← Nederland

Verordening Voorzieningen Maatschappelijke Ondersteuning (Mill en Sint Hubert)

Verordening Voorzieningen Maatschappelijke OndersteuningVerordening Voorzieningen Maatschappelijke Ondersteuning Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1Begrisbepalingen In deze verordening en de daarop

Artikel17Primaat van de losse woonunit.

Indien een bouwkundige woonvoorziening bestaat uit een aanbouw aan of een aanzienlijke verbouwing van een woning die het eigendom is van een verhuurder, die niet bereid is de aangepaste woning blijvend ter beschikking te stellen van personen die op basis van aantoonbare beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek behoefte hebben aan een dergelijke woning, zal het college een herplaatsbare losse woonunit verstrekken indien daartegen geen bezwaren van overwegende aard bestaan. Artikel18Uitsluitingen. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het treffen van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen, kamerverhuur en specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden. Artikel19Hoofdverblijf.

  1. Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen.
  2. In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van één woonruimte indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-instelling.
  3. De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente waar de aan te passen woning staat.
  4. De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de in het tweede lid bedoelde woonruimte met een door het college in het Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente vast te leggen maximumbedrag.
  5. Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de aanvrager de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken. Artikel20Weigeringsronden. De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt geweigerd indien: a. de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was; b. de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college; c. deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen; d. de woonvoorziening als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd omdat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak; e. De aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, verhuisd is vanuit of naar een woonruime die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg, of er in de verlaten woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning zijn ondervonden. 8 9.

Artikel21Terugbetaling bij verkoop.

De eigenaar-bewoner, die krachtens deze verordening een woonvoorziening heeft ontvangen die leidt tot waardestijging van de woning, dient bij verkoop van deze woning binnen een periode van 10 jaar na gereedmelding van de voorziening, deze verkoop van de woning onverwijid aan het college te melden. De meerwaarde van de woning dient volgens het in het Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente MilI en St. Hubert door het college vastgelegde afschrijvingsschema te worden terugbetaald. Hoofdstuk5Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel Artikel22Vormen van vervoersvoorzieningen De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal verplaatsen te verstrekken voorziening kan bestaan uit: a. een algemene voorziening; b. een collectieve vervoersvoorziening c. een vervoersvoorziening in natura; d. een persoonsgebonden budget te besteden aan een vervoersvoorziening e. een financiële tegemoetkoming voor de kosten van een vervoersvoorziening. Artikel23Het recht op een collectieve vervoersvoorziening Een aanvrager kan voor de in artikel 22 onder b. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien een algemene voorziening niet beschikbaar is, dan wel geen adequate oplossing biedt en aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek a. het gebruik van het openbaar vervoer of b. het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken. Artikel24Het recht op een individuele vervoersvoorziening Een aanvrager kan voor de in artikel 22, onder c tlm e vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht wanneer a. aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het gebruik van een collectief vervoerssysteem als bedoeld in artikel 22, onder b., onmogelijk maken dan wel b. een collectief vervoerssysteem als bedoeld in artikel 22, onder b., niet aanwezig is, dan wel c. het verstrekken van een voorziening als bedoeld in artikel 22, onder b niet toereikend is voor de vervoers behoefte die de persoon heeft. Artikel25Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen Indien het inkomen van een ongehuwde persoon of het gezamenlijke inkomen van gehuwde personen meer bedraagt dan de in het Financieel besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Mill en St. Hubert voor de diverse categorieën genoemde inkomensgrenzen, wordt de deelname aan een collectieve vervoