Beleidsplan Maatschappelijke Ondersteuning Bloemendaal 2012-2015Hoofdstuk1.Algemeen 1. Inleiding De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is sinds 1 januari 2007 van kracht. In deze wet is een aantal oude wetten en regelingen op het gebied van zorg, welzijn en wonen gebundeld. Daarnaast zijn de voorziening ‘hulp bij het huishouden’ en enkele subsidieregelingen vanuit de Algemene wet bijzondere ziektekosten (Awbz) overgeheveld naar de Wmo en daarmee de verantwoordelijkheid van de gemeente(
- n)geworden. De Wmo is een participatiewet, geen zorgwet. De essentie is dat iedere burger moet kunnen meedoen aan de samenleving. Dat loopt uiteen van het hebben van werk, je inzetten voor een ander, je buurt of wijk, tot het lid zijn van een sportvereniging en deelname aan cultuur. De Wmo neemt daarbij de eigen kracht en zelfredzaamheid van burgers als uitgangspunt. Burgers geven zelf invulling aan hun deel-name aan de samenleving, zij maken daarin eigen keuzes. Tegelijkertijd redt niemand dat in zijn eentje. De eigen keuzes en mogelijkheden van mensen worden mede bepaald door de sociale verban-den waar mensen deel van uitmaken. Mensen met psychische, lichamelijke, verstandelijke of andere beperkingen hebben bovendien meer gerichte vormen van maatschappelijke ondersteuning nodig, ter compensatie van de belemmeringen die zij ondervinden. 2. Maatschappelijke ondersteuning Onder maatschappelijke ondersteuning wordt over het algemeen verstaan alle ondersteuning die aan burgers wordt geboden om ‘mee te doen’ aan de samenleving. Dat kan zijn in de vorm van: inclusief beleid: gemeentelijk beleid op verschillende terreinen laten bijdragen aan ‘meedoen’; civil society: burgers die elkaar ondersteunen, buiten de sfeer van de overheid en markt om; collectieve voorzieningen: een buurtcentrum of collectief openbaar vervoer; algemene voorzieningen: maatschappelijk werk, gezondheidszorg, zorgverzekeringen; individuele voorzieningen: woningaanpassingen, hulpmiddelen , huishoudelijke hulp, enz. De Wmo fungeert als kaderwet. Dat wil zeggen, dat door de Rijksoverheid hoofdlijnen van beleid zijn aangegeven, maar dat de vrijheid van gemeenten om daar invulling aan te geven groot is. De Wmo verplicht gemeenten om, in overleg met burgers en andere belanghebbenden, een of meer plannen vast te stellen voor ten hoogste vier jaar en daarover binnen de gemeente verantwoording af te leggen. De plannen moeten in ieder geval betrekking hebben op negen, bondig omschreven prestatievelden. Deze zijn: Het bevorderen van de sociale samenhang in en leefbaarheid van dorpen, wijken en buurten. Op preventie gerichte ondersteuning aan jongeren met problemen met opgroeien en van ouders met problemen met opvoeden. Het geven van informatie, advies en cliëntondersteuning. Het ondersteunen van mantelzorgers en vrijwilligers. Het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal systeem. Het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem. Maatschappelijke opvang, waaronder vrouwenopvang en huiselijk geweld. Het bevorderen van de openbare geestelijke gezondheidszorg, met uitzondering van het bieden van psychosociale hulp bij rampen. Het bevorderen van verslavingsbeleid. beleidsplan - In december 2007 is door de gemeenteraad het Beleidsplan Wmo voor de periode 2008-2011 vastgesteld. Het voorliggende plan heeft opnieuw betrekking op een vierjarige periode: 2012-2015. In het nieuwe plan is gekozen voor een indeling in vier groepen/clusters, omdat dit beter dan een indeling in negen prestatievelden aansluit bij de praktijk van alledag. De vier groepen/clusters zijn: * Leefbaar en Betrokken: de sociale samenhang in en leefbaarheid van wijken en kernen. Ook (het voorkomen van) overlast valt hieronder. Voorts is onder deze cluster gebracht het vrijwilligerswerk en de mantelzorg. * Opvoeden en opgroeien: 0-23 jarigen en degenen die daarbij betrokken zijn. * Bloemendalers met een beperking: mensen met een lichamelijke, verstandelijke of andere beperking, chronisch zieken en ouderen. * Kwetsbare Bloemendalers: mensen met complexe, soms meervoudige problemen, zoals OGGz-cliënten (OGGz = Openbare Geestelijke Gezondheidszorg), daklozen, verslaafden en slachtoffers van huiselijk geweld. Elk van deze groepen/clusters heeft een relatie met een of meer prestatievelden. De maatschappelijke ondersteuning is per groep/cluster geconcretiseerd in een programma van activiteiten/actiepunten. Zie hiervoor hoofdstuk 5. De omschrijving van bepaalde prestatievelden is dermate ruim geformuleerd – dit geldt met name voor het onderdeel ‘leefbaarheid’ uit cluster 1- dat het grootste deel van de deelterreinen waarop een gemeente werkzaam is onder de Wmo zou kunnen vallen. Dit is onwerkbaar. Mede omdat op een aan-tal deelterreinen andere regelgeving van toepassing is, waardoor de Wet maatschappelijke onder-steuning dus niet leidend is, of omdat afzonderlijke beleidsplannen worden opgesteld, is besloten een aantal deelterreinen/aandachtsgebieden buiten de reikwijdte van het Wmo-plan 2012-2015 te houden en hierin dus niet uit te werken. Het betreft: Wet werk en bijstand en Wet Investeren in Jongeren (vanaf 2013: Wet Werken Naar Vermogen); minimabeleid en inkomensvoorzieningen; schuldhulpverlening en sociale werkvoorziening; arbeidsmarkttoeleiding en inburgering; openbare orde en veiligheid; economische zaken; volkshuisvesting en ruimtelijke ordening; onderwijs; sport (met uitzondering van sport voor gehandicapten en toegankelijkheid accommodaties) gemeentewerken en groenvoorziening. 3. Relatie met andere beleidsnota’s a. Ouderen, mantelzorgers en vrijwilligers In 2005 zijn beleidsnota’s vastgesteld op het gebied van ouderen (Ouderenbeleid gemeente Bloemen-daal 2005-2010) en vrijwilligers (‘Het maatschappelijk hart van Bloemendaal’ Vrijwilligerswerkbeleid Bloemendaal 2005 t/m 2010 ). Gedurende de looptijd van deze nota’s is de Wmo beleidsnota 2008-2011 van kracht geworden. Deze drie beleidsnota’s zijn naast elkaar van kracht tot de inwerking-treding van de Wmo beleidsnota 2012-2015. De Wmo doet een zwaar beroep op het ouderenwerk, vrijwilligerswerk en mantelzorg om participatie mogelijk te maken, zonder dat er beroep hoeft te worden gedaan op de overheid. De relevante prestatievelden zijn: Het geven informatie, advies en cliëntondersteuning; Het ondersteunen van mantelzorgers en vrijwilligers; Het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en het bevorderen van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een chronisch psychisch of psychosociaal probleem; 6.Het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem. De Wmo bestrijkt nagenoeg alle terreinen die nu ook in het ouderen- en vrijwilligersbeleid benoemd worden: wonen, welzijn, zorg, mantelzorg en vrijwilligerswerk. De collectieve en individuele voorzieningen die onderdeel waren van de WVG (Wet Voorzieningen Gehandicapten) zijn in principe overgenomen in de Wmo. De Wmo gaat echter uit van het compensatiebeginsel in plaats van zorgplicht. En mensen zullen nu eerst zelf oplossingen moeten proberen te vinden vóór er een beroep op de gemeente gedaan kan worden. Eigenlijk een verschuiving van “ik heb wat, ik krijg wat” naar “ik heb wat, krijg ik wat?”. Uitgangpunt van het nieuwe Wmo-beleidsplan is samenhangend beleid. Daardoor is het een voor de hand liggende keuze om beleidsplannen voor ouderen en vrijwilligerswerk in 2012 onderdeel te laten worden van het Wmo-beleidsplan 2012-2015. In hoofdstuk 5 komen de onderwerpen van de oude beleidsnota’s voor ouderen en vrijwilligerswerk aan de orde. b. Volksgezondheid: In de Wet Publieke Gezondheid (Wpg) is vastgelegd, dat de gemeente iedere vier jaar een lokale nota gezondheidsbeleid uitbrengt. Verantwoordelijk voor de uitvoering zijn het college en de burgemeester. Alhoewel Bloemendaal in 2009 de nota “Natuurlijk gezond, actieprogramma gezondheidsbeleid Bloemendaal 2010-2013” vastgesteld heeft, gaan de ontwikkelingen – ook op het gebied van het gezondheidsbeleid – zo snel en zijn er zoveel aanknopingspunten met andere beleidsvelden (o.a. jeugdbeleid, veiligheidsbeleid, ouderenbeleid) c.q. de Wmo-prestatievelden, dat besloten is – mede uit het oogpunt van integraal werken - om de uitdagingen, doelstellingen en actiepunten op het gebied van volksgezondheid te actualiseren en op te nemen in het Wmo–beleidsplan. Zie hiervoor hoofdstuk 4. 4. Totstandkoming plan Het voorliggende plan is langs drie ‘routes’ tot stand gekomen. Via de evaluatie van het Wmo-plan 2008-2011. Aan de hand van aangereikte nieuwe ideeën en actiepunten. Op basis van (toekomstig) Rijksbeleid c.q. autonome ontwikkelingen. Ad 1. Evaluatie Wmo-plan 2008-2011 Het eind 2007 vastgestelde plan mondde uit in een groot aantal doelstellingen en actiepunten/activi-teiten. Deze zijn stuk voor stuk geëvalueerd. Hiertoe is een evaluatieformulier ontwikkeld dat o.a. via een digitaal Wmo-platform (zie het volgende punt) kon worden ingevuld. Het is ook toegezonden aan alle bekende, op het gebied van de Wmo werkzame, plaatselijke en regionale instellingen en organisaties. Ongeveer 30 personen/instellingen hebben de moeite genomen het evaluatieformulier in te vullen of terug te sturen. Een zodanig laag aantal dat aan de uitslagen geen conclusies verbonden mogen worden m.b.t. de gehele gemeente. Enkele opvallende punten uit de evaluatie: Onder bepaalde voorwaarden (voldoende toezicht/sociale controle ter voorkoming van overlast) is ca. 65% van degenen die gereageerd hebben voorstander van het openstellen van speelplaatsen bij basisscholen – na schooltijd – voor gebruik door kinderen uit de buurt. Het overgrote deel van de respondenten woont in een prettige buurt/wijk en heeft voldoende sociale contacten. Het in voldoende mate bij elkaar betrokken zijn van buurtbewoners alsmede de aanwezigheid van voldoende sociaal-culturele voorzieningen leverde een beduidend lagere score op. Het huldigen van sportkampioenen en de jaarlijkse dag van de vrijwilligers en mantelzorgers voorzien in een behoefte. Het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) is bij het overgrote deel van de respondenten bekend. Men weet waarvoor men bij het CJG kan aankloppen. De Wmo-raad heeft nog niet gezorgd voor een grotere betrokkenheid van de inwoners bij het Wmo-beleid. Aanwezigheid en doel van De Brede Centrale Toegang (BCT)is bij het overgrote deel van de respondenten niet of nauwelijks bekend. Over het algemeen is men bekend met instellingen die vrijwilligerswerk en mantelzorg ondersteunen. De (kwaliteit van
- de)informatieverstrekking vanuit deze organisaties en vanuit de plaatselijke loketten behoeft verbetering. Over de uitkomsten van de evaluatie is de gemeenteraad per brief geïnformeerd (corsanummer 2011021697). Een aanzienlijk aantal actiepunten/activiteiten uit het Wmo-plan 2008-2011 is in het nieuwe plan opnieuw opgenomen. Ad 2. Nieuwe ideeën/actiepunten In artikel 11 van de Wmo is de verplichting vastgelegd ‘de ingezetenen van de gemeente en in de gemeente een belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen’ bij de voorbereiding van de totstandkoming van het Wmo-plan te betrekken. Hieraan is als volgt invulling gegeven: Via de gemeentelijke website en de gemeentelijke advertentie zijn inwoners en instellingen in de gelegenheid gesteld voorstellen te doen voor het Wmo-plan 2012-2015. Een brief met dezelfde inhoud/strekking is naar alle plaatselijke en regionale instellingen gezonden. De verantwoordelijk portefeuillehouder heeft, in de periode april – oktober 2011, een groot aantal gesprekken gevoerd met ‘gebruikers’ van maatschappelijke ondersteuning en werkbezoeken afgelegd aan instellingen en organisaties, waarbij hij ook in gesprek is gegaan met personeelsleden. Er is, specifiek ten behoeve van het nieuwe plan, een digitaal Wmo platform opgericht waarop door inwoners/instellingen voorstellen/ideeën geplaatst konden worden. Een en ander heeft een groot aantal voorstellen en ideeën voor het gemeentelijk Wmo-beleid opgele-verd. Geconcludeerd mag worden dat de ‘oude aanpak’, d.w.z. het rechtstreeks overleg door vertegen-woordigers van de gemeente met instellingen/inwoners met de bijbehorende verslaglegging, uiteindelijk inhoudelijk gezien het meeste heeft opgeleverd. Ad 3. rijksbeleid/autonome ontwikkelingen Er is sprake van een tweetal ontwikkelingen dat grote gevolgen kan hebben dan wel heeft voor het in de komende jaren te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. Dit betreft allereerst de uit het Bestuursakkoord 2012-2015 voortvloeiende decentralisaties. Hiervan houden er drie verband met de Wmo, te weten: Wet werken naar vermogen (Wwnv) Functie begeleiding AWBZ Jeugdzorg Daarnaast gaat het om de zg. Kanteling. Beide ontwikkelingen zijn uitgewerkt in hoofdstuk 3. Hoofdstuk2.Kwaliteit en keuzevrijheid 1. Kwaliteitsbeleid De Wmo bepaalt dat het kwaliteitsbeleid onderdeel uitmaakt van het vierjarige Wmo-beleidsplan. In artikel 3 is de verplichting tot het voeren van een gemeentelijk kwaliteitsbeleid als volgt geformuleerd: ‘In het plan wordt in ieder geval aangegeven welke maatregelen de gemeente neemt om de kwaliteit te borgen van de wijze waarop de maatschappelijke ondersteuning wordt uitgevoerd’ Uit een door het Verwey-Jonker Instituut uitgevoerd onderzoek naar ‘kwaliteitsbeleid in de Wmo anno 2010’ blijkt, dat de door de gemeenten tot op heden uitgebrachte beleidsnota’s hooguit een globaal beeld geven van voorgenomen kwaliteitsbeleid en het operationele kwaliteitsbeleid nauwelijks is uitgewerkt. Tot op heden formuleren de meeste gemeenten geen expliciete visie op de kwaliteit van de Wmo in de vorm van bijvoorbeeld kwaliteitsnota’s, indicatoren per prestatieveld of beschrijvingen van het kwaliteitsproces. Het kwaliteitsbeleid krijgt vooral in de concrete beleidspraktijk vorm, waarbij sprake is van een smalle en een brede benadering. Bij de smalle benadering – vooral aangetroffen bij kleine en middelgrote gemeenten – richt het kwaliteitsbeleid zich vooral op externe partijen, zorgaanbieders en producenten van hulpmiddelen. Deze gemeenten bouwen voort op het Wvg-beleid over de hulpmiddelen, collectief vervoer en woningaanpassing. Bij de brede benadering – aangetroffen bij met name de grote en samenwerkende gemeenten – richt het kwaliteitsbeleid zich zowel op externe partijen als op de eigen organisatie. Het kwaliteitsbeleid voor de eigen organisatie betreft vooral het loket, waaraan eisen worden gesteld op het gebied van toegankelijkheid, opleiding en competenties van medewerkers en klachtgerichtheid. Het loket is in de visie van deze gemeenten vooral een hefboom voor kwaliteitsverbetering op diverse prestatievelden. Bij de brede benadering zijn wethouders aanspreekbaar op het thema kwaliteit. Kwaliteitstoetsing is een integraal onderdeel van het beleid op de verschillende prestatievelden. In deze gemeenten wordt de voortgang aan de hand van managementinformatie, tevredenheidsmetingen en Wmo-monitors bijgehouden. a. Het gebruik van kwaliteitsinstrumenten In de praktijk wordt een groot aantal kwaliteitsinstrumenten gebruikt. Zowel ‘brede’ als ‘smalle’ gemeenten passen de volgende instrumenten toe: Keurmerken Kwaliteitseisen huishoudelijke hulp Tevredenheidsmetingen Klachtenregistraties Klantenpanels In de gemeenten die de brede benadering voorstaan is sprake van een meer gedifferentieerd palet aan kwaliteitsinstrumenten, soms met een innovatief karakter. De meest voorkomende zijn: Effectmetingen op basis van indicatoren Actief contractbeheer Audits bij zorgaanbieders Wmo-tour langs stadsdelen Opleidingseisen aan de medewerkers van het Wmo-loket Intervisie en bespreking casuïstiek voor loketmedewerkers b. Kwaliteit in Bloemendaal Hoewel kwaliteitsbeleid in de Wmo-nota 2008-2011 niet als zodanig is uitgewerkt, wordt wel degelijk het nodige aan kwaliteit(beleid) gedaan. Gelet op de grootte van de gemeente is het niet verrassend dat de instrumenten die ingezet worden grotendeels als ‘smal’ getypeerd kunnen worden. Er wordt o.a. van de volgende instrumenten gebruik gemaakt: Jaarlijkse controle op veiligheid van de speeltoestellen Gebruik evidence-based methods in kader preventief jeugdbeleid Klanttevredenheidsonderzoeken Periodieke wijkschouw(
