Subsidieverordening Verkeer en Vervoer 2012Het algemeen bestuur van de stadsregio Rotterdam, Overwegende dat: op 22 december 2004 door de regioraad van de stadsregio Rotterdam is vastgesteld een Verordening Verkeer en Vervoer 2005; teneinde ook in 2012 en verder op een verantwoorde en duidelijke wijze financiële verplichtingen aan te gaan en na te komen, op 31 augustus 2011 door het dagelijks bestuur een nieuwe subsidiesystematiek is vastgesteld deze verordening geactualiseerd dient te worden en enige redactionele en inhoudelijke aanpassing behoeft; gelet op de bepalingen van de gemeenschappelijke regeling stadsregio Rotterdam, de Gemeentewet en de Algemene wet bestuursrecht, gelezen het voorstel van het dagelijks bestuur d.d. 9 november 2011; b e s l u i t : onder intrekking van : de Subsidieverordening Verkeer en Vervoer 2005 vast te stellen de: Subsidieverordening Verkeer en Vervoer 2012 Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1Begripsbepalingen 1.In deze verordening wordt verstaan onder: Algemeen BDU: brede doeluitkering aan provincies, stadsregio’s en gemeenten ten behoeve van de uitvoering van een integraal verkeers- en vervoersbeleid; de wet: de Wet BDU verkeer en vervoer; Awb: de Algemene wet bestuursrecht; het besluit: het Besluit BDU verkeer en vervoer; RVVP: Regionale Verkeers- en Vervoersplan; RUVV: Regionale Uitvoeringsagenda Verkeer en Vervoer RSA: Regionaal Strategische Agenda; de stadsregio: het regionaal openbaar lichaam ingesteld in het samenwerkingsgebied waarin Rotterdam is gelegen, zoals bedoeld in de Wet Gemeenschappelijke Regelingen; het dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de stadsregio; het algemeen bestuur: het algemeen bestuur van de stadsregio; RIVV: Regionaal Investeringsprogramma Verkeer en Vervoer; concreet uitgewerkt project: een project dat bestuurlijk is vastgesteld, waarvoor een definitief ontwerp beschikbaar is en waarvoor de financiële dekking geregeld is. 2.Infrastructuur en niet-infrastructuur grote projecten: projecten waarvan de in aanmerking te nemen kosten hoger zijn dan € 10 miljoen; kleine projecten: projecten waarvan de in aanmerking te nemen kosten lager zijn dan € 10 miljoen; realisatieprogramma: overzicht van projecten die in het betreffende begrotingsjaar zullen worden gerealiseerd; uitwerkingsprogramma: overzicht van grote projecten die na het betreffende begrotingsjaar zullen worden gerealiseerd; niet-infrastructuurprojecten: projecten in de categorieën verkeerseducatie, mobiliteitsmanagement en duurzame mobiliteit; VAT-kosten: de kosten die de aanvrager maakt voor de voorbereiding, de administratie en het toezicht voor en op een project; vast subsidiebedrag: subsidie waarop geen nacalculatie plaatsvindt; 3.Exploitatie openbaar vervoer openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling met een auto, bus, trein, metro, tram of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig; concessie: recht om met uitsluiting van anderen openbaar vervoer te verrichten in een bepaald gebied gedurende een bepaald tijdvak; vervoerder: degene die openbaar vervoer verricht, niet in de hoedanigheid van bestuurder van een auto, bus, trein, metro, tram of via een geleidesysteem voortbewogen voertuig; buurtbus: aanvullend openbaar vervoer dat verzorgd wordt door vrijwilligers. Artikel2Middelen 1.Het dagelijks bestuur kan uit de BDU subsidies verlenen ten behoeve van de uitvoering van verkeers- en vervoersbeleid waaronder zijn begrepen: het (mede)financieren van of het verstrekken van subsidies voor regionale projecten in de stadsregio Rotterdam; het verstrekken van subsidies voor exploitatie van openbaar vervoer; het (mede)financieren van of het verstrekken van subsidies voor activiteiten die in de RSA, het RVVP of de RUVV worden benoemd en die aanvullend zijn op het bepaalde in de voorgaande onderdelen. 