lege van burgemeester en wethouders van Utrecht; BESLUIT: vast te stellen de volgende HANDHAVINGSTRATEGIE Milieu Bodem Samenvatting Voorliggende handhavingstrategie geeft aan welke keuzes worden gemaa
saneringsplan + busmelding Beoordelen meldingen Besluit Bodemkwaliteit Beoordelen melding BOOT Illegale saneringen Grote/complexe saneringen met saneringsplan Reguliere sanering met saneringsplan Bus sanering mobiele/immobiele verontreiniging Bus tijdelijke uitname Nazorglocaties Zorgplichtsanering agv ongewoon voorval/incident Tanksaneringen Lokaties grondverzet Beschikkingen op evaluatierapporten SP+Bus Handelingen niet sterk verontreinigd grond(water) Naast de in de tabel genoemde taken voert de afdeling Toezicht en Handhaving ook andere – ondersteunende– taken uit, zoals het leveren van inhoudelijke inbreng bij beleidsontwikkeling door andere afdelingen en het uitbrengen van advies in het kader van Wet milieubeheer-taken, zoals in het geval van ondergrondse tanks bij een Wet milieubeheer inrichting. Aangezien het stellen van prioriteiten in de handhaving primair betrekking heeft op de 'eigen' handhavingstaken, zijn voornoemde ondersteunende taken niet in de risico-analyse en de daaruitvolgende prioritering meegenomen. 3. Prioriteiten en doelen 3.1 Prioriteiten Op basis van de hiervoor beschreven probleem- en risicoanalyse kunnen de prioriteiten in de handhaving worden bepaald. Hierbij wordt een onderverdeling gemaakt in taakonderdelen met een hoge, gemiddelde en lage prioriteit. De hoogte van de prioriteit van een taakonderdeel hangt direct samen met de hoogte van het risico volgens de risicoanalyse. Daarbij wordt eveneens rekening gehouden met de gesignaleerde handhavingsproblematiek uit de probleemanalyse. De prioriteiten zijn input voor de toezichtstrategie, die is beschreven in hoofdstuk 4 (paragraaf 4.1). Een hoge prioriteit houdt in dat het betreffende taakonderdeel voorrang krijgt bij toedeling van de beschikbare handhavingscapaciteit aan de verschillende taakonderdelen binnen het handhavingsdomein Milieu Bodem. Het voorgaande leidt tot de volgende prioriteiten: Hoge prioriteit: Illegale saneringen Grote/complexe saneringen met saneringsplan Beschikkingen op evaluatierapporten SP+Bus Gemiddelde prioriteit: Zorgplichtsanering als gevolg van een ongewoon voorval/incident Reguliere sanering met saneringsplan Bus sanering mobiele/immobiele verontreiniging Tanksaneringen Locaties grondverzet Lage prioriteit: Bus tijdelijke uitname Nazorglocaties Handelingen niet sterk verontreinigd grond(water) Opgemerkt wordt dat deze prioriteitsstelling mogelijk vanwege (nieuwe) politiek-bestuurlijke prioriteiten kunnen wijzigen. Voor 'beschikkingen op evaluatierapporten SP+Bus' geldt een dergelijke wijziging. Op basis van de gehanteerde risico-analyse heeft deze taak weliswaar een lage prioriteit, maar het niet of beperkt uitvoeren van deze taak brengt financiële risico's met zich mee voor zowel de gemeente Utrecht als voor marktpartijen. Zo dient de gemeente de inzet van ontvangen Rijksgelden voor bodemsanering te verantwoorden op basis van beschikte evaluatierapporten. Daarnaast bestaat het risico op schadeclaims van projectontwikkelaars of woningcorporaties, wanneer door het niet beschikken op evaluatierapporten de functiebeperking van een verontreinigd perceel niet uit het WKPB-register geschrapt worden. Ontwikkeling of verkoop kan hierdoor bemoeilijkt worden. Om deze redenen krijgt deze taak toch een hoge prioriteit. Vanwege de voorbeeldfunctie bij de uitvoering van eigen gemeentelijke activiteiten wordt tevens het uitgangspunt gehanteerd dat, in gevallen waarin de gemeente Utrecht initiatiefnemer of opdrachtgever is voor bodem- of grondactiviteiten, ook toezicht wordt gehouden op de naleving van de wet- en regelgeving als de betreffende taak een lage of gemiddelde prioriteit heeft. De gestelde prioriteiten worden tevens nader gedifferentieerd naar bijvoorbeeld functiegebieden, zoals woonwijken en industrieterreinen. In dit voorbeeld zullen saneringen in woonwijken een hogere prioriteit krijgen dan saneringen op industrieterreinen. Naast de lokale prioriteiten moet ook rekening worden gehouden met landelijke prioriteiten. Het Landelijk Overleg Milieuhandhaving (LOM) heeft bijvoorbeeld voor de periode tot en met 2011 onder andere ketenhandhavingbij bodemsaneringen en grondstromen prioriteit gegeven. De genoemde prioriteiten zijn leidend voor de hoeveelheid aandacht die aan handhaving voor de betreffende onderwerpen zal worden gegeven. In bijlage 7 is de benodigde capaciteit voor uitvoering van alle wettelijke bodemtaken aangegeven (6.300 uur). Met de huidige
(2011)vaste handhavingscapaciteit (i.c. 4.990 uur) zijn echter niet alle wettelijke taken uit te voeren. Op basis van de prioriteiten zullen dan ook keuzes moeten worden gemaakt welke taken wel en niet kunnen worden uitgevoerd. Taken met een lage prioriteit zullen niet meer worden uitgevoerd. Het efeffect van niet naleven van de regels is in dit geval relatief klein en achteraf teniet te doen. Daarom is er behoefte aan tijdelijk personeel om de vele werkzaamheden uit te kunnen voeren. Voor 2011 is hiervoor budget beschikbaar gekomen. Voor latere jaren wordt nog naar een structurele invulling gezocht. Voor de huidige capaciteit in 2011 betekent dit dus dat bijvoorbeeld ook taken met een slecht spontaan naleefgedrag niet kunnen worden uitgevoerd. Het gaat dan bijvoorbeeld om saneringen op basis van een saneringsplan en BUS-meldingen alsook om (ondergrondse) tanksaneringen. Het niet bezoeken van deze saneringen kan bijvoorbeeld leiden tot vermenging van schone en verontreinigde grond en het achterblijven van en/of verspreiden van verontreinigingen. Aan de hand van de prioriteiten en het beschikbare budget wordt vervolgens jaarlijks een uitvoeringsprogramma opgesteld waarin wordt aangegeven welke activiteiten zullen worden uitgevoerd. In de praktijk is het mogelijk dat het uitvoeringsprogramma niet één op één kan worden uitgevoerd, bijvoorbeeld door incidenten in het veld. In dergelijke gevallen blijft de prioriteitsvolgorde leidend bij het uitvoeren van de taken. Een aantal taken wordt niet (meer) uitgevoerd. Op basis van de risico-beoordeling betreft dit de taken die een lage prioriteit toegekend hebben gekregen, zoals het toezicht op locaties met licht verontreinigd grond/-water, nazorglocaties en bus tijdelijke uitplaatsing. In totaal beslaat dit 200 uur. Voor bodemtaken met een gemiddelde en hoge prioriteit geldt dat het niet naleven van de wet en regelgeving aanzienlijke risico's met zich mee kunnen brengen. Wanneer saneringen niet conform de regelgeving wordt uitgevoerd of maatregelen die men moet treffen niet worden genomen kunnen verontreinigingen achterblijven of zich verplaatsen/verspreiden. Het effect hiervan is afhankelijk van de de verontreinigingen en de locatie. Hierover is geen algemene uitspraak te doen. Voor een klein jaar is budget beschikbaar gekomen om extern personeel in te huren om de werkzaamheden naar behoren te kunnen uitvoeren. Voor de verdere jaren zal afhankelijk van de behoefte binnen de werkbegroting naar budget worden gezocht. 3.2 Doelen Voor handhaving Milieu Bodem zijn input-, prestatie- en naleefdoelstellingen geformuleerd. Het formuleren van effectdoelstellingen is voor Milieu Bodem in eerste instantie niet mogelijk gebleken, aangezien de directe beïnvloedingsmogelijkheden van handhaving op de bodem- en grondwaterkwaliteit veelal beperkt zijn. Hierdoor is de causaliteit tussen handhaving en de mogelijke effecten op de bodem- en grondwaterkwaliteit lastig aan te tonen. Er is voor gekozen eerst ervaring op te doen met naleefdoelstellingen. Mochten er toch mogelijkheden worden gezien om effectdoelstellingen te formuleren, dan zullen deze alsnog worden toegevoegd. Algemene doelstelling 1.In de Handhavingsstrategie ( MIlieu Bodem) is opgenomen op welke wijze de gemeente Utrecht erop toeziet dat bodem- en grondwatersaneringen en/of grondverzet worden uitgevoerd conform de van toepassing zijnde wet- en regelgeving (de Wet Bodembescherming en het Besluit Bodemkwaliteit). Het uitvoeren van controles en het zo nodig sanctioneren bij overtredingen moet bijdragen aan het realiseren van deze doelstelling. Een zorgpunt hierbij zijn illegale saneringen. Bij dergelijke saneringen is de kans groot dat niet volgens de wet- en regelgeving wordt gewerkt, naast het feit dat er geen beschikking voor de sanering is afgegeven. Dit brengt risico's met zich mee op verdere verontreiniging, het ontstaan van een onbeheersbare situatie of dat een verontreiniging blijft zitten. Om die reden zal hierop extra worden inzet door het uitvoeren van schouwen. Zie hiervoor ook de toezichtstrategie in paragraaf 