- en)Eisen aan de loketten m.b.t. toegankelijkheid, opleidingsniveau medewerkers en competenties Kwaliteitseisen hulp bij het huishouden Klachtenregistratie Wmo-raad ter vergroting van de betrokkenheid Kwaliteitseisen hulpmiddelen Kwaliteitseisen Wmo vervoer Smartgeformuleerde prestatieovereenkomsten op gebied ouderen- en vrijwilligersbeleid In de komende vier jaar wordt aandacht besteed aan het bewaken van kwaliteit met behulp van genoemde instrumenten en instrumenten, die nieuw op de markt verschijnen. 2. Bieden keuzevrijheid Artikel 6 Wmo verplicht het college om burgers de keus te laten tussen ofwel een verstrekking in natura ofwel een persoonsgebonden budget (Pgb) als het gaat om individuele voorzieningen, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan. Algemene voorzieningen Algemene voorzieningen zijn laagdrempelig en worden aan alle burgers aangeboden, al dan niet met een lichte toegangsbeoordeling. Het gaat uitsluitend om voorzieningen die incidenteel en kortdurend worden aangeboden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan mensen die een korte periode hulp bij het huishouden nodig hebben na een ziekenhuisopname. Burgers voor wie het gebruik van algemene voorzieningen een adequate compensatie kan bieden voor hun beperkingen, komen niet in aanmerking voor individuele voorzieningen. Voor algemene voorzieningen geldt geen verplichting tot het aanbieden van een Pgb. Individuele voorzieningen Zodra burgers aanspraak maken op langdurige of structurele zorg op maat, waarvoor een individuele toegangsbeoordeling geldt, is er sprake van individuele voorzieningen. Gelijkwaardigheid Overeenkomstig artikel 6 Wmo moeten voorzieningen in natura en het Pgb 'vergelijkbaar' zijn. Dat betekent dat de gemeente niet alleen verplicht is om een Pgb aan te bieden, maar ook de verstrekking in natura zal moeten organiseren. De keuze tussen beide vormen van verstrekking moet vervolgens zo uitgebalanceerd worden, dat burgers die kiezen voor één van beide mogelijkheden in een gelijkwaardige positie blijven ten opzichte van burgers die een andere keuze maken. Burgers kunnen dan in alle vrijheid kiezen voor de manier van verstrekken die het beste past bij hun situatie en bij hun voorkeur. Dit heeft onder andere gevolgen voor de vaststelling van de hoogte van het Pgb. Bestedingsvrijheid Kenmerkend voor het Pgb is de zekere bestedingsvrijheid van de budgethouders. Dat betekent dat de gemeente aan de budgethouders de vrijheid kan laten om het budget te besteden aan het doel waarvoor het is verstrekt, zonder precies van hen te verlangen dat zij zich strikt aan een programma van eisen houden. De wet laat de gemeente overigens wel de ruimte om van budgethouders te eisen dat zij zich houden aan een voorafgesteld programma van eisen. Het is aan de gemeente om hierin een keuze te maken. Eigen bijdrage Tot op heden is er op het vlak van het heffen van een eigen bijdrage een terughoudend beleid gevoerd. In de beleidsregels Wmo is vastgelegd voor welke voorzieningen en onder welke voorwaarden er een eigen bijdrage wordt gevraagd. In de praktijk gaat het dan vooral om de eigen bijdrage bij huishoudelijke hulp. De hoogte van de vergoeding/eigen bijdrage wordt jaarlijks vastgesteld in het besluit Wmo. Gezien de bezuinigingen die het Rijk de gemeenten oplegt is het zeer de vraag of dit terughoudend beleid voortgezet kan worden. In het komende jaar zal, in overleg met de overige IASZ-gemeenten, onderzocht worden of het mogelijk is voor een aantal voorzieningen een eigen bijdrage te vragen. Dit zou dan bepaald moeten worden aan de hand van een inkomens- en/of vermogenstoets. Te denken valt aan bijvoorbeeld een eigen bijdrage aan een grote woningaanpassing zoals een traplift of een badkamerverbouwing in een woning die eigendom is van de aanvrager. Hoofdstuk3.Ontwikkelingen 1. De Kanteling Ruim drie jaar na de inwerkingtreding van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is de praktijk van deze wet volop in ontwikkeling. Gemeenten – primair verantwoordelijk - richten hun energie op de doorontwikkeling van de Wmo in de richting van een echte participatiewet. Aan deze doorontwikkeling liggen verscheidene oorzaken ten grondslag. Gemeenten hebben inmiddels de invoeringsjaren van de Wmo, waarin zorgvuldigheid en het voorkómen van ‘ongelukken’ prioriteit hadden, achter de rug en beginnen zich te concentreren op het meer realiseren van hun eigen ambities op het terrein van maatschappelijke ondersteuning. Een stimulans daarbij vormt het verstrijken van de termijn van de eerste tranche vierjarenplannen. Een derde reden voor de activiteit in gemeenteland betreft de financierbaarheid van de Wmo in de komen de jaren. In veel gemeenten staan de financiën onder druk. Doel Het project ‘De Kanteling’ is gestart in 2009 en beoogt de uitvoering van de Wmo van claim- en voorzieningengestuurd te veranderen in een uitvoering waarbij resultaat en participatie centraal staan. De Kanteling richt zich primair op het verbeteren van participatie van mensen met beperkingen en de kwaliteit van dienstverlening aan Wmo-klanten van de gemeente. In verschillende publicaties is aannemelijk gemaakt dat gekantelde gemeenten op deze aspecten mooie resultaten boeken. In het denken over de kanteling speelt naast een kwaliteitsaspect echter ook een financieel aspect een rol. Gesuggereerd wordt dat gekantelde gemeenten besparingen kunnen realiseren op met name individuele voorzieningen. Wanneer vanuit een financieel perspectief naar al dan niet kantelen wordt gekeken, dient eigenlijk het brede perspectief van een maatschappelijke kosten-batenanalyse te worden gekozen. In zo’n analyse worden niet alleen de kosten en baten op de gemeentelijke begroting betrokken, maar ook die van burgers en maatschappelijke partners. In het licht van de financiële situatie waarin veel gemeenten verkeren, is echter ook de ‘smalle’ vraag prominent aan de orde. Kost het gemeenten geld om te kantelen, of is de kwaliteitsverbetering te realiseren zonder extra kosten of zelfs met een besparing? Het antwoord hierop is niet zomaar voorhanden. Er zijn – begin 2011 - nog geen voorbeelden van gemeenten die al zo volledig en zo lang gekanteld zijn dat empirische antwoorden mogelijk zijn. Het is van belang de financiële kant van de Kanteling te doorgronden. Bij het besluit al dan niet te kantelen zal dit aspect, gegeven de financieel moeilijke situatie waarin gemeenten verkeren, immers vermoedelijk een doorslaggevende rol vervullen. De mechanismen die bepalend zijn voor de kosten en baten van de kanteling worden hierna beschreven. Uitgangspunten en 3-sporenbeleid De Kanteling is gebaseerd op een tweetal uitgangspunten en bestaat in de praktijk uit een drietal sporen. De uitgangspunten zijn inhoudelijk (de verantwoordelijkheidsladder) en procesmatig (resultaat/maatwerk in plaats van standaardvoorzieningen). De drie sporen zijn: Het Gesprek. Voorzieningen/arrangement. Juridisch. Verantwoordelijkheidsladder Het centrale inhoudelijke uitgangspunt van De Kanteling wordt gevormd door de gedachte dat een herschikking wenselijk is in de verdeling van verantwoordelijkheid voor het compenseren van belemmeringen in de participatie. Onder de AWBZ, Wvg en de eerste jaren van de Wmo is een (
- te)centrale plaats ingeruimd voor door de overheid gefinancierde voorzieningen, waar mensen met beperkingen recht op hebben. De primaire verantwoordelijkheid voor hun participatie ligt echter niet bij de overheid maar bij hen zelf en bij hun sociale omgeving. Ook bredere maatschappelijke verbanden hebben een verantwoordelijkheid in de zorg voor mensen met een beperking. Pas als burger en maatschappij het samen niet redden, komt de overheid in beeld. In eerste instantie kunnen burgers dan gebruik maken van tal van algemene voorzieningen. Pas als deze geen uitkomst bieden, komen individuele voorzieningen in beeld. Deze insteek wordt gevisualiseerd in de zogenaamde verantwoordelijkheidsladder: Preventieve voorzieningen/inclusief beleid Eigen kracht Sociaal netwerk Algemene voorzieningen Lichte individuele voorzieningen Zware individuele voorzieningen Van belang bij deze ladder is dat het niet de bedoeling is om (op termijn) geen individuele voorzieningen meer aan te bieden. Resultaat: maatwerk in plaats van standaardvoorzieningen De Wmo is geen set van standaardvoorzieningen en van de burger wordt niet verwacht dat hij (direct) een voorziening aanvraagt, maar dat hij zich meldt bij de gemeente met een participatieprobleem. Vertegenwoordigers van de gemeente en de burger gaan dan met elkaar in gesprek om dit probleem in kaart te brengen, het resultaat van de ondersteuning vast te stellen, oplossingen te verkennen en aan de hand van de verantwoordelijkheidsladder vast te leggen. Toetssteen van het aldus samengestelde arrangement is niet een protocollaire beoordeling van beperkingen en toewijzing van voorzieningen, maar de vraag of het arrangement volgens klant en gemeente zal leiden tot het (wettelijk bepaalde) resultaat: meedoen. In het kader van De Kanteling worden door de VNG in samenwerking met Chronisch zieken en Gehandicapten Raad Nederland (CG-Raad) en de Centrale Samenwerkende Ouderenorganisaties – CSO - een (nieuwe) modelverordening en beleidsregels gemaakt, waarin wordt uitgegaan van de volgende acht resultaten: Iedere burger kan wonen in een schoon en leefbaar huis. Iedere burger kan wonen in een voor hem/haar geschikt huis. Iedere burger kan beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften. Iedere burger kan beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding. Iedere burger kan thuis zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren. Iedere burger kan zich verplaatsen in, om en nabij het huis. Iedere burger kan zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel. Iedere burger heeft de mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te hebben aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten. Drie sporen Zoals eerder aangegeven bestaat De Kanteling in de praktijk uit drie sporen. Een toelichting: 1. Het Gesprek Wanneer een burger (of iemand in zijn netwerk of een signalerende professional) vindt dat hij een probleem heeft waar hij zelf niet uitkomt, zal hij zich (meestal) vroeg of laat ergens melden, al dan niet via een ander. Bij dat eerste contact moet worden vastgesteld welk traject de burger zou kunnen volgen. Vervolgens zal in een dialoog worden vastgesteld wat de burger bedoelt en nodig lijkt te hebben om zijn probleem op te lossen. 2. voorzieningen/arrangement Een cruciaal onderdeel van De Kanteling is het uitbreiden van het voorzieningenniveau in de gemeente. Om de beweging naar meer oplossingen in de sfeer van eigen kracht, sociale netwerken en algemene voorzieningen te kunnen maken, moeten er wel voorzieningen in deze sferen bestaan. Dat betekent dat gemeenten gericht moeten werken aan voorzieningen die zich richten op: het bevorderen van eigen kracht, zoals empowerment en reactivering; het ondersteunen van mantelzorgers en vrijwilligers; het aanbieden van algemene voorzieningen, inclusief de daarvoor benodigde infrastructuur. 