1Toelichting op de Financiële verordening gemeente Maassluis 2007
Voor de gehanteerde begrippen in de verordening gelden de definities uit de Gemeentewet, de Wet Fido, het Besluit begroting en verantwoording Provincies en Gemeenten (BBV) en het Besluit accountantscontrole Provincies en Gemeenten. Overige begrippen uit de verordening worden in artikel 1 van de verordening gedefinieerd.
Dit artikel bevat bepalingen over de inrichting van de begroting en de jaarstukken. De indeling van de programma’s worden bij aanvang van iedere raadsperiode door de raad vastgesteld. Het BBV bepaalt in aanvulling hierop dat het college de producten aan de programma’s toewijst. Op grond van artikel 189 Gemeentewet berust het budgetrecht bij de raad. De raad neemt uiteindelijk de beslissing welke bedragen zij voor taken en activiteiten op de begroting beschikbaar stelt. Gedurende het begrotingsjaar kan de raad op grond van artikel 192 Gemeentewet besluiten nemen tot wijziging van de begroting. De gemeente kan slechts uitgaven doen voor de bedragen die hiervoor op de begroting zijn gebracht (vierde lid artikel 189 Gemeentewet). De raad kan kiezen op welk niveau hij budgetten beschikbaar stelt. Hij kan er voor kiezen een budget voor een samenstel van activiteiten beschikbaar te stellen. In artikel 2 van deze verordening is deze keuze vertaald naar het beschikbaar stellen van budgetten per programma. Overigens bepaalt het artikel niet dat elke nieuwe raadsperiode de programma-indeling moet worden gewijzigd. Als de indeling goed is bevallen, kan deze ongewijzigd opnieuw worden vastgesteld.
Artikel 3 bepaalt dat het college ieder jaar aan de raad een overzicht aanbiedt met daarin de data waarop belangrijke financiële stukken aan de gemeenteraad worden aangeboden. Het overzicht is bij wijze van spreken het spoorboekje voor de raad en het college voor de financiële jaarplanning. Op basis van deze jaarplanning kan ook de bespreking van de betreffende financiële stukken in de commissies en/of raad worden ingepland.
In dit artikel zijn in aanvulling op het BBV bepalingen opgenomen voor de inrichting van de begroting. Zo wordt het college opgedragen de productenraming bij de begroting te voegen. In de praktijk zal het er op neer komen dat de productramingen gelijktijdig met het aanbieden van de begroting digitaal worden verstrekt (bijvoorbeeld CD-ROM of USB-stick). En zo wordt ook bepaald de productrealisatie bij het jaarverslag te voegen. Wel moet worden opgelet dat de productrealisatie bij het jaarverslag wordt gevoegd en niet bij de jaarrekening. Anders gaat deze onderdeel uitmaken van de accountantscontrole. Voorts wordt in artikel 4 de verplichting in het BBV om in de begroting aandacht te besteden aan de investeringen nader uitgewerkt door te bepalen dat er bij de uiteenzetting van de financiële positie een overzicht van de investeringen wordt gegeven.
. Autorisatie begroting en investeringskredieten en begrotingswijzigingen Artikel bevat nadere regels voor de autorisatie van de begroting en investeringskredieten. Autorisatie van de baten en lasten vindt plaats op programmaniveau (lid 1). Voor begrotingswijzigingen doet het college voorstellen aan de raad bij de behandeling van de tussenrapportages (kwartaalrapportages). Echter, indien sprake is van budgetoverschrijdingen groter dan € 250.000,-, dan moeten deze direct, d.w.z. in de eerstvolgende vergadering, aan de raad worden gemeld. Naast lopende uitgaven doet een gemeente investeringen. Ook uitgaven voor investeringen moeten worden geautoriseerd. Voor de autorisatie van deze investeringskredieten wordt er in artikel 5 in principe voor gekozen om deze mee te nemen bij de jaarlijkse begrotingsbehandeling. Investeringskredieten groter dan € 250.000,- dienen echter apart aan de gemeenteraad te worden voorgelegd. Bovendien kan de gemeenteraad bij de begrotingsbehandeling aangeven welke investeringskredieten onder de € 250.000,- op een later tijdstip wenst te autoriseren. Zo kan de raad de autorisatie relatief kleine investeringen die wel politiek belangrijk zijn combineren met de behandeling van de inhoudelijke kant van het investeringsvoorstel. Dit heeft als consequentie dat het bedrag voor een dergelijke investering wel op de begroting staat als voorziene uitgaaf, maar dat het college pas bevoegd is verplichtingen aan te gaan, nadat de raad hiermee heeft ingestemd. Meestal komen gedurende het begrotingsjaar nieuwe investeringsvoornemens op tafel die bij het opstellen van de ontwerpbegroting nog niet waren voorzien. Het laatste lid van artikel 5 regelt de autorisatie van investeringskredieten voor deze investeringen. Hierbij is het uitgangspunt dat investeringen die groter zijn dan € 50.000,- vooraf aan de raad worden voorgelegd.