4.2. Naleefdoelstelling Met de algemene doelstelling in gedachten is het van belang dat de zogenoemde kernvoorschriften worden nageleefd. Dit zijn die voorschriften van een regeling of beschikking die de kern vormen van de bescherming van de belangen waartoe die regeling of beschikking strekt. In het geval van een sanering gaat het om die voorschriften die bij niet naleving, direct tot bodem- of grondwaterverontreiniging kunnen leiden met gezondheidsrisico's, toename van de verontreiniging dan wel verdere verspreiding of verplaatsing van de verontreiniging. Ook kan gedacht worden aan zaken die het toezicht bemoeilijken, zoals het niet melden van afwijkingen ten opzichte van een saneringsplan of BUS-melding. In bijlage 6 zijn de kernvoorschriften weergegeven. Voor saneringen (w.o. grote/complexe saneringen) en grondverzet: is eind 2011 de nulsituatie van het naleefgedrag ten aanzien van de kernvoorschriften vastgesteld en zijn eind 2011 op basis van de nulsituatie naleefdoelen t.a.v. de kernvoorschriften geformuleerd. Input- en prestatiedoelstellingen De input- en prestatiedoelstellingen kunnen jaarlijks wisselen en zijn opgenomen in de jaarlijkse uitvoeringsprogramma’s. Bij de inputdoelstellingen gaat het om de in te zetten handhavingsuren voor de verschillende handhavingstaken. De prestatiedoelstellingen geven aan hoeveel handhavingsacties in een uitvoeringsjaar worden uitgevoerd. In bijlage 3 zijn de prestatiedoelstellingen voor de verschillende handhavingstaken voor het uitvoeringsjaar 2010 weergegeven. Hierbij zijn ook de indicatoren benoemd aan de hand waarvan achteraf kan worden bepaald of de doelen zijn gerealiseerd. Ter illustratie zijn in onderstaande tabel voor een drietal handhavingstaken input- en prestatiedoelstellingen weergegeven. Handhavingstaak Inputdoel Prestatiedoel Opsporing illegale saneringen 200 uur n.v.t. Toezicht op grote/complexe saneringen met een beschikking op een saneringsplan (excl. ontwikkeling Stationsgebied) 600 uur 4 saneringen Toezicht op reguliere saneringen met een beschikking op een saneringsplan 160 uur 10 saneringen Alle wettelijke bodemtaken met de daarbij behorende handhavingsuren zijn geïnventariseerd (zie bijlage 7). Niet alle wettelijke taken kunnen worden uitgevoerd met de huidige beschikbare capaciteit (begroting 2011). Naleefdoelstellingen Zoals hiervoor aangegeven zal de komende jaren ervaring worden opgedaan met het formuleren van naleefdoelstellingen. Daarbij geldt dat het nog niet voor alle onderwerpen mogelijk is om naleefdoelen te formuleren, aangezien voor enkele onderwerpen inzicht in het huidige naleefgedrag (nulsituatie) ontbreekt. Voor die onderwerpen zal de doelstelling eruit bestaan om dit inzicht alsnog te verkrijgen. 4. Strategieën 4.1 Strategie inzet instrumenten Het algehele doel van handhaving is dat volgens de gestelde regels en voorschriften wordt gehandeld. Om dat doel te bereken heeft de gemeente Utrecht verschillende instrumenten ter beschikking. Naast de reguliere handhaving zijn er ook andere instrumenten om naleving van de wet- en regelgeving te bevorderen. Uitgaande van de Utrechtse handhavingsmix worden de volgende instrumenten voor Milieu Bodem onderscheiden: Informeren: 1 Voorlichting (gericht op kennis doelgroep t.a.v. regelgeving, zoals het Besluit bodemkwaliteit); 2 Waarschuwend (gericht op sanctiebeleid en pakkans); Verleiden: 1 Minder controle bij goed naleefgedrag; 2 Adviseren bij uitvoering regelgeving (begeleiding). Afspreken: 1 Naar aanleiding van een controle afspraken maken over beëindiging van de overtreding (inhoudelijk en procedureel) Sanctioneren: 1 Bestuurlijk: last onder dwangsom, bestuursdwang (stilleggen); 2 Strafrechtelijk: via BOA’s of het inschakelen van het OM. Ad 1 Informeren Voorlichting: Wanneer sprake is van kennistekort bij de doelgroep kan het effectief zijn om dit kennistekort op te heffen door het geven van voorlichting. Immers, als men niet weet wat de regels inhouden (maar men wel welwillend
- is)kan men moeilijk de regels naleven. Op basis van de aard van de geconstateerde overtredingen wordt jaarlijks beoordeeld welk type overtredingen veelvuldig voorkomen. Hieruit wordt een top 3 van overtredingen samengesteld. Wanneer wordt ingeschat dat de overtredingen samenhangen met kennistekort over bijvoorbeeld de regelgeving, wordt beoordeeld aan wie en op welke wijze welke informatie wordt verstrekt. Zo zijn aan de betrokken medewerkers van IBU (eigen gemeentelijke dienst) in 2009 drie informatiebijeenkomsten georganiseerd om het kennisniveau van de wet- en regelgeving te verhogen. In 2010 worden ook de medewerkers die te maken hebben met grondverzet geïnformeerd over het Besluit bodemkwaliteit. Waarschuwend: Het merendeel van de doelgroep is gevoelig voor sancties. Het kan effectief zijn om bij overtredingen (of zelfs hieraan voorafgaand) actief aan te geven wat men aan sancties kan verwachten wanneer men de overtredingen niet ongedaan maakt dan wel de aanwijzingen van de gemeente opvolgt. Dit kan bijvoorbeeld door het sanctiebeleid tijdens de controle kenbaar te maken, dit aan te geven in de afspreekbrief naar aanleiding van de controle of een speciale brief of folder naar de doelgroep te sturen. Hierin kan dan ook informatie worden gegeven over de pakkans. Daar waar waarschuwingen effectief zijn zal worden bekeken op welke wijze en aan wie deze worden afgegeven. Ad 2 Verleiden Minder controle bij goed naleefgedrag: Om die personen die zijn of haar zaken op orde heeft te 'belonen' kan een bonus/malus systeem worden ingevoerd. Het systeem kan er bijvoorbeeld toe leiden dat bij een goed naleefgedrag de controlegraad wordt verlaagd. Hierbij geldt wel dat niet de indruk moet worden gewekt dat er niet meer wordt gecontroleerd. Het bonus/malus systeem werkt aan de andere kant ook zo dat als er overtredingen worden geconstateerd de controlegraad (weer) wordt verhoogd. Gezien het (op dit moment) overwegend slechte naleefgedrag bij bodemsaneringen en grondverzet zal vooralsnog het malus-principe worden ingevoerd. Als het naleefgedrag verbetert zal worden bezien of het bonus-principe wordt gehanteerd. Adviseren bij uitvoering regelgeving (begeleiding): hiervoor geldt het beleid dat de handhaver geen adviesrol heeft, maar dat wel vragen worden beantwoord die met het voldoen aan de regelgeving verband houden. Ad 3 Afspreken Naar aanleiding van een controle afspraken maken over beëindiging van de overtreding (inhoudelijk en procedureel): het gaat hierbij om een standaard werkwijze die al jaren in Utrecht gemeengoed is. Bij elke geconstateerde overtreding worden met de overtreder concrete afspraken gemaakt over wanneer de overtreding beëindigd moet zijn en (eventueel) wat daarvoor moet worden gedaan. De afspraken worden vervolgens vastgelegd in een geautomatiseerd registratiesysteem. Wanneer het vermoeden bestaat dat de overtreder de afspraken niet nakomt worden de afspraken ook in een brief vastgelegd. Ad 4 Sanctioneren Bestuurlijk: last onder dwangsom, last onder bestuursdwang (stilleggen): wanneer daar aanleiding toe is (zie hiervoor de sanctiestrategie) zal repressief worden opgetreden richting de overtreder. Bestuursrechtelijk gezien heeft de gemeente de beschikking over het opleggen van een last onder dwangsom en een last onder bestuursdwang in de vorm van het stilleggen van een werk. Strafrechtelijk: voor Milieu Bodem zijn er geen BOA's aangewezen. Wanneer sprake is van strafrechtelijke overtredingen wordt momenteel de politiemilieudienst ingeschakeld. Daarnaast worden in voorkomende gevallen overige handhavingspartners geïnformeerd, zoals de VROM-Inspectie, de Arbeidsinspectie en het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR). Handhaving is maatwerk. Dit betekent dat per geval zal worden beoordeeld welk instrument wordt ingezet. 