3. Juridisch/verordening Het derde spoor van De Kanteling betreft het vastleggen van de nieuwe uitgangspunten in het Wmo-beleid, de Wmo-verordening en de bijbehorende beleidsregels. De VNG heeft een modelverordening gemaakt en werkt momenteel aan beleidsregels. Het uitvoeringsproces Er bestaan grote verschillen in de manier waarop gemeenten hun primaire proces (het Wmo-loket) hebben vormgegeven. Een grote groep gemeenten werkt min of meer zoals voorheen onder Wvg en AWBZ. Hun proces is vooral gericht op het beoordelen van aanvragen. Een meerderheid van de gemeenten werkt echter inmiddels met integrale intakes, waarbij vraagverheldering een belangrijke rol speelt. Al is deze vraagverheldering vaak nog erg aanbodgericht. In vele gemeenten zijn ook andere functies (maatschappelijk werk, MEE, ouderenwerk) gekoppeld aan het loket. Er zijn ook behoorlijke verschillen in het voorzieningenpakket dat gemeenten aan hun burgers aanbieden. Deze verschillen doen zich vooral op het gebied van de algemene voorzieningen voor. Dit aanbod is vaak historisch gegroeid en geen gevolg van gekanteld denken. Hetgeen er al is, bepaalt of er makkelijk quick-wins zijn te behalen dan wel dat er meer moeite gedaan moet worden om aanvullende algemene voorzieningen te realiseren. Kortom, in een gekantelde situatie: wordt meer tijd besteed aan vraagverheldering; wordt meer tijd besteed aan het doorspreken van oplossingen; hebben medewerkers een hoger functieniveau; zijn er minder burgers die een aanvraag voor een individuele voorziening indienen; is de duurzaamheid van arrangementen hoger. Situatie in Bloemendaal/IASZ-gemeenten De uitvoering van de Wmo voor individuele voorzieningen is voor onze gemeente in handen gegeven van de Intergemeentelijke Afdeling Sociale Zaken (IASZ), dat wil zeggen dat daar de uiteindelijke beoordeling van de aanvraag en de besluitvorming plaatsvindt namens de gemeente. Daar vond al de afhandeling van Wvg aanvragen plaats. Doordat er niet langer sprake is van zorgplicht, maar van het compensatiebeginsel, zijn de besluitprocedures, hoewel beleidsarm overgenomen vanuit de Wvg, toch net even anders. De basis voor besluitvorming is niet meer “wat is de beperking van de cliënt, waar heeft de cliënt recht op en welke voorziening hebben we daarvoor”. De vraagstelling is nu “welke compensatie heeft de cliënt nodig voor zijn beperking, die hij niet zelf of met hulp van zijn omgeving regelen kan”. Bij complexe situaties wordt nagenoeg altijd huisbezoek afgelegd. Dat was ook al zo in de tijd van de Wvg. Voor eenvoudige situaties is een huisbezoek of een intensieve analyse niet altijd nodig. Tijdens de eerste beleidsperiode is gekozen voor het inrichten van Wmo informatieloketten, naast het formele loket bij de IASZ, om eventuele drempels te verlagen die inwoners kunnen ondervinden bij het vragen om hulp of ondersteuning. Binnen de gemeente is Welzijn Bloemendaal verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wmo-informatieloketten, die in feite een aanvulling waren op de bestaande welzijnsloketten. Het grote verschil met deze loketten is dat inwoners die een Wmo-vraag hebben, altijd door beroepskrachten worden geholpen, dus niet door vrijwilligers. In het informatieloket werken meerdere disciplines samen, zoals maatschappelijk werk, ondersteuning mantelzorg, de IASZ, enz. In het informatieloket werken uitsluitend beroepskrachten, die de sociale kaart goed kennen, waaronder Wmo-consulenten van de IASZ, maatschappelijk werkers en ouderen-adviseurs. Zij bieden informatie en ondersteuning aan iedereen die een beroep doet op de Wmo. Daarbij gaat het niet (in hoofdzaak) om hulp bij het invullen van een aanvraagformulier of hulp bij het indienen van een aanvraag. De beroepskrachten zijn juist speciaal getraind op vraagverheldering, om de “vraag achter de vraag” te herkennen en samen met de cliënt naar het geheel van problemen te kijken en een oplossing te zoeken die niet persé een individuele voorziening is, bijvoorbeeld door het inzetten van vrijwillige hulp, mantelzorg, activeringsprogramma’s, gebruik van de buurtbus, maaltijdvoorziwning, enz. In feite dus de aanpak van De Kanteling. De uiteindelijke aanvraag behoeft bij de IASZ niet opnieuw uitgevraagd te worden, over een aanvraag “met begeleiding” behoeft de IASZ alleen nog te besluiten. Over de werkwijze zijn de cliënten tevreden, zoals blijkt uit de tevredenheidsonderzoeken. In de loop van 2011 is de “gekantelde” werkwijze verder uitgewerkt/geformaliseerd in de handelingsprotocollen van de IASZ. De gemeente zet al enige jaren in op het ondersteunen en versterken van de zelfredzaamheid van haar inwoners. Dat gebeurt onder andere door het subsidiëren van organisaties die zich aantoonbaar hiermee bezig houden of door het maken van prestatieafspraken, door het inkopen van cursussen, enz. Het is niet onwaarschijnlijk dat er een steeds grotere inzet van en samenwerking met (vrijwilligers-) organisaties gevraagd zal worden, waarbij subsidies steeds meer gekoppeld gaan worden aan prestatieafspraken. De geldende verordening en beleidsregels, alsmede het voorzieningenboek zullen naar aanleiding van de beleidsplannen van de drie IASZ gemeenten opnieuw worden vastgesteld. Dat zal in de loop van 2012 zijn. De (gekantelde) modelverordening en modelbeleidsregels van de VNG zullen daarbij als voorbeeld dienen. Uit het voorgaande mag blijken dat de “gekantelde” werkwijze in feite al geruime tijd gehanteerd wordt, ook al zijn de protocollen pas recent vastgesteld. Het is daarom niet de verwachting dat voor onze gemeente serieuze kostenbesparingen op het gebied van individuele voorzieningen te verwachten zijn. Beleidsvoornemens 2012-2015 De geldende Wmo-verordening en beleidsregels, alsmede het voorzieningenboek zullen opnieuw worden vastgesteld. De (gekantelde) modelverordening en modelbeleidsregels van de VNG zullen daarbij als voorbeeld dienen. 2. Bestuursakkoord (Bestuursafspraken) 2011-2015 ‘Positieve resultaten maar ook belangrijke zorgpunten’. De balans opmakend heeft het bestuur van de VNG na lang onderhandelen begin april 2011 besloten het Bestuursakkoord met het Rijk, het IOP en de UvW te ondertekenen en het resultaat voor te leggen aan de leden. Om tot een doelmatige taakverdeling en (dus) een compacte en slagvaardige overheid te komen, wordt een aantal taken gedecentraliseerd. Dit is een omvangrijke hervorming, die gepaard gaat met een overheveling van grote budgetten. Het Bestuursakkoord bevat richtinggevende processen en principeafspraken voor deze decentralisaties. Tijdens de ALV op 8 juni 2011 hebben de gemeenten, in meerderheid, besloten vast te stellen, dat de leden het onderhandelaarsakkoord voor hun rekening kunnen nemen, maar dat dit niet het geval is voor het onderdeel ‘werk’. Na enkele maanden windstilte, waarin onduidelijkheid bestond over de status van het akkoord, deelde de minister van Binnenlandse Zaken, de heer Donner, begin september aan de 2e Kamer mee: ‘…met de VNG, het IPO en de UvW heb ik afgesproken het pakket aan afspraken in het vervolg aan te duiden als ‘ de bestuursafspraken 2011-2015’. Onder dit pakket wordt verstaan; het voornoemde onderhandelaarsakkoord dat door betrokken partijen op 21 april jl. is ondertekend, de correspondentie tussen kabinet en VNG naar aanleiding van de beslissing over het onderhandelaarsakkoord en de brieven van IPO en UvW daarover”. De decentralisaties die plaatsvinden en die verband houden met de Wmo zijn: (Wet) werken naar vermogen (Wwnv). Functie Begeleiding AWBZ. Jeugdzorg. a. Wet werken naar vermogen De Wet werken naar vermogen, die in 2013 in werking treedt valt buiten de reikwijdte van dit beleidsplan en zal daarom niet verder worden toegelicht. Dat betekent niet dat er geen aandacht is voor de effecten van deze nieuwe wet. Met name op het gebied van vrijwilligerswerk bestaat de kans dat er meer mensen zullen toestromen. Enerzijds doordat de verplichting ‘work first’ (vermoedelijk) wijzigt, anderzijds doordat mensen met een beperking bezigheden gaan zoeken in deze sfeer. In het betreffende hoofdstuk wordt hier meer gedetailleerd op ingegaan. b. AWBZ-functie begeleiding De activiteiten die nu onder de extramurale AWBZ-functie begeleiding vallen, worden onder de compensatieplicht van de Wmo gebracht. Dit is incl. het vervoer dat aan de begeleidingsactiviteiten verbonden is. De extramurale begeleiding voor jeugd wordt budgettair betrokken bij de (taakstelling samenhangend met) de thans aan de orde zijnde decentralisatie. In het regeerakkoord is afgesproken dat gemeenten vanaf 2013 verantwoordelijk zijn voor mensen die voor het eerst of opnieuw een beroep doen op begeleiding en dat gemeenten vanaf 2014 verantwoordelijk zijn voor alle mensen die in aanmerking komen voor begeleiding. Rijk en VNG zullen onderzoeken of een persoonsgebonden budget (pgb) geen onredelijke beperking oplevert voor doelmatigheid en doeltreffendheid in de Wmo. Het in 2013 en 2014 over te hevelen bedrag staat thans nog niet vast. Naar huidig inzicht gaat het bij decentralisatie van begeleiding om een bedrag tussen de € 2,1 en € 3,3 mld. in 2014. Hierbij is nog geen rekening gehouden met de gevolgen van de PGB-maatregelen. Op de bedragen wordt een doelmatigheidskorting toegepast van 5%. Die korting kan hoger of lager uitvallen dan het vastgestelde bedrag van € 140 mln. (vanaf 2014) in het regeerakkoord. De middelen worden ingebracht in een nieuwe decentralisatieuitkering Wmo begeleiding. Ongeveer 180.000 mensen maken op dit moment gebruik van begeleiding (Bloemendaal: 178) * Somatische aandoening: 38.000
(31)* Psychogeriatrische aandoening: 14.000
(26)* Zintuiglijk gehandicapt: 5.000
(3)* Psychiatrische aandoening: 56.000
(65)* Lichamelijk gehandicapt: 14.000
(18)* Verstandelijk gehandicapt: 50.000
(35)Invoeringskosten Voor de invoeringskosten decentralisatie AWBZ-begeleiding is in totaal eenmalig € 130 mln. beschikbaar. De gemeenten ontvangen daarvan € 80 mln., mits zij kunnen aantonen dit bedrag werkelijk nodig te hebben. Voor Bloemendaal is het volgende budget beschikbaar gesteld: Bloemendaal 2012 2013 Eenmalige invoeringskosten €76.000 € 52.000 Uitvoeringskosten Voor de uitvoering van de AWBZ-begeleiding krijgen gemeenten structureel een bedrag dat gelijk is aan de uitvoeringskosten van Rijkszijde. Dat wordt overgeheveld naar gemeenten. Daarnaast stelt het kabinet vanaf 2016 structureel € 55 mln. beschikbaar voor uitvoeringskosten van zorg voor jeugd en AWBZ-begeleiding samen. In 2014 gaat het daarbij om € 35 mln. en in 2015 om € 45 mln. Alle gemeenten 2014 2015 2016 e.v. Uitvoeringskosten van zorg voor jeugd en AWBZ-begeleiding samen (in mln. euro) 35 45 55 c . Jeugdzorg Gemeenten worden verantwoordelijk voor de uitvoering van de gehele jeugdzorg. De taken die onder de verzamelnaam jeugdzorg vallen zijn: De provinciale jeugdzorg. De indicatiestellingen, crisisdienst, de kindertelefoon, advies- en meldpunt kindermishandeling. De gesloten jeugdzorg. De zorg en behandeling in een jeugdzorginstelling voor jongeren met ernstige opvoed- en Opgroeiproblemen. De jeugdbescherming. Hieronder vallen o.a. de onder toezicht stellingen, de ontzetting en ontheffing en het aanstellen van een gezinsvoogd. 4.De jeugdreclassering. Juridische en praktische ondersteuning in het juridische proces van jongeren die een delict hebben begaan en de uitvoering van de opgelegde maatregelen en straffen. De jeugd- geestelijke gezondheidszorg (jeugd-ggz). De Jeugd-ggz biedt hulp aan jongeren met psychiatrische stoornissen en psychische problemen zoals autisme, eetstoornissen, ADHD, gedragsstoornissen, depressiviteit etc. De Jeugd- licht verstandelijke gehandicapten hulp (jeugd-lvg). Licht gehandicapten zijn jongeren met een IQ tot
- Transitie en fasering Door het kabinet Rutte is het besluit genomen om de Jeugdzorg grondig te verbouwen. Het regeerakkoord stelt dat alle taken op het gebied van de jeugdzorg in de periode vanaf 2012 -2016 gefaseerd overgaan naar de gemeente. Het nieuwe beleid is erop gericht de bestuurlijke en financiële verantwoordelijkheid voor deze voorzieningen bij de gemeente neer te leggen. Dat is complex, ingrijpend en veelomvattend. Maar dat niet alleen. De verbouwing is niet bedoeld om “slechts” financieringsstromen en bestuurlijke verantwoordelijkheden te verleggen, maar deze juist te laten volgen op de inhoudelijke omslag. Het gaat erom deze inhoudelijke slag te maken, gericht op minder inzet van gespecialiseerde opvangvoorzieningen voor kinderen en jongeren en meer inzet van voorzieningen om de opvoeding in de eigen sociale context te versterken. Overeenkomstig het regeerakkoord zullen de decentralisaties gepaard gaan met maximale beleidsvrijheid en minimale verantwoordingsverplichting en het wegnemen van onnodige bureaucratie. De uitvoeringsruimte van de gemeenten wordt vergroot door af te zien van uitgebreide kwaliteitseisen en dichtgetimmerde regelingen. Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van de controle. Kortom, de gemeenten worden verantwoordelijk voor alle jeugdzorg die nu onder het Rijk, de provincies, de gemeente, de AWBZ en de Zorgverzekeringswet (ZvW) valt. De gemeente behoeft niet alles afzonderlijk op te pakken. Sommige onderdelen kunnen beter op regionaal niveau georganiseerd en bekostigd worden, zoals residentiële zorg, gesloten zorg en dure specialistische trajecten en interventies. Centra voor Jeugd en Gezin In het regeerakkoord staat dat de gerealiseerde Centra voor Jeugd en Gezin als front-office gaan dienen voor de over te hevelen taken. Invoeringskosten Ter compensatie van de invoeringskosten bij de decentralisatie van de jeugdzorg is eenmalig € 64 mln. beschikbaar: € 16 mln. in 2012 en € 48 mln. in
- Alle gemeenten 2012 2013 invoeringskosten in mln. euro 16 48 Uitvoeringskosten Voor de uitvoering van de jeugdzorg krijgen gemeenten structureel een bedrag dat gelijk is aan de huidige uitvoeringskosten aan Rijkszijde. Dat wordt overgeheveld naar de gemeenten. Daarnaast stelt het kabinet vanaf 2016 structureel € 55 mln. beschikbaar voor uitvoeringskosten van zorg voor jeugd en begeleiding samen. In 2014 gaat het daarbij om € 35 mln. en in 2015 om € 45 mln. Hoofdstuk4.Volksgezondheid
- Inleiding Goede gezondheid loont! Een goede gezondheid levert veel op. Gezonde mensen hebben in het algemeen een betere kwaliteit van leven, kunnen beter voor zichzelf zorgen en doen minder een beroep op de zorg. Ook kunnen ze langer en beter participeren in de maatschappij, of het nu op de arbeidsmarkt is of als vrijwilliger. Investeren in gezondheid loont op vele fronten. Huidige gezondheidssituatie Uit het rapport van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) “Van Gezond naar Beter”
(2010)blijkt, dat onze levensverwachting tussen 2003 en 2008 met meer dan twee jaar gestegen is (vrouwen 82,3 jaar en mannen 78,3 jaar). Door vergrijzing, veranderde leefstijl en medische ontwikkelingen, zoals vroegtijdige opsporing en betere overlevingskansen, is het aantal mensen met een chronische aandoening (sterk) toegenomen. Dit heeft er echter niet toe geleid dat de ervaren gezondheid van mensen of het aantal jaren dat mensen zonder lichamelijke beperkingen leven, is gedaald. Het leven met een chronische ziekte en beperkingen kán dus samengaan met een goed ervaren gezondheid. Een groot aantal factoren beïnvloedt de volksgezondheid. Naast genetische aspecten zijn de veiligheid van de leefomgeving, de kwaliteit van de gezondheidszorg en het gedrag van mensen belangrijk. Veilige leefomgeving Gezondheidsrisico’s op het gebied van veiligheid, geluid en verkeer zijn in de loop der jaren teruggedrongen. Risico’s op het gebied van voedsel, van binnenmilieu en groenvoorziening (de toename van de bastaard satijnrups/vlinder en de ziekte van Lyme) blijven aandacht vragen. Gezondheidszorg In de gezondheidszorg gaat het om verbetering van behandelmogelijkheden maar ook om preventieve activiteiten zoals implementatie van (bevolkings)onderzoek en vaccinaties. Gedrag Gezondheid hangt vooral samen met gedrag en leefstijl. Mensen, die voldoende bewegen, gezond eten, niet roken en matig alcohol drinken leven langer, doen minder een beroep op de zorg en voelen zich gezonder. Aandachtspunt hierbij is het bevorderen van voldoende beweegmogelijkheden, thuis, in de buurt en op de werkplek. De uitdaging is dat mensen meer de mogelijkheid krijgen om zelf voor een gezond leven te kiezen. Hiernaast zijn er twee specifieke gezondheidsvraagstukken waar aandacht voor gevraagd wordt. * Toename chronische ziekten. Naast het aantal mensen met diabetes neemt ook het aantal Nederlanders met andere chronische aandoeningen toe (bijvoorbeeld hartziekten en beroertes). Verder stijgt het aantal mensen dat meer dan één chronische ziekte tegelijkertijd heeft. * Psychische aandoeningen Een groot deel van de ziektelast wordt veroorzaakt door psychische aandoeningen. Het gaat hierbij niet alleen om dementie, maar ook om angststoornissen en verslavingsproblematiek.