2.Het dagelijks bestuur verdeelt de middelen uit de BDU over de verschillende verkeer- en vervoerscategorieën via de begroting. Artikel3Aanvragers Subsidies uit de BDU kunnen worden aangevraagd door: wegbeheerders; vervoerders; landinrichtingscommissies, recreatieschappen en andere rechtspersonen op basis van de Wet gemeenschappelijke regelingen; privaatrechtelijke rechtspersonen. Artikel4Nadere regels 1.Het dagelijks bestuur kan voor de uitvoering van deze verordening nadere regels vaststellen. 2.Het dagelijks bestuur kan voor de toepassing van deze verordening en de nadere regels: beleidsregels van algemene aard vaststellen; beleidsregels voor de verschillende soorten van subsidiabele activiteiten vaststellen. Artikel5Subsidieplafond 1.Het subsidieplafond voor het totaal van de op grond van deze verordening te verstrekken subsidies bedraagt jaarlijks niet meer dan het door het algemeen bestuur in de begroting van de stadsregio Rotterdam voor bereikbaarheid en mobiliteit beschikbaar gestelde bedrag. 2.Het dagelijks bestuur kan jaarlijks afzonderlijke subsidieplafonds vaststellen voor de verschillende categorieën, zoals bedoeld in hoofdstuk 2 en 3 van deze verordening. 3.Het dagelijks bestuur kan jaarlijks een subsidieplafond vaststellen voor het totale programma van kleine projecten. 4.Een subsidieplafond zoals bedoeld in lid 1, 2 en 3 kan worden gewijzigd, als de in de wet bedoelde uitkering van het Rijk aan de stadsregio worden aangepast. Artikel6Rangschikking projecten 1.Het dagelijks bestuur maakt per subsidieplafond als bedoeld in artikel 5, derde lid, een rangschikking van de projecten die in aanmerking komen voor een subsidie; 2.Het dagelijks bestuur rangschikt de kleine projecten in volgorde van prioriteit naar: projecten als onderdeel van samenwerkingsprogramma’s; projecten die zijn opgenomen in de RSA, het RVVP of de RUVV en/of concreet uitgewerkte projecten; overige kleine projecten. Artikel7Programma’s en projecten 1.Voor subsidie kunnen, voor zover het subsidieplafond dit toelaat, in aanmerking komen: projecten of programma’s die zijn opgenomen in het RIVV dat voor dat jaar is vastgesteld; kleine projecten die in het RIVV voor een later jaar zijn opgenomen; grote infrastructuurprojecten die in het RIVV in het uitwerkingsprogramma staan; maatregelen met betrekking tot verkeerseducatie; maatregelen met betrekking tot mobiliteitsmanagement; maatregelen die zijn opgenomen in het jaarlijks door het dagelijks bestuur vast te stellen maatregelenpakket Duurzame Mobiliteit; exploitatie van openbaar vervoer en projecten en/of programma’s ten behoeve van exploitatie van openbaar vervoer. Artikel8Hardheidsclausule 1.Het dagelijks bestuur kan bij de verlening van de subsidie ten behoeve van activiteiten die van buitengewoon belang zijn in de stadsregio ontheffing verlenen of afwijken van deze verordening. 2.Indien subsidie is verleend aan activiteit van buitengewoon belang, brengt het dagelijks bestuur dit ter kennis van het portefeuillehoudersoverleg voor verkeer en vervoer. Artikel9Begrotingsvoorbehoud Subsidies worden verleend onder de voorwaarde dat, voor het deel van de subsidie dat ten laste van een nog niet vastgestelde begroting komt, voldoende gelden ter beschikking worden gesteld. Hoofdstuk2Subsidiëring kleine en grote projecten Artikel10Minimum projectomvang 1.Voor infrastructurele projecten en programma’s wordt slechts subsidie verleend, indien de in aanmerking te nemen kosten meer bedragen dan € 5000, -. 