De raad van de gemeente Maassluis; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 15 november 2011, Adv-11-00315; gelet op - artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet - artikel 35, eerste lid, onderdeel b en artikel 20 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers- artikel 35, eerste lid, onderdeel b en artikel 20 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; besluit vast te stellen de volgende verordening: Maatregelenverordening IOAW en IOAZ Maassluis 2012 Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1Begripsomschrijving In deze verordening wordt verstaan onder: a. WWB: Wet werk en bijstandb. IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;c. IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezenzelfstandigen;d. IOAW/IOAZ: de IOAW alsmede de IOAZ;e. Belanghebbende: hij die recht heeft op een uitkering op grond van de IOAW, voor zover hij is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking, alsmede hij die recht heeft op een uitkering op grond van de IOAZ; f. Uitkeringsnorm: de op belanghebbende van toepassing zijnde netto grondslag, bedoeld in artikel 5, vierde lid IOAW/IOAZ;g. Uitkering: het verschil tussen de uitkeringsnorm en het inkomen;h. Inkomen: inkomen als bedoeld in artikel 8 IOAW/IOAZ;i. Inlichtingenplicht: de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 13 IOAW/IOAZ en de artikelen 28 tot en met 30 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI);j. Benadelingsbedrag: bruto bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van een inlichtingenverplichting ten onrechte is verleend als uitkering op grond van de IOAW/IOAZ;k. Maatregel: het verlagen dan wel tijdelijk weigeren van de uitkering op grond van artikel 20 IOAW/IOAZ;l. Het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maassluis. Artikel2Het opleggen van een maatregel 1Als de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit artikel 13 van de IOAW/ IOAZ of de uit artikel 30c, tweede of derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen, anders dan de verplichting bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel c IOAZ, niet of onvoldoende nakomt, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd. 2Het eerste lid is gelijkelijk van toepassing op de belanghebbende die een uitkering ontvangt op grond van de IOAW, wanneer hij de op basis van artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen op hem rustende verplichtingen schendt. 3Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Artikel3Berekeningsgrondslag De maatregel wordt toegepast op de uitkeringsnorm. Artikel4Het besluit tot opleggen van een maatregel In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval vermeldt: de reden van demaatregel, de datum van aanvang van de maatregel, de duur van de maatregel, het percentagewaarmee de uitkeringsnorm wordt verlaagd of het bedrag waarmee de uitkeringsnorm wordt verlaagd en indien van toepassing, de reden om af te wijken van duur en de hoogte van de maatregel die volgt uit deze verordening. Artikel5Afzien van het opleggen van een maatregel 1Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt;b. de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden, met uitzondering van de gedraging die schending van de inlichtingenplicht inhoudt; ofc. de gedraging die een schending van de inlichtingenplicht inhoudt langer dan vijf jaar geleden heeft plaatsgevonden 2Het college kan afzien van 3het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. 3Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan. Artikel6Ingangsdatum en tijdvak 1De maatregel wordt opgelegd, met ingang van de eerste dag van de maand, nadat het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor de betreffende maand geldende uitkeringsnorm. 2In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de uitkering nog niet is uitbetaald. 3In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende kracht worden opgelegd, indien de inlichtingenplicht niet is nagekomen en de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. 4Een maatregel wordt voor een bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt uiterlijk na drie maanden nadat het besluit bekend gemaakt is, heroverwogen. Artikel7Samenloop en recidive 1Indien belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan verschillende verwijtbare gedragingen, wordt voor het bepalen van de hoogte en de duur van de maatregel uitgegaan van cumulatie van de percentages welke gelden voor de verschillende gedragingen, met een maximum van 100% van de uitkeringsnorm. 2De duur van de maatregel wordt verdubbeld indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een maatregel is opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging. 3Voor de toepassing van het tweede lid wordt met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede lid. Hoofdstuk2Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid of door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden Artikel8Indeling in categorieën Gedragingen van belanghebbenden waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt behouden of onvoldoende wordt meegewerkt algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen én van de verplichtingen op grond van artikel 37 van de IOAW/IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: Eerste categorie:het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij de UWV werkbedrijf of het niet tijdig laten verlengen van de registratie;Tweede categorie:a. het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen;b. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;c. het niet of onvoldoende gebruikmaken van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder e IOAW/IOAZ, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening;d. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot het leveren van een tegenprestatie;e. het niet of in onvoldoende mate naar vermogen verrichten van door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder e van de IOAW/IOAZ; 3. Derde categorie:a. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;b. het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in dienstbetrekking;c. het niet of onvoldoende gebruikmaken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 37, eerste lid,onderdeel e, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening Artikel9De hoogte en duur van de maatregel De maatregel wordt onverminderd artikel 2, tweede lid, vastgesteld op:a. tien procent van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie; b. vijfentwintig procent van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie onder a tot en met e;c. honderd procent van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie, onder b;d. honderd procent van de uitkeringsnorm gedurende drie maanden bij gedragingen van de derde categorie, onder a en c.e. In afwijking van onderdeel d wordt geen maatregel opgelegd voor cliënten die een uitkering op grond van de IOAZ genieten, en zich schuldig maken aan het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid. Hoofdstuk3Het niet nakomen van de inlichtingenplicht Artikel10Te laat verstrekken van gegevens 1Indien een belanghebbende de inlichtingenplicht niet binnen de door het college daartoe gestelde termijn niet is nagekomen door informatie die van belang is voor de verlening van de uitkering of de voortzetting daarvan niet binnen de door het college daartoe gestelde termijn te verstrekken, maar wel binnen de hersteltermijn als bedoeld in artikel 17, tweede lid IOAW/IOAZ, wordt onverminderd artikel 2, tweede lid, een maatregel opgelegd van vijf procent van de uitkeringsnorm gedurende een maand. 2Van het opleggen van een maatregel bedoeld in het eerste lid kan worden afgezien en worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar, te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven. Artikel11Verstrekken van geen, onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder benadeling gemeente 1Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, bedraagt de maatregel vijf procent van de uitkering gedurende een maand, onverminderd artikel 2, tweede lid. 2Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid kan worden afgezien en worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven. 3Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het niet verstrekken van inlichtingen tevens verstaan het na afloop van de hersteltermijn, als bedoeld in artikel 17, tweede lid IOAW/IOAZ, alsnog verstrekken van inlichtingen. Artikel12Verstrekken van geen, onjuiste of onvolledige inlichtingen met benadeling gemeente 1Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, wordt de maatregel afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag. 2De maatregel wordt onverminderd artikel 2, tweede lid, vastgesteld op:a. tien procent van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij een benadelingsbedrag tot en met € 1000,-;b. twintig procent van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 1000,- tot en met € 2000,-;c. veertig procent van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 2000,- tot en met € 4000,-;d. honderd procent van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij een benadelingsbedrag groter dan € 4000,-. 3Indien geen benadelingsbedrag kan worden vastgesteld, bedraagt de maatregel twintig procent van de uitkeringsnorm. 4Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het niet verstrekken van inlichtingen tevens verstaan het na afloop van de hersteltermijn, als bedoeld in artikel 17, tweede lid IOAW/IOAZ, alsnog verstrekken van inlichtingen. Hoofdstuk4Overige gedragingen die leiden tot een maatregel Artikel13Zeer ernstige misdragingen Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet, wordt onverminderd artikel 2, tweede lid, een maatregel opgelegd van minimaal twintig procent van de uitkeringsnorm gedurende een maand. Hoofdstuk5Slotbepalingen Artikel14Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op het moment dat het wetsvoorstel tot ‘wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren’ in werking is getreden, onder gelijktijdige intrekking van de ‘De Maatregelenverordening gemeente Maassluis 2010’. Artikel15Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Maatregelenverordening IOAW/IOAZ Maassluis 2012. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 29 november 2011. De griffier, De voorzitter, mr R. van der Hoek drs. J.A. Karssen Toelichting1Artikelsgewijze toelichting Artikelsgewijze toelichting Artikel 1. BegripsomschrijvingDe begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende betekenis als de omschrijving in de IOAW, IOAZ en de Algemene wet bestuursrecht, tenzij anders is aangegeven. Onder d. belanghebbendeDaar de in artikel 20, tweede lid IOAW opgenomen bevoegdheden tot het opleggen van de maatregel, blijkens dat artikel, daar enkel gelden voor de persoon die is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking, is ook het begrip belanghebbende in die zin ingeperkt Onder g. inkomenQua inkomensbegrip wordt aangesloten bij het inkomensbegrip binnen de IOAW en IOAZ. Dit wijkt af van het binnen de WWB gehanteerde inkomensbegrip. Artikel 2. Het opleggen van een maatregel Eerste lidDe IOAW en IOAZ verbinden aan het recht op een uitkeringsuitkering de volgende verplichtingen:1. De inlichtingenplicht (artikel 13, eerste lid IOAW/IOAZ). Op een belanghebbende rust de verplichting aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling en het recht op uitkering. 