Rijk, de provincie, de gemeente of het waterschap bij het uitvoeren van zijn/haar publiekrechtelijke taak. 4.Het verbod geldt voorts niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatie- verordening Artikel 2.1.5.3 Maken, veranderen van een uitweg 1.Het is verboden zonder vergunning van het college: een uitweg te maken naar de weg; van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 3.De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: de bruikbaarheid van de weg; het veilig en doelmatig gebruik van de weg; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente; de vergunning wordt geweigerd wanneer het gebruik van een uitrit leidt tottegenstrijdigheid met het bestemmingsplan. 4..Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement. Paragraaf 6: Veiligheid op de weg Artikel 2.1.6.1 Veroorzaken van gladheid 1.Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg te werpen, uit te storten of te laten lopen. 2.Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 4e, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 2.1.6.2 Winkelwagentjes 1.Het is verboden van aangewezen wegengebruik te maken door het laten staan en doen laten staan van winkelwagentjes. 2.De eigenaar, of de door deze gemachtigde bedrijfsleider van een bedrijf, dat ten behoeve van het winkelend publiek winkelwagentjes ter beschikking stelt is verplicht deze winkelwagentjes te voorzien van niet door het publiek verwijderbare kenmerken, die duidelijk aangeven door welk bedrijf de winkelwagen ter beschikking is gesteld. 3.De in het tweede lid van deze bepaling bedoelde eigenaar of de door hem gemachtigde bedrijfsleider is verplicht de door het publiek op de weg achtergelaten winkelwagentjes welke een kenmerk dragen van zijn bedrijf onmiddellijk na een desbetreffende waarschuwing van de politie, doch in elk geval binnen een uur na winkelsluiting daarvan te verwijderen of te doen verwijderen. 4.Het in het eerste lid vervatte verbod geldt niet voor de als verzamelplaatsen van winkelwagentjes ingerichte en als zodanigdoor het college aangewezenweggedeelten. 5.Onverminderd het bepaalde in de leden 1 tot en met 4 van dit artikel kan het college de eigenaar of de door deze gemachtigde bedrijfsleider van een bedrijf als bedoeld in het tweede lid verplichten tot het op de winkelwagentjes aanbrengen van een muntslot tegen diefstal, indien zulks met het oog op het tegengaan van het laten staan en doen laten staan van winkelwagentjes op de weg, in samenhang met de situatie ter plaatse, noodzakelijk is. 6.Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet indien en voorzover de Wet milieubeheer van toepassing is. Artikel 2.1.6.3 Hinderlijke beplanting of voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijzedat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert. Artikel 2.1.6.4 Openen straatkolken e.d. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel 2.1.6.5 Kelderingangen e.d. 1.Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren. 2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2.1.6.6 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1.Het is verboden te roken in parken of bossen of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende de door het college aangewezen periode. 2.Het is verboden in parken of bossen een afstand van honderd meter daarvan, voorzover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 3.Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. 4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voorzover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende, als tuin ingerichte, erven. Artikel 2.1.6.7 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp 1.Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,3 meter boven dat gedeelte van de weg. 2.Het verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht. 3.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 4.Het verbod in het eerste lid geldt niet indien en voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 2.1.6.8 Vallende voorwerpen Het is verboden aan een weg of enig deel van een bouwwerk een voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen neervallen op de weg. Artikel 2.1.6.9 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende zijn besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid. 3.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht. Artikel 2.1.6.10 Objecten onder hoogspanningslijn 1.Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben. 2.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Artikel 2.1.6.11 Veiligheid op het ijs 1.Het is verboden: voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. 2.Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale vaarwegenverordening. Afdeling 2: Toezicht op evenementen en samenkomsten Artikel 2.2.1 Begripsomschrijving 1.In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: bioscoopvoorstellingen; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5.2.4 van deze verordening; kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; activiteiten als bedoeld in artikel 2.1.2.1, 2.1.4.1, 2.1.4.2, 2.1.4.3 en 2.3.3.1 van deze verordening. 2.Onder evenement wordt mede verstaan: een herdenkingsplechtigheid. 3.evenemententerrein: de ruimte die in de evenementenvergunning is aangegeven om de activiteiten te laten plaatsvinden en het publiek in staat te stellen daarnaar te kijken of eraan deel te nemen. Artikel 2.2.2 Evenement 1.Het is verboden, zonder vergunning van de Burgemeester een evenement te houden of te doen houden. 2.De Burgemeester kan bij de beoordeling van een aanvraag om vergunning de volgende belangen in aanmerking nemen: de mate waarin door het evenement beslag wordt gelegd op de ruimte, de tijd en de hulpdiensten; het aantal bezoekers dat wordt verwacht; of de aard van het evenement zich verdraagt met het karakter of de bestemming van de gevraagde locatie; of er gevaar bestaat voor de openbare orde, gezondheid of veiligheid, waaronder de brandveiligheid en het belang van het voorkomen van wanordelijkheden; of er gevaar bestaat voor belemmeringen van het verkeer; of er gevaar bestaat voor een onevenredige belasting van het woon- of leefklimaat in de omgeving van het evenement; of er gevaar bestaat voor verontreiniging, aantasting van het uiterlijk aanzien van de stad, beschadiging van de groenvoorzieningen of van voorzieningen voor het openbaar nut; of de organisator voldoende waarborgen biedt of kan bieden voor een goed verloop van het evenement, of de organisator voldoende waarborgen biedt om de schade aan het milieu te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken. 3.De Burgemeester kan de vergunning weigeren ter bescherming van de in het tweede lid genoemde belangen, dan wel aan de vergunning voorschriften en beperkingen verbinden met het oog op de in het tweede lid bedoelde belangen en ter verzekering van de nakoming van deze voorschriften in de vergunning bepalen dat een borgsom moet worden verstrekt voordat het evenement wordt gehouden. 4.Een aanvraag om een vergunning als bedoeld in het eerste lid moet worden ingediend uiterlijk acht weken voor de datum van het evenement. De Burgemeester kan van de hiervoor vermelde termijn afwijken of voor bijzondere, periodiek terugkerende evenementen gelet op de benodigde voorbereidingstijd, de uiterlijke datum van de aanvraag afzonderlijk bepalen. 5.Voor het op het evenemententerrein verrichten van activiteiten die op grond van deze of een andere gemeentelijke verordening vergunningplichtig zijn, heeft de houder van de vergunning voor het evenement, tijdens de duur van het evenement, geen afzonderlijke vergunning nodig, mits die activiteiten zijn vermeld in de vergunning als bedoeld in het eerste lid. 6.Het is aan anderen dan de vergunninghouder verboden, op het evenemententerrein activiteiten te verrichten, waarvoor krachtens enige gemeentelijke verordening vergunning is vereist en welke activiteiten zijn vermeld in de vergunning als bedoeld in het tweede lid, tenzij die anderen met de houder van de vergunning een overeenkomst hebben gesloten en zij zich jegens de vergunninghouder hebben verbonden de voorschriften en beperkingen, welke aan de vergunning zijn verbonden, in acht te nemen. 7.Indien derden met de vergunninghouder een overeenkomst hebben gesloten als in het zesde lid bedoeld, is het bepaalde in het vijfde lid op hen van overeenkomstige toepassing. 8.Het verbod als bedoeld in het zesde lid geldt niet voor activiteiten die reeds krachtens een voor onbepaalde tijd dan wel voor een periode langer dan drie maanden verleende vergunning voor aan een specifieke plaats gebonden handelingen op het evenemententerrein plaatsvinden, tenzij in die vergunning anders is bepaald. 9.De vergunninghouder die een evenement organiseert of degene die er de feitelijke leiding bij heeft, is, indien de Burgemeester een bevel geeft met het oog op het waarborgen van de in het derde lid bedoelde belangen, verplicht daaraan gevolg te geven en, indien nodig, het evenement onmiddellijk te beëindigen, waarbij hij dan ook verplicht is ervoor te zorgen dat er geen publiek meer wordt toegelaten. Artikel 2.2.3 Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. Artikel 2.2.4 Toneelvoorstellingen, muziek of zanguitvoeringen en andere vermakelijkheden 1.Het is verboden binnen gebouwen en besloten plaatsen een toneelvoorstelling, muziek of zanguitvoering, een danspartij, een feest of een andere vermakelijkheid, tot welke de toegang voor het publiek kosteloos of tegen betaling openstaat, te houden of te geven of te doen plaatsvinden: indien hiervan niet tenminste 14 dagen tevoren kennis is gegeven aan de burgemeester; anders dan met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.2.5. 