4.2 Toezichtstrategie In de toezichtstrategie is vastgelegd welke vormen van toezicht worden onderscheiden en wat de basiswerkwijze daarbij is. De toezichtstrategie is conform de gemeentebrede handhavingstrategie. Bij toezicht kan grofweg onderscheid gemaakt worden tussen actief en passief toezicht. Actief toezicht vindt planmatig plaats en komt tot uiting in routinematig toezichten projectmatig toezicht. Passief toezicht wordt ook wel ad hoc toezicht genoemd en vindt plaats naar aanleiding van klachten, meldingen, calamiteiten en handhavingsverzoeken. Voor het toezicht op de Wet bodembescherming kunnen routinematige controlemethoden worden ingezet, maar gezien het projectmatige karakter van bodemsaneringen heeft het woord controlefrequentie een andere betekenis dan bij toezicht op bedrijven. Bodemsaneringen kennen vele eenmalige momenten, waarbij het niet de vraag is met welke frequentie gecontroleerd wordt, maar of die momenten wel of niet gecontroleerd worden. De volgende controlemethoden kunnen bij bodemtoezicht worden onderscheiden: aanvangstbeoordeling fysieke inspectie bemonstering en verificatieonderzoek beoordeling monitoringsrapporten en evaluatieverslagen administratieve controle en ketentoezicht Deze controlemethoden worden in onderstaand overzicht toegelicht. Actief toezicht Toelichting 1.Toezicht op tijdelijke activiteiten Fysieke inspectie Visuele beoordeling van de uitvoering van saneringshandelingen op locatie, inclusief de rapportage en correspondentie hierover. Deze controles zijn met name effectief op kritische, eenmalige momenten bij saneringen, zoals het uitzetten van grenzen, het bereiken van grenzen en het aanleggen van voorzieningen. Er wordt naar gestreefd alle saneringen tenminste één keer fysiek te inspecteren. T.a.v. grondstromen richt het toezicht zich op de afvoer, verwerking en secundaire toepassing van verontreinigde grond. 2.Projectmatig toezicht Toezicht dat zich richt op een specifiek project of gebied en een projectmatige aanpak vergt. Hieronder vallen ook de handhavingscampagne, stimuleringsactie of infocampagne, zoals voorlichting over het Besluit bodemkwaliteit. Andere voorbeelden zijn het project ontwikkeling stationsgebied (POS), het project HA2OK bij de A2 en de jaarlijkse handhavingsestafette. Ook kan worden gedacht aan ketentoezicht bij grondverzet (grondstromen) waarbij samenwerking wordt gezocht met handhavingspartners die toezicht houden op belendende schakels van de keten (zie ketentoezicht). 3.Surveillance/schouw Betreft gebiedsgericht toezicht. Door het uitvoeren van wekelijkse surveillances wordt getracht een beeld te krijgen van de grondstromen (en mogelijk illegale saneringen) binnen het grondgebied van de gemeente. Om ervoor te zorgen dat deze surveillances zo weinig mogelijk tijd kosten worden deze ritten zoveel mogelijk gecombineerd met de ritten naar de geplande werkzaamheden. Indien te weinig tijd beschikbaar is zal een risico-analyse van de verschillende gebieden c.q. locaties worden gemaakt om te bepalen aan welke locaties aandacht zal worden gegeven. Zo kan worden nagegaan waar ‘spitvergunningen’ zijn afgegeven en kunnen grondtransacties via de Grondbank worden nagegaan. 4.Ketentoezicht Een ketencontrole houdt in dat naast toezicht op de vrijkomende grond bij de sanering, ook toezicht op het transport en toezicht op de verwerking van de grond (voorbeeld reiniger) wordt uitgeoefend. Er zal op projectmatige basis samenwerking worden gezocht met de betrokken handhavingspartners die toezicht houden op de andere schakels in de keten. Het is overigens ook mogelijk dat andere partijen de gemeente Utrecht inschakelen. Een ketencontrole richt zich op de beoordeling van administratieve bewijsmiddelen, controle herkomst / bestemming door verificatie bij het andere bevoegd gezag, controle bij eindverwerkers, inclusief rapportage en correspondentie. Hiermee worden projectmatige controles van specifieke stromen of betrokkenen bedoeld. 5.Administratief toezicht De administratieve controles richten zich op het naleven van de meldings-plichten, de afvoer van verontreinigde grond, de diverse monitorings-verplichtingen voor saneerders en eigenaren en de controle van het saneringsresultaat aan de hand van het ingediende evaluatierapport. Aanvangsbeoordeling Beoordeling van onderzoeken, rapporten, plannen en beschikkingen vooraf (handhaafbaarheidstoets), of bij de start van een sanering. Aan de hand hiervan wordt een verdere planning gemaakt van de meest geschikte controlemomenten en controlemethoden. Bij complexe projecten wordt een specifiek toezichtplan gemaakt waarin specifiek wordt aangegeven op welke voorschriften de controle zich richt, op welke wijze deze wordt uitgevoerd en hoe vaak wordt gecontroleerd. Van alle locaties met een beschikking of melding en alle locaties die zijn gecontroleerd op één of meer aspecten wordt een toezichtdossier gemaakt. Bemonstering en verificatieonderzoek Beoordeling van het resultaat van saneringshandelingen aan de hand van bemonsteringen, inclusief de analyses en beoordeling van resultaten, het opstellen van een rapportage en correspondentie. Toezichthouders op bodemsaneringen (laten) zelfstandig indicatieve boringen en controlebemonsteringen uitvoeren. In voorkomende gevallen, bijvoorbeeld als de sanering tijdens de uitvoering onvoldoende gecontroleerd kon worden, of als er redenen zijn om te twijfelen aan het saneringsresultaat, wordt ervoor gezorgd dat achteraf een verificatie onderzoek wordt uitgevoerd om vast te kunnen stellen of de saneringsdoelen zijn gehaald. Beoordeling monitoringsrapporten en evaluatieverslagen Beoordeling van aangeleverde rapportages waaruit de voortgang van een sanering moet blijken, inclusief ontvangstbevestiging, administratieve afhandeling, eventuele aanvraag aanvullende gegevens en correspondentie. Ketenbeheeraspecten zijn hier een integraal onderdeel van. Alle aangeleverde rapportages worden beoordeeld binnen de daarvoor geldende termijn. Beoordelen meldingen Besluit bodemkwaliteit. De meldingen in het kader van grondverzet worden getoetst aan betreffende regelgeving. Door overgangsrecht betreft dit Bouwstoffenbesluit, Bodemkwaliteitskaarten en Besluit bodemkwaliteit meldingen. Getoetst wordt of de meldingen compleet zijn en of de voorgenomen toepassing aan de betreffende regelgeving voldoet. Bij tekortkomingen wordt daarover met de melder gecommuniceerd. Incidenteel wordt er ook invulling gegeven aan het organiseren en invullen van gecoördineerd toezicht voor en namens meerdere gemeenten. Passief toezicht 6.Controles naar aanleiding van klachten, calamiteiten of een handhavingsverzoek Op alle gevallen van meldingen, calamiteiten en handhavingsverzoeken wordt door de gemeente gereageerd. Veelal zal ter plaatse worden gecontroleerd. De intensiteit van het toezicht wordt bepaald door de prioriteiten c.q. risicoscores van de onderwerpen of taakvelden. De bodemsaneringslocaties worden ingedeeld in de risicogroepen hoog, gemiddeld en laag. De bezoekfrequentie is, afhankelijk van het risico, incidenteel (bij laag risico) tot drie keer gedurende de sanering. Dit is uiteraard ook afhankelijk van het naleefgedrag van de saneerder en de tijdsduur van de sanering. Uitgangspunten intensiteit toezicht Op basis van de in paragraaf 3.1 gestelde prioriteiten worden de volgende uitgangspunten voor het toezicht gehanteerd: op alle geconstateerde illegale saneringen wordt sanctionerend opgetreden; minimaal twee keer actief toezicht op alle locaties waar sprake is van grote/complexe saneringen. De toezichtintensiteit is daarbij afhankelijk van de locaalspecifieke situatie van de sanering; naar aanleiding van alle gemelde ongewone voorvallen/incidenten vindt een controle/toezichtsactie plaats; minimaal een keer actief toezicht op alle locaties waarbij sprake is van een reguliere sanering met saneringsplan of een BUS-melding; op alle locaties met een ondergrondse tanksanering wordt minimaal een keer actief toezicht gehouden; bij 1 op de 10 meldingen o.g.v. het Besluit bodemkwaliteit wordt op locatie actief toezicht gehouden; op alle lopende nazorglocaties wordt minimaal een keer per jaar (administratief) toezicht gehouden. Met deze uitgangspunten wordt voldaan aan de Minimacriteria voor toezicht op bodemsaneringen van de VROM-Inspectie (VROM, Bodem in Zicht III, 2007 ). Een uitzondering hierop vormt de minimumfrequentie voor de verificatie van bodem- en grondwateronderzoeken. Volgens de VROM-Inspectie moet in minimaal 20% van de locaties een verificatie worden uitgevoerd. Het Utrechtse beleid wijkt hiervan af. Niet in alle gevallen wordt namelijk een verificatie noodzakelijk geacht. Er worden alleen verificaties uitgevoerd wanneer daar aanleiding toe is. Of hier sprake van is betreft een expert-oordeel van de toezichthouder. Hiermee wordt dus van de minimumfrequentie van de VROM-Inspectie afgeweken. Naast de toezichtstaken in het veld zijn er ook andere taken die van belang zijn voor de handhaving. Ook voor deze taken zijn uitgangspunten geformuleerd. Het gaat om de volgende taken en bijbehorende uitgangspunten: alle saneringsplannen/busmeldingen worden op handhaafbaarheid getoetst; alle ingediende meldingen o.g.v. het voormalige ‘BOOT’ worden beoordeeld; alle meldingen o.g.v. het Besluit bodemkwaliteit worden beoordeeld; alle ingediende evaluatierapporten worden beoordeeld en beschikt; alle ingediende monitoringsrapporten worden beoordeeld. Kernvoorschriften Bij het toezicht wordt onderscheid gemaakt tussen kernvoorschriften en overige voorschriften. Kernvoorschriften zijn die voorschriften van een regeling of beschikking die de kern vormen van de bescherming van de belangen