2.Voor niet-infrastructurele projecten en programma’s wordt slechts subsidie verleend, indien de in aanmerking te nemen kosten meer bedragen dan € 1000, -. Artikel11Eisen aan de aanvraag Bij een aanvraag voor subsidieverlening worden de volgende gegevens en stukken overlegd: een beschrijving op hoofdkenmerken, waaronder te verstaan: • de probleemstelling; • de probleemanalyse; • het programma van eisen; • de gekozen uitvoeringsmethoden; • een raming van het gebruik van het project en de verwachte effecten daarvan. tekeningen van het project, inclusief die van de bestaande situatie; een kostenraming van het project; een projectplanning met de data van start uitvoering en oplevering; een financieringsplan waarin is opgenomen: • een opgave van kostenelementen die ten laste van andere kostendragers kunnen worden gebracht; • een opgave van kostenelementen die vallen onder de noemer van nieuw voor oud; • een opgave van de bijdragen uit andere subsidieregelingen. In voorkomende gevallen kan - aan de hand van de specifieke problematiek van het betreffende project - aanvullende informatie gevraagd worden. In afwijking van lid 1 overlegt de aanvrager bij een aanvraag voor een niet-infrastructureel project: een beschrijving van de activiteit en de daarmee te behalen resultaten in relatie tot de doelstellingen ervan; een begroting van de aan de activiteit verbonden uitgaven en inkomsten, waaronder bijdragen van derden, voorzien van een toelichting; de tijdsplanning van de uitvoering van de activiteit. Artikel12Tijdige aanvraag De aanvraag van de subsidie voor een klein project moet voor 1 november van een begrotingsjaar worden ingediend. Artikel13Beoordeling aanvraag 1.Het dagelijks bestuur beslist op een aanvraag van subsidie voor kleine projecten binnen drie maanden en op een aanvraag van subsidie voor grote projecten binnen zes maanden na de datum van ontvangst van een volledige aanvraag. Indien vertraging in de behandeling ontstaat door toedoen van de aanvrager, wordt de behandeltijd automatisch verlengd met de duur van die vertraging. 2.Aanvragen worden inhoudelijk getoetst aan de uit het RVVP afgeleide criteria, opgenomen in de door het dagelijks bestuur vastgestelde Uitvoeringsregeling Brede Doeluitkering Verkeer en Vervoer. 3.Indien als gevolg van de complexiteit van de aanvraag niet kan worden beslist binnen de termijn genoemd in het eerste lid, verlengt het dagelijks bestuur de in lid 1 genoemde termijn. Artikel14Afwijzing van de aanvraag 1.Op de aanvraag van subsidie kan afwijzend worden beslist indien: in het kader van de aanvraag onvolledige of onjuiste gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beslissing op de aanvraag zou hebben geleid; het project niet voldoet aan de criteria, bedoeld in artikel 11; twijfel bestaat of de met het betrokken project beoogde doelstelling wordt bereikt. 2.Subsidie kan geheel of gedeeltelijk worden geweigerd indien de kosten van het project of onderdelen daarvan niet in een redelijke verhouding staan tot het met het project beoogde doel. Artikel15Subsidiabele kosten 1.Voor het berekenen van de grondslag van de subsidie worden in aanmerking genomen de kosten van: verwerving van onroerend goed, met uitzondering van onroerend goed dat reeds in eigendom is van de opdrachtgever dan wel een (andere) overheidsinstantie en waarbij geen sprake is van onttrekking aan een winstgevende bestemming; met het project samenhangende redelijk te achten schadevergoeding aan derden; leges; materialen; werkzaamheden van aanleg, bouw, wijziging of inrichting van de betrokken infrastructuur; bijkomende voorzieningen nodig om de betrokken infrastructuur na voltooiing van het werk zijn functie te laten vervullen; de omzetbelasting die niet op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968 in aftrek kan worden gebracht en voor zover deze omzetbelasting leidt tot uitname uit het provinciefonds en/of het gemeentefonds volgens de regels van het BTW-compensatiefonds; de kosten voor studies voor het betrokken project, voorlichting, voorbereiding, administratie en toezicht in de vorm van een forfaitair percentage van zestien procent van de projectkosten bedoeld in de onderdelen d, e en f. 2.Alle in aanmerking te nemen kosten, bedoeld in het eerste lid, worden getoetst aan de eisen van sober- en doelmatigheid. Het dagelijks bestuur kan besluiten om in nadere regels voor de in lid 1 genoemde subsidiabele kosten normbedragen vast te stellen. 