2.Onder het houden of geven of doen plaatsvinden van een muziek of zanguitvoering, als bedoeld in het eerste lid, wordt mede begrepen het ten gehore brengen of doen brengen van muziek of zang door mechanische middelen of hulpmiddelen. 3.Het bepaalde in het eerste lid, onder a, geldt niet indien na melding op kortere termijn alsnog door de burgemeester schriftelijke toestemming is verleend en na deze verlening geen verbod door de burgemeester is afgekondigd op grond van zijn bevoegdheid krachtens art. 174 van de gemeentewet. 4.De Burgemeester kan categorieën van voor het publiek toegankelijke gebeurtenissenaanwijzen waarop het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Artikel 2.2.5 Aanvraagformulier 1.Kennisgeving als bedoeld in artikel 2.2.4, eerste lid, dient te geschieden op een daartoe bestemd, door de organisatoren te ondertekenen formulier, en dient een opgave te bevatten van: naam en adres van organisatoren; datum en plaats van de vermakelijkheid; de tijdstippen waarop de vermakelijkheid begint en eindigt; de aard van de vermakelijkheid; hetgeen de organisatoren zich voorstellen te doen, om een regelmatig verloop van de vermakelijkheid te waarborgen; andere gegevens, die de burgemeester noodzakelijk acht om te kunnen beoordelen of een regelmatig verloop van de vermakelijkheid wordt bevorderd. 2.Ter beveiliging van personen en goederen en ter voorkoming van ernstige hinder aan anderen dan de bezoekers van de vermakelijkheid, kunnen door de burgemeester voorschriften worden gegeven. Artikel 2.2.6 Verbod tot het afwijken van de opgave Het is de organisatoren verboden bij het organiseren van de vermakelijkheid af te wijken van de opgave als bedoeld in het eerste lid van artikel 2.2.5. Artikel 2.2.7 Verbod met het oog op onevenredige schade aan belangen Het is verboden een vermakelijkheid te houden, te geven of te doen plaatsvinden of daaraan deel te nemen nadat de burgemeester heeft verklaard, dat naar redelijke verwachting, onevenredige schade aan de belangen genoemd in artikel 2.2.5, tweede lid, niet kan worden voorkomen. Artikel 2.2.8 Aanwijzingen aan het publiek met betrekking tot orde en veiligheid De bezoekers van een vermakelijkheid als bedoeld in artikel 2.2.4 zijn verplicht te voldoen aan de aanwijzingen van orde, die door de burgemeester gegeven worden. Afdeling 3: Toezicht op openbare inrichtingen Paragraaf 1: Toezicht op horecabedrijven Artikel 2.3.1.1 Begripsomschrijvingen 1.In deze paragraaf wordt verstaan onder: inrichting: a. alle inrichtingen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank en Horecawet, met uitzondering van die, waarin het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend; b. alle plaatsen niet zijnde inrichtingen als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35, tweede lid, van de Drank en Horecawet; c. de besloten ruimten, waar bedrijfsmatig alcoholvrije drank voor gebruik ter plaatse wordt verstrekt, met uitzondering van: 1. de besloten ruimten, waar de verstrekking geschiedt krachtens een vergunning ingevolge de wet tot het uitoefenen van een horecabedrijf of horecawerkzaamheid of als dienstverlening van bijkomstige aard aan personen, die daar vertoeven anders dan voor het gebruiken van consumpties; 2. middelen van vervoer tijdens hun gebruik als zodanig; c. elke voor het publiek toegankelijke lokaliteit, waarin of van waaruit uitsluitend spijzen, al dan niet naast consumptieijs en voor de aflevering daarvan benodigde hulpmiddelen, of deze waren tezamen, plegen te worden verkocht en waarvoor geen vergunning ingevolge de Drank en Horecawet of een verlof ingevolge de Drank en Horecaverordening geldt; 2.Onder horecabedrijf als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: een bij dit bedrijf behorend terras en de andere aanhorigheden. 3.Een terras in de zin van deze paragraaf is een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt. 4.houder: hij, die houder is van een vergunning, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a of c, van de Drank en Horecawet of van een ontheffing krachtens artikel 35, tweede lid, van die wet; ondernemer: de ondernemer die een inrichting heeft; bedrijfsleider: de bedrijfsleider, die de algemene leiding aan de inrichting geeft; de beheerder, die de onmiddellijke leiding geeft aan de uitoefening van de inrichting. Deze paragraaf verstaat niet onder bezoekers: de gezinsleden van de houder, alsmede zijn elders wonende bloed en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad; de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede personen bedoeld in artikel 438, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht; de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel 2.3.1.2. Terrasvergunning 1.Het is verboden om zonder een vergunning van de burgemeester een terras in terichten, te exploiteren of in gebruik te geven op de openbare weg of op een voor publiek toegankelijk terrein. 