- Kernpunten van beleid Een goede gezondheid begint bij jezelf. Mensen maken zelf keuzes vanuit hun eigen mogelijkheden, verantwoordelijkheid, motieven en belangen. Dat geldt zowel voor leefstijl (gedrag) als voor het gebruik van informatie en (zorg)voorzieningen. Het leefstijlbeleid is de afgelopen jaren steeds meer het terrein geworden van de overheid en professionals; nadruk lag op wat mensen moeten doen of juist laten. Daar is op zich niets mis mee, maar wat mensen zelf willen en kunnen is daarin onvoldoende meegenomen. Soms staan preventieve activiteiten ver van mensen af. Het is tijd voor een omslag! Een omslag van “gezond moeten leven” naar “gemakkelijker toegankelijk maken van gezonde keuzes”. Daarvoor is het belangrijk dat mensen kunnen beschikken over betrouwbare en toegankelijke informatie, goede en bereikbare voorzieningen en is het belangrijk dat zij zo min mogelijk belemmeringen ervaren om gezond te kunnen leven. De kracht ligt bij het individu in zijn directe woon- , werk- en leefomgeving. Als de inzet van de overheid van belang en nodig is dan zijn de gemeenten als eerste aan zet, omdat de gemeente het beste kan inspelen op de belevingswereld van mensen en rekening kan houden met de specifieke lokale omstandigheden. Visie. De visie met betrekking tot het gezondheidsbeleid 2012-2015 is “Gezondheid dichtbij”. Deze visie wordt uitgewerkt in drie thema’s: Vertrouwen in gezondheidsbescherming, inclusief ziektepreventie. Zorg en (veilig) bewegen dichtbij in de buurt. Zelf beslissen over leefstijl. Per thema zal het beleid uitgewerkt worden. Hierbij zijn de uitgangspunten steeds: Wat kan het individu zelf? Wat kan in zijn directe leefomgeving worden georganiseerd? Wat kan de gemeente doen? Ad
- Vertrouwen in gezondheidsbescherming, inclusief ziektepreventie Mensen kunnen sommige risicofactoren voor de gezondheid niet of moeilijk zelf beïnvloeden. Daarbij vertrouwt men terecht op een belangrijke rol van de overheid. Heldere wet- en regelgeving, toezicht op de naleving hiervan en toegankelijke en betrouwbare informatie zijn noodzakelijk. Risicofactoren zijn – naast genetische – externe factoren zoals milieu, infectieziekten, rampen en gevaarlijke stoffen in voeding en andere producten. De overheid is, naast crisisbeheersing, op het terrein van gezondheidsbescherming actief bij: a. de infectieziektenbestrijding. Alhoewel vele infectieziekten steeds minder voorkomen ontstaan nieuwe infectieziekten en komen oude terug (bijv. de recente bofuitbraak bij studenten, de EHEC-bacterie en de import van tuberculose en MRSA) De afgelopen jaren is op dit gebied veel geïnvesteerd, o.a. met de oprichting van het Centrum voor Infectieziektenbestrijding bij het RIVM en het stimuleren van de ontwikkeling van nieuwe vaccins en antibiotica. Regionaal is de GGD op dit terrein actief. b. het vaccinatiebeleid voor alle kinderen 0-12 jaar (voor de doelgroep 0-4 jarigen wordt dit reeds uitgevoerd in het CJG) en voor doelgroepen de griepprik. c. de product- en voedselveiligheid Het bedrijfsleven is primair verantwoordelijk, de overheid schept wettelijke randvoorwaarden en de Voedsel- en Waren Autoriteit controleert en handhaaft de regels. d. de bescherming tegen onveilige illegale drugs. e. de veiligheid van genees– en hulpmiddelen. f. veilige bloedvoorziening en bescherming door veilig werken in de zorg. Door veilig met bloed om te gaan worden infecties voorkomen. Vanzelfsprekend kunnen gemeenten zelf ook een belangrijke bijdrage leveren aan gezondheids-bescherming en risicoreductie, bijvoorbeeld door een bijdrage te leveren aan de gezonde school-kantine en het “Vignet Gezonde School” onder de aandacht te brengen. Ad
- Zorg en (veilig) bewegen dichtbij in de buurt. a. Preventie en basiszorg dichtbij en toegankelijk. Gezondheid is in de eerste plaats iets van de mensen zelf. Maar, de zorg kan daarbij helpen. Zorg en preventie moeten dichter in de buurt georganiseerd worden. De behoeften en wensen van de mensen zijn uitgangspunt en niet de stelsels of sectoren die zorg leveren. Tijdige signalering van gezondheidsrisico’s door herkenbare en toegankelijke zorgvoorzieningen in de buurt (CJG, huisartsen) een betere digitale bereikbaarheid (e-health) en bewegen in de buurt zijn van belang. Toepassing van effectieve interventies en innovatieve behandelwijzen zijn belangrijke verantwoordelijkheden van de zorgverlener. Betrokken partijen moeten werken aan een sterkere fysieke, organisatorische en inhoudelijke verbinding tussen de publieke gezondheid en de basiszorg vanuit de Zorgverzekeringswet, de AWBZ en de Wmo. De (gezondheids)zorg is een belangrijke plek voor preventieve activiteiten. Zorgverleners zoals fysiotherapeuten, artsen, verpleegkundigen en andere paramedici doen al veel aan preventie door middel van advies, informatie, het verstrekken van medische hulpmiddelen en geneesmiddelen. Het is zeker niet de bedoeling dat de eigen verantwoordelijkheid van mensen door zorgverleners wordt overgenomen. Zo is het kabinet er bijvoorbeeld geen voorstander van om leefstijlinterventies in het basispakket van de zorgverzekeringswet (Zvw) op te nemen. Gezond gedrag is iets van de mensen zelf. Dat betekent dat mensen op eigen kosten sporten en dat die kosten niet ten laste komen van anderen via het verzekerde pakket. Belangrijk uitgangspunt is dat de zorg zich op een positieve manier richt op het bevorderen van gezondheid in plaats van het bestrijden van ongezondheid door herkenbare toegankelijke zorgvoorzieningen in de buurt. De wensen en behoeften van de mensen moeten centraal staan en niet de sectoren die de zorg leveren. Dit betekent een betere verbinding tussen het CJG (inclusief de GGD en de JGZ) en de basiszorg vanuit de Zvw, de AWBZ en de Wmo. Bij de samenwerking moeten bereikbaarheid en toegankelijkheid de leidraad zijn. Een goed voorbeeld in Bloemendaal van deze samenwerking is de financiering door zorgverzekeraar Agis van de mindfulness trainingen in het CJG. b. Aanpak perinatale sterfte. Betrouwbare informatie over gezond zwanger zijn en verbetering van de verloskundige zorg, o.a. door verbetering ontschotting tussen de eerste en tweede lijn. Met de JGZ Kennerland is afgesproken dat de prenatale voorlichting zo spoedig mogelijk in het CJG gegeven zal worden. Ook zal het contact tussen de jeugdartsen en de huisartsen tot stand gebracht moeten worden. c. GGZ problematiek. Extra punt van aandacht is de geestelijke gezondheid. Het is van belang dat mensen met psychische klachten vroeg gesignaleerd en preventief behandeld worden. Dit voorkomt nieuwe gevallen van psychische problematiek en vermindert het aantal mensen met chronische klachten. Het gaat erom dat de basisfunctie GGZ dichtbij huis versterkt wordt. Een voorbeeld hiervan is de te organiseren slaapcursus “ik slaap weer”. Deze training zal op het CJG gegeven worden. d. E-Health. E-health is een belangrijk toekomstig onderdeel van de zorgketen. E-health omvat gerichte voorlichting, zelftests en behandeling via internet. E-health draagt bij aan het verlagen van de druk op het personeel in de zorg en sluit goed aan bij de jeugd. Het gaat om producten voor zelfmanagement van zowel somatische als psychische aandoeningen. E-health kan met veel voordelen worden ingezet in verschillende stadia van middelengebruik en verslaving. De mogelijkheid om als cliënt anoniem te blijven werkt drempelverlagend voor groepen die normaliter geen beroep doen op de verslavingszorg, zoals jongeren en hoger opgeleide vrouwen. e. Meer preventie in de spreekkamer. In de verloskundige zorg, bij de GGD, door de huisarts en in de GGZ wordt effectief ondersteuning geboden aan een gezonde leefstijl. Bij mensen die ziek zijn, bijvoorbeeld omdat ze een chronische aandoening of beperking hebben, kunnen zelfzorg en zelfmanagement de effectiviteit van de medische behandeling bevorderen. Hierbij dient nog veel vaker een verbinding gelegd te worden met het eigen gedrag. In de integrale zorg voor chronische patiënten stellen de patiënt en het zorgteam een individueel plan op. Voeding, bewegen, stoppen met roken en medicatie maken daarvan deel uit. Ook tijdens de uitvoering blijft de patiënt verantwoordelijk voor zijn gezondheid. f. Veilig sporten en bewegen in de buurt. Zoals iedereen inmiddels weet, is bewegen (als het even kan in de buurt) goed voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid en hangt bewegen nauw samen met de speerpunten genoemd in de gezondheidsnota 2008-2012, te weten schadelijk alcoholgebruik, depressie, roken, diabetes en overgewicht. Voor sommige groepen is het sport- en beweegaanbod op dit moment nog geen vanzelfsprekendheid, bijvoorbeeld voor mensen met een beperking, jongeren met gedragsproblematiek, mensen met overgewicht en chronisch zieken. Het kabinet streeft ernaar dat voor iedereen een passend sport- en beweegaanbod in de buurt aanwezig is, dat bovendien veilig en toegankelijk is. Hiervoor dienen gemeenten en de sportsector lokaal samen te werken met het onderwijs, de kinderopvang en het bedrijfsleven. Sportsupport is hierbij de aangewezen instelling, zoals in de sportnota genoemd. Vanuit het perspectief van de volksgezondheid is het inzicht krijgen in het aantal sportblessures en valincidenten van Bloemendalers evident. Ook de aard van de sportblessures en valincidenten is van belang. De Stichting Consument en Veiligheid houdt zich o.a. hiermee bezig. Ouderen Het is de bedoeling dat ouderen zolang mogelijk zelfstandig leven. Uiteraard speelt een goede gezondheid daarbij een belangrijke rol. Overigens vormen niet ziekten, maar vooral beperkingen - als gevolg van ziekten - de voornaamste obstakels voor een zelfstandig leven. Gemeenten spelen een rol bij de preventieve zorg voor ouderen vanuit de Wet Publieke Gezondheid (Wpg).Deze rol wordt belangrijker nu de functie van “begeleiding” uit de AWBZ naar de Wmo wordt overgeheveld. Door deze overheveling komen er meer mogelijkheden voor de gemeente om aan preventie te doen, omdat meer mensen in beeld komen. Met deze verbreding van de Wmo moeten gemeenten bevorderen dat (onnodig) gebruik van zwaardere zorg in de langdurige of curatieve zorg wordt tegengegaan. Gemeenten kunnen wonen, welzijn, vervoer en (preventieve) zorg in hun aanpak koppelen, om tot maatwerk te komen. Gebruik van de mogelijkheden van mantelzorg en vrijwilligers-werk, zowel om te doen als om te krijgen, staan voorop. Kwetsbaarheid bij ouderen is de opeenstapeling van lichamelijke, psychische en/of sociale tekorten in het functioneren. Eenzaamheid, te weinig bewegen en ondervoeding spelen een rol. Het risico voor ernstige gezondheidsproblemen wordt daardoor vergroot evenals de kans op opname in een verzorging- of verpleegtehuis. Het signaleren, tijdig onderkennen en doorgeleiden van gezondheidsrisico’s en -problemen en het geven van voorlichting, advies en begeleiding is onderdeel van de reguliere zorg. Ook kunnen huisartsen, de wijkverpleegkundigen, apothekers en Wmo- medewerkers een belangrijke rol spelen bij het bewust maken van ouderen van wat ze zelf aan hun gezondheid kunnen bijdragen. In een aantal gemeenten bestaat een ‘Consultatiebureau voor ouderen’ waar ouderen vanaf 60 jaar terecht kunnen voor een preventieve controle op de gezondheid. Onderwerpen die besproken worden zijn bijvoorbeeld: gehoor en gezichtvermogen eet- en drinkgewoonten medicijngebruik beweging valrisico’s en veiligheid in huis mantelzorg sociaal en psychisch welbevinden. Het verdient aanbeveling te onderzoeken of een dergelijke algemene voorziening ook in Bloemendaal gerealiseerd kan worden. Ad
- Zelf beslissen over leefstijl Alhoewel er een omslag plaats moet vinden in het leefstijlbeleid (gezondheidsbevordering) blijven de vijf speerpunten uit de gemeentelijke Nota gezondheidsbeleid 2008-2012 wel van belang om de gezondheid te verbeteren. De speerpunten zijn (het voorkomen van) diabetes, overgewicht, depressie, roken en schadelijk alcoholgebruik. Echter, de genoemde overwegingen van zelfbeschikking leiden tot de inrichting van een nieuw leefstijlbeleid dat uitgaat van de volgende punten: a. het benutten van de (zorg)structuren en de intensivering van de inzet van de jeugdgezondheidszorg in het Centrum voor Jeugd en Gezin met op maat adviezen en verwijzing naar lokale (ook private) mogelijkheden. Naast het bevorderen van een gezonde leefstijl van de jeugd, vroege signalering van risico’s en inzet op weerbaarheid om verleidingen uit het dagelijks leven te weerstaan, is het stellen van grenzen en het bewust stimuleren van een gezonde basis bij de jeugd nodig. De bedoeling is dat de jeugd leert dat gezond leven leuk en positief is en dat dat je uiteindelijk heel veel oplevert. De jongere zelf is het startpunt en zal zelf direct betrokken moeten worden bij interventies via sociale media, peer-to-peer educatie en de inzet van private initiatieven. De bestaande structuren zoals de Jeugdgezondheidszorg, het CJG, de school en het jongerenwerk staan centraal bij de informatievoorziening en de ondersteu-ning. Door innovatieve werkwijzen te gebruiken kan de JGZ haar rol bij pubers versterken. Voorbeel-den hiervan zijn een web-based uitvoering van de contactmoment voor pubers en ziekteverzuim- begeleiding door de schoolarts. Massamediale campagnes passen niet in de eigen verantwoordelijkheid voor een gezond leven. Boven-dien zijn er twijfels over de effectiviteit en het bereik. Vanuit de gedachte “gezond dichtbij’ wordt de menselijke maat juist gevonden via school, werk, buurt en zorg. Bij veel activiteiten is de school betrokken. Een gezonde school(omgeving) stimuleert immers de gezonde en bewuste keuze. Scholen zijn echter zelf verantwoordelijk voor een gezond en duurzaam schoolbeleid. De school heeft een algemeen signalerende taak in relatie tot het kind, waar bijvoorbeeld het opmerken van riskant middelengebruik in past. Door de interne zorgstructuur van de school kan – via het CJG - toeleiding naar zorg plaatsvinden. Het (op verzoek van scholen) ondersteunen blijft natuurlijk wel belangrijk, bijvoorbeeld met pedagogische ondersteuning, het aanbieden van effectieve interventies via het CJG of het ondersteunen van de gezonde school. Via het onder de aandacht brengen en – eventueel- faciliteren van “de gezonde schoolkantine” en het vignet “De gezonde school”. Scholen kunnen zich op een positieve manier inzetten voor een gezonde jeugd door te kiezen voor een rookvrij schoolplein en door het schoolplein ook na schooltijd open te stellen voor sport, spel en beweging. b. aandacht voor weerbaarheid en een gezonde basis voor de jeugd. Ingezet wordt op het positief stimuleren van gezond gedrag en op het ontwikkelen van een gezonde leefstijl vanuit weerbaarheid. Op de scholen worden verschillende weerbaarheidtrainingen gegeven, waaronder bijvoorbeeld “Rots en Water”. c. inzet op de gezonde keuze en