waartoe die regeling of beschikking strekt. In het geval van een sanering gaat het om die voorschriften die bij niet naleving, direct tot bodem- of grondwaterverontreiniging leidt met gezondheidsrisico's, toename van de verontreiniging dan wel verdere verspreiding of verplaatsing van de verontreiniging. Bijvoorbeeld indien een grondwateronttrekking een mobiele verontreiniging verplaatst of een nieuw geval van verontreiniging of een ongewoon voorval niet wordt gemeld. Ook kan gedacht worden aan zaken die toezicht en handhaving bemoeilijken, zoals het niet melden van afwijkingen ten opzichte van een saneringsplan of BUS-melding. Toezicht richt zich dus in alle gevallen (minimaal) op de kernvoorschriften en het sanctiebeleid hierop is vanwege de gevolgen streng. De mate waarin overige voorschriften onderwerp van toezicht zijn, kan variëren. De sanctionering van deze voorschriften moet in verhouding staan tot het effect. In bijlage 6 zijn deze kernvoorschriften beschreven. Basiswerkwijze toezicht en handhaving De wijze waarop toezicht- en handhavingsacties worden voorbereid, uitgevoerd en geregistreerd, is vastgelegd in de Handhavingsuitvoeringsmethode (HUM) Wbb en Bbk. Deze ‘HUM’s’ zijn landelijk geaccepteerde werkwijzen voor toezicht op naleving en sanctionering van overtredingen van de Wbb en Bbk. De gemeente Utrecht hanteert deze HUM’s als leidraad bij de uitvoering van toezicht en handhaving bij saneringen (Wbb) en grondverzet (Bbk). 4.3 Sanctiestrategie De sanctiestrategie beschrijft de basisaanpak voor het bestuursrechtelijk optreden bij overtredingen en is opgenomen in de “Handreiking handhavingstrategie openbare en bebouwde ruimte”. Deze sanctiestrategie geldt ook voor Milieu Bodem. Voor Milieu Bodem gaat het dan specifiek om de zogenoemde ‘kortdurende activiteiten’, zoals in de sanctiestrategie aangegeven. Het vluchtige karakter van de sanering- en grondverzetactiviteiten maakt het soms lastig om bestuursrechtelijke sancties op te leggen, wanneer overtredingen al zijn begaan en niet altijd ongedaan kunnen worden gemaakt. In dergelijke gevallen biedt het strafrechtelijke spoor mogelijkheden, zij het in bestraffende zin. In dergelijke gevallen wordt de overtreding bij de politiemilieudienst gemeld. In paragraaf 4.1 wordt het sanctionerend instrumentarium beschreven dat de gemeente Utrecht tot haar beschikking heeft. Bestuurlijk bestaat deze uit de last onder dwangsom en last onder bestuursdwang (stilleggen). In bijlage 6 is beschreven welk sanctietraject bij welke overtredingen wordt bewandeld. Ook is beschreven welk dwangsombedrag naar soort overtreding worden opgelegd. 4.4 Gedoogstrategie In de gedoogstrategie wordt toegelicht welke situaties in principe in aanmerking komen voor het afzien van bestuursrechtelijk handhaven en welke voorwaarden daaraan worden verbonden. Deze strategie is ook opgenomen in de “Handreiking handhavingstrategie openbare en bebouwde ruimte” en is eveneens van toepassing op Milieu Bodem. 5. Monitoring Een belangrijk onderdeel van de handhavingstrategie is monitoring. Monitoring is in het kader van de handhavingstrategie Milieu Bodem het stelselmatig en systematisch verzamelen, bewerken en beschikbaar maken van gegevens om na te gaan in hoeverre de handhavingstrategie Milieu Bodem effect heeft en/of de gestelde doelen zijn of worden gehaald. Meer specifiek richt de monitor zich op de volgende onderdelen: leveren van informatie voor de omgevingsanalyse, zoals het naleefgedrag (omgevingsmonitor); leveren van informatie om te kunnen beoordelen in hoeverre de handhavingsdoelen uit hoofdstuk 3.2 zijn gerealiseerd (beleidsmonitor); leveren van informatie voor het verantwoorden van de handhavingspanningen en –resultaten richting management en bestuur. Aangezien monitoring voor Milieu Bodem en ook andere handhavingsdomeinen nieuw is, zal deze niet van de een op andere dag volledig operationeel zijn. Zoals in de “Handhavingsstrategie openbare en bebouwde ruimte” is aangegeven, wordt de monitor dan ook ontwikkeld volgens en groeimodel. Dit betekent dat de monitor in eerste instantie in beperkte omvang wordt opgezet en hiermee één tot enkele jaren ervaring mee wordt opgedaan. Wanneer deze goed functioneert, wordt beoordeeld of de monitor verder kan en moet worden uitgebreid. Benodigde informatie De omgevingsmonitor is erop gericht om informatie te leveren voor de jaarlijks uit te voeren omgevingsanalyse. Het gaat dan in de basis om de volgende type gegevens: basisgegevens die relevant zijn voor het handhavingsdomein, zoals: aantal afgegeven beschikkingen voor gevallen van ernstige en spoedeisende verontreinigingen; aantal BUS-meldingen; aantal zorgplichtsaneringen; aantal meldingen in het kader van het Besluit bodemkwaliteit; aantal nazorglocaties; gegevens over aard en aantal binnengekomen klachten en meldingen; gegevens over incidenten en calamiteiten; gegevens over veel voorkomende overtredingen, waaronder ook de kernvoorschriften. De beleidsmonitor richt zich op het leveren van gegevens over doelrealisatie. In paragraaf 3.2 en bijlage 3 is aangegeven welk type doelen worden geformuleerd en welk type indicatoren daarbij benoemd kunnen worden. Deze indicatoren vormen de basis voor de monitor. De gegevens worden zoveel mogelijk onttrokken uit bestaande registratiesystemen. Vaste monitorgegevens Voor de input-, prestatie- en (eventuele) naleefdoelstellingen kunnen veelal de volgende basisgegevens worden gehanteerd. Voor Milieu Bodem zijn dit: het aantal uitgevoerde controles per locatie/type locatie; het aantal bezochte locaties; het aantal sancties naar soort (dwangsom en bestuursdwang). Ter bepaling van de effectiviteit van handhaving: het aantal bezoeken; het aantal opgelegde sancties naar soort; het aantal geëffectueerde (verbeurde) sancties naar soort; het aantal (gegronde) klachten; het aantal verzoeken om handhaving; het aantal geconstateerde overtredingen van kernvoorschriften; het aantal keren dat naast of in plaats van bestuursrechtelijk ook strafrechtelijk is opgetreden. Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Utrecht in zijn vergadering van 16 augustus 2011 De secretaris, De burgemeester, Mr. M.R. Schurink Mr. A. Wolfsen Bekendmaking is geschied op 24 augustus 2011. Deze beleidsregel treedt in werking op 31 augustus 2011. BIJLAGEN BEHOREND BIJ GEMEENTEBLAD VAN UTRECHT 2011, NR. 56 Bijlage 1 Kwaliteit bodem en grondwater Utrecht Totaaloverzicht bodem en grondwaterverontreinigingen In onderstaand figuur is een totaaloverzicht weergegeven van de bekende bodem- en grondwaterverontreinigingen in Utrecht. In de legenda linksonder is aangegeven om welk type verontreinigingen het gaat. De blauwe vlekken zijn grondwaterverontreinigingen (136 locaties). De gele vlekken zijn grondwaterverontreinigingen met vluchtige organochloorverbindingen(VOCL) (54 locaties). De rode vlekken zijn bodemverontreinigingen (280 locaties). Bijlage 2 Wettelijk kader en handhavingtaken Wettelijk kader De bescherming en sanering van de bodem- en grondwaterkwaliteit is geregeld in de Wet bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit. Zo moet de bodemkwaliteit minimaal voldoen aan een vastgestelde basiskwaliteit. Daarnaast moet de kwaliteit goed genoeg zijn voor het beoogde gebruik en geen belemmering vormen voor een goede waterkwaliteit. Dit om risico’s voor mens en milieu te voorkomen. Voorts zijn in het Activiteitenbesluit Wet milieubeheer ook regels opgenomen ter bescherming van de bodemkwaliteit in geval van bodembedreigende bedrijfsmatige activiteiten. Rol handhaving en handhavingstaken De gemeente Utrecht heeft in het kader van handhaving een belangrijke taak om ervoor te zorgen dat hiervoor genoemde bodemwet- en regelgeving wordt nageleefd. Naleving van de wet- en regelgeving draagt bij aan het realiseren van de gemeentelijke bodemdoelen. Uit de verschillende bepalingen uit de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en de bodembeschermende bepalingen uit het Activiteitenbesluit Wet milieubeheer volgen de handhavingstaken ten aanzien van Milieu Bodem. Hierbij geldt echter dat het toezicht op de bodembeschermende bepalingen uit het Activiteitenbesluit Wet milieubeheer door de milieu-inspecteurs van het domein Milieu Bedrijven worden geïnspecteerd. Vanwege de aanwezige bodemkennis bij bodemhandhavers worden zij in voorkomende gevallen door de inspecteurs Milieu Bedrijven als specialisten geconsulteerd. Deze taken zijn in onderstaand overzicht weergegeven (exclusief sanctionering) en zijn ontleend aan de 'Handreiking Adequate Bestuurlijke Handhaving Wbb' van het SIKB. Sanctionering is niet in onderstaand overzicht opgenomen en is in hoofdstuk 4 besproken. Nr Taak Toezicht en handhaving Milieu en duurzaamheid 1 Signaaltoezicht, onderzoek