2.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd indien: a. een terras niet is gesitueerd direct aangrenzend aan of in de directe nabijheid van de horeca-inrichting van de aanvrager; b. uit de aanvraag blijkt dat door de afmeting van het terras op een trottoir of voetgangersgedeelte niet tenminste 1,5 meter vrije doorgang voor het verkeer is gewaarborgd, tenzij de burgemeester van oordeel is dat vanuit verkeerstechnisch oogpunt een doorgang van minder dan 1,5 meter verantwoord is; c. uit de aanvraag blijkt dat het terras gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig beheer van de weg en daaraan niet door het verbinden van voorschriften aan de vergunning tegemoet kan worden gekomen; d. uit de aanvraag blijkt dat het terras breder is dan de gevelbreedte van de horeca-inrichting, tenzij de burgemeester van oordeel is dat, gelet op onder meer de belangen van eigenaren/gebruikers van belendende percelen een afwijkende breedtemaat vereist of aanvaardbaar is; e. de aanvraag betrekking heeft op een terras op een binnenplaats of binnenterrein, dat wil zeggen een plaats of een terrein dat omsloten is door woningen, tenzij de Burgemeester van oordeel is dat door het verbinden van voorschriften aan de vergunning overlast voor eigenaren/gebruikers van belendende percelen kan worden voorkomen; f. voor het terras ook andere vergunningen zijn vereist welke krachtens de desbetreffende wettelijke bepalingen niet kunnen worden verleend. 3.Bij de uitoefening van hun bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid kan de Burgemeester nadere regels vaststellen, c.q. nadere voorschriften stellen ten aanzien van: a. het waarborgen van de verkeersveiligheid; b. de inrichting van terrassen, inclusief het voeren van reclame op terrassen; c. de voorkoming van overlast voor eigenaren/gebruikers van belendende percelen. 4.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan voorts worden geweigerd indien het voorgenomen terras niet voldoet aan de nadere door de burgemeester vastgestelde regels als bedoeld in het derde lid. 5.De Burgemeester verbindt aan een terrasvergunning in elk geval voorschriften met betrekking tot de toegestane locatie en de toegestane omvang van het terras. 6.Het verbod in het eerste lid geldt niet indien en voorzover de Wet Milieubeheer van toepassing is. Artikel 2.3.1.3. Sluitingstijden terrassen 1.Het is de houder van een vergunning als bedoeld in artikel 2.3.1.1 verboden een terras bij zijn inrichting geopend te hebben, daar bezoekers toe te laten of te hebben na 24.00 uur. 2.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het de houder verboden gedurende de periode van 1 mei tot 1 oktober een terras bij zijn inrichting geopend te hebben, daar bezoekers toe te laten of te hebben na 24.00 uur voor de nacht van zondag op maandag tot en met de nacht van donderdag op vrijdag en na 01.30 uur voor de nacht van vrijdag op zaterdag en zaterdag op zondag. 3.In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid is het de houder verboden gedurende de periode van 1 mei tot 1 oktober een terras bij zijn inrichting geopend te hebben, daar bezoekers toe te laten of te hebben na 01.00 uur voor de nacht van zondag op maandag tot en met de nacht van donderdag op vrijdag en na 02.00 uur voor de nacht van vrijdag op zaterdag en zaterdag op zondag bij een temperatuur van 28 graden Celsius of hoger. Wanneer de hiervoor beschreven weeromstandigheid zich voordoet, publiceert de burgemeester dit terstond op de gemeentelijke website. 4.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid indien op, of in de onmiddellijke nabijheid van, het terras een evenement wordt gehouden waarvoor de eindtijd in de evenementenkalender is bepaald op een later tijdstip dan 24.00 uur en voorts ten behoeve van de viering van 3 oktober. 5.Bij overtreding van het voor een terras geldende sluitingsuur kan de burgemeester tijdelijk het sluitingsuur van dat terras vervroegen of dat terras tijdelijk algeheel verbieden. Artikel 2.3.1.4 Sluitingstijden horeca-inrichtingen 1.Onverminderd het bepaalde in het tweede en derde lid van dit artikel is het de houder verboden zijn inrichting geopend te hebben, daarin bezoekers toe te laten of te hebben: a. van middernacht tot zes uur des morgens; op andere tijden, indien de burgemeester voor zijn inrichting in het belang van de openbare orde en zedelijkheid, al dan niet tijdelijk, een later openingsuur en/of een vroeger sluitingsuur heeft vastgesteld of algehele sluiting heeft bevolen; b. op andere tijden indien en voorzover de burgemeester in bijzondere omstandigheden voor het gehele gebied der gemeente of voor een gedeelte daarvan een vroeger sluitingsuur heeft bepaald of tijdelijk algehele sluiting heeft bevolen en zulks bij openbare kennisgeving heeft bekendgemaakt; c. van tien uur des avonds tot vier uur des middags indien het een inrichting betreft als bedoeld in artikel 15 van de Drank- en Horecaverordening, waarin softdrugs kunnen worden verkregen. 