deze keuze gemakkelijk en aantrekkelijk maken. Als het om leefstijl gaat, maken mensen zelf keuzes. Die keuzes worden gemaakt in een omgeving waarin de gezonde keuze gemakkelijk moet zijn. Aan die omgeving dragen diverse maatschappelijke sectoren bij. Publiek Private Samenwerking (PPS) wordt gezien als een kansrijke methode om de gezonde keuzes aantrekkelijk en toegankelijk te maken, bijvoorbeeld op het terrein van voeding en bewegen. Mensen moeten zo min mogelijk drempels ondervinden wanneer zij ervoor kiezen om gezond te leven. Daar kan vanuit verschillende sectoren een bijdrage aan geleverd worden. Voorbeelden zijn bossen en duinen waar je veilig kunt wandelen en hardlopen, gebouwen waar de trap meer voor de hand ligt dan de lift, een goed beschikbaar en herkenbaar aanbod van gezonde producten in de kantine en in de supermarkt (bijvoorbeeld de te zoute producten niet op ooghoogte, inzet van de taskforce zout) d. betrouwbare, toegankelijke informatie, toegesneden op informatiebehoefte en aandacht voor het bundelen van leefstijlinterventies. Om mensen in staat te stellen keuzes te maken, zijn kennis en praktische informatie nodig. Hiertoe zijn o.a. de websites www.kiesbeter.nl, www.ikkiesbewust.nl en www.loketgezondleven.nl in het leven geroepen. Door de voorgenomen decentralisatie van het toezicht op de Drank- en horecawet naar de gemeenten wordt een toename van de naleving van de leeftijdsgrenzen voor de verkoop van alcohol (en sigaretten) verwacht. Verder wordt er nagedacht over het verbod op cannabisproducten tot 18 jaar. De rol van de gemeente kan uiteenlopen van deelnemen tot ondersteunen of regie voeren. Het uitgangspunt is samenwerking die meerwaarde en efficiëntie oplevert. Innovatie, kennis en bundeling van financiën kunnen door middel van PPS worden aangeboord en ingezet om maatschappelijke doelen te bereiken. Door buiten gebaande paden op zoek te gaan naar nieuwe mogelijkheden kan een impuls worden gegeven. Het gaat erom PPS-mogelijkheden in te zetten voor “de gezonde werkplek of scholen”, e-health, ict-oplossingen en domotica (= huiselektronica) ter bevordering van zelfmanagement en leefstijlbegeleiding. Omdat de gemeente het dichtst bij de burger staat, is de gemeente het beste in staat om maatwerk te leveren, in te spelen op de leefwereld van de burgers en rekening te houden met de specifieke locale omstandigheden. Gemeenten hebben dan ook op het gebied van gezondheidsbevordering een grote mate van beleidsvrijheid. Voor gemeenten is het van belang om een goed inzicht te hebben in de gezondheidstoestand van hun inwoners. Dat is het startpunt om de zaken op te pakken die aansluiten bij de belevingswereld van de mensen en gezondheid meer van de mensen zelf te maken. 3.Samenvatting Programmalijn ‘Volksgezondheid’ Wat willen we bereiken? 1.Preventieve gezondheidszorg optimaliseren. 2.Een omslag in het denken over gezond leven, dat wil zeggen de (preventieve) gezondheidszorg is erop gericht om inwoners te “verleiden” gezonde keuzes te maken op het gebied van eten, bewegen en welbevinden, in plaats van het “gezond moéten leven”. Wanneer zijn we tevreden? 1.Als de kwaliteit van de gezondheidszorg verbeterd is. 2.Als de keuze voor ‘gezondheid’ gemakkelijker toegankelijk is gemaakt. Wat doen we ervoor? 1.Stimuleren van de publiek private samenwerking tussen de gemeente (PPS), het bedrijfsleven, gezondheidsinstellingen en het onderwijs. 2.Kwaliteitsverbetering jeugdgezondheidszorg (4-19) op het CJG: -oproepen van alle jongeren 4-19 jaar door de jeugdarts. -signaleren en multidisciplinaire aanpak volgens de uitgangspunten en kwaliteitseisen van het CJG; -vaccinaties op het CJG. 3.Project “de gezonde schoolkantine” en het vignet “De gezonde school” stimuleren. 4.Inzicht krijgen in het aantal Bloemendalers met psychische ziekten en hun mogelijkheden tot participatie in de samenleving. 5.Cursus mentale weerbaarheid (e-health) en de cursus “Ik slaap weer” door Presenz (GGZ in Geest). 6.Inzicht krijgen in lichamelijke problematiek van Bloemendalers, waaronder sportblessures en valincidenten. 7.Opzetten van een consultatiebureau voor ouderen. Daarnaast worden nog enkele actiepunten uit de in 2009 vastge-stelde nota ‘Natuurlijk gezond, actieprogramma gezondheidsbeleid Bloemendaal 2010-2013’ uitgevoerd. Zie hiervoor het eerste onderdeel van het overzicht op pagina
- Hoe gaan we het volgen/bewaken? Door voorwaarden te verbinden aan subsidieverlening en toe te zien op de naleving. Door gestructureerd overleg en aan de hand van jaarverslagen. Aan de hand van een of meer tevredenheidonderzoeken. Tijdsplanning 2012 : kwaliteitsverbetering jeugdgezondheidszorg. : publiek private samenwerking. : Cursus “Ik slaap weer”op het CJG. 2013 : Project “de gezonde schoolkantine en “het vignet “De gezonde school. : Inzicht krijgen in het aantal Bloemendalers met psychische ziekten en hun mogelijkheden tot participatie in de samenleving. : Cursus “Mentale weerbaarheid” op het CJG. 2014 : Inzicht krijgen in lichamelijke problematiek van de Bloemendalers, waaronder sportblessures en valincidenten. 2015 : Opzetten van een consultatiebureau voor ouderen. Hoofdstuk5.Programma maatschappelijke ondersteuning A. Programmalijn ‘Leefbaar en Betrokken’ Deze programmalijn heeft betrekking op een leefbaar Bloemendaal: de sociale samenhang (het versterken van de civil society) met ‘de wijk’ als aangrijpingspunt en het als het enigszins mogelijk is bevorderen/toepassen van inclusief beleid. Ook het voorkómen en zo nodig bestrijden van (jeugd)overlast in wijk valt onder deze programmalijn, evenals het vrijwilligerswerk en de mantelzorg. Een deel van de projecten en activiteiten binnen deze programmalijn heeft een bovenwijkse of zelfs een regionale dimensie, zoals het verder professionaliseren van vrijwilligersorganisaties of het ontwik-kelen van een aanbod van respijtzorg ten behoeve van mantelzorgers. Bij de uitwerking heeft een opsplitsing plaatsgevonden in drie onderdelen: sociale samenhang/veiligheid, leefbaarheid wijken en kernen vrijwilligerswerk mantelzorgers Ad
- sociale samenhang/veiligheid, leefbaarheid wijken en kernen
- Inleiding Vrijwel alle inwoners maken deel uit van sociale verbanden en informele zorgrelaties. In een leefbare en sociale samenleving weten bewoners zich beschermd, zijn zij zoveel mogelijk zelfredzaam, maatschappelijk actief en zorgen zij voor elkaar. Bij de beoordeling van de mate van leefbaarheid spelen verschillende factoren een rol, zoals de aanwezigheid van voldoende voorzieningen, de mate van (sociale) veiligheid, een veilig en rustig milieu, de kwaliteit van de openbare ruimte en handhaving op leefbaarheid door de overheid. Maar ook sociale factoren, zoals de aanwezigheid en kwaliteit van buurtcontacten en vormen van burenhulp, alsmede algemene voorzieningen, zijn van belang voor de mate van leefbaarheid. Een van de manieren om de kwaliteit te meten is door middel van de periodieke wijkschouw. Een ander instrument kan zijn de “leefbarometer” die in 2011 door het ministerie van BZK is ontwikkeld. In het advies Burgerkracht van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling –RMO- (april 2011) staat dat 85% van de Nederlanders zich prima redt en zich om elkaar bekommert, maar dat 15% profes-sionele ondersteuning nodig heeft. Van dit laatste aantal gaat het bij 10% van de mensen om lichte, meervoudige problemen en heeft 5% min of meer permanente steun nodig vanwege zware meer-voudige problematiek.
- Visie en centrale doelstelling Een wijk van een hoge (sociale) kwaliteit kenmerkt zich door een brede participatie, onderlinge betrokkenheid en zorgzaamheid. Ongeacht leeftijd, psychische, sociale, lichamelijke of verstandelijke beperking kan iedere burger zoveel als mogelijk meedoen aan de samenleving. Mensen die dit structureel niet zelfstandig of met behulp van de omgeving kunnen, krijgen ondersteuning en kunnen een beroep doen op een vangnet. Uitgangspunt hierbij is dat mensen in staat zijn zo lang mogelijk de regie over hun eigen leven te houden door een toegankelijke en naar elkaar omziende samenleving. De leden van deze samenleving zijn betrokken, ook (of juist) op hen die ondersteuning behoeven; zij houden ogen en oren open voor de noden van mensen in hun sociale omgeving en komen in actie als dat nodig is. Bewoners vormen zodoende onderling een gemeenschap. Voorbeelden hiervan zijn ouderen die thuis kunnen wonen omdat ze, als er iets mis gaat, met één druk op de knop de buren kunnen alarmeren. Of buurtbewoners die alarm slaan als ze het idee hebben dat iemand in de war lijkt te zijn. -Doel- Het doel is dat het gewoon wordt dat mensen zich verbinden en verbonden voelen en dat ze van deze verbindingen, hun sociaal netwerk, gebruikmaken.
- Bestaande situatie In Bloemendaal is het goed tot zeer goed wonen en leven, daar is vrijwel iedereen het over eens. Op de Leefbaarheidsindex (VROM) scoren alle wijken steevast ‘goed’ of ‘zeer goed. De kwaliteit van de veiligheid van de wijken wordt eveneens als goed tot zeer goed beoordeeld. ´De gemeente Bloemendaal is de één na beste woongemeente van Nederland’, zo bleek uit het jaarlijks onderzoek ‘De beste gemeenten’ van weekblad Elsevier en Bureau Louter (juni 2011). Los hiervan vallen altijd verbeteringen door te voeren en geldt een en ander uiteraard niet voor iedereen De onderwerpen die de sociale samenhang en leefbaarheid raken, zijn divers. Een deel betreft ‘harde’ voorzieningen: de aanwezigheid – bij voorkeur in de directe omgeving - van winkels, scholen, kinder-opvang, speel- en sportvoorzieningen, sociaal-culturele voorzieningen en mogelijkheden om elkaar te ontmoeten etc. Een ander deel, minder zichtbaar maar niet minder van belang, heeft betrekking op de onderlinge betrokkenheid, zorgzaamheid en veiligheid. Uit de evaluatie van het Wmo-beleidsplan 2008-2011 blijkt, dat ruim 80% aangeeft in een prettige buurt/wijk te wonen en voldoende sociale contacten te hebben. ‘Slechts’ 40% vindt dat de buurtbewoners in voldoende mate onderling betrokken bij elkaar zijn. Opvallend laag – 12% - is de score wat betreft de aanwezigheid van voldoende sociaal-culturele voorzieningen en mogelijkheden voor mensen om elkaar te ontmoeten. Hoe gering het aantal respondenten ook was, deze cijfers zijn wel een signaal. Dorpshuizen en buurtverenigingen dragen bij aan sociale cohesie omdat zij mensen de mogelijkheid bieden elkaar te ontmoeten. In de kern Vogelenzang is een dorpshuis aanwezig. In Bloemendaal ook, maar meer ‘in naam’; omdat het vooral een horecagelegenheid betreft. In Overveen bevindt zich de Buurtvereniging Overveen (BVO). In Bennebroek is de Dorpsraad in 2011 heropgericht. Daarmee hebben de inwoners van deze kern het signaal afgegeven zich betrokken te voelen bij de ontwik-kelingen binnen deze kern. Om de inwoners (nog) meer te betrekken bij beleid en uitvoering van de Wmo is in 2009 de Wmo-raad opgericht. De Wmo-raad is een voortzetting van de AGOG, die ten tijde van de WVG fungeerde als ad-vieslichaam voor de gemeente. De Wmo-raad heeft nu tot taak de gemeente gevraagd en ongevraagd te adviseren over Wmo-aangelegenheden en wordt daarbij gevoed door de behoeften van de doel-groepen van de Wmo. Met betrekking tot de Wmo-raad wordt opgemerkt dat te weinig inwoners zich op dit moment betrokken voelen bij de Wmo-raad. Op dit punt streeft de Wmo-raad naar verbetering. Mede op basis van de evaluatie van het Wmo-beleidsplan 2008-2011 worden de volgende voorzieningen/activiteiten gecontinueerd: De zorg voor goed onderhouden speelvoorzieningen. Het jaarlijks organiseren in elke dorpskern van een straatspeelavond of spe(el)activiteit. Het stimuleren van het organiseren van sportieve en culturele activiteiten voor kinderen tijdens straatfeesten. Het streven naar openbaar maken (= openstellen ná schooltijd voor gebruik door kinderen uit de buurt) van zoveel mogelijk speelplaatsen bij basisscholen. Het beleid m.b.t. het Jeugdhonk te Vogelenzang (gehuisvest in het Dorpshuis), de jongerenbus en de inzet van de jongerenwerkers. Het financieel ondersteunen en betrekken van de Wmo-raad bij het beleid m.b.t. maatschap- pelijke ondersteuning. Handhaven subsidieverstrekking aan buurtverenigingen, Oranjecomités en sociaal-culturele activiteiten, enz. De periodieke wijkschouwen. Instandhouding anti-discriminatievoorziening.
- nieuwe activiteiten/actiepunten Het leefbaar maken en houden van de vijf dorpskernen van Bloemendaal kan de gemeente niet alleen. Dat is mede de eigen verantwoordelijkheid van bewoners en andere ‘gebruikers’. Tegelijkertijd streeft de gemeente ernaar om bewoners ruimte te geven om zaken op wijkniveau of dorpskernniveau op een laagdrempelige manier goed te regelen. Er bestaat nog steeds behoefte aan het creëren van aantrekkelijke plaatsen in wijken en buurten, plaatsen waar mensen elkaar kunnen ontmoeten en waar ze een luisterend oor vinden. Niet alleen voor ouderen, maar ook voor jongeren, zoals een maatschappelijk centrum, een school of een plaats waar mensen kunnen sporten. Bekeken zal worden of hiervoor gebruik kan worden gemaakt van leegstand in schoolgebouwen die zich, naar verwachting, in toenemende mate in de komende jaren zal voordoen. Ook kerken en hun gebouwen hebben een functie in de leefbaarheid van een buurt. Uit de gesprekken van de wethouder met vertegenwoordigers van de plaatselijke kerken is gebleken, dat ook de kerken volop bereid zijn zich nog meer in te spannen voor de leefbaarheid van Bloemendaal. Dit in onderling overleg met elkaar en met de inwoners en daar waar nodig in samenwerking met de gemeente. Uit het door de portefeuillehouder gevoerd overleg met het bestuur van de Buurt Vereniging Overveen (BVO) is gebleken dat de BVO voornemens is, in overleg met omwonenden van het sportveld aan de Vrijburglaan en de gemeente, een buurtboomgaard aan te leggen nabij het verenigingsgebouw. Voor dit initiatief, dat de saamhorigheid in de buurt ten goede moet komen, is een startsubsidie gevraagd. Het voornemen bestaat dit initiatief, mits ruimtelijk uitvoerbaar, financieel te ondersteunen. Voorts is aangegeven dat behoefte bestaat aan een digitale marktplaats op lokaal (bijvoorbeeld wijk of dorpskern) niveau waarop vraag en aanbod rond concrete noden van bewoners en tevens informatie over de sociale kaart kunnen worden samengebracht. Met dit instrument behouden bewoners hun zelfredzaamheid en ontwikkelen zich sociale netwerken. Dit idee zal uitgewerkt (moeten) worden. Voorts wordt de aandacht gericht op het toegankelijk houden en maken van openbare ruimten. Dit naar aanleiding van de uitkomsten van het in 2011 gehouden onderzoek naar de toegankelijkheid van publieke voorzieningen in Bloemendaal. Om bijv. de bewoners met een beperking zo lang mogelijk zelfstandig te laten participeren, is het nodig dat de openbare ruimte voor hen toegankelijk is.