bedrijfsterreinen en locaties met een onderzoeksbevel X a.Signaaltoezicht (illegale saneringen) X b.Bodemonderzoek bedrijfsterreinen (BSB locaties) X c.Locaties met een onderzoeksbevel X 2 Ontgravingen en bemalingen licht verontreinigde grond/grondwater X a.Ontgravingen van > 50 m3 licht verontreinigde grond X b.Bemalingen van > 1000 m3 licht verontreinigd grondwater X 3 Zorgplicht saneringen ∙o.a. tanksaneringen X 4 Saneringen van gevallen van ernstige verontreiniging X a.Termijnstelling bij ernstige gevallen X b.Uitvoeringswijze bij ernstige gevallen I Tijdelijke beveiligingsmaatregelen II Locaties met een beschikking op een saneringsplan III Locaties vallend onder BUS X c.Beschikkingen op evaluatieverslagen X d.Beschikkingen op nazorgplannen X e.Handhaafbaarheidstoets saneringsplannen en -meldingen X 5 Nazorglocaties X 6 Grondverzet i.h.k.v. het Besluit bodemkwaliteit X a.beoordelen meldingen i.h.k.v. het Besluit Bodemkwaliteit X b.toezicht houden op meldingen voor toepassen grond en bouwstoffen op locatie X c.het toezicht houden op meldingen voor gronddepots X 7 Adviseren op bodemvoorschriften Wet milieubeheer ∙o.a. t.a.v. ondergrondse tanks X Bodembeleid In het landelijke bodembeleid worden humane (risico’s voor de mens), ecologische en verspreidingsrisico’s van verontreinigd bodem en grondwater onderscheiden. De gemeente Utrecht streeft in haar beleid naar een bodemkwaliteit die geen belemmering vormt voor het wonen en werken in de stad. Het Utrechtse bodembeleid volgt het landelijke bodembeleid en kent de volgende doelstellingen: alle bekende gevallen van te saneren bodems vanwege humane risico’s zijn gesaneerd in 2015; het aantal te saneren bodems vanwege verspreiding of ecologische risico’s is bekend in 2015 en in 2015 is de grondwaterverontreiniging onder het centrum van Utrecht in beeld. Bijlage 3 Gedetailleerde risico-analyse In hoofdstuk 2 is het resultaat van de risico-analyse van de onderscheiden bodemhandhavingstaken gepresenteerd. Op de volgende pagina's is per bodemhandhavingstaak de gedetailleerde risico-analyse weergegeven. Per taak is een inschatting gemaakt van de kans op een negatief effect wanneer niet wordt gehandhaafd. De negatieve effecten hebben betrekking op: Veiligheid en gezondheid (ook wel: persoonlijke veiligheid en gezondheid) ('V&G') Materiële schade (ook wel: schade aan gebouwen en milieu) ('MS') Oneerlijke concurrentie ('Oc') Het gaat om de volgende handhavingstaken: Illegale saneringen Grote/complexe saneringen met een saneringsplan Reguliere saneringen met een saneringsplan BUS sanering mobiele/immobiele verontreiniging BUS tijdelijke uitname Nazorglocaties Zorgplichtsanering als gevolg van ongewoon voorval/incident Tanksaneringen Lokaties grondverzet Handeling grond/grondwater Beschikkingen op evaluatierapporten saneringsplan en BUS H2OK Risico-indicatie: illegale saneringen In de matrix(
- en)is de kans aangegeven dat het genormeerd effect optreedt indien niet wordt gehandhaafd. (kans: 1: zeer klein; 2: klein; 3: aanzienlijk; 4: groot; 5: zeer groot; 0: het is niet aan de orde) De Risico indicatie geeft in een term aan hoe hoog het risico is indien niet wordt gehandhaafd. (indicatie: h: hoog; m: middelhoog; l: laag; -: geen risico (het is niet aan de orde) situatie Belang Ernst V&G MS RK LOH Du Oc Ooc 1 4 5 0 0 0 5 0 2 4 5 0 0 0 5 0 3 3 5 0 0 0 5 0 4 3 4 0 0 0 5 0 5 0 4 0 0 0 5 0 risicowaarde logaritmisch 6,6 13,2 0,0 0,0 0,0 15,0 0,0 0,7 0,95 0 0 0 0,99 0 0 0 0 0 0 0 0 (bijdragefactor) 0,7 0,95 0 0 0 0,99 0 Risicowaarde per belang 70 95 0 0 0 99 0 Risico indicatie per belang h h - - - h - som: Bijdrage aan risico totaal in % 100 14,3 14,3 14,3 14,3 14,3 14,3 14,2 (getalsbijdrage aan totaal) 10 14 0 0 0 14 0 Risicowaarde over 7 belangen (evenredig) R situatie 38 Risico indicatie over 7 belangen MIDDELHOOG RISICO 100 100 90 95 80 70 70 60 50 40 38 30 20 10 0 0 0 0 0 V&G MS RK LOH Du Oc Ooc R situatie Risico-indicatie: grote/complexe saneringen met saneringsplan In de matrix(
- en)is de kans aangegeven dat het genormeerd effect optreedt indien niet wordt gehandhaafd. (kans: 1: zeer klein; 2: klein; 3: aanzienlijk; 4: groot; 5: zeer groot; 0: het is niet aan de orde) De Risico indicatie geeft in een term aan hoe hoog het risico is indien niet wordt gehandhaafd. (indicatie: h: hoog; m: middelhoog; l: laag; -: geen risico (het is niet aan de orde) Situatie Belang Ernst V&G MS RK LOH Du Oc Ooc 1 4 5 0 0 0 0 0 2 4 5 0 0 0 0 0 3 4 4 0 0 0 0 0 4 0 4 0 0 0 4 0 5 0 0 0 0 0 3 0 risicowaarde logaritmisch 4,8 8,6 0,0 0,0 0,0 6,2 0,0 0 0,8 0 0 0 0,7 0 0,5 0 0 0 0 0 0 (bijdragefactor) 0,5 0,8 0 0 0 0,7 0 Risicowaarde per belang 50 80 0 0 0 70 0 Risico indicatie per belang m h - - - h - som: Bijdrage aan risico totaal in % 100 14,3 14,3 14,3 14,3 14,3 14,3 14,2 (getalsbijdrage aan totaal) 7 11 0 0 0 10 0 Risicowaarde over 7 belangen (evenredig) R situatie 29 Risico indicatie over 7 belangen LAAG RISICO 100 90 80 80 70 70 60 50 50 40 30 20 29 10 0 0 0 0 0 V&G MS RK LOH Du Oc Ooc R situatie Risico-indicatie: reguliere saneringen met saneringsplan In de matrix(
- en)is de kans aangegeven dat het genormeerd effect optreedt indien niet wordt gehandhaafd. (kans: 1: zeer klein; 2: klein; 3: aanzienlijk; 4: groot; 5: zeer groot; 0: het is niet aan de orde) De Risico indicatie geeft in een term aan hoe hoog het risico is indien niet wordt gehandhaafd. (indicatie: h: hoog; m: middelhoog; l: laag; -: geen risico (het is niet aan de orde) situatie Belang Ernst V&G MS RK LOH Du Oc Ooc 1 4 5 0 0 0 0 0 2 4 5 0 0 0 0 0 3 0 4 0 0 0 0 0 4 0 4 0 0 0 4 0 5 0 0 0 0 0 3 0 risicowaarde logaritmisch 2,4 8,6 0,0 0,0 0,0 6,2 0,0 0 0,8 0 0 0 0,7 0 0,3 0 0 0 0 0 0 (bijdragefactor) 0,3 0,8 0 0 0 0,7 0 Risicowaarde per belang 30 80 0 0 0 70 0 Risico indicatie per belang m h - - - h - som: Bijdrage aan risico totaal in % 100 14,3 14,3 14,3 14,3 14,3 14,3 14,2 (getalsbijdrage aan totaal) 4 11 0 0 0 10 0 Risicowaarde over 7 belangen (evenredig) R situatie 26 Risico indicatie over 7 belangen LAAG RISICO 100 90 80 80 70 70 60 50 40 30 30 20 26 10 0 0 0 0 0 V&G MS RK LOH Du Oc Ooc R situatie Risico-indicatie: BUS sanering mobiele/immobiele verontreiniging In de matrix(
- en)is de kans aangegeven dat het genormeerd effect optreedt indien niet wordt gehandhaafd. (kans: 1: zeer klein; 2: klein; 3: aanzienlijk; 4: groot; 5: zeer groot; 0: het is niet aan de orde) De Risico indicatie geeft in een term aan hoe hoog het risico is indien niet wordt gehandhaafd. (indicatie: h: hoog; m: middelhoog; l: laag; -: geen risico (het is niet aan de orde) situatie Belang Ernst V&G MS RK LOH Du Oc Ooc 1 4 5 0 0 0 0 0 2 4 4 0 0 0 0 0 3 0 4 0 0 0 0 0 4 0 4 0 0 0 4 0 5 0 0 0 0 0 3 0 risicowaarde logaritmisch 2,4 8,2 0,0 0,0 0,0 6,2 0,0 0 0,8 0 0 0 0,7 0 0,3 0 0 0 0 0 0 (bijdragefactor) 0,3 0,8 0 0 0 0,7 0 Risicowaarde per belang 30 80 0 0 0 70 0 Risico indicatie per belang m h - - - h - som: Bijdrage aan risico totaal in % 100 14,3 14,3 14,3 14,3 14,3 14,3 14,2 (getalsbijdrage aan totaal) 4 11 0 0 0 10 0 Risicowaarde over 7 belangen (evenredig) R situatie 26 Risico indicatie over 7 belangen LAAG RISICO 100 90 80 80 70 70 60 50 40 30 30 20 26 10 0 0 0 0 0 V&G MS RK LOH Du Oc Ooc R situatie Risico-indicatie: BUS tijdelijke uitname In de matrix(
- en)is de kans aangegeven dat het genormeerd effect optreedt indien niet wordt gehandhaafd. (kans: 1: zeer klein; 2: klein; 3: aanzienlijk; 4: groot; 5: zeer groot; 0: het is niet aan de orde) De Risico indicatie geeft in een term aan hoe hoog het risico is indien niet wordt gehandhaafd. (indicatie: h: hoog; m: middelhoog; l: laag; -: geen risico (het is niet aan de orde) situatie Belang Ernst V&G MS RK LOH Du Oc Ooc 1 3 5 0 0 0 0 0 2 0 4 0 0 0 0 0 3 0 0 0 0 0 4 0 4 0 0 0 0 0 3 0 5 0 0 0 0 0 0 0 risicowaarde logaritmisch 0,6 2,6 0,0 0,0 0,0 4,8 0,0 0 0 0 0 0 0 0 0,1 0,3 0 0 0 0,5 0 (bijdragefactor) 0,1 0,3 0 0 0 0,5 0 Risicowaarde per belang 10 30 0 0 0 50 0 Risico indicatie per belang l m - - - m - som: Bijdrage aan risico totaal in % 100 14,3 14,3 14,3 14,3 14,3 14,3 14,2 (getalsbijdrage aan totaal) 1 4 0 0 0 7 0 Risicowaarde over 7 belangen (evenredig) R situatie 13 Risico indicatie over 7 belangen LAAG RISICO 100 90 80 70 60 50 50 40 30 30 20 10 10 13 0 0 0 0 0 V&G MS RK LOH Du Oc Ooc R situatie Risico-indicatie: Nazorglocaties In de matrix(