Een belangrijk onderdeel van de planning- en controlcyclus voor de raad zijn de tussenrapportages. Op basis van de tussenrapportages wordt de raad geïnformeerd over de uitputting van budgetten en investeringskredieten en de voortgang van de uitvoering van het beleid. Op grond van artikel 6 dienen jaarlijks drie tussenrapportages te verschijnen. Het tijdstip waarop de betreffende rapportages worden aangeboden aan de raad zal worden vermeld in het overzicht zoals bedoeld in artikel 3 van deze verordening.Het tweede lid bevat bepalingen over de minimale inhoud van de tussenrapportage. Het derde lid bepaalt over welke afwijkingen t.o.v. de begroting het college zich in de rapportage moet verantwoorden.
In dit artikel wordt nadere invulling gegeven aan de informatieplicht van het college aan de raad. Het betreft een uitwerking van het vierde lid van artikel 169 van de Gemeentewet. Dit artikel verplicht het college vooraf aan het aangaan van bepaalde verplichtingen de raad inlichtingen te verstrekken indien de raad daarom verzoekt of indien de uitoefening van deze bevoegdheden van het college ingrijpende gevolgen heeft voor de gemeente. In het artikel verzoekt de raad het college om vooraf informatie te verstrekken als de daar genoemde rechtshandelingen met een financieel gevolg worden aangegaan, voorzover deze rechtshandelingen het bedrag van 1 miljoen euro te boven gaan.
De verordening moet volgens artikel 212 Gemeentewet in elk geval bevatten “regels voor waardering en afschrijving activa”. Dit artikel bevat deze regels, met dien verstande dat lid 1 verwijst naar de regels die hieromtrent in het BBV zijn opgenomen. Wat betreft de exacte afschrijvingstermijnen voor de verschillende categorieen materiele vaste activa met economisch nut is er voor gekozen om deze vast te leggen in een aparte bijlage bij de verordening. Dit maakt het eenvoudiger om eventuele wijzigingen door te voeren. Uiteraard dienen deze ook aan de raad te worden voorgelegd.
Een belangrijk beleidsmatig aspect betreft de omvang van het eigen vermogen van een gemeente. Het eigen vermogen van een gemeente bestaat uit de algemene reserves en de bestemmingsreserves. Hoe groot moet het eigen vermogen zijn om risico’s op te vangen en gaan we een investering financieren door belastingverhoging of het interen op het eigen vermogen, zijn vragen die thuishoren bij de raad. De risico’s die een gemeente loopt zijn divers. Tegen een deel van deze risico’s kan een gemeente zich verzekeren, of er moeten voorzieningen worden gevormd, of ze kunnen anderszins worden opgevangen. Voor een deel van de risico’s is dit echter niet het geval. Voor een gemeente is het zaak dat ze zich bewust is van de risico’s die ze loopt, en ze beheerst. Artikel 9 bepaalt dat het college jaarlijks een nota reserves, voorzieningen en weerstandsvermogen aanbiedt aan de raad. In deze nota kan de raad de kaders aangeven voor de omvang van de reserves. Kaders stellen voor voorzieningen is veelal niet aan de orde, omdat voorzieningen een verplichtend karakter kennen. Wel biedt de nota de mogelijkheid om deze inzichtelijk te maken. Wat betreft het weerstandsvermogen zal het college in de nota moeten uiteenzetten hoe wordt omgegaan met de inventarisatie en beheersing van de risico’s. De risico’s moeten worden gekwantificeerd en aan de hand hiervan dient de gewenste weerstandscapaciteit te worden bepaald.