- Jeugd, buurt en overlast Bloemendaal heeft te maken met groepen jongeren die – veelal in hun eigen buurt - op straat samenkomen en rondhangen, de zgn. “hangjongeren”. Dit is geen nieuw en zeker geen specifiek Bloemendaals verschijnsel, het is van alle tijden en gebeurt overal. Bloemendaal kent een wisselend aantal van deze groepen. Vaak geeft dit rondhangen helemaal geen problemen, maar in sommige gevallen leidt het tot (ervaren) overlast. Hierbij kan worden gedacht aan het veroorzaken van geluidsoverlast, het maken van rommel, het plegen van kleine vernielingen en/of het (beperkt) nuttigen van alcohol en het gebruik van (soft)drugs. Meldingen komen bij de politie binnen en in de meeste gevallen handelt de politie de meldingen zelf af. Soms signaleren de jongerenwerkers beginnende problemen en pakken die, in samenwerking met verschillende partijen aan, waardoor er een bijdrage wordt geleverd aan het voorkomen van overlast. Soms is er echter geen sprake van overlast maar is er te weinig tolerantie van buurtbewoners. Daarom kan het van belang zijn dat bij klachten over overlast buurtbewoners en jongeren met elkaar in gesprek gaan. In dat geval is er een rol weggelegd voor het CJG. In het eindrapport van F.E. Woltring “ Programma Jeugd en Overlast Kennemerland” van december 2010 doet het praktijkteam “Jeugd en Overlast” o.a. de volgende aanbeveling: “De aanpak van jeugdoverlast is alleen effectief als er sprake is van maatwerk met een combinatie van preventie, zorg en repressie. Een goede samenwerking en kruisbestuiving tussen veiligheidsbeleid en jeugdbeleid, tussen veiligheidsketen en jeugd(zorg)keten moet daarom zoveel mogelijk worden nagestreefd en gestimuleerd. Van persoonsgerichte maatregelen is bekend dat alleen straffen niet effectief is, maar (in combinatie met) zorg wel. De werkzame factor van persoonsgerichte maatregelen is dus het bieden van zorg. Gebleken is echter dat deze kruisbestuiving in een aantal gevallen onvoldoende plaats vindt in Kennemerland. Zo wordt de sector Jeugdgezondheidszorg van de GGD nog onvoldoende betrokken bij de preventie van overlast terwijl zorgsignalen hier vaak in een vroegtijdig stadium bekend (zouden) moeten zijn. De GGD komt in beeld wanneer het gaat om het gebruik van genotsmiddelen en preventie, maar de signalerende bijdrage die geleverd kan worden bij de individuele aanpak van jongeren wordt vaak nog onvoldoende benut”. Het praktijkteam adviseert om in te zetten op een nauwere samenwerking tussen de zorg- en de veiligheidspartners”. In verband met de gewenste verbinding tussen curatieve veiligheidsmaatregelen en de preventieve meer zorggerelateerde inzet voor de jeugd, zou er – bij structurele overlast - een steviger verbinding gelegd moeten worden tussen het jongerenwerk, de politie, bureau Halt, (de front office van) het CJG, de jongere(n), ouders en buurtbewoners. Het overleg wordt geïnitieerd en voorgezeten door de coördinator van het CJG. Overlastmeldingen en de rapportages van o.a. de politie zijn hierbij leidraad. Als er sprake is van overlast spreken de partijen in onderling overleg hun standaardacties af. In sommige gevallen zal er behoefte zijn aan aanvullende acties van instellingen zoals het maatschappelijk werk, de Jeugdgezondheidszorg, verslavingszorg, reclassering etc. Om te komen tot goede afspraken over de inzet van standaard- en aanvullende acties, zodat een meer integrale, gecoördineerde aanpak van overlast door jongeren wordt gerealiseerd, dient er een procedure “aanpak overlast jeugd” te worden ontworpen. 6.Samenvatting ‘sociale samenhang/veiligheid, leefbaarheid wijken en kernen Wat willen we bereiken? De mogelijkheid van deelname aan de samenleving voor alle inwoners. Voldoende plekken/mogelijkheden in elke wijk/kern waar mensen elkaar kunnen ontmoeten. De (beleving van) overlast verminderen. Wanneer zijn we tevreden? Als alle inwoners daadwerkelijk de mogelijkheid hebben deel te nemen aan de samenleving. Als voldoende mogelijkheden tot ontmoeting bestaan en hier daadwerkelijk gebruik van wordt gemaakt. Overlast kan, op basis van een protocol, worden aangepakt. Wat doen we ervoor? 1.Ontmoetingscentra creëren in iedere wijk. 2.Een buurtboomgaard inrichten in Overveen. 3.Het bieden van een “digitale” marktplaats voor vraag en aanbod rond concrete noden van bewoners. 4.Het bevorderen van de toegankelijkheid openbare ruimte en gebouwen. 5.Overgaan tot vaststelling van een procedure ‘aanpak overlast jeugd’ en deze toepassen indien daartoe aanleiding bestaat. Daarnaast worden nog diverse actiepunten uit het Wmo-plan 2008-2011 uitgevoerd. Zie pagina
- Hoe gaan we het volgen/bewaken? Door jaarlijks te evalueren aan de hand van: -tevredenheidsonderzoeken; -veiligheidsmonitor; -de rapportage ‘Waar staat je gemeente’ . Tijdsplanning 2012 : Buurtboomgaard inrichten in Overveen. 2012 : Opzetten digitale marktplaats 2012 : Vaststellen procedure ‘aanpak overlast jeugd’. 2013-2015 : Overige punten Ad
- Vrijwilligerswerk
- Inleiding De vrijwillige inzet van burgers, zowel informeel en ongeorganiseerd als in georganiseerd verband, vormt een onmisbaar deel van de “civil society”. Met zijn vrijwillige inzet levert de burger actief een bijdrage. Hij geeft niet alleen zijn eigen meedoen vorm, maar draagt ook bij aan het meedoen van kwetsbare groepen. Het gaat hierbij nadrukkelijk niet alleen om vrijwillige inzet in de zorg, maar om vrijwillige inzet op alle terreinen van de samenleving. Vrijwilligerswerk is werk dat in enig georganiseerd verband, onverplicht en onbetaald, wordt gedaan voor anderen of voor de samenleving. Vrijwilligers zijn onmisbaar in de huidige samenleving. Het doel van het beleidsplan “Het maatschappelijk hart van Bloemendaal Vrijwilligerswerkbeleid Bloemendaal 2005 t/m 2010” is het structureel waarderen, ondersteunen en stimuleren van vrijwilligerswerk en mantelzorg in Bloemendaal. Deze doelstelling is overgenomen in het Wmo-beleidsplan 2008-
- Volgens een onderzoek van Arts en Te Riele, gepubliceerd door het CBS was in 2009 ruim 22 procent van de volwassen bevolking vrijwilliger. Mensen met betaald werk waren bijna even vaak vrijwilliger als mensen zonder betaald werk. Niet-werkenden besteedden echter bijna twee keer zoveel tijd aan vrijwilligerswerk. In ditzelfde onderzoek wordt vermeld dat als er een andere methode van uitvragen gebruikt wordt, te weten het Permanent Onderzoek Leef Situatie (POLS), het percentage vrijwilligers zelfs 2 keer zo hoog is namelijk 42%. Dat betekent dat in Bloemendaal tussen de 2.500 en 5.000 inwoners op enig moment vrijwilligerswerk doet. Als het gaat om het soort organisatie waarvoor mensen vrijwilligerswerk doen, zijn er verschillen tussen werkenden en niet-werkenden. Werkenden zijn vaker actief voor school, jeugd- en buurthuiswerk en voor sport-, hobby- en cultuurverenigingen, terwijl niet-werkenden zich juist verhoudingsgewijs vaak inzetten in de verzorging en voor religieuze organisaties. Zo zet bijna 6 procent van de niet-werkenden zich in voor organisaties in de zorg, tegenover 2 procent van de werkenden. Bij sport, hobby en cultuur gaat het juist om respectievelijk bijna 6 procent van de niet-werkenden en ruim 9 procent van de werkenden. Een vergelijkbaar beeld komt naar voren uit het POLS-onderzoek. Voor alle soorten organisaties geldt dat vrijwilligers zonder betaald werk bijna twee keer zoveel tijd aan vrijwilligerwerk besteden als vrijwilligers met betaald werk.
- Visie en centrale doelstelling In het beleidsplan Wmo 2012-2015 verandert niets in de doelstellingen van de oude beleidsplannen. Voor deze beleidsperiode geldt echter ook de verwachting dat het Rijk steeds verdergaande bezuinigingen door zal voeren op het gebied van zorg en welzijn. Daardoor zal er steeds meer druk komen te liggen op het vrijwilligerswerk in de zorg. De Kanteling en de aankomende decentralisaties zijn daar voorbeelden van. De verantwoordelijkheidsladder (zie blz. 18) gaat ervan uit dat eerst in de eigen omgeving van de hulpvrager gezocht moet worden naar oplossingen. Vaak wordt “sociale” zorg geboden door organisaties die met vrijwilligers werken. Dat is veelal in de vorm van huisbezoek, gezelschap bieden, begeleiding bieden en veel hand- en spandiensten verrichten. Vrijwilligerswerk is daarmee in feite één van de pijlers van het “gekantelde” denken. De inzet van de gemeente zal daarom steeds meer gericht worden op het promoten van vrijwilligerswerk. Dat zal onder andere gebeuren door actief voorlichtings- en wervingscampagnes te ondersteunen.
- Bestaande doelstellingen/activiteiten Waardering De gemeente toont haar waardering voor vrijwilligerswerk door elk jaar een vrijwilligersavond te geven en daarbij de vrijwilligersorganisatie van het jaar te laten kiezen. Dit beleid wordt voortgezet. Faciliteren De gemeente faciliteert en ondersteunt het vrijwilligerswerk door middel van subsidies. Vooral kleinere organisaties doen een beroep op een subsidie die aangevraagd kan worden voor het versterken van de organisatie, bijv. door het aanschaffen van een computer, voor PR, enz. Dit beleid wordt voortgezet. Werving van nieuwe vrijwilligers. Grotere organisaties als Welzijn Bloemendaal hebben daarvoor hun eigen methoden en de kosten worden gedekt door de subsidie die de gemeente verstrekt. Kleinere organisaties kunnen gebruik maken van de vacaturebank van de vrijwilligerscentrale, die gesubsidieerd wordt om te bemiddelen tussen vraag en aanbod. Dit beleid wordt voortgezet. De Vrijwilligerscentrale (VWC) is een (ver)bindende factor als het gaat om vrijwilligerswerk. VWC verricht zelf geen vrijwilligerswerk, ook al werken er wel vrijwilligers. Een opsomming van wat WVC doet voor vrijwilligers: VWC runt de vacaturebank, waar mensen kunnen zoeken naar vrijwilligerswerk van hun gading. Een van de taken daarbij is het informeren en adviseren over de soorten vrijwilligerswerk. VWC fungeert ook als makelaar voor vrijwilligerswerk in de vorm van maatschappelijk ondernemen. Daarbij kan gedacht worden aan bemiddeling tussen bedrijven, die, in plaats van een personeelsuitje, met het personeel een dag vrijwilligerswerk willen doen en instellingen die behoefte hebben aan een ploeg vrijwilligers. VWC regelt ook maatschappelijke stages voor scholieren op middelbare scholen. Leerlingen gaan bij een instelling een aantal uren werk doen. De vrijwilligerscentrale zoekt stage-plekken voor de scholieren en begeleidt scholen en instelling. Subsidiering van (de activiteiten) de Vrijwilligerscentrale wordt voortgezet.
- Nieuwe activiteiten/actiepunten De onderstaande ideeën/activiteiten zijn ingediend via het digitale Wmo-platform dan wel tijdens de door de portefeuillehouder gevoerde gesprekken met organisaties/particulieren. Het financieel bijdragen aan de ontwikkeling en het in standhouden van de vrijwilligersacademie, zoals uitgewerkt door de Vrijwilligerscentrale en ondersteund door meerdere vrijwilligersorganisaties. Het doelvan de Vrijwilligersacademie is het leveren van een bijdrage aan een breed, gevarieerd en kwalitatief goed scholingsaanbod voor vrijwilligers en beroepskrachten in alle sectoren die het vrijwilligerswerk ondersteunen. Bevorderen dat er in algemeen toegankelijke ruimten, zoals de bibliotheek, een vacaturewand ingericht wordt voor vrijwilligers. Daarbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld een “folderrek”. Pilot opstarten om coach-vrijwilligers op te leiden die ingezet kunnen worden om potentiële vrijwilligers, die nu wegens een beperking moeilijk te plaatsen zijn toch mee te laten doen. Dit heeft een meerzijdig effect: de beperkte vrijwilliger kan participeren / zinvolle besteding van vrije tijd hebben, de coach heeft zijn/haar zinvolle vrijwilligerstaak, de organisatie wordt geholpen. Vrijwilligerswerk kan gepromoot worden door duidelijk te profileren wie en wat een vrijwilliger is, bijvoorbeeld door een poster met Bloemendaalse vrijwilligers. Onderzoeken of de gemeentelijke website (of een ander medium, bijv. sandwichborden) ingezet kan worden om vrijwilligerswerk te promoten. Budget beschikbaar stellen voor reclames/advertenties in het Weekblad Kennemerland-Zuid. 5.Samenvatting ‘Vrijwilligerswerk’ Wat willen we bereiken? Vrijwilligers en hun organisaties worden ondersteund bij hun taak. De samenleving toont waardering voor vrijwilligers. Wanneer zijn we tevreden? We zijn tevreden als het ondersteuningsaanbod toereikend is. Wat doen we ervoor? 1.Up-to-date informatieverstrekking; 2.Op de vraag/behoefte afgestemde advisering; 3.Andere vormen van concrete ondersteuning; 4.Onderzoek naar / het opzetten van een Vrijwilligersacademie; 5.Onderzoek naar / het inrichten van een of meer ‘vacaturewanden’ ; 6.Onderzoek naar / het opstarten van een Pilot coach-vrijwilligers; 7.Promoten vrijwilligerswerk d.m.v. gemeentelijke website; 8.Onderzoek naar / het beschikbaar stellen van een reclame-/advertentiebudget t.b.v. vrijwilligers (in Weekblad Kennemerland-Zuid). Hoe gaan we het volgen/bewaken? Door: -Een periodiek tevredenheidsonderzoek. -Overleg met instellingen, aan de hand van jaarverslagen en evaluatie van rapportages. -Het stellen van subsidievoorwaarden en toezien op de naleving ervan. Tijdsplanning 2012: Het opzetten van een vrijwilligersacademie 2012: Het inrichten van vacaturewanden 2012: Het opstarten van een pilot coach-vrijwilligers 2013: Beoordeling en besluit tot voortzetting voorgaande punten 2013-2015: De overige punten Ad
- Mantelzorg
- Inleiding Mantelzorg is onbetaalde zorg aan een partner, ouder, kind, vriend, kennis of buur. Mantelzorgers geven deze zorg omdat zij een persoonlijke, emotionele band hebben met degene die zij verzorgen. De zorg loopt uiteen van het doen van boodschappen tot het wassen en aankleden van iemand. Vaak is de zorg langdurend en intensief en heeft deze zorg een grote impact op het sociale leven van mantel-zorgers. Mantelzorgers vinden het geven van zorg vanzelfsprekend. Enerzijds omdat zij de relatie met hun naaste in stand willen houden, anderzijds omdat ze het als een intrinsieke plicht voelen om voor de ander te zorgen. Mantelzorg hoort bij het leven en zolang de belasting van de mantelzorger niet te hoog is, ervaren velen het als een verrijking van het leven. Het wordt anders als mensen buiten de mantelzorg geen leven meer kunnen hebben. Ruim 200.000 mantelzorgers voelen zich zwaar belast of overbelast (Bron: presentatie SCP 10 november 2008). Mantelzorgers zijn van onschatbare waarde. We moeten zuinig zijn op onze mantelzorgers en ze morele en concrete steun bieden. Ook maatschap-pelijk gezien, zijn mantelzorgers goud waard. Als professionals alle zorg die mantelzorgers verlenen, over zouden moeten nemen, zou dat een enorme kostenpost zijn.