2.De in het eerste lid, onder a genoemde verbodsbepaling geldt niet voor horeca-inrichtingen ten behoeve van het bedrijfsmatig verstrekken van overwegend snacks en/of ter plaatse gefrituurde, gegrilde of anderszins opgewarmde eetwaren, al dan niet in combinatie met alcoholvrije drank, om binnen en buiten de inrichting te nuttigen, met dien verstande dat: a. dat de inrichting is gelegen in het gebied binnen dat is gelegen binnen de grens van de Witte Singel ter hoogte van het Galgewater, Zoeterwoudse Singel, de Nieuwe Rijn, het Rijn- en Schiekanaal, de Oude Rijn, de Herensingel, de Maresingel, de Rijnsburgersingel, de Haarlemmertrekvaart, de Dellartweg, de Bargelaan, het Stationsplein en het Kort Galgewater; b. dat de inrichting past binnen het voor dat gebied geldende bestemmingsplan; c. na middernacht geen alcoholhoudende drank in de inrichting mag worden verkocht en voorts dat na middernacht ter plaatse geen alcoholhoudende dranken worden geconsumeerd. 3.De in het eerste lid, onder a genoemde verbodsbepaling geldt voorts niet voor horeca-inrichtingen ten behoeve van het bedrijfsmatig verstrekken van horeca-inrichtingen ten behoeve van het bedrijfsmatig verstrekken van overwegend alcoholische drank voor gebruik ter plaatse, al dan niet in combinatie met eetwaren, horeca-inrichtingen ten behoeve van het gelegenheid geven tot dansen al dan niet in combinatie met het bedrijfsmatig verstrekken van alcoholhoudende en alcoholvrije drank en kleine etenswaren en horeca-inrichtingen welke uitsluitend toegankelijk zijn voor leden van een vereniging, met dien verstande dat: a. dat de inrichting past binnen het voor dat gebied geldende bestemmingsplan; b. in de inrichting geen bezoekers meer mogen worden toegelaten: in de nacht van zondag op maandag tot en met de nacht van woensdag op donderdag na 01.00 uur en in de nacht van donderdag op vrijdag tot en met de nacht van zaterdag op zondag na 02.00 uur. 4.De burgemeester zal tot sluiting van een inrichting overgaan indien wordt vastgesteld dat het bepaalde in artikel 2.3.1.4, eerste lid, sub d., niet wordt nageleefd. Artikel 2.3.1.6 Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf 1. Het is bezoekers van een horecabedrijf verboden gedurende de tijd dat dit bedrijf krachtens artikel 2.3.1.4 of ingevolge een op grond van artikel 2.3.1.5 genomen besluit gesloten dient te zijn, zich daarin of aldaar te bevinden. 2. De houder van een inrichting is verplicht van de weigering van een bezoeker om zijn inrichting op het bij of krachtens deze verordening bepaalde tijdstip, waarop deze moet worden gesloten, te verlaten, terstond kennis te geven aan de politie. Artikel 2.3.1.7 Ordeverstoring Het is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren. Artikel 2.3.1.8 Het college als bevoegd bestuursorgaan Indien een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1 geen inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt niet de burgemeester, maar het college op als bevoegd bestuursorgaan ten behoeve van artikel 2.3.1.2 tot en met 2.3.1.5. Paragraaf 2: Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2.3.2.1 Begripsomschrijvingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: 1. inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft; 2. houder: degene die een inrichting exploiteert dan wel daarin de feitelijke leiding heeft. Artikel 2.3.2.2 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het houden van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester. Artikel 2.3.2.3 Nachtregister De houder van een inrichting is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden dat ingericht is volgens het door de burgemeester vastgestelde model. Artikel 2.3.2.4 Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de kampeerder is verplicht onverwijld aan de houder van die inrichting volledig en naar waarheid zijn of haar naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst, alsmede de dag van vertrek te verstrekken. Artikel 2.3.2.5Aanbieden logeergelegenheid Het is verboden op of aan de weg op te treden tot het verschaffen of doen verschaffen van tijdelijke woon of logeergelegenheden, ongeacht of dit geschiedt door deze gelegenheden bij het publiek aan te bevelen, dan wel door aan het publiek hulp bij het verkrijgen daarvan aan te bieden. Paragraaf 3: Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2.3.3.1 Speelgelegenheden (gereserveerd) Artikel 2.3.3.2 Speelautomaten 1.In dit artikel wordt verstaan onder: Wet: de Wet op de kansspelenspeelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a, van de Wet kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet; hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet; laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet.behendigheidsautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder b. van de Wet 2.In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee kansspelautomaten en één behendigheidsautomaat toegestaan. 