Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2011Besluit van de Raad Registernummer: SvE/11- b De raad van de gemeente Zoeterwoude, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 11 augustus 2011, gelet op artikel 147, eerste lid Gemeentewet en artikel 8, eerste lid, onder b en artikel 18 van de Wet werk en bijstand, overwegende dat op grond van artikel 8, eerste lid, onder b van de Wet werk en bijstand (WWB), de gemeente bij verordening regels stelt met betrekking tot het verlagen van de bijstand, als bedoeld in artikel 18, tweede lid, WWB, Besluit: vast te stellen de volgende verordening: MAATREGELENVERORDENING WET WERK EN BIJSTAND 2011 Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1Begripsomschrijvingen Deze verordening verstaat onder: de wet: de Wet werk en bijstand (WWB); Bbz: het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004; algemene bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onder b van de wet; bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onder d van de wet; bijstand: algemene en bijzondere bijstand; bijstandsnorm: de norm bedoeld in artikel 5, onder c van de wet. Voor zelfstandigen van 18 tot 27 jaar die een Bbz-uitkering ontvangen of hebben ontvangen, wordt onder “bijstandsnorm” verstaan de norm die op grond van artikel 78f, tweede lid van de wet op hen van toepassing is; maatregel: het verlagen van de bijstand op grond van artikel 18, tweede lid van de wet; het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente; Artikel2Het opleggen van een maatregel 1.Aan een belanghebbende wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd, indien deze naar het oordeel van het college: geen of onvoldoende medewerking verleent aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid (artikel 9 van de wet en artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen); de inlichtingenplicht niet of onvoldoende nakomt (artikel 17 van de wet en artikel 38 van de Bbz); tekortschietend besef van verantwoordelijkheid toont of zich zeer ernstig misdraagt. 2.Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Artikel3Berekeningsgrondslag 1.De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm. 2.In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden toegepast op de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag, indien aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de wet. 3.In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden toegepast op de bijzondere bijstand voor woonkosten en premie arbeidsongeschiktheidsverzekering aan zelfstandigen die bijstand voor het levensonderhoud krachtens het Bbz ontvangen of hebben ontvangen. Artikel4Het besluit tot het opleggen van een maatregel 1.In het besluit tot het opleggen van een maatregel worden in elk geval vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het percentage waarmee de bijstand of langdurigheidstoeslag wordt verlaagd, het bedrag waarmee de bijstand of langdurigheidstoeslag wordt verlaagd uitgaande van de uitkeringsnorm en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardmaatregel volgens deze verordening. 2.Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. 3.Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten, indien: de vereiste spoed zich daartegen verzet; belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn mening te geven en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het college of van een derde aan wie het college met toepassing van artikel 7 van de wet werkzaamheden in het kader van de wet heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 17 van de wet of het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid. Artikel5Afzien van het opleggen van een maatregel 1.Het college ziet af van het opleggen van een maatregel, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. 2.Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel, indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3.Indien het college, geheel of gedeeltelijk afziet van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan. 4.Een maatregel wordt niet opgelegd, indien de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte bijstand is verleend. 5.Een maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden. Artikel6Ingangsdatum en tijdvak 1.De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm. 2.In afwijking van het eerste lid kan de maatregel bij wijze van uitzondering met terugwerkende kracht worden opgelegd. 3.In afwijking van het eerste lid kan de maatregel, voor zover het zelfstandigen betreft die een uitkering voor levensonderhoud in de vorm van een geldlening op grond van het Bbz hebben ontvangen, met terugwerkende kracht worden betrokken bij de definitieve vaststelling van die bijstand. 