- en)is de kans aangegeven dat het genormeerd effect optreedt indien niet wordt gehandhaafd. (kans: 1: zeer klein; 2: klein; 3: aanzienlijk; 4: groot; 5: zeer groot; 0: het is niet aan de orde) De Risico indicatie geeft in een term aan hoe hoog het risico is indien niet wordt gehandhaafd. (indicatie: h: hoog; m: middelhoog; l: laag; -: geen risico (het is niet aan de orde) situatie Belang Ernst V&G MS RK LOH Du Oc Ooc 1 2 3 0 0 0 0 0 2 0 3 0 0 0 0 0 3 0 0 0 0 0 4 0 4 0 0 0 0 0 3 0 5 0 0 0 0 0 0 0 risicowaarde logaritmisch 0,4 1,8 0,0 0,0 0,0 4,8 0,0 0 0 0 0 0 0 0 0,1 0,2 0 0 0 0,5 0 (bijdragefactor) 0,1 0,2 0 0 0 0,5 0 Risicowaarde per belang 10 20 0 0 0 50 0 Risico indicatie per belang l l - - - m - som: Bijdrage aan risico totaal in % 100 14,3 14,3 14,3 14,3 14,3 14,3 14,2 (getalsbijdrage aan totaal) 1 3 0 0 0 7 0 Risicowaarde over 7 belangen (evenredig) R situatie 11 Risico indicatie over 7 belangen LAAG RISICO 100 90 80 70 60 50 50 40 30 20 20 10 10 11 0 0 0 0 0 V&G MS RK LOH Du Oc Ooc R situatie Risico-indicatie: zorgplichtsanering agv ongewoon voorval/incident In de matrix(
- en)is de kans aangegeven dat het genormeerd effect optreedt indien niet wordt gehandhaafd. (kans: 1: zeer klein; 2: klein; 3: aanzienlijk; 4: groot; 5: zeer groot; 0: het is niet aan de orde) De Risico indicatie geeft in een term aan hoe hoog het risico is indien niet wordt gehandhaafd. (indicatie: h: hoog; m: middelhoog; l: laag; -: geen risico (het is niet aan de orde) situatie Belang Ernst V&G MS RK LOH Du Oc Ooc 1 4 5 0 0 0 0 0 2 3 4 0 0 0 0 0 3 3 4 0 0 0 0 0 4 0 3 0 0 0 4 0 5 0 2 0 0 0 3 0 risicowaarde logaritmisch 3,8 9,4 0,0 0,0 0,0 6,2 0,0 0 0,8 0 0 0 0,7 0 0,4 0 0 0 0 0 0 (bijdragefactor) 0,4 0,8 0 0 0 0,7 0 Risicowaarde per belang 40 80 0 0 0 70 0 Risico indicatie per belang m h - - - h - som: Bijdrage aan risico totaal in % 100 14,3 14,3 14,3 14,3 14,3 14,3 14,2 (getalsbijdrage aan totaal) 1 4 0 0 0 7 0 Risicowaarde over 7 belangen (evenredig) R situatie 27 Risico indicatie over 7 belangen LAAG RISICO 100 90 80 80 70 70 60 50 40 40 30 20 27 10 0 0 0 0 0 V&G MS RK LOH Du Oc Ooc R situatie Risico-indicatie: tanksaneringen In de matrix(
- en)is de kans aangegeven dat het genormeerd effect optreedt indien niet wordt gehandhaafd. (kans: 1: zeer klein; 2: klein; 3: aanzienlijk; 4: groot; 5: zeer groot; 0: het is niet aan de orde) De Risico indicatie geeft in een term aan hoe hoog het risico is indien niet wordt gehandhaafd. (indicatie: h: hoog; m: middelhoog; l: laag; -: geen risico (het is niet aan de orde) situatie Belang Ernst V&G MS RK LOH Du Oc Ooc 1 3 3 0 0 0 0 0 2 3 3 0 0 0 0 0 3 0 3 0 0 0 0 0 4 0 0 0 0 0 4 0 5 0 0 0 0 0 3 0 risicowaarde logaritmisch 1,8 3,6 0,0 0,0 0,0 6,2 0,0 0 0 0 0 0 0,7 0 0,2 0,4 0 0 0 0 0 (bijdragefactor) 0,2 0,4 0 0 0 0,7 0 Risicowaarde per belang 20 40 0 0 0 70 0 Risico indicatie per belang l m - - - h - som: Bijdrage aan risico totaal in % 100 14,3 14,3 14,3 14,3 14,3 14,3 14,2 (getalsbijdrage aan totaal) 3 6 0 0 0 10 0 Risicowaarde over 7 belangen (evenredig) R situatie 19 Risico indicatie over 7 belangen LAAG RISICO 100 90 80 70 70 60 50 40 40 30 20 20 10 19 0 0 0 0 0 V&G MS RK LOH Du Oc Ooc R situatie Risico-indicatie: locaties grondverzet In de matrix(
- en)is de kans aangegeven dat het genormeerd effect optreedt indien niet wordt gehandhaafd. (kans: 1: zeer klein; 2: klein; 3: aanzienlijk; 4: groot; 5: zeer groot; 0: het is niet aan de orde) De Risico indicatie geeft in een term aan hoe hoog het risico is indien niet wordt gehandhaafd. (indicatie: h: hoog; m: middelhoog; l: laag; -: geen risico (het is niet aan de orde) situatie Belang Ernst V&G MS RK LOH Du Oc Ooc 1 2 4 0 0 0 0 0 2 0 4 0 0 0 0 0 3 0 0 0 0 0 0 0 4 0 0 0 0 3 0 5 0 0 0 0 0 3 0 risicowaarde logaritmisch 0,4 2,4 0,0 0,0 0,0 5,4 0,0 0 0 0 0 0 0 0 0,1 0,3 0 0 0 0,6 0 (bijdragefactor) 0,1 0,3 0 0 0 0,6 0 Risicowaarde per belang 10 30 0 0 0 60 0 Risico indicatie per belang l m - - - h - som: Bijdrage aan risico totaal in % 100 14,3 14,3 14,3 14,3 14,3 14,3 14,2 (getalsbijdrage aan totaal) 1 4 0 0 0 9 0 Risicowaarde over 7 belangen (evenredig) R situatie 14 Risico indicatie over 7 belangen LAAG RISICO 100 90 80 70 60 60 50 40 30 30 20 10 10 14 0 0 0 0 0 V&G MS RK LOH Du Oc Ooc R situatie Risico-indicatie: handeling grond/grondwater In de matrix(
- en)is de kans aangegeven dat het genormeerd effect optreedt indien niet wordt gehandhaafd. (kans: 1: zeer klein; 2: klein; 3: aanzienlijk; 4: groot; 5: zeer groot; 0: het is niet aan de orde) De Risico indicatie geeft in een term aan hoe hoog het risico is indien niet wordt gehandhaafd. (indicatie: h: hoog; m: middelhoog; l: laag; -: geen risico (het is niet aan de orde) situatie Belang Ernst V&G MS RK LOH Du Oc Ooc 1 2 1 0 0 0 0 0 2 1 0 0 0 0 0 0 3 0 0 0 0 4 0 4 0 0 0 0 0 4 0 5 0 0 0 0 0 0 0 risicowaarde logaritmisch 0,8 0,2 0,0 0,0 0,0 5,6 0,0 0 0 0 0 0 0 0 0,1 0,1 0 0 0 0,6 0 (bijdragefactor) 0,1 0,1 0 0 0 0,6 0 Risicowaarde per belang 10 10 0 0 0 60 0 Risico indicatie per belang l l - - - h - som: Bijdrage aan risico totaal in % 100 14,3 14,3 14,3 14,3 14,3 14,3 14,2 (getalsbijdrage aan totaal) 3 6 0 0 0 10 0 Risicowaarde over 7 belangen (evenredig) R situatie 11 Risico indicatie over 7 belangen LAAG RISICO 100 90 80 70 60 60 50 40 30 20 10 10 10 11 0 0 0 0 0 V&G MS RK LOH Du Oc Ooc R situatie Risico-indicatie: beschikkingen op evaluatierapporten SP+BUS In de matrix(
- en)is de kans aangegeven dat het genormeerd effect optreedt indien niet wordt gehandhaafd. (kans: 1: zeer klein; 2: klein; 3: aanzienlijk; 4: groot; 5: zeer groot; 0: het is niet aan de orde) De Risico indicatie geeft in een term aan hoe hoog het risico is indien niet wordt gehandhaafd. (indicatie: h: hoog; m: middelhoog; l: laag; -: geen risico (het is niet aan de orde) situatie Belang Ernst V&G MS RK LOH Du Oc Ooc 1 1 1 0 0 0 0 0 2 0 0 0 0 0 0 0 3 0 0 0 0 0 0 0 4 0 0 0 0 0 0 0 5 0 0 0 0 0 0 0 risicowaarde logaritmisch 0,2 0,2 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0 0 0 0 0 0 0 0,1 0,1 0 0 0 0 0 (bijdragefactor) 0,1 0,1 0 0 0 0 0 Risicowaarde per belang 10 10 0 0 0 0 0 Risico indicatie per belang l 1 - - - - - som: Bijdrage aan risico totaal in % 100 14,3 14,3 14,3 14,3 14,3 14,3 14,2 (getalsbijdrage aan totaal) 3 6 0 0 0 10 0 Risicowaarde over 7 belangen (evenredig) R situatie 3 Risico indicatie over 7 belangen LAAG RISICO 100 90 80 70 60 50 40 30 20 10 10 10 3 0 0 0 0 0 0 V&G MS RK LOH Du Oc Ooc R situatie Risico-indicatie: H2OK In de matrix(
- en)is de kans aangegeven dat het genormeerd effect optreedt indien niet wordt gehandhaafd. (kans: 1: zeer klein; 2: klein; 3: aanzienlijk; 4: groot; 5: zeer groot; 0: het is niet aan de orde) De Risico indicatie geeft in een term aan hoe hoog het risico is indien niet wordt gehandhaafd. (indicatie: h: hoog; m: middelhoog; l: laag; -: geen risico (het is niet aan de orde) situatie Belang Ernst V&G MS RK LOH Du Oc Ooc 1 0 3 0 0 0 0 0 2 0 3 0 0 0 0 0 3 0 0 0 0 0 0 0 4 0 0 0 0 0 4 0 5 0 0 0 0 0 0 0 risicowaarde logaritmisch 0,0 1,8 0,0 0,0 0,0 3,2 0,0 0 0 0 0 0 0,7 0 0 0,2 0 0 0 0 0 (bijdragefactor) 0 0,2 0 0 0 0,4 0 Risicowaarde per belang 0 20 0 0 0 40 0 Risico indicatie per belang l m - - - h - som: Bijdrage aan risico totaal in % 100 14,3 14,3 14,3 14,3 14,3 14,3 14,2 (getalsbijdrage aan totaal) 0 3 0 0 0 6 0 Risicowaarde over 7 belangen (evenredig) R situatie 9 Risico indicatie over 7 belangen LAAG RISICO 100 90 80 70 60 50 40 40 30 20 20 10 9 0 0 0 0 0 0 V&G MS RK LOH Du Oc Ooc R situatie Bijlage 4 Prestatiedoelstellingen en indicatoren Om de handhavingstaak op voldoende niveau te kunnen uitvoeren zijn onderstaande prestatiedoelstellingen geformuleerd. Afhankelijk van het jaarlijks beschikbare budget worden sommige taken niet uitgevoerd. 1.Toetsen handhaafbaarheid saneringsplannen/busmeldingen (2010: 55) • uitgangspunt: alle saneringsplannen/busmeldingen worden op handhaafbaarheid getoetst Indicatoren: • aantal saneringsplannen/busmeldingen getoetst op handhaafbaarheid • totaal aantal beschikte saneringsplannen/goedgekeurde busmeldingen • percentage op handhaafbaarheid getoetste saneringsplannen/busmeldingen 2.Toezicht op reguliere saneringen met saneringsplan of Bus-melding (2010: 55) • uitgangspunt: minimaal een keer actief toezicht op alle locaties Indicatoren: • aantal reguliere saneringen met SP of Bus-melding • aantal reguliere saneringen met SP of Bus-melding waarop minimaal een keer actief toezicht is gehouden 3.Toezicht op grote/complexe saneringen (2010: 5) • uitgangspunt: meer dan twee keer actief toezicht op alle locaties Indicatoren: • aantal grote/complexe saneringen • aantal grote/complexe saneringen waarop meer dan twee keer actief toezicht is gehouden 4.Meldingen BOOT (2010: 25) • uitgangspunt: beoordelen van alle ingediende meldingen BOOT minimaal een keer actief toezicht op alle BOOT-locaties Indicatoren: • aantal beoordeelde meldingen BOOT • aantal BOOT-locaties waarop minimaal een keer toezicht is gehouden 5.Meldingen Besluit Bodemkwaliteit (2010: 225) • uitgangspunt: alle meldingen Bbk worden beoordeeld bij 1 op de 10 meldingen Bbk wordt op locatie actief toezicht gehouden