3.In laagdrempelige inrichtingen zijn 3 behendigheidsautomaten toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan. 4.Een vergunning voor het aanwezig hebben van speelautomaten geldt voor maximaal vier en twintig maanden. Afdeling 4: Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel 2.4.1 Betreden gesloten woning of lokaal 1.Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2.Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3.Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is. 4.De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen. Artikel 2.4.2 Plakken en kladden 1.Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2.Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is: a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; b. met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen; c. ‘Bepaalde in lid 2 sub b geldt niet voor zover er sprake is van gebruik van stoepkrijt op de openbare weg’, 3.Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4.Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 5.Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 6.Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen. 7.De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. Artikel 2.4.3 Vervoer plakgereedschap e.d. 1.Het is verboden tussen 22.00 en 06.00 uur op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap. 2.Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2.4.2. Artikel 2.4.4 Vervoer inbrekerswerktuigen 1.Het is verboden tussen 22.00 en 06.00 uur op de weg te vervoeren of bij zich te hebben: lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. 2.Het verbod is niet van toepassing indien de genoemde gereedschappen, voorwerpen of middelen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor de in het eerste lid bedoelde handelingen. Artikel 2.4.5 Betreden van plantsoenen e.d. 1.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden. 2.Het is verboden: a. in de plantsoenen, in de parken, of op de taluds, langs de singelgrachten, op de gazons, of uit bloembakken die op of aan de weg geplaatst zijn, bloemen of takken te plukken, uit te rukken, af te rukken of af te snijden. b. in de plantsoenen of de parken te vervoeren of bij zich te hebben planten, struiken, heesters of bomen, soortgelijk aan die, welke ter plaatse groeien, of delen daarvan, zoals bloemen of takken, tenzij de vervoerderof houder van deze voorwerpen aannemelijk maakt, dat deze van elders afkomstig zijn. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid genoemde verbod. 4.Het is verboden op of aan de weg, in een boom, paal of dergelijk voorwerp, op een voertuig, bouwwerk, heining of andere afsluiting te klimmen, daaraan te hangen of zich daarin of daarop te bevinden. 5.Het verbod in het vierde lid geldt niet indien wordt gehandeld door of met toestemming van de rechthebbende. Artikel 2.4.6 Rijden over bermen e.d. 1.Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg. 2.Onder weg wordt verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 3.Het verbod geldt niet indien dat rijden door de omstandigheden redelijkerwijs gebillijkt wordt. 4.Het verbod geldt voorts niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement. Artikel 2.4.7 Hinderlijk gedrag op of aan de weg of openbaar water 1.Het is verboden op of aan de weg of openbaar water, dan wel elders op een voor het publiek toegankelijke plaats: a. iemand uit te jouwen, na te schreeuwen, met aanstootgevende taal lastig te vallen, al dan niet met een voorwerp hinderlijk aan te raken, dan wel op andere wijze overlast aan te doen; b. te vechten. 2.Het is verboden: a. op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair; b. zich op of aan de weg of openbaar water zodanig op te houden dat aan gebruikers van de weg of openbaar water of bewoners van nabij de weg of het water gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt. 3.Het is verboden op of aan de weg dan wel openbaar water in een voertuig,vaartuig, tent of soortgelijk tijdelijk onderkomen te overnachten. 4.De in het eerste lid en tweede lid gestelde verboden gelden niet indien en voor zover artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. 