4.Een maatregel wordt opgelegd voor de duur van een kalendermaand, tenzij in deze verordening een afwijkend tijdvak is opgenomen, dan wel deze verordening een afwijkend tijdvak mogelijk maakt. Hoofdstuk2Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid Artikel7Indeling van gedragingen in categorieën Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van artikel 9 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: eerste categorie: a. het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij UWV WERKbedrijf of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; tweede categorie: het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen of te aanvaarden; het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; derde categorie: gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren; het niet of in onvoldoende gebruikmaken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b en artikel 10, eerste lid van de wet; vierde categorie: het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Artikel8Hoogte van de maatregel 1.De maatregel wordt vastgesteld op: 5 procent van de bijstandsnorm bij gedragingen van de eerste categorie; 10 procent van de bijstandsnorm bij gedragingen van de tweede categorie; 20 procent van de bijstandsnorm bij gedragingen van de derde categorie; 100 procent van de bijstandsnorm bij gedragingen van de vierde categorie. 2.Van het opleggen van een maatregel kan worden afgezien en worden volstaan met het - op grond van artikel 2, tweede lid - geven van een schriftelijke waarschuwing bij gedragingen van de eerste, tweede of derde categorie, tenzij de gedraging plaatsvindt binnen een periode van twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven. 3.De hoogte of duur van de maatregel wordt verdubbeld, als de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie. Met een besluit in de vorige zin wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede en derde lid. Hoofdstuk3Niet nakomen van de inlichtingenplicht Artikel9Te laat verstrekken van gegevens 1.Indien een belanghebbende de verplichting op grond van artikel 17 van de wet of artikel 38, tweede lid van het Bbz niet is nagekomen door informatie die van belang is voor de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan, niet binnen de door het college daartoe gestelde termijn te verstrekken, wordt, onverminderd artikel 2, tweede lid, met toepassing van artikel 18, tweede lid van de wet een maatregel opgelegd van 10 procent van de bijstandsnorm. 2.Indien het niet of onvoldoende nakomen van de inlichtingenplicht niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, kan op grond van artikel 2, tweede lid worden afgezien van een maatregel als bedoeld in het eerste lid en worden volstaan met een schriftelijke waarschuwing, tenzij de gedraging heeft plaatsgevonden binnen een periode van twaalf maanden vanaf de datum van het besluit waarbij eerder een waarschuwing aan de belanghebbende is gegeven. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede en derde lid. 3.De hoogte of duur van de maatregel wordt verdubbeld, als de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt aan dezelfde verwijtbare gedraging. Met een besluit in de vorige zin wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede en derde lid. Artikel10Onderzoek Openbaar Ministerie 1.De maatregel als bedoeld in de artikel 9 wordt niet opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht door het Openbaar Ministerie en blijft definitief achterwege als ter zake een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen dan wel ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht een schikking is getroffen. 2.Indien het Openbaar Ministerie mededeling aan het college doet dat geen strafvervolging is ingesteld en dus geen onderzoek ter terechtzitting zal plaatsvinden dan wel dat geen schikking ingevolge artikel 74 van Wetboek van Strafrecht is getroffen, wordt alsnog een maatregel opgelegd. Hoofdstuk4Overige gedragingen die leiden tot een maatregel Artikel11Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1.Indien belanghebbende in de periode voorafgaand aan de bijstandsverlening, of nadien, een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft getoond voor de voorziening in het bestaan, waardoor eerder of langer een beroep op bijstand wordt gedaan dan redelijkerwijs nodig zou zijn geweest, wordt een maatregel opgelegd. 2.In geval van onverantwoord snelle intering wordt een maatregel van 10 procent van de bijstandsnorm opgelegd voor de periode dat eerder of langer bijstand is verstrekt dan redelijkerwijs nodig zou zijn geweest, met een maximum van 36 maanden. 3.In alle overige gevallen wordt een maatregel van 10 procent opgelegd. 