2. De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 37 IOAW/IOAZ). Deze plicht bestaat uit twee soorten verplichtingen:i. de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden; enii. de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling.3. De medewerkingsplicht (artikel 13, tweede lid IOAW/IOAZ). Dit is de plicht van uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de IOAW en IOAZ. De medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan, zoals:i. het toestaan van huisbezoek;ii. het meewerken aan een psychologisch onderzoek. Tweede lidDe belanghebbende die recht heeft op een uitkering op grond van de IOAW dient, ingevolge artikel 20, tweede lid IOAW, zich tevens te houden aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid Wet SUWI. Het betreft de verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) te verstrekken die nodig zijn voor de beslissing door het college, en de verplichting om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen aan het UWV waarvan redelijkerwijs duidelijk kmoet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering of de hoogte of de duur van de uitkering. Derde lidIn de maatregelenverordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending van een verplichting betekenen, standaardmaatregelen vastgesteld in de vorm van een vaste percentuele verlaging van de uitkeringsnorm.In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: een op te leggen maatregel moet worden afgestemd op de individuele omstandigheden van de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Dat wil zeggen dat bij elke op te leggen maatregel zal moeten worden nagegaan of, gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de betrokken uitkeringsgerechtigde, afwijking van de hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen. Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet worden opgelegdtelkens de volgende drie stappen moet doorlopen:- Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.- Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.- Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde. Artikel 3. De berekeningsgrondslag In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd over de uitkeringsnorm. Onder de uitkeringsnorm wordt verstaan de wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag. Artikel 4. Het besluit tot opleggen van een maatregel In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan met name uit het motiveringsvereiste. Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering wordt voorzien. Artikel 5. Afzien van het opleggen van een maatregelEerste lidHet afzien van het opleggen van een maatregel ‘indien elke vorm van verwijtbaarheid’ ontbreekt, is geregeld in artikel 20, vierde lid IOAW/IOAW.Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd.Om deze reden wordt onder b. geregeld dat het college geen maatregelen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden. Dit heeft tevens als voordeel dat de klant niet te lang in onzekerheid wordt gehouden of de gemeente overgaat tot het opleggen van een maatregel.Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als gevolg waarvan ten onrechte uitkering is verleend of een te hoog bedrag aan uitkering is verleend, geldt in de verordening een verjaringstermijn van vijf jaar. Voor wat betreft de duur van deze termijn is aansluiting gezocht bij de in artikel 14e van de (oude) Abw genoemde termijn betreffende het opleggen van een boete wegens niet-nakoming van de informatieplicht. Deze termijn was in het leven geroepen om ervoor te zorgen dat, uit het oogpunt der rechtszekerheid, de mogelijkheid tot het opleggen van een boete niet eindeloos kan bestaan. Tweede lidIn dit lid is geregeld dat kan worden afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.De verordening stelt een algemene verplichting tot het opleggen van een maatregel voorop. Uitzonderingen moeten echter mogelijk zijn indien voor de belanghebbende onaanvaardbare consequenties zouden optreden. Uit het woord "dringend" blijkt dat er wel iets heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn wil een afwijking van het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd. Derde lidHet doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van belang in verband met eventuele recidive. Artikel 6. Ingangsdatum en tijdvak Eerste lidHet opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de uitkering. Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren:1. met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de uitkering; of2. door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de eerstvolgende maand(en).Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de gemakkelijkste methode, omdat dan niet hoeft te worden overgegaan tot herziening van de uitkering en het terugvorderen van het te veel aan uitkering betaalde bedrag. Om deze reden is in het eerstelid vastgelegd dat een maatregel in principe wordt opgelegd, nadat het desbetreffende besluit aan belanghebbende(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.