Indicatoren: • aantal ingediende meldingen Bbk • aantal beoordeelde meldingen Bbk • aantal meldingen waarbij op locatie actief toezicht is gehouden 6.Handhaven illegale saneringen (2010: 5) • uitgangspunt: handhaven van alle geconstateerde illegale saneringen Indicatoren: • aantal geconstateerde illegale saneringen • aantal illegale saneringen waarop gehandhaafd is 7.Handhaven ongewone voorvallen/incidenten (2010: 5) • uitgangspunt: handhaven van alle geconstateerde/gemelde ongewone voorvallen/incidenten Indicatoren: • aantal geconstateerde/gemelde ongewone voorvallen/incidenten • aantal geconstateerde/gemelde ongewone voorvallen/incidenten waarop gehandhaafd is 8.Beoordelen/beschikken op evaluatierapporten (2010: 45) • uitgangspunt: alle ingediende evaluatierapporten worden beoordeeld en beschikt Indicatoren: • aantal ingediende evaluatierapporten • aantal beoordeelde en beschikte evaluatierapporten 9.Toezicht nazorglocaties (2010: 25) • uitgangspunt: minimaal een keer per jaar toezicht op lopende nazorglocaties Indicatoren: • aantal lopende nazorglocaties • aantal lopende nazorglocaties waarop minimaal een keer per jaar toezicht heeft plaatsgevonden Bijlage 5 Naleefgedrag Het spontane naleefgedrag in Utrecht kan voor de verschillende bodemonderwerpen als volgt worden gekenschetst: Het spontane naleefgedrag bij saneringen is in het algemeen slecht. In 90% van de gevallen worden niet alle regels spontaan nageleefd. Daarbij vragen de grote complexe saneringen extra aandacht vanwege de omvang van de verontreinigingen, de uitvoeringsduur en tijdsdruk. Daarnaast blijkt in de praktijk sprake van veel wijzigingen ten opzichte van het saneringsplan, waarvan een deel niet bij de gemeente gemeld wordt. Voorts valt op dat ten opzichte van 'reguliere' saneringsplannen over het algemeen gevallen gesaneerd middels een BUS-melding minder soepel verlopen. Dit heeft te maken met het feit dat bij BUS-meldingen veel minder sprake is van maatwerk dan bij saneringsplannen. Ook blijkt dat met het uitvoeren van een handhaafbaarheidstoets op saneringsplannen later in het saneringstraject handhavingstijd wordt bespaard. Op basis van deze toets kan daarnaast veelal goed worden voorspeld hoeveel aandacht in het toezicht besteed zal moeten worden. Voorts wordt de gemeente in de praktijk niet altijd op de hoogte gebracht van het moment waarop de saneringswerkzaamheden starten (startmeldingen). Dit leidt ertoe dat het toezicht op lopende saneringen door de gemeente niet goed (administratief) voorbereid kunnen worden en men er soms bij toeval achter komt dat er al gesaneerd wordt. Naast de verontreinigingen en saneringen die bij de gemeente gemeld zijn, zijn er ook gevallen van illegale saneringen. Of sprake is van een illegale sanering kan overigens alleen tijdens de saneringswerkzaamheden of achteraf worden bepaald. Gemiddeld worden jaarlijks circa vijf gevallen van illegale sanering geconstateerd. Vermoed wordt dat er jaarlijks echter meer illegale saneringen plaatsvinden. Voorzichtige schattingen gaan in de richting van een veelvoud van de vijf gevallen per jaar. Het gaat dan overigens in de regel om relatief kleine saneringen. Ten aanzien van de zorgplichtsaneringen als gevolg van ongewone voorvallen geldt dat het spontane naleefgedrag slecht is. Er blijkt bij de betrokkenen weinig kennis aanwezig over de regelgeving, ofwel hoe te handelen bij dergelijke gevallen. Ook wordt soms onwil bij de betrokkene geconstateerd om volgens de regels te handelen, bijvoorbeeld vanwege tijdsdruk. Het gaat weliswaar om slechts enkele gevallen per jaar. Ook bij nazorglocaties valt op dat het spontane naleefgedrag overwegend slecht is. Zo worden veelal geen monitoringsgegevens c.q. rapportages naar de gemeente verstuurd. Bij tijdelijke uitnames van grond blijkt vaak ten onrechte een melding in het kader van BUS te worden gedaan, waarvoor een termijn van vijf werkdagen geldt in plaats van vijf weken. Het gaat dan om gevallen waarin toch grond wordt afgevoerd, waarvoor de uitgebreidere procedure geldt. Wanneer saneringen zijn uitgevoerd moet door de initiatiefnemer een evaluatierapport van de sanering worden opgesteld (eindresultaat sanering). Deze wordt vervolgens door de gemeente beoordeeld. In 95% van de gevallen voldoet het evaluatierapport niet aan de eisen. Het gaat dan bijvoorbeeld om ontbrekende gegevens of om situaties waarbij monitoring niet meer mogelijk blijkt. Daarnaast blijkt dat niet in alle gevallen (binnen de daarvoor geldende termijn) een evaluatierapport naar de gemeente wordt opgestuurd. In circa 10% van de saneringsgevallen blijkt er aanleiding te zijn om achteraf een verificatieonderzoek uit te (laten) voeren naar het saneringsresultaat. Het doel van dit onderzoek is om te toetsen of de gegevens die de saneerder heeft aangeleverd kloppen. Bij grondverzet in het kader van het Besluit Bodemkwaliteit is het spontane naleefgedrag - in die gevallen waarbij het werk is gemeld bij de gemeente - redelijk tot goed. In veel gevallen worden werken in het kader van het Besluit Bodemkwaliteit echter niet bij de gemeente gemeld, waardoor geen volledig beeld van de grondverplaatsingen bestaat waarvoor het Besluit Bodemkwaliteit geldt. Utrecht is hierin echter geen uitzondering vergeleken met andere Nederlandse gemeenten. Er is in Utrecht echter wel een trend waarneembaar van een toename van meldingen van dergelijke werken bij de gemeente Utrecht. Deze toename is naar alle waarschijnlijkheid het gevolg van enerzijds gewenning aan de wetgeving en anderzijds voorlichting en advisering over de wetgeving. Naast grondverplaatsingen heeft het Besluit bodemkwaliteit ook betrekking op de toepassing van bouwstoffen, zoals (asfalt)granulaat. Bijlage 6 Kernvoorschriften en dwangsommen Bij het bodemtoezicht maakt de gemeente Utrecht onderscheid tussen kernvoorschriften en overige voorschriften. Kernvoorschriften zijn die voorschriften die voor de bescherming van de belangen, in dit geval de bodem, het meest relevant zijn. In het geval van een bodemverontreiniging gaat het dan om die voorschriften die bij niet naleving (direct) tot nadelige milieu-effecten kunnen leiden, zoals een verdere verspreiding van een verontreiniging of een hoog risico daarop. Ook kan gedacht worden aan zaken die het toezicht bemoeilijken, zoals het niet melden van afwijkingen op een Saneringsplan of BUS-melding. Het toezicht richt zich in alle gevallen (minimaal) op de kernvoorschriften en het sanctiebeleid hierop is, vanwege onder andere het lage spontane naleefgedrag op regelgeving en de mogelijke milieugevolgen, streng. Voor de sanctionering is van belang of een overtreding wel of niet doelbewust plaats heeft gevonden, een eenmalig incident betreft of vaker is voorgekomen en of de omvang wel of niet gering is. Met het hanteren van deze kernvoorschriften heeft de gemeente Utrecht als uitgangspunt dat alle toezichthouders overtredingen van de kernvoorschriften op dezelfde manier handhaven. Een eenduidige werkwijze voorkomt willekeur en zorgt ervoor dat de gemeente de kernovertredingen goed kan monitoren. De monitorgegevens worden gebruikt voor de evaluatie en actualisatie van de gestelde handhavingsdoelen. Handhavingsschema De gemeente Utrecht gebruikt bij het handhaven van (kern-)voorschriften een viertal verschillende schema's waarbij op basis van de soort overtreding en de omschrijving de vervolgstappen voor handhaving bepaald kunnen worden. Soort overtreding Omschrijving overtreding Handhavingsstrategie Schema Niet-kernovertreding Alle overtredingen die niet als kernvoorschrift zijn benoemd Hersteltermijn geven Schema 1 Kernovertreding Niet doelbewust, en Incident, en gering van omvang Hersteltermijn geven Schema 2 Kernovertreding Doelbewust, of geen incident, of niet gering van omvang Geen hersteltermijn geven: direct dwangsom met redelijke begunstigingstermijn aankondigen en opstellen + doormelding aan de Politie Milieu Dienst Schema 3 Kernovertreding Dreigende onomkeerbaar-heid, acuut humaan risico Direct bestuursdwang toepassen + doormelding aan de Politie Milieu Dienst Schema 4 Kernvoorschriften en dwangsombedragen In tabel 2 is een overzicht van mogelijke overtredingen van kernvoorschriften opgenomen, het daarbij behorende handhavingsschema en dwangsombedragen per tijdsperiode en begunstigingstermijn. In principe volgt de gemeente het schema dat aan een overtreding van een kernvoorschrift is verbonden. Bij een eventuele keuzemogelijkheid voor schema 2 of 3 is een en ander afhankelijk van het feit of een overtreding wel of niet doelbewust plaats heeft gevonden, een eenmalig incident betreft of niet en of de omvang gering of niet gering is. Het blijft mogelijk om in de praktijk van een schema af te wijken. Afwijken geschiedt