3.In afwijking van lid 1 onder a tot en met f, worden bij de berekening van de grondslag van de subsidie voor niet-infrastructurele maatregelen de volgende kosten in aanmerking genomen: kosten van eigen personeel, niet zijnde algemene bestuurslasten; kosten van ingehuurd personeel; materiële kosten. 4.In afwijking van lid 1, aanhef en onder h, komen de VAT-kosten van niet-infrastructurele maatregelen niet voor subsidie in aanmerking. Artikel16Profijtbeginsel / nieuw voor oud 1.In verband met mogelijke baten bij de opdrachtgever of bij derden als gevolg van vervanging van bestaande infrastructuur en overige voorzieningen worden bij de vaststelling van de hoogte van de grondslag van de subsidie de volgende correcties toegepast op de in aanmerking te nemen kosten: indien een gemeentelijke verlegregeling door het dagelijks bestuur is vastgesteld, zal de betreffende verlegregeling voor projecten binnen die gemeente worden gevolgd bij het berekenen van de subsidiebijdrage; indien geen verlegregeling als onder lid a. is vastgelegd, worden de kosten van het verleggen of vervangen van kabels en leidingen, indien die niet meer bedragen dan 10% van de in aanmerking te nemen kosten van artikel 15, eerste lid, onderdelen d, e en f, en indien het totaal van deze kosten lager is dan € 100.000,00, slechts voor 50% meegeteld; indien geen verlegregeling als onder lid a. is vastgelegd, zullen, indien de kosten voor het verleggen of vervangen van kabels en leidingen hoger zijn dan onder b. is vermeld, de kosten van vervanging geheel of gedeeltelijk in mindering worden gebracht; in geval van vervanging van een verkeersregelinstallatie zal de hoogte van de in aanmerking te nemen kosten worden bepaald aan de hand van de economische levensduur van de te vervangen installatie; indien de kosten voor vervanging c.q. aanpassing van het wegdek een aanzienlijk deel van de projectkosten uitmaken, zullen de kosten geheel of gedeeltelijk in mindering worden gebracht; indien sprake is van achterstallig onderhoud, worden de kosten die redelijkerwijs aan dit onderhoud zijn toe te rekenen, in mindering gebracht. Artikel17Grondslag van de subsidie 1.De grondslag van de subsidie is het bedrag, berekend op grond van de artikelen 15 en 16, verminderd met: de in aanmerking te nemen kosten welke redelijkerwijs ten laste van andere kostendragers kunnen worden gebracht, of de inkomsten of opbrengsten van het project. Artikel18Subsidiepercentages 1.De subsidie bedraagt voor een openbaar vervoer project ten hoogste 100 procent van de grondslag, bedoeld in artikel 13, en voor de overige projecten 50 procent van die grondslag; 2.In afwijking van het eerste lid bedraagt de subsidie voor projecten die onderdeel uitmaken van het programma Quick Wins Rotterdam Vooruit 75 procent van de in artikel 17 bedoelde grondslag; 3.In afwijking van het eerste lid bedraagt de subsidie voor projecten die onderdeel uitmaken van het programma Beter Benutten ten hoogste 100 procent van de in artikel 17 bedoelde grondslag voor zover de middelen gedekt worden uit de BDU en zijn gereserveerd in het geldende RIVV; 4.In afwijking van het eerste lid bedraagt de subsidie voor projecten die onderdeel uitmaken van het programma Snelfietsroutes ten hoogste 100 procent van de in artikel 17 bedoelde grondslag voor zover de middelen gedekt worden