5.Het in het derde lid gestelde verbod geldt niet indien de Wet op de Openluchtrecreatie van toepassing is. Artikel 2.4.8 Hinderlijk drankgebruik 1.Het is verboden op de weg, die deel uitmaakt van een door de Burgemeester aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; b. de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank en Horecawet. 3. Het is verboden op daartoe door de burgemeester aangewezen plaatsen post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat dit gebeurt om middelen als bedoeld in de artikelen 2. en 3. van de Opiumwet of daarop gelijkende waar, dan wel slaap- en/of kalmeringsmiddelen of daarop gelijkende waar, te kopen of te koop aan te bieden. 4.Het onder 3. genoemde verbod is niet van toepassing op voorwerpen en activiteiten die in het belang van de volksgezondheid, in het bijzonder de preventie of de bestrijding van drugsverslaving of hulpverlening aan verslaafden, van overheidswege worden bevorderd of goedgekeurd. 5.Het is verboden op of aan de weg of op openbaar water, dan wel in voor publiek toegankelijke gebouwen alcoholhoudende drank te nuttigen indien dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of anderszins overlast veroorzaken. Artikel 2.4.9 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen 1.Het is verboden: a. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden; b. zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen. 2.Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw. Artikel 2.4.10 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaarvervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd. Artikel 2.4.11 Neerzetten van fietsen e.d. Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek indien: a. dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek; b. daardoor die ingang versperd wordt. Artikel 2.4.12 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein. Artikel 2.4.13 Bespieden van personen 1.Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te bespieden. 2.Het is verboden door middel van een verrekijker een zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindende persoon te bespieden. Artikel 2.4.14 Belemmering lichtinval Onverminderd het bepaalde in artikel 2.1.5.1 is het verboden enig voorwerp, niet zijnde een voertuig, op de weg nabij een woning of ander voor dagelijks gebruik bestemd gebouw te plaatsen of te laten staan, indien als gevolg van de omvang van dit voorwerp en de afstand tot het desbetreffende gebouw de lichtinval in, het uitzicht uit en/of de toegang tot dat gebouw op voor de bewoners of gebruikers hinderlijke wijze wordt belemmerd. Artikel 2.4.15 Nodeloos alarmeren (vervallen) Artikel 2.4.16 Alarminstallaties 1.Het is verboden zonder vergunning van het college in, op of aan een onroerende zaak een alarminstallatie geïnstalleerd te hebben die een voor de omgeving opvallend geluid of lichtsignaal kan produceren. 2.Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet Particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus. Artikel 2.4.17 Loslopende honden 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a. op de weg zonder dat die hond aangelijnd is; b. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; c. op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet op plaatsen waar het laten loslopen of het los hebben van een hond blijkens vanwege burgemeester en wethouders aangegeven borden is toegestaan. 3.Burgemeester en wethouders treffen een regeling met betrekking tot de opvang van honden die in strijd met het in het eerste lid gestelde verbod los op de weg worden aangetroffen. 4.Het verbod geldt voorts niet voorzover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of indien een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond. Artikel 2.4.18 Verontreiniging door honden 1.De eigenaar, de houder of verzorger van een hond, alsmede hij die een hond onder zijn hoede heeft, is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet op de weg. 2.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet ten aanzien van gedeelten van de weg die zijn ingericht als hondenuitlaatstrook en als zodanig door middel van borden zijn aangegeven 3.De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven, indien de eigenaar, de houder of de verzorger van de hond dan wel hij die een hond onder zijn hoede heeft er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk van de weg worden verwijderd. 4.4 Eigenaars of houders van honden zijn verplicht voldoende zorg te dragen, dat door deze geen beschadigingen aan bomen, heesters of bloemgewassen, dan wel aan bloem, heester of grasperken in de plantsoenen en parken worden aangericht Artikel 2.4.19 Gevaarlijke honden * 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op of aan de weg of op het terrein van een ander: a. anders dan kort aangelijnd nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt; b. anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt. 2.In afwijking van artikel 2.4.17, aanhef en onder c, geldt voor het bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond voorzien moet zijn van een optisch leesbaar, niet- verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of de buikwand. 