Nota beroepen en bedrijven aan huis Doel: Deze nota tracht tot een gemeentelijk beleidskader te komen voor beroepen en bedrijven aan huis. De nota probeert daarbij inzicht te verschaffen in de bestaande problematiek die speelt bij de “rekbaarheid” van de bestemming “woondoeleinden” met daaraan gekoppeld de vraag of (en zo ja, in hoeverre) een “aan huis verbonden beroep”, een “aan huis verbonden bedrijf” en “vrije beroepen” bij recht zijn toegestaan binnen de bestemming woondoeleinden. Vanuit deze problematiek wordt een opzet gemaakt voor nieuw beleid. De bedoeling is de beleidsnota om te zetten in een parapluregeling voor bestemmingsplannen. Waar hebben we het over?: De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in meerdere uitspraken reeds bepaald dat als er niets is geregeld in het bestemmingsplan over (vrije) beroepen en bedrijven aan huis, de woonbestemming ruimte laat voor dergelijke activiteiten, mits de woonfunctie primair blijft (niet “ondersneeuwd”). Dus op het moment dat er in het bestemmingsplan alleen de woonbestemming is geregeld, zijn er bij recht activiteiten toegestaan die beleidsmatig misschien niet wenselijk zijn. Ook zijn er in onze bestemmingsplannen verschillenende regelingen van kracht zodat er rechtsongelijkheid heerst. Om interpretatieverschillen bij woonbestemmingen te voorkomen is het raadzaam met een eenduidige regeling te komen. Juridische status van de nota Deze nota bevat beleidsregels op grond van de Algemene Wet Bestuursrecht (artikel 4:84); het betreft tevens een interne nota die als basis moet dienen voor een parapluregeling bestemmingsplannen. Immers, zolang het bestemmingsplan blijft gelden, gaat deze altijd vóór een beleidsnota. Datgene wat met de beleidsnota getracht wordt te bereiken kan nog worden doorkruist door een bestaand bestemmingsplan. Om één uniforme regeling te treffen is het dus zaak dat deze nota juridisch wordt verankerd in alle relevante bestemmingsplannen. Inspraak Om een breed draagvlak te krijgen zal de nota worden behandeld in de raadscommissie Grondgebied als ook ter inzage worden gelegd voor een ieder ten behoeve van inspraak. Ruimtelijke afbakening De nota heeft betrekking op de bestemming “wonen” in bestemmingsplannen, zowel in de kom als het buitengebied. Definiëring/omschrijving begrippen Vrij beroep Als omschrijving is door de (voormalige) Afdeling rechtspraak van de Raad van State gegeven: “professionele dienstverlening voornamelijk bestaande uit hoofdarbeid, waarbij gebruik wordt gemaakt van verworvenheden verkregen door een academische opleiding”. In gangbaar taalgebruik wordt “vrij beroep” gebruikt voor onder meer arts, architect, tandarts, accountants, advocaat en notaris. Aan huis verbonden beroep Een gangbare definitie van dit begrip is; Een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend. Aan huis verbonden bedrijf Een gangbare definitie van dit begrip is; “Het bedrijfsmatig verlenen van diensten of het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid door middel van handwerk, waarvan de omvang in een woning past en met behoud van de woonfunctie kan worden bedreven”. De bestemming wonen Vanuit een goede ruimtelijk ordening geredeneerd (artikel 10 Wet op de Ruimtelijke Ordening) zijn woningen/woongebieden hoofdzakelijk bedoeld voor de functie wonen. De gemeente kan daarnaast in haar bestemmingsplannen bepalen dat in ondergeschikte zin overige niet-belastende (beroeps- of bedrijfsmatige) functies zijn toegestaan. Het ontstaan van zelfstandige activiteiten (bedrijven) in een woning of bijgebouwen kan ongewenst zijn omdat deze het risico met zich mee kunnen brengen dat een en ander ten koste gaan van het woongenot van de omgeving c.q. afbreuk doen aan de ruimtelijke kwaliteit en uitstraling van de woonomgeving. Zaken als geluidsoverlast, parkeerdruk, verkeersoverlast, stank, “horizonvervuiling” (zicht op grote reclameborden etc. aan gevels), achteruitgang van bestaande kwaliteiten van woning en omgeving (architectonisch, toegankelijkheid) spelen hierbij een rol. Als gemeente wil men dus de hand kunnen houden aan de kwaliteit van de woonomgeving. Aan de andere kant is het niet verkeerd om kleinschalige activiteiten toe te staan. De bedrijvigheid kan een positieve bijdrage leveren aan de leefbaarheid van een woongebied. Een vermenging van economische activiteiten en de woonfunctie kan verder een versterking betekenen van de ruimtelijke kwaliteit (diversiteit binnen de woonomgeving, in tegenstelling tot een monotoon karakter van een wijk met louter woningen). Reikwijdte bestemming De vraag wanneer een bepaald gebruik binnen de woonbestemming