- Ontwikkelingen Een aantal maatschappelijke en politieke ontwikkelingen heeft gevolgen voor de druk op de mantelzorg: De extramuralisering en het steeds meer scheiden van wonen en zorg geeft bij mensen thuis complexe zorgsituaties, vaak zelfs complexer dan in een verpleeghuis. Door de vergrijzing is er overigens ook een grote groep vitale en actieve ouderen, de zogenaamde 'zilveren kracht', inzetbaar. In de huidige kabinetsperiode vinden er drie grote decentralisaties plaats (Jeugdzorg, AWBZ-begeleiding en Werken naar vermogen), die samenhang vertonen wat betreft de doelgroepen en de aard van de ondersteuning die nodig is. Er is een toenemend gebruik van digitale media en domotica (woonzorgtechnologie). Door de bezuinigingen streeft men naar betaalbare maatschappelijke ondersteuning en activering. Mantelzorg is van onschatbare waarde Mantelzorg is van economische en morele waarde en als zodanig een essentieel onderdeel van de zorgketen. Vanuit die invalshoek moeten de mogelijkheden en grenzen van de mantelzorger meege-nomen worden in het bepalen van de ondersteuning van zowel de mantelzorger als de zorgvrager. Deze visie op mantelzorgondersteuning past bij de gekantelde WMO-gedachte, namelijk dat de behoefte van de mensen leidend is. Ook andere WMO-uitgangspunten worden zo versterkt, zoals samenhang tussen welzijn, wonen en zorg, een wijkgerichte benadering, versterking van het lokaal netwerk en stimulering van de zelfredzaamheid. Cijfers: ‘Mantelzorg uit de doeken’, SCP 8 februari 2010 Het grootste deel van de zorg in Nederland wordt gegeven door mantelzorgers: van alle zorg in Nederland wordt 75% gedaan door mantelzorgers, 20% door professionals en 5% door vrijwilligers. Mantelzorgers voorkomen dat mensen worden opgenomen in het ziekenhuis of verzorgings- of verpleeghuis. In Nederland verrichten bijna drie miljoen mensen (ongeveer 19% van de bevolking) mantelzorg. Driekwart van deze mensen zorgt langer dan drie maanden voor een ander, gemiddeld ruim vijf jaar. De meerderheid verleent meer dan acht uur per week hulp. Het grootste deel (42%) van de mantelzorgers zorgt voor een (schoon)ouder, gevolgd door zorg voor een partner (20%), kennis/vriend (11%), kind (9%), ander familielid (10%), buur (5%)of anders (2%). Uit de meest recente gegevens van het SCP blijkt ook dat de meeste mantelzorg gegeven wordt door volwassenen in de leeftijdscategorie 45-54 jaar. Van de mantelzorgers is een aanzienlijk deel tussen de 12 en 18 jaar. Naar schatting draagt zo’n 10% van alle thuiswonenden kinderen van 12 jaar en ouder (mede) zorg voor een langdurig ziek familielid. Exacte cijfers van deze groep ontbreken echter. Vrouwen geven beduidend vaker mantelzorg dan mannen: 61% tegen 39%. Uit het SCP onderzoek komt naar voren dat 22% van de mantelzorgers zich niet belast voelt, 33% licht belast (ze hebben een voortdurend plichtsgevoel), 28% matig belast (zij ervaren problemen met het combineren van taken) en 17% ernstig belast (dat wil zeggen overbelast). De belasting neemt toe als mensen veel hulp geven over een langere periode (meer dan 8 uur per week, langer dan drie maanden). De beleving van de mantelzorgers zelf is ook van belang voor de ervaren belasting. Mantelzorgers die geen alternatief zien voor de situatie en die geen hulp durven inroepen, ervaren relatief de grootste belasting. Allochtonen komen in deze categorie relatief vaker voor. Uit het SCP-onderzoek komt ook naar voren dat het feitelijke gebruik van mantelzorgonder-steuning ver achter blijft bij de behoefte. Oorzaken hiervoor zijn: onbekendheid waar de voorziening is te verkrijgen (38%), verwachten niet in aanmerking te komen (16%), niet urgent genoeg en nog niet aan toegekomen (13%) en de voorziening sluit niet aan bij de behoefte (12%).
- Mantelzorgers in Bloemendaal De gemeente Bloemendaal subsidieert Tandem en Platform Belangenbehartiging Mantelzorg (PBM) om mantelzorgers te ondersteunen en hun vragen te verhelderen en te beantwoorden. In 2011 zijn bij Tandem 298 mantelzorgers uit Bloemendaal geregistreerd en bij PBM zijn150 mantelzorgers bekend. Uit gesprekken met mantelzorgers en hun ondersteuners blijkt dat Tandem zich vooral richt op de ondersteuning van de groep mantelzorgers die zich overbelast voelt, terwijl de groep die bekend is bij PBM vooral behoefte heeft aan lotgenotencontact. Toch zou volgens landelijke schattingen de groep mantelzorgers in Bloemendaal vele malen groter moeten zijn dan de bij Tandem geregistreerde groep en zou ook de overbelaste groep tweemaal zo groot zou zijn. Uit de enquête ‘Evaluatie Wmo-plan 2008-2011’ en uit gesprekken met mantelzorgers en hun ondersteuners blijkt dat mantelzorgers ook in 2011 nog te weinig zichtbaar zijn en de mogelijkheden voor mantelzorgondersteuning nog te weinig bekend. Doel Het doel is ervoor te zorgen dat mantelzorgers de erkenning krijgen die ze verdienen en dat zij de weg naar ondersteuning vinden voordat zij overbelast zijn. De eigen kracht van mantelzorgers is uitgangs-punt voor oplossingen voor hun behoefte aan ondersteuning.
- Bestaande doelstellingen/activiteiten Waardering De gemeente toont haar waardering voor mantelzorgers door jaarlijks de dag van de mantelzorg te vieren en de bij Tandem geregistreerde mantelzorgers een kleine attentie te schenken. Dit zal gecontinueerd worden. Ondersteuning faciliteren De gemeente faciliteert en ondersteunt mantelzorgorganisaties door middel van subsidies. Er zijn meerdere organisaties die zich inzetten voor mantelzorgers. Zij bieden vooral ondersteuning, geven raad, zijn goed thuis in de zorgwereld, bieden lotgenotencontact en nog veel meer. Vaak hebben zij ook de beschikking over een team van beroepskrachten. Tandem en PBM zijn de organisaties die door de gemeente worden gesubsidieerd om deze diensten aan Bloemendaalse mantelzorgers te bieden. Subsidiering van de ondersteunende instellingen dient gecontinueerd te worden. Informatie over ondersteuning verbeteren Lang niet iedereen herkent zichzelf als mantelzorger. Men vindt het vanzelfsprekend dat men zorgt voor zijn partner, kind, ouder, familielid, vriend of kennis. Evenmin leeft het besef dat men informatie of ondersteuning kan krijgen, als het even (te) zwaar is, of men weet niet waar men terecht kan. Daarom is in 2010 een campagne gestart om meer bekendheid te geven aan Tandem, de organisatie die door de gemeente wordt gesubsidieerd om deze ondersteuning te bieden. Dat heeft geleid tot een groei van 73 naar 298 mensen die bij Tandem geregistreerd zijn. Gezien de landelijke cijfers zijn er naar alle waarschijnlijkheid alleen al twee maal zo veel mantelzorgers die zich overbelast voelen. Over jonge mantelzorgers is nog steeds weinig bekend. Inzicht verkrijgen in moeilijk bereikbare mantelzorgers Het probleem van de onvindbare of onbereikbare mantelzorgers is niet uniek voor Bloemendaal. Alle regiogemeenten signaleren hetzelfde. Daarom is er in 2009 besloten om een regiegroep mantelzorg in te richten waarin regiogemeenten en organisaties, die op enigerlei wijze bij mantelzorg betrokken zijn, gezamenlijk overleggen hoe dit probleem regionaal aan te pakken. In deze regiegroep wordt vooral aandacht besteed aan specifieke doelgroepen die extra moeilijk te bereiken zijn, zoals jonge mantel-zorgers, allochtone mantelzorgers, werkende mantelzorgers en mantelzorgers voor mensen met een psychisch probleem. Daarmee wordt een brug gelegd naar de kleine doelgroepen, jeugdbeleid, ouderenzorg, geheel in lijn met de gedachte van de WMO. Het ingezette beleid wordt in het volgende tijdvak gecontinueerd.
- Intensivering beleid Uit de evaluatie van het WMO-beleidsplan 2008-2011 blijkt echter dat mantelzorgers (van alle leeftijden) nog onvoldoende in beeld zijn. De ondersteuning van mantelzorgers behoeft daarom in het nieuwe plan nog meer aandacht. Een mantelzorger heeft een onontkoombare zware baan, die er opeens is en nooit ophoudt, ook als betrokkene opgenomen is in een instelling. Toch is mantelzorg ook een individuele keuze, vanwege de morele kant weliswaar een moeilijke keuze. Mantelzorgers hebben behoefte aan maatwerkoplossingen, zodat zij ook daadwerkelijk een keuze voor hun mantelzorgtaak kunnen maken. De mantelzorger heeft behoefte aan het versterken van de eigen kracht, zodat er een goed evenwicht is in draagkracht en draaglast, als gevolg waarvan de verzorgde langer zelfstandig kan blijven functioneren. Mantelzorg is geen verplichting, het moet altijd mogelijk zijn om professionele zorg in te schakelen. Mantelzorgers missen vanwege de onzichtbaarheid en vanzelfsprekendheid erkenning en in een aantal gevallen een luisterend oor. Mantelzorgondersteuning is het geheel aan voorzieningen en diensten dat direct of indirect gericht is op het verminderen van de draaglast en vergroten van de draagkracht van mantelzorgers.
- Nieuwe activiteiten/actiepunten a. Bereiken van mantelzorgers Mantelzorgers klagen niet snel en zoeken niet snel hulp, vaak omdat zij ervan overtuigd zijn dat ze het best zelf kunnen regelen. Soms houdt de hulpbehoevende partner ook hulp tegen, omdat hij of zij geen vreemden in huis wil. Bovendien is er de angst dat beroepskrachten de regie overnemen. SCP concludeert in haar rapport 'Iemand moet het doen; ervaringen van verzorgers van partners' (oktober 2010) dat artsen en andere hulpverleners moeten meer aandacht besteden aan mensen die hun zieke partner verzorgen. Zij moeten de problemen van deze mantelzorgers opmerken, nagaan of deze mensen het nog trekken en ze de weg wijzen. Op de volgende wijzen kunnen mantelzorgers ’bereikt’ worden: * Meer bekendheid, deskundigheid en betrokkenheid bij de 1e lijn (huisarts, Wmo-consulent, thuiszorg) en 2e lijn (specialisten) tot stand brengen door ronde tafel gesprekken tussen deze professionals en mantelzorgers te organiseren. Toelichting: veel mantelzorgers zorgen liefst anoniem en in stilte voort, omdat men de hulpmogelijkheden niet kent of omdat men zich niet aangesproken voelt. Tegelijkertijd is bekend dat overbelasting met goede ondersteuningsvormen te voorkomen is of te verlichten. * Een meer outreachende en directe manier van werken organiseren, waarbij mantelzorgconsulenten of buurtcoaches de vijf kernen op buurtniveau ingaan om het ondersteuningsaanbod te promoten en ondersteuningswensen te inventariseren. Toelichting: Een aantal specifieke groepen mantelzorgers is extra moeilijk te bereiken, zoals jonge mantelzorgers, allochtone mantelzorgers en mantelzorgers voor mensen met een psychisch probleem, de zogenaamde kleine doelgroepen. * Aansluiten bij regionale creatieve projecten, zoals het VO-scholenproject van Tandem, om in contact te komen met jonge mantelzorgers. * Regisseren samenwerkingsverband mantelzorg voor mensen met psychische problemen. b. Erkennen van mantelzorgers * Zichtbaarheid vergroten door regelmatig, bijvoorbeeld een keer per jaar, campagnes over mantelzorg te organiseren. c. Ondersteunen van mantelzorgers * Verbeteren informatie- en adviesverstrekking aan mantelzorgers en intermediairs door de vraag van mantelzorgers te verhelderen, ze goed de weg te wijzen en kennis van oplossingen en mogelijk- heden op een creatieve manier op maat aan te reiken, in ieder geval via het Wmo-loket, maar ook via outreachende hulpverleners. * Organiseren van praktische deskundigheidsbevordering ten behoeve van mantelzorgers zelf, zoals tilcursussen. * Naast praktische ondersteuning, ook organiseren van geestelijke ondersteuning voor mantelzorgers, bijvoorbeeld door een luisterend oor. * Zorgen voor goede afstemming met en tussen professionele instellingen, die intermediaire taak ligt vaak bij de mantelzorger. * Zorgen voor goede samenwerking tussen de mantelzorg en professionele instellingen als de thuiszorg, verzorgings- en verpleeghuizen. * Zorgen voor goede signaleringsystemen om overbelasting bij mantelzorgers te voorkomen. * Ontwikkelen van familiebeleid in de 1e en 2e lijn zorg en gezondheidszorg. * Zorgen voor voldoende respijtzorg op maat. * Zorgen voor voldoende professionele mensen en continuïteit in de professionele zorg, zodat mantelzorgers en betrokkenen daarop kunnen vertrouwen. De beschrijvingen van acties uit a, b, en c zijn in de samenvatting gebundeld tot 7 actiepunten. 7.Samenvatting ‘Mantelzorg’ Wat willen we bereiken? mantelzorgers en hun organisaties worden ondersteund bij hun taak. De samenleving toont waardering voor mantelzorgers. Wanneer zijn we tevreden? We zijn tevreden als het ondersteuningsaanbod toereikend is en hierin voldoende mate gebruik van wordt gemaakt. Wat doen we ervoor? 1.Up-to-date informatieverstrekking 2.Op de vraag/behoefte afgestemde advisering 3.Bereiken van mantelzorgers door deskundigheidsbevordering bij 1e en 2e lijnszorg; 4.Ondersteuning steviger en gestructureerder aanbieden; 5.Regionale samenwerking; 6.Promoten mantelzorgondersteuning d.m.v. gemeentelijke website; 7.Aanbod respijtzorg vergroten. Hoe gaan we het volgen/bewaken? Door: -Een periodiek tevredenheidsonderzoek. -Overleg met instellingen, aan de hand van jaarverslagen en evaluatie van rapportages. -Het stellen van subsidievoorwaarden en toezien op de naleving ervan. Tijdsplanning Met alle punten wordt in 2012 gestart. B. Programmalijn ‘Opvoeden en opgroeien’
- Inleiding In Bloemendaal wonen ca. 6.000 jongeren van 0 tot 25 jaar. Het jeugdbeleid is continu in beweging, trends en ontwikkelingen volgen elkaar snel op en vragen veelvuldig om doorontwikkeling van bestaand beleid en uitvoering. Belangrijk is dat het beleid aansluit bij de tijd waarin we leven en antwoord geeft op de vragen waarvoor de gemeente de komende tijd zal komen te staan. Het thema opvoeden en opgroeien staat hoog op de maatschappelijke agenda. Alom wordt beseft dat wat er in de opvoeding en in de ontwikkeling van kinderen en jongeren gebeurt grote gevolgen heeft, niet alleen voor die kinderen en jongeren zelf, maar ook voor de samenleving. Wat is de rol van de gemeente? De gemeente heeft als taak te zorgen voor een sluitende jeugdketen en draagt tevens zorg voor een samenhangend aanbod van voorzieningen en activiteiten op het terrein van de jeugd. Ook is het een taak van de gemeente om het aanbod af te stemmen op de vragen en behoeften van de Bloemen-dalers. De inbreng van ouders en jongeren (vooral de ”lastige” jongeren en ouders), de bijdrage van vertegenwoordigers van basisscholen en VO-scholen, de peuterspeelzalen, het jongerenwerk en de kinderopvang vormen belangrijke input bij de beleidsvorming. Sinds 2005 zijn de volgende beleidsnota’s op het gebied van het jeugdbeleid vastgesteld en in uitvoering gebracht: De nota jeugd (corsanummer 2005002195). “Wat er ook speelt in Bloemendaal, laat het vooral de kinderen zijn”. Nota preventie opvoedingsproblematiek in Bloemendaal (corsanummer 2007005286). Nota Centrum Jeugd en Gezin en de Jeugdketen in Bloemendaal (corsanummer 2008017644). De nota volksgezondheid (vooral gericht op de jeugd) 2010-2013 (corsanummer2009025075). Hiernaast is in dezelfde periode het beleidsplan WMO 2008-2011 vastgesteld. Omdat het Wmo- beleidsplan en het beleid met betrekking tot de jeugd elkaar gedeeltelijk overlappen, is besloten om de hoofdlijnen van het jeugdbeleid op te nemen in het WMO beleidsplan 2012-
- Genoemd tijdvak zal vooral in het teken staan van: de transitie van de gehele jeugdzorg naar de gemeente; de doorontwikkeling van het Centrum voor Jeugd en Gezin, de toekomstige front office van de jeugdzorg. Het kabinet Rutte heeft het besluit genomen de Jeugdzorg grondig te gaan verbouwen. Om veel problemen in samenhang aan te pakken, is het beleid erop gericht om de gehele jeugdzorg onder gemeentelijke regie te brengen. Het regeerakkoord van het kabinet Rutte stelt dat alle taken op het gebied van de jeugdzorg (de provinciale jeugdzorg, de jeugdreclassering, de jeugdbescherming, de licht verstandelijk jong gehandicapten, de gesloten jeugdzorg en de jeugd-ggz) in de periode vanaf 2012- 2016 gefaseerd overgaan naar de gemeente. Het nieuwe beleid is erop gericht de bestuurlijke en financiële verantwoordelijkheid voor deze voorzieningen bij de gemeente neer te leggen. Dat is complex, ingrijpend en veelomvattend. Maar dat niet alleen. De verbouwing is niet bedoeld om “slechts” financieringsstromen en bestuurlijke verantwoordelijkheden te verleggen, maar deze juist te laten volgen op de inhoudelijke omslag. Het gaat er om deze inhoudelijke slag te maken, gericht op minder inzet van gespecialiseerde opvangvoorzieningen voor kinderen en jongeren (exclusie van jongeren) en meer inzet van voorzieningen om de opvoeding in de eigen sociale context te versterken (inclusie van jongeren). Overeenkomstig het regeerakkoord zullen de decentralisaties gepaard gaan met maximale beleidsvrijheid en minimale verantwoordingsverplichting en het wegnemen van onnodige bureaucratie. De uitvoeringsruimte van de gemeenten wordt vergroot door af te zien van uitgebreide kwaliteitseisen en dichtgetimmerde regelingen. Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van de (democratische) controle. Hoe bereidt de gemeente zich voor op de transformatie van de jeugdzorg? Vanuit welke visie dient er gewerkt te worden? Dient er een wijziging in pijlers van jeugdbeleid plaats te vinden? Welke dan? Hoe moet het CJG zich doorontwikkelen? Zijn er mogelijkheden om de instellingen beter met elkaar te laten samenwerken? Deze vragen worden in de komende periode beantwoord.