uit de BDU en zijn gereserveerd in het geldende RIVV; 5.Het algemeen bestuur kan besluiten om voor projecten in een bepaalde verkeerscategorie gedurende een bepaalde periode een hoger of lager subsidiepercentage vast te stellen; 6.het dagelijks bestuur kan beslissen een subsidie in de vorm van een vast subsidiebedrag te verlenen. Artikel19Inhoud van de beschikking 1.De beschikking waarbij subsidie wordt verleend, vermeldt in ieder geval: de aard en omvang van het project waarvoor subsidie wordt verleend; het maximumbedrag van de subsidie; de verplichtingen die aan de subsidie zijn verbonden. 2.Tot de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, onder c, behoren in ieder geval: de termijn waarbinnen met de uitvoering van het project begonnen moet zijn; de wijze waarop en de termijn waarbinnen over de voortgang van het werk moet worden gerapporteerd; de termijn waarbinnen declaraties moeten worden ingediend. Artikel20Betaling van de subsidie 1.De wijze van uitbetaling van de subsidie voor grote projecten wordt per project bepaald en in de beschikking vermeld. 2.Voor kleine projecten geldt: De subsidie wordt in beginsel bij de subsidievaststelling betaald. Er kan eenmaal een voorschot worden verleend. Een eerste voorschot van 50% van de subsidie wordt betaald nadat de aanvrager met een daarvoor bestemd formulier heeft laten weten dat met de uitvoering van het project is gestart. Nadat het project of programma is uitgevoerd en nadat een eindverslag, vergezeld van een schriftelijke verklaring van de opdrachtgever dat het werk of de maatregelen is respectievelijk zijn uitgevoerd overeenkomstig het plan op grond waarvan de subsidie is verleend, en van een controleverklaring van de onafhankelijke accountant die aangeeft dat het eindverslag in overeenstemming is met de subsidievoorwaarden uit deze subsidieverordening en de afgegeven beschikking tot subsidieverlening, wordt de subsidie vastgesteld. Op basis van de vaststelling kan de aanvrager een factuur sturen ter hoogte van de vaststelling na aftrek van het reeds verstrekte voorschot. Indien de vaststelling lager is dan het reeds verstrekte voorschot zal de aanvrager een factuur ontvangen. De betaling van de subsidie kan in uitzonderingsgevallen in overleg anders worden vastgesteld. Indien de uitvoering van een project of programma stagneert, nadat een voorschot is betaald, kan de subsidie geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd. Artikel21Aanvraag tot subsidievaststelling 1.De subsidieontvanger doet binnen een termijn van 26 weken na ingebruikname van een project of na afronding van een project daarvan mededeling aan het dagelijks bestuur. De mededeling gaat vergezeld van een aanvraag tot vaststelling van de subsidie. De termijn kan op verzoek van de aanvrager binnen de eerst gestelde termijn eenmaal met ten hoogste 26 weken worden verlengd door het dagelijks bestuur. 2.Indien bij het verstrijken van de termijn genoemd in lid 1 geen (complete) aanvraag tot vaststelling is ingediend, kan het dagelijks bestuur de subsidie ambtshalve vaststellen. 3.De aanvraag tot subsidievaststelling bevat een eindrapportage, voorzien van een controleverklaring van de onafhankelijke accountant die aangeeft dat het eindverslag in overeenstemming is met de subsidievoorwaarden uit deze verordening. 4.De controleverklaring als bedoeld in het tweede [hier is bedoeld: derde] lid, dient te worden opgesteld overeenkomstig een volgens de beroepsorganisaties van accountants te hanteren model en volgens het dagelijks bestuur vastgestelde controleprotocol. 5.De in het tweede [hier is bedoeld: derde] lid bedoelde controleverklaring hoeft niet te worden overlegd: indien de verleende subsidie lager is dan € 25.000,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.