in overleg met de leidinggevende en wordt gemotiveerd vastgelegd. Bij een herhaling van een overtreding van hetzelfde voorschrift geldt een hoger schema. Ook hier geldt dat het mogelijk is om gemotiveerd af te wijken. Schema 4 wordt toegepast bij een dreigende onomkeerbaarheid als gevolg van de overtreding of als er sprake is van een acuut humaan risico. Bijvoorbeeld bij dumping van grond die sterk is verontreinigd met vluchtige oplosmiddelen. Alle overige overtredingen zijn niet-kernovertredingen. Hierop is schema 1 van toepassing. De tabel met kernvoorschriften en dwangsombedragen is niet limitatief en wordt periodiek geactualiseerd. Overtredingen Wettelijke grondslag Schema Dwangsom bedrag per tijdsperiode Dwangsom maximum Richtlijn Begunstigings-termijn Opmerkingen Start Melding BUS (uiterlijk 5 werkdagen van te voren) Art. 8 lid 3 BUS en art.2.1 RUS. 2/3 €1.000,- per week. €5.000,- 1 dag Informeren PMD Melding Wbb (geval veroorzaakt voor 1 januari 1987) Art. 28 en art. 39 Wbb 3 Afhankelijk van een aantal factoren €1.000,-/5.000,- per week €5.000,-/25.000,- 2 weken Uitzonderingen meldplicht niet ernstige gevallen. Art.28 leden 3 en 4 Wbb Melding Wbb nieuwe verontreiniging Art 27 Wbb 2/3 €1.000,- €5.000,- 1 dag Informeren PMD Niet melden conform Bbk Art 42 Bbk 2/3 €1.000,- €5.000,- 1 dag Cat. mobiel. Niet melden 1 dag voor het bereiken van de einddiepte Art 3.2.6 RUS 2/3 €500,- €1.500,- 1 dag Niet melden binnen twee weken na voltooien van de BUS sanering Art.11 lid 1 BUS en art.4.1 RUS 2/3 €500,- €2.000,- 2 weken Saneren met saneringsplan Afwijking van: ·Saneringsplan ·Voorschriften van het saneringsplan ·Aanwijzingen bij uitvoering sanering in afwijking van be-schikking instemming saneringsplan Art. 39a Wbb 3 (Minimaal) €1.500,/5.000- per week Afhankelijk van afwijking maximaal €7.500,-/25.000,- Minimaal 1 dag PMD informeren Zowel de beschikking houder als de feitelijke uitvoerder (aannemer) aanschrijven Saneren zonder saneringsplan doorgaan met saneren en verrichten van handelingen in verontreinigde bodem Art. 39a Wbb 3/4 €5.000,- per constatering €500.000,- 6 weken Alleen indien geval van ernstige bodem-verontreiniging. Informeren PMD Evaluatieverslag BUS: Het niet indienen binnen 8 weken van het verslag Art.39C Wbb en Art.13 Bus 2/3 €500,- per week €5.000,- 6 weken Alleen melder Evaluatieverslag Wbb Niet binnen 15 weken na afronding van de sanering indienen van het evaluatieverslag Art. 39c Wbb 2/3 €500, - per week €5.000,- 6 weken Alleen: aan de beschikkinghouder Nazorg/gebruikers-beperkingen Noodzakelijke maat-regelen treffen m.b.t. instandhouding van de isolatielaag of gebruikers-beperkingen in acht nemen Wbb 39c 3 €1.000,- per week €6.000,- 6 weken Alleen aan de beschikking- Houder Nazorgplan Niet binnen 6 weken -na het indienen van het evaluatieverslag- indienen van een nazorgplan Art. 39d Wbb 2/3 € 1000, - per week €6000, - 6 weken Alleen: aan de beschikkinghouder Niet voldoen aan Kwalibo o.a. artikel 15, 16 en 18 2/3 nvt nvt nvt Melden bij VROM en informeren PMD Geen nuttige toepassing o.a. artikel 36 4 €5.000,- per dag €1.000.000,- Geen tot ongeveer 1 week Informeren PMD Bijlage 7 Benodigde capaciteit uitvoering wettelijke taken In de omgevingsanalyse en bijlage 2 zijn de handhavingstaken beschreven die volgen uit verschillende bepalingen van de Wet Bodembescherming en het Besluit Bodemkwaliteit. Het betreft de uitvoering van wettelijke taken. Op basis hiervan is de hiervoor benodigde handhavingscapaciteit berekend (onderstaande tabel). Handhavingstaak Aantal Capaciteit Hoge prioriteit Signaaltoezicht §vrije veldcontroles/schouwen §illegale (sanerings-)handelingen (onderzoek en handhaving) nvt 30 200 uur 960 uur Beschikkingen op evaluatierapporten §trajecten zonder geconstateerde overtredingen §trajecten met geconstateerde overtredingen 30 15 240 uur 195 uur Grote/complexe saneringen §stationsgebied §overige grote/complexe saneringen 1 4 1350 uur 600 uur Zorgplichtsaneringen/incidenten/ongewoon voorval 5 50 uur Gemiddelde prioriteit Reguliere sanering met saneringsplan §
§toezicht op saneringen 10 10 40 uur 160 uur Bus-saneringen mobiel/immobiel §
§toezicht op bus-saneringen §verificatie-onderzoeken 40 40 5 80 uur 640 uur 80 uur Tanksaneringen §boordelen meldingen BOOT §toezicht op locatie 15 15 150 uur 150 uur Grondverzet §beoordelen meldingen §toezicht op locatie 250 250 500 uur 100 uur Lage prioriteit Bus-tijdelijke uitname §
§toezicht op locaties 10 10 20 uur 60 uur Nazorglocaties 25 100 uur Locaties licht verontreinigde grond/-water 5 25 uur Voorlichting/informatieverstrekking , juridische ondersteuning, handhaaf-baarheidstoets op bodembeleid (b.v. Crisis- en Herstelwet) 600 uur Totaal 6.300 uur Daarbij is qua aantal situaties voor de verschillende taken uitgegaan van prognoses zoals in het programma 2011 opgenomen. De gebruikte kentallen zijn gebaseerd op ervaringscijfers. Voor de uitvoering van de wettelijke taken is 6.300 uur nodig. De beschikbare vaste capaciteit voor bodemhandhaving bedraagt in 2011 4.990 uur. De overige benodigde capaciteit wordt vooralsnog ingehuurd. De laatste jaren is er een toenemende behoefte aan bodemhandhaving. Door diverse (infrastructurele) ontwikkelingen in de stad is ook het aantal saneringen waarop toezicht moet worden gehouden toegenomen. Hierbij is onder andere sprake van meerdere grotere en/of complexere saneringstrajecten. Het betreft dan o.a. de Talmalaan, Kromhoutkazerne, Spoorverdubbeling Utrecht-Den Bosch en Utrecht-Arnhem, Ha2OK (verbreding A2) en verbreding A27/A28. Daarnaast kost een aantal relatief kleinere saneringstrajecten door incidenten meer capaciteit dan regulier begroot (bijvoorbeeld Loevenhoutsedijk, Draaiweg, Adikade). Ook vraagt de ontwikkeling van het Stationsgebied extra capaciteit. In de praktijk blijkt dat de handhaving in het stationsgebied naar schatting een volledige dagtaak vraagt. Dit zit hem dan vooral in veelvuldig vooroverleg, beoordelen van handhaafbaarheid van busmeldingen en saneringsplannen en meldingen in het kader van het saneringsplan Biowasmachine, afstemmingsoverleg bij de uitvoering en handhaving van diverse lopende saneringsactiviteiten. Het betreft activiteiten die zeer bestuursgevoelig zijn en waar voor de gemeente een groot afbreukrisico geldt. Vanuit de organisatie wordt prioriteit gevraagd om binnen de toegestane kaders het stationsgebied zo goed mogelijk te bedienen in de voorbereiding en uitvoering van werkzaamheden. Dit heeft echter consequenties voor de uitvoering van andere taken. Het toezicht en handhaving bij lopende saneringslocaties, alsook in de afhandeling na afronding van saneringen, komt steeds meer in het gedrang. Daarom is er behoefte aan tijdelijk personeel om de vele werkzaamheden uit te kunnen voeren. Voor een klein jaar is hiervoor budget beschikbaar gekomen. Voor verdere jaren wordt afhankelijk van de behoefte binnen de begroting naar budget gezocht. Keuzes ten aanzien van taakuitvoering Een aantal taken zal niet (meer) worden uitgevoerd. Op basis van de risicobeoordeling betreft dit de taken die een lage prioriteit toegekend hebben gekregen, zoals het toezicht op locaties met licht verontreinigd grond/-water, nazorglocaties en bus tijdelijke uitplaatsing. In totaal beslaat dit 200 uur. Voor bodemtaken met een gemiddelde en hoge prioriteit geldt dat het niet naleven van de wet en regelgeving aanzienlijke risico's met zich mee kunnen brengen. Wanneer saneringen niet conform de regelgeving worden uitgevoerd of maatregelen die men moet treffen niet worden genomen kunnen verontreinigingen achterblijven of zich verplaatsen/verspreiden. De kans op dit soort situaties is groot, gezien de constatering dat er sprake is van een slecht naleefgedrag. Indien geen toezicht plaatsvindt is men dan ook sneller geneigd de regels minder nauwgezet in het oog te houden. Dit met name in trajecten waar onder een hoge tijdsdruk ontwikkeld c.q. gebouwd wordt, maar ook vanwege de vaak grote kostenvoordelen (oneerlijke concurrentie) die kunnen optreden doordat men de bodemregelgeving niet naleeft. Daarnaast kunnen zich financiële risico's voordoen zowel voor de gemeentelijke organisatie alsook voor marktpartijen indien uitvoering van wettelijke taken achterwege blijft. De gemeente dient de inzet van door het Rijk ter beschikking gestelde bodemgelden die voor eigen saneringen zijn ingezet te verantwoorden op basis van beschikte evaluatieverslagen. Maar ook schadeclaims van bijvoorbeeld projectontwikkelaars of woningcorporaties kunnen aan de orde zijn. Immers, door het niet beschikken op evaluatieverslagen kan de functiebeperking van een verontreinigd perceel niet uit het WKPB-register geschrapt worden. Ontwikkeling of verkoop kan hierdoor bemoeilijkt worden.