3.In het eerste lid wordt verstaan onder: a. muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Regeling agressieve dieren; b. kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter. 4.Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Regeling agressieve dieren. Artikel 2.4.20 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 1.Het college is bevoegd buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer gedeelten van de gemeente of bepaalde plaatsen aan te wijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben; dan wel b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid gestelde regels; dan wel c. aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven of mede is aangegeven. 2.Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan door het college is aangegeven. 3.Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. 4.Het in dit artikel bepaalde geldt niet indien en voorzover de Wet milieubeheer van toepassing is. Artikel 2.4.21 Storend geluid /voederen van dieren 1.Ieder, die de zorg voor een dier heeft, is verplicht al het mogelijke te doen om te voorkomen, dat dit voor de omgeving in ernstige mate storend geluid maakt. 2.Het college kan voor nader te bepalen locaties en perioden een verbod instellen om dieren te voeren indien: a. er door het voeren verkeersonveilige situaties ontstaan, b. er door de frequente aanwezigheid van dieren problemen ontstaan door de uitwerpselen (stank en gladheid), c. dieren ook ’s nachts op of bij voerplaatsen aanwezig blijven en dan geluidsoverlast veroorzaken, d. er door de aanwezigheid van voer ook dieren aangetrokken worden die minder gewenst zijn (ratten, meeuwen), e. er door een overdaad aan voer, gezondheidsproblemen voor de gevoerde dieren ontstaan (bij kinderboerderij en dierenweiden). Artikel 2.4.22 Loslopend vee De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken. Artikel 2.4.23 Duiven 1.De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die duiven niet kunnen uitvliegen tussen 8.00 uur en 18.00 uur in een door het college te bepalen tijdvak dat ligt tussen 1 maart en 1 juni. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gesteld gebod. Artikel 2.4.24 Bijen 1.Het is verboden bijen te houden: a. binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven; b. binnen een afstand van 30 meter van de weg. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit en invliegen van de bijen te voorkomen. 3.Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet voorzover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid. 4.Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement. 5.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 2.4.25 Hinderlijk of bedreigend bedelen Het is verboden te bedelen om geld of andere zaken wanneer gebedeld wordt a. op intimiderende wijze; b. door een ander in de vrijheid van beweging te belemmeren; c. door zich aan een ander tegen diens uitdrukkelijk verklaarde wil te blijven opdringen; d. door een ander te blijven volgen; e. in vereniging met een of meer andere personen; f. bij een minderjarige. Afdeling 5: Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen Artikel 2.5.1 Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a. handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht; b. verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar. Artikel 2.5.2 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1.De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld: a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; b. de datum van verkoop of overdracht van het goed; c. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voorzover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed; d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. 2.De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze verplichtingen. Artikel 2.5.3 Voorschriften als bedoeld in artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: a. wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437 ter, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar er schriftelijk van in kennis stelt dat hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt, daarbij tevens schriftelijk opgave te doen van zijn woonadres en van het volledig adres van elke lokaliteit door hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik genomen; b. de onder a bedoelde functionaris onder aanbieding van zijn register(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.