4.De hoogte of duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel als bedoeld in het derde lid is opgelegd, sprake is van eenzelfde als verwijtbaar aan te merken gedraging. Met een besluit in de vorige zin wordt gelijkgesteld het besluit om af te zien van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede en derde lid. 5.In afwijking van de voorgaande leden kan de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag worden geweigerd, indien het beroep op bijzondere bijstand dan wel de langdurigheidstoeslag het gevolg is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Artikel12Zeer ernstige misdragingen 1.Indien een belanghebbende zich tegenover het college of zijn ambtenaren zeer ernstig misdraagt onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet, wordt, onverminderd artikel 2, tweede lid, een maatregel opgelegd van 50% van de bijstandsnorm. 2.Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid kan, bijvoorbeeld als sprake is van verbaal geweld, worden afgezien en worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het verbale geweld plaatsvindt binnen een periode van twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing in verband met ernstige misdragingen is gegeven. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede en derde lid. 3.De hoogte of duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel als bedoeld in het eerste lid is opgelegd, sprake is van eenzelfde als verwijtbaar aan te merken gedraging. Met een besluit in de vorige zin wordt gelijkgesteld het besluit om af te zien van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede en derde lid. 4.Artikel 10 is van overeenkomstige toepassing. Hoofdstuk6Overige bepalingen Artikel13Samenloop van gedragingen 1.Indien sprake is van meerdere verwijtbare gedragingen wordt de maatregel vastgesteld op de som van de op te leggen verlagingpercentages, echter deze bedraagt nooit meer dan 100% dan de van toepassing zijnde bijstand per maand. 2.Artikel 2, tweede lid is van overeenkomstige toepassing. Artikel14Jongeren tot 27 jaar In verband met de kabinetsplannen om de Wet investeren in jongeren (WIJ) in te trekken geldt deze verordening vanaf het moment dat de WIJ is ingetrokken onder intrekking van de “Maatregelenverordening WIJ 2010” ook ten aanzien van jongeren tot 27 jaar. Artikel15Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in de verordening, indien strikte toepassing ervan tot onbillijkheden van zwaarwegende aard zou leiden. Artikel16Onvoorziene situaties In gevallen waarin de bepalingen van deze verordening niet voorzien neemt het college neemt het College een besluit waarbij zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij vergelijkbare situaties met inachtneming van de individuele omstandigheden van de belanghebbende. Artikel17Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: “Maatregelenverordening WWB 2011”. Artikel18Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking acht dagen na de datum van bekendmaking. Deze verordening vervangt de “Afstemmingsverordening WWB 2004” die met het inwerkingtreden van deze verordening komt te vervallen. Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 29 september 2011,de griffier,G.J. Schouten-Buijs de voorzitter, E.G.E.M. BloemenNota-toelichting Algemene en artikelgewijze toelichting Algemene toelichting De Wet werk en bijstand (WWB) legt sterk de nadruk op de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden. Iedereen is verplicht om naar vermogen te trachten inkomsten te verwerven. In de WWB is bepaald dat het recht op bijstand mede afhankelijk is van de mate waarin een klant verantwoordelijkheid toont voor zijn eigen bestaansvoorziening. Tot verlaging van de uitkering kan worden overgegaan als iemand zich niet aan de arbeidsverplichtingen houdt. Ook als op een andere manier blijk wordt gegeven van onvoldoende besef van verantwoordelijkheid of het schenden van de inlichtingenplicht, kan de uitkering worden verlaagd. De gemeenteraad is verplicht om bij verordening regels vast te stellen met betrekking tot deze zogenaamde afstemming van de bijstand. Het beleid inzake de afstemming (verlaging) van de uitkering bij het niet of onvoldoende nakomen van de verplichtingen of onvoldoende besef van verantwoordelijkheid, is vastgelegd in deze Maatregelenverordening. Maatregelen zijn bedoeld om met drang of dwang een gedragsverandering te bewerkstelligen. De artikelen 18, tweede en derde lid en 53a WWB traden, voor zover het zelfstandigen betreft als bedoeld in artikel 78g van de WWB, pas per 1 juli 2011 in werking. Voor niet-zelfstandigen geldt sinds juli 2004 de Afstemmingsverordening WWB
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.