Toeslagenverordening Wwb Noordoostpolder 2012De raad van de gemeente Noordoostpolder, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 1 november 2011, no. 176800-1; gelet op artikel 8, lid 1, sub c en artikel 30 van de Wet werk en bijstand, overwegende dat moet worden vastgesteld voor welke categorieën de bijstandsnorm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald, B E S L U I T: vast te stellen de: Onder voorbehoud van vaststelling en inwerkingtreding van de wijzigingen in de Wet werk en bijstand (wetsvoorstel 32815) per 1 januari 2012; Toeslagenverordening Wwb Noordoostpolder 2012 Hoofdstuk1.Algemene bepalingen. Artikel1.Begripsomschrijving. 1.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand (Wwb) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2.In deze verordening wordt verstaan onder: de wet: de Wet werk en bijstand; woonkosten: indien een huurwoning wordt bewoond, de op de aanvangsdatum van het lopende huursubsidietijdvak per maand geldende huurprijs als bedoeld in de wet op de huurtoeslag; indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten, waarbij onder zakelijke lasten worden verstaan: de onderhoudskosten, het eigenaarsaandeel van de onroerende-zaak-belasting, de opstalverzekering en het eigenaarsaandeel van de waterschapslasten. het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordoostpolder. Hoofdstuk2.Categorieën. Artikel2.Categorie-aanduidingen. 1.Voor belanghebbenden aan wie bijstand kan worden verleend, geldt een categorieaanduiding. 2.De categorieën worden aangeduid als: - alleenstaande; - alleenstaande ouder; - gezin. Hoofdstuk3.Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm. Artikel3.Toeslagen bij niet(-gehele) kostendeling van alleenstaanden enalleenstaande ouders van 21 jaar en ouder. 1.De bijstandsnorm wordt verhoogd met een toeslag, indien de alleenstaande of de alleenstaande ouder, van 21 tot 65 jaar, hogere algemene noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander. 2.De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor een alleenstaande van 21 jaar, in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, vastgesteld op 0% van het netto minimumloon. De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor een alleenstaande van 22 jaar, in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, vastgesteld op 10% van het netto minimumloon. 3.De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor de alleenstaande van 23 tot 65 jaar of alleenstaande ouder van 21 tot 65 jaar, in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, bepaald op het in artikel 25, tweede lid, van de wet genoemde maximumbedrag; dit is maximaal 20% van het netto minimumloon. 4.De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de alleenstaande van 23 tot 65 jaar of alleenstaande ouder van 21 tot 65 jaar op wie het derde lid niet van toepassing is 10% van het netto minimumloon. 5.De noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen worden gedeeld met een ander die in de woning zijn hoofdverblijf heeft, indien kan worden beschikt over een inkomen dat gelijk is of hoger is dan het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000. Hoofdstuk4.Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of de toeslag. Artikel4.Verlagen bijstandsnorm voor geheel of gedeeltelijk woningdelende gezinnen. 1.De bijstandsnorm wordt lager vastgesteld, indien het gezin lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander. 2.De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor het gezin op wie het eerste lid van toepassing is 10% van het netto minimumloon. 3.Artikel 3, lid 5 is van overeenkomstige toepassing. Artikel5.Verlagen bijstandsnorm of toeslag als gevolg van de woonsituatie. 1.De bijstandsnorm of de toeslag wordt lager vastgesteld indien de alleenstaande, de alleenstaande ouder of het gezin lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm of de toeslag voorziet, als gevolg van de bewoning van een woning waaraan voor de betrokkene geen kosten zijn verbonden, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning. 2.De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt 18% van het netto minimumloon. Artikel6.Anti-cumulatieartikel Indien voor de belanghebbende een combinatie van een toeslag op grond van artikel 3 en één of meer verlagingen op grond van de artikelen 4 en 5 geldt, bedraagt de verlaging niet meer dan 25% van het netto minimumloon ten opzichte van de bijstandsnorm zoals die is vastgesteld in artikel 21 van de wet. Artikel7. Verhoging of verlaging van de bijstandsnorm vindt plaats onverminderd het bepaalde in artikel 18, eerste lid, van de wet. Artikel8. Burgemeester en wethouders zijn belast met de uitvoering van het bepaalde in deze verordening. Hoofdstuk5.Slotbepalingen. Artikel10.Citeertitel en inwerkingtreding Deze verordening kan worden aangehaald als: "Toeslagenverordening Wwb Noordoostpolder 2012" en treedt in werking op 1 januari 2012. Artikel11.Intrekking bestaande verordeningen Met de inwerkingtreding van deze verordening wordt de Toeslagenverordening Wwb Noordoostpolder 2010, vastgesteld op 29 juni 2010, en de Toeslagenverordening Wet investeren in jongeren, vastgesteld op 17 december 2009, ingetrokken. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergaderingvan 15 december 2011,De griffier, De voorzitter,Toelichting Toeslagenverordening Wwb Noordoostpolder 2012 AlgemeenOp grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) dient de gemeenteraad een verordening vast te stellen met betrekking tot het verhogen en verlagen van de norm als bedoeld in artikel 8 lid 1 onder c juncto artikel 30 Wwb, de zogenaamde toeslagenverordening. Hoofdstuk 3 van de Wwb kent voor de algemene noodzakelijke kosten van het bestaan een systeem van basisnormen en toeslagen en verlagingen. De bijstandsnormen zijn geregeld in paragraaf 2, in de artikelen 20 tot en met 24 Wwb. Daarnaast voorziet paragraaf 3 in toeslagen en verlagingen: artikelen 25 tot en met 29 Wwb. Het college verhoogt in bepaalde gevallen de norm met een toeslag en passen in bepaalde gevallen een verlaging toe. Dit beleid is categoriaal: uit de verordening blijkt voor welke categorieën en op grond van welke criteria een verhoging of verlaging van de landelijke bijstandsnormen plaatsvindt. Op die manier kan een uitkeringsgerechtigde concreet uit de verordening afleiden welke verhoging of verlaging in zijn situatie geldt. NormDe Wwb kent drie basisnormen voor bijstand: gezin: 100% van het wettelijk minimumloon alleenstaande ouders: 70% van de gezinsnorm / wettelijk minimumloon alleenstaanden: 50% van de gezinsnorm / wettelijk minimumloon Hierbij is opgemerkt dat ‘gezinsnorm’ en ‘wettelijk minimumloon’ synoniemen voor elkaar zijn. ToeslagenEen toeslag op de norm wordt verstrekt aan een alleenstaande of alleenstaande ouder. De maximale toeslag van 20% van de gezinsnorm kan zonder nader onderscheid worden toegekend. De uitkering is dan ten hoogste: 90% van de gezinsnorm voor alleenstaande ouders; 70% van de gezinsnorm voor alleenstaanden. Het college houdt echter rekening met de mogelijkheid van het kunnen delen van kosten. Deze mogelijkheid wordt aanwezig geacht als een ander of meerdere anderen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. De alleenstaande of de alleenstaande ouder kan dan kosten als woonkosten, vaste lasten en kosten van duurzame gebruiksgoederen delen. Het college stelt in die gevallen de toeslag op een lager percentage vast. De toeslag voor alleenstaanden en alleenstaande ouders is uitgewerkt in hoofdstuk 3 van deze verordening. VerlagingenDe Wwb kent de volgende verlagingen: verlaging in verband met het geheel of gedeeltelijk kunnen delen met een ander van algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan bij gezinnen (artikel 26 Wwb); verlaging in verband met de woonsituatie (artikel 27 Wwb); verlaging in verband met het recentelijk beëindigen van een studie (artikel 28 Wwb); verlaging in verband met de hoogte van het wettelijke minimumjeugdloon (artikel 29 Wwb). Er wordt geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om verlaging in verband met het recentelijk beëindigen van een studie toe te passen vanwege de volgende redenen: verlaging van de norm wegens schoolverlating leidt niet alleen tot ingewikkelde en ondoorzichtige regelgeving, het leidt ook tot rechtsongelijkheid ten opzichte van bijstandsgerechtigden die niet studeren in de periode voorafgaande aan de bijstandsperiode; een cliënt met een bijstandsuitkering moet in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan voorzien. Niet duidelijk is waarom de kosten van het bestaan gedurende het eerste halfjaar na het beëindigen van een studie of opleiding lager zouden zijn; het aantal schoolverlaters in de gemeente Noordoostpolder op het totale cliëntenbestand is dusdanig klein, dat de uitvoering van deze verlagingsmogelijkheid meer kost dan het de gemeente oplevert. De overige verlagingen zijn uitgewerkt in hoofdstuk 4 van deze verordening. IndividualiseringHet is niet noodzakelijk alle mogelijke situaties uitputtend te regelen. In niet geregelde gevallen of uitzonderlijke situaties geldt het individualiseringsbeginsel. Het college kan de bijstand op grond van artikel 18 lid 1 Wwb afwijkend vast stellen. Hoogte uitkeringDe hoogte van de uitkering van algemene bijstand kan kortom als volgt worden berekend: basisnorm
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.