Artikel 212 Gemeentewet bepaalt in het tweede lid, letter b dat de verordening in ieder geval bevat de grondslagen voor de berekening van de door het gemeentebestuur in rekening te brengen prijzen en tarieven voor rechten. De grondslag voor de prijzen en tarieven vormt de samenstelling van de kostprijs van de diensten waarvoor prijzen en heffingen in rekening worden gebracht. In artikel 10 van de verordening staan de kaders voor de bepaling van de kostprijzen van de gemeentelijke diensten. Lid 1 van het artikel bepaalt dat de kostprijs bestaat uit de directe kosten en de indirecte kosten die direct met de dienst samenhangen. Het tweede lid bepaalt dat onder de indirecte kosten ook worden verstaan bijdragen aan bestemmingsreserves en voorzieningen voor noodzakelijke vervanging van betrokken activa en de compensabele BTW. Hiermee wordt invulling gegeven aan de mogelijkheid die artikel 229b Gemeentewet biedt. De kaders in het artikel vormen de basis waarbinnen het college haar systematiek van kostentoerekening kan vormgeven en de kostenverdeelsleutels voor de toerekening van indirecte kosten kan vaststellen.
Het vaststellen van de tarieven voor belastingen, rechten en leges is een bevoegdheid van de raad, die niet kan worden gedelegeerd (artikel 156 Gemeentewet). Het artikel bepaalt dat de raad de tarieven voor de belastingen e.d. jaarlijks vaststelt.
De financieringsfunctie (treasury) is een belangrijk onderdeel van het middelbeheer. Gezien de kwetsbaarheid van deze functie bevat artikel 212 Gemeentewet de expliciete bepaling dat de financiële verordening hierover regels voor het beleid en de organisatie bevat. In artikel 12 wordt invulling aan deze wettelijke plicht gegeven. Het eerste lid bevat richtlijnen voor de uitvoering van de financieringsfunctie. Het tweede lid draagt het college op een financieringsstatuut (treasurystatuut) op te stellen dat met name protocollen bevat voor de dagelijkse uitvoering. Onderwerpen die in zo’n besluit aan de orde komen zullen met name betrekking hebben op het derivatenbeheer (indien van toepassing), het kasbeheer, het risicobeheer, de financiering en de administratieve organisatie. Het college zendt het financieringsstatuut ter kennisname aan de gemeenteraad.
In het BBV staat in artikel 10 welke informatie de begrotingsparagraaf lokale heffingen in elk geval moet bevatten. In aanvulling hierop regelt het eerste lid van artikel 13 van de verordening dat het college elke vier jaar een nota lokale heffingen aanbiedt aan de gemeenteraad. In lid 1 en lid 2 wordt aangegeven welke informatie de nota in ieder geval dient te bevatten.
artikel 14 verbonden partijenIn het BBV staat in artikel 15 welke informatie de begrotingsparagraaf lokale heffingen in elk geval moet bevatten.In aanvulling hierop stelt artikel 14 van de verordening regels voor de verantwoordingsinformatie over de verbonden partijen. Het artikel stelt dat er eens in de vier jaar een nota verbonden partijen aan de raad wordt aangeboden, waarin op de stand van zaken van de verbonden partijen wordt ingegaan en de raad de kaders voor het toekomstig beleid kan bepalen. In de leden 2 en 3 wordt nader geconcretiseerd welke onderdelen de nota in ieder geval dient te bevatten.
In artikel 16 BBV staat vermeld welke informatie de begrotingsparagraaf grondbeleid moet bevatten. Omdat de uitgangspunten van het grondbeleid bij de raad thuishoren, is er voor gekozen om in deze verordening op te nemen dat het college minimaal één maal in de vier jaar een nota grondbeleid opstelt ten behoeve van behandeling in de gemeenteraad. Met deze nota kan de raad de kaders vaststellen voor het toekomstige grondbeleid.
Artikel 16 draagt het college op een inkoopreglement op te stellen. Bij een inkoopregelement kan men denken aan bijvoorbeeld het uitvaardigen van de regel dat de afdelingen bureau-artikelen moeten inkopen bij de leverancier met wie de gemeente een raamcontract heeft afgesloten. De regels in een dergelijk inkoopreglement moeten uiteraard Europa-proof zijn. Europese aanbestedingsregels maar ook nationale aanbestedingsregels moeten worden nageleefd en vormen het kader waarbinnen een dergelijk inkoopreglement moet worden opgesteld. De interne regels voor inkoop en aanbesteding worden ter kennis van de gemeenteraad gebracht.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.