nog wel past en wanneer niet meer, dient beantwoord te worden aan de hand van de ruimtelijke uitwerking/uitstraling die dat gebruik gezien zijn aard, omvang en intensiteit heeft. Bezien moet worden of deze uitstraling van dien aard is dat deze niet meer te rijmen valt met de woonfunctie van het betrokken pand. Een éénduidig antwoord op de vraag of een gebruik strijdig is met de woonbestemming kan echter (helaas) niet worden gegeven. We stuiten op een aantal problemen met de hantering van de huidig gangbare begrippen. De vraag die bij een “vrij beroep” moet worden gesteld is in hoeverre een en ander (bijvoorbeeld het hebben van een academische opleiding) planologisch-ruimtelijk relevant is. Het begrip is meer ingegeven door sociaal-economische motieven dan door ruimtelijke. Artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening geeft impliciet aan dat “een goede ruimtelijke ordening” zich moet richten naar “objecten” en niet naar “subjecten”; dus wel op de woning en niet op de bewoner. Verder kan het direct toestaan van het uitoefenen van een vrij beroep een redelijke publieksaantrekkende werking (arts, tandarts) met zich mee brengen. Gezien mogelijke parkeerdruk etc. is dit juist wel ruimtelijk relevant. Het zonder meer “bij recht” toestaan van vrije beroepen kan dus op problemen stuiten. Als wordt gesproken over beroepen in ruimere zin dan alleen vrije beroepen bepaalt jurisprudentie dat indien een bestemmingsplan niets specifieks regelt omtrent het gebruik van de woning voor andere dan zuiver woondoeleinden, het gebruik van ruimten voor het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep toegestaan is, mits de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft. Niets regelen in het bestemmingsplan betekent echter altijd dat sprake zal zijn van interpretatie van het begrip “aan huis verbonden beroep”. De vraag is ook waar de grens ligt met bedrijfsmatige dienstverlening. Gezien de definitie van “aan huis verbonden bedrijf” is eigenlijk de enige toevoeging dat ambachtelijke bedrijven kunnen worden toegestaan. Voor het overig lijkt er aldus veel overlap met de definitie van “aan huis verbonden beroep”. Jurisprudentie Binnen het kader van deze geschetste problematiek is de rechtspraak wel tot een aantal heldere uitspraken gekomen, altijd in relatie tot wat het concrete bestemmingsplan als regeling kende. het gebruik van een garage als kapsalon werd niet toegestaan om dit geen “vrij beroep” is (zoals omschreven in het bestemmingsplan); het gebruik van een deel van de woning als kapsalon werd niet toegestaan omdat dit geen aan huis verbonden dienstverlening is maar een bedrijf; het gebruik van een deel van de woning als kapsalon werd niet toegestaan omdat dit, naast bovengenoemde, ook niet valt onder begrip “ambachtelijke bedrijvigheid”; Het gebruik van een deel van de woning als schoonheidssalon werd niet toegestaan omdat het geen vrij beroep is en het niet valt gelijk te stellen met medische en paramedische beroepen; Het gebruik van een deel van de woning als kinderopvang werd niet toegestaan omdat dit gebeurde door opgeleide medewerkers en sprake was van bedrijfsmatige exploitatie; het gebruik van een deel van/bij de woning voor een autorijschool werd niet toegestaan omdat dit niet valt onder de definitie van aan huis gebonden beroep. Oplossing voor genoemde problematiek De rechter is op grond van bovenstaande dus wel in staat om te bepalen wat wel en niet is toegestaan, maar toetst daarbij voornamelijk aan de definitie in het geldende bestemmingsplan, dus afhankelijk van het feit of er vrij beroep; of beroep aan huis of bedrijf aan huis is gedefinieerd, dan wel dat er niets is geregeld. Maar bijvoorbeeld bij “vrij beroep” leidt het werkzaam zijn als architect of accountant naar verwachting niet tot de eerder geschetste omgevingsproblemen, anders dan wanneer een arts of tandarts in een woonomgeving zit. Op grond van het bestemmingsplan moeten beide worden toegestaan, maar wil je op grond van je ruimtelijk beleid wellicht iets anders. Een beter uitgangspunt is dan ook om het criterium “publieksgerichtheid” in te voeren om zo het moeizame onderscheid tussen (vrij) beroep en bedrijf te omzeilen. Het criterium welke ruimtelijke uitstraling een activiteit heeft wordt nader uitgewerkt. Gekomen is tot een volgende definitie (op te nemen in de begripsbepalingen van het bestemmingsplan) die daarna zal worden toegelicht; Aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit: Een beroeps- of bedrijfsactiviteit, uitgevoerd door (één van) de hoofdbewoner(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.