- Wettelijk kader, visie en centrale doelstelling Het wettelijk kader voor het jeugdbeleid wordt gevormd door de Wet op de Jeugdzorg, waarin het basismodel en de totstandkoming van de Centra voor Jeugd en Gezin (CJG) is geregeld en de Wmo, waarin de vijf functies van het preventief jeugdbeleid zijn bepaald. Deze functies zijn informatie en advies, signalering, toeleiding tot hulpverlening, pedagogische hulp en zorgcoördinatie. Deze functies dienen – in samenhang - uitgevoerd te worden in het CJG. De gemeente heeft de regie op de jeugdketen en moet ervoor zorgen dat er goede afspraken met de instellingen (zie blz. 50, onder lokale ontwikkelingen) worden gemaakt en gehandhaafd zodat de keten sluitend wordt. Dit wordt door de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkelingen als volgt gekenschetst: “Opvoeden is de afgelopen decennia steeds meer een individuele aangelegenheid geworden. Ouders ervaren steeds minder onderlinge steun bij de opvoeding van hun kinderen. Traditionele steunstructuren of gemeenschappen zoals kerk, buurschap en verenigingsleven waar mensen elkaar ontmoeten en steunen zijn grotendeels verdwenen. Dit heeft te maken met allerlei maatschappelijke ontwikkelingen zoals verhuisbewegingen, scheiding van woon- en werkomgeving, invloed van sociale media als socialisatieomgeving, de veranderende rol van de pedagogische basisvoorzieningen (meer verzakelijking, minder ruimte voor betrokkenheid) en de secularisering en daarmee gepaard gaande ontmanteling van het verenigingsleven. De informele netwerken van gezinnen zijn door deze ontwikkelingen verdund. Daarvoor in de plaats zijn formele instituties gekomen als kinderopvang, peuterspeelzalen, onderwijs en sport. Deze relaties zijn over het algemeen minder duurzaam en persoonlijk dan informele relaties en kunnen het wegvallen van informele netwerken dan ook niet compenseren”. Voor de achterliggende visie wordt aansluiting gezocht bij het concept van de “Pedagogische civilsociety” van het Nederlands Jeugdinstituut en de Universiteit van Utrecht. In deze visie is de sociale samenhang cruciaal voor het opgroeien en opvoeden van kinderen en jongeren en is het essentieel om de kracht van netwerken en de voorzieningen rond het kind en het gezin te versterken. De “Pedagogische civil society” heeft betrekking op de betekenis die (vrijwillige)verbanden van organisaties en burgers en de onderlinge betrokkenheid kan hebben voor opvoeden en opgroeien. De veronderstelling is dat een sterke “Pedagogische civil society” een positieve invloed heeft op het opvoedingsklimaat. De Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling en de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg noemen deze sociale opvoedomgeving, waarin sprake is van gevoelswarmte en betrokkenheid, ‘de village’. ‘It takes a village to raise a child” heeft Hillary Clinton jaren geleden al gezegd. In Bloemendaal kan ‘the village’ letterlijk genomen worden. Vanuit de regierol van de gemeente is het een mooie uitdaging om de samenhang tussen de Bloemendaalse instellingen te bevorderen. In deze context is er, naast de rol van ouders en opvoeders, ook een rol voor de scholen, de kinderopvang, de peuterspeelzalen en de (sport)verenigingen. Zij kunnen vanuit hun rol als ‘medeopvoeder’ ouders steunen in hun verantwoordelijkheid voor de opvoeding. Voor ouders is dit van grote betekenis omdat zij zich hierdoor gesteund voelen in hun rol als ouder en een gevoel van gedeelde verantwoordelijkheid voor het kind (kunnen) voelen. De sociale opvoedomgeving kan verschillende functies hebben. Zij is: * medeopvoeder als kinderen buiten ouderlijk toezicht zijn; * een ruimte voor kinderen om even te ontsnappen aan ouderlijk toezicht; * tot steun voor ouders bij onzekerheden, vragen of problemen in de opvoeding, maar ook over wat goed is en wat niet, en over wat mag en wat niet mag; * een hulp voor ouders als zij daar behoefte aan hebben; * een vanzelfsprekende bron van kennis en kunde zijn waar het opgroeiende kinderen en opvoeden betreft. Als “the village” goed werkt, zullen ouders minder vaak een beroep doen op autoriteiten. De opvoedkundige kwaliteit van de leefomgeving is van belang voor de burgerschapsvorming en kan bijdragen aan preventie: het voorkomen en vroeg signaleren van problemen als kindermishandeling, jeugdcriminaliteit en jongerenoverlast. Het belang van de versterking van de pedagogische civil society is dus groot en de vraag is welke rol de overheid hierin kan spelen. Uitgangspunt is dat de gemeente zich niet bemoeit met de sociale netwerken van de gezinnen. Wel kan de gemeente vanuit een voorwaardenscheppende rol de onderlinge betrokkenheid tussen en de sociale steun aan ouders en jeugd versterken. Het beleid richt zich daarom op de volgende pijlers: Kansen voor ontmoeting creëren en verbindingen tussen mensen stimuleren. De dialoog over opvoeden stimuleren. Stimuleren dat de blik van professionals wordt verbreed van alleen “het gezin” naar “het gezin en de sociale omgeving”. Jongerenparticipatie. Verbetering van de pedagogische buurtkwaliteit. Met het vernieuwde (preventieve) jeugdbeleid richt de gemeente zich op de ondersteuning van de gewone gezonde positieve ontwikkeling van alle kinderen en jongeren. Via de versterking van de pedagogische civil society steunt de gemeente gezinnen in hun belangrijke taak in opvoeding en samenleving en zet sterk in op het voorkómen van problemen. Daarnaast is het uiteraard ook van groot belang dat wordt ingegrepen als het moet zodat ongewenste situaties niet ontstaan of blijven voortbestaan. Ook dit aspect dient in het beleid nadrukkelijk tot uiting te komen. Het vernieuwde Bloemendaalse jeugdbeleid gaat uit van de levensloopbenadering. Deze benadering is behulpzaam bij het vaststellen van de aard en omvang van de behoefte van jongeren en ouders aan ondersteuning. Zo vraagt elke levensfase om een andere mate van ondersteuning en verschuift daarmee ook de rol van de overheid en de instanties. In de baby en peutertijd zijn kinderen volledig aangewezen op ondersteuning van hun omgeving. Ouders, consultatiebureau maar ook peuterspeelzaal en kinderdagverblijf bieden die ondersteuning. Vanaf hun vierde is de juf of meester van grote invloed op het welbevinden van het kind. Tot het twaalfde levensjaar is de invloed van ouders en medeopvoeders zoals docenten maar ook bijvoorbeeld de voetbal– of hockeytrainer groot. Met het ouder worden, neemt ook de invloed van leeftijdsgenootjes toe. Op de middelbare school en vooral in de puberleeftijd is de invloed van vrienden zeer groot. Meer en meer ontdekken jongeren wie ze zijn en komen ze los van het ouderlijk gezag. Als de jongeren op eigen benen staan, is de behoefte aan ondersteuning over het algemeen minder. De pedagogische civil society draagt bij aan de centrale doelstelling: De Bloemendaalse jeugd optimale kansen geven om op te groeien, zich te ontwikkelen en te ontplooien zodat zij nu en later actief kunnen deelnemen aan de samenleving.
- Opvoeden en opgroeien. Algemeen Als jongeren problemen hebben, dan kunnen ze daarvoor over het algemeen terecht bij hun ouders en vrienden en vriendinnen. Ouders en opvoeders ervaren in Bloemendaal over het algemeen geen onoverkomelijke problemen bij de opvoeding van hun kinderen. Dit betekent niet dat “opvoeden en opgroeien” geen thema is in Bloemendaal, integendeel. De lat ligt in Bloemendaal voor ouders én jongeren hoog. Ouders en verzorgers hebben behoefte aan (in)formele steun bij de opvoeding en jongeren hebben behoefte aan een positief opgroeiklimaat in de wijk. Het is normaal en goed om met elkaar over opvoeden te praten. Iedereen, zowel professional als niet - professional, levert een bijdrage als het nodig is. Dat kan in de buurt, rond de school of langs de zijlijn van het sportveld. De voorwaarden voor het versterken van de pedagogische kwaliteit in de buurt kunnen gecreëerd worden door: • kansen voor (digitale) ontmoeting te scheppen en verbindingen te stimuleren tussen mensen; • de (digitale) dialoog over opvoeden te stimuleren; • te stimuleren dat, bij hulpverlening aan het gezin, ook de sociale omgeving wordt betrokken. Landelijke trends en ontwikkelingen De afgelopen jaren is er op het gebied van opvoeden en opgroeien veel nieuw beleid ingezet. Onder verantwoordelijkheid van het ministerie van Jeugd en Gezin zijn de Centra voor Jeugd en Gezin ontwikkeld, zijn de Verwijsindex voor Risico Jongeren en het Digitaal dossier Jeugdgezondheidszorg ingevoerd. Ook het huidige kabinet heeft vele ambities op het terrein van de jeugd. Het kabinet vindt het belangrijk mensen te stimuleren om zelf initiatieven te nemen. Ouders moeten kunnen aankloppen bij familie en vrienden voor vragen over opvoeding en als dat niet gaat bij de Centra voor Jeugd en Gezin. Zo wordt voorkomen dat normale opvoedvragen ook meteen zorgvragen worden. In overleg met ouders, maatschappelijke organisaties en gemeenten wil het kabinet de kwaliteit van het 'gewone' opvoeden agenderen om zodoende een veilige en stimulerende opvoedcontext binnen en buiten het gezin te versterken, waarmee uitval naar speciale voorzieningen zoveel mogelijk wordt voorkomen. De eerste verantwoordelijkheid voor een samenhangend en ontwikkelingsgericht jeugdbeleid ligt bij de gemeenten. De positie van kwetsbare jongeren wordt beïnvloed door verschillende maatregelen uit het Regeerakkoord, zoals de stelselherziening jeugdzorg en de bijstelling passend onderwijs. Hoewel deze maatregelen door de regering nog verder moeten worden uitgewerkt, wordt er in deze beleidsnota al wel op ingegaan. We zien dat ook de media inspelen op de behoefte van ouders aan informatie. Zowel het aanbod aan tijdschriften als televisieprogramma’s over opgroeien en opvoeden is omvangrijk. Ook is sprake van een toename van het aanbod van populaire boeken over dit thema, is er belangstelling voor lezingen van auteurs of pedagogen op dit gebied en vergeet vooral de steeds groter wordende rol van de social media niet. Ontwikkelingen CJG Binnen het thema opvoeden en opgroeien is het Centrum voor Jeugd en Gezin een belangrijk instru-ment. Het CJG is een netwerkorganisatie, geregisseerd door de gemeente, en richt zich op kinderen en jongeren tot 23 jaar, hun ouders en professionals. Binnen het CJG Bloemendaal is een CJG coördinator aangesteld, het consultatiebureau gerealiseerd, de front office gerealiseerd en wordt nauw samen-gewerkt met o.a. het maatschappelijk werk, de jeugdgezondheidszorg, bureau Jeugdzorg, het jonge-renwerk, de scholen, OOK pedagogische expertise groep en de Jeugdriagg. Hiernaast heeft de GGZ door middel van de mindfulness trainingen, de yoga, de kinderyoga en de verloskundigen een plek gekregen. De relatie met de kinderopvang en de peuterspeelzalen zal nog versterkt dienen te worden. De samenwerking met Heemstede, Zandvoort en Haarlemmerliede/Spaarnwoude en Haarlem is o.a. bevestigd in het regio overleg jeugd. Inmiddels krijgen de meeste CJG- medewerkers van zowel Heemstede als Bloemendaal een training door “De Jeugdzaak” over de basisgedachte van het CJG: “1 gezin,1 plan”. Voor de aanpak “1 gezin, 1 plan” moet gekozen worden als er verschillende hulpverleningsinstanties bij een gezin betrokken zijn. De beroepskrachten moeten van elkaar weten wat ze doen. Daarbij moet één van hen het overzicht houden en de coördinatie van zorg op zich nemen, zodat zowel de gezinsleden als de hulpverlener één aanspreekpunt hebben. Hierbij hanteren de hulpverleners op passende wijze het privacyreglement van het Ministerie van VWS, waarbij het o.a. van groot belang is dat de hulpverleners niet over de jongere en/of het gezin praten maar met de jongere en/of het gezin en informatie delen. De gemeente faciliteert de samenwerking met de kern- en ketenpartners, de doorontwikkeling van het CJG door middel van regievoering en de financiering. Ter bevordering van het werken in het CJG is sinds de opening veel aandacht besteed aan de deskundigheidsbevordering van en het op uniforme wijze werken binnen het team. Hierbij streven we naar een outreachende werkwijze (‘naar de mensen toegaan’), uitgaande van “1 gezin, 1 plan”. Vanuit het CJG is samenwerking met het onderwijs. De samenwerking met het basis- en voortgezet onderwijs is sinds het schooljaar 2010-2011 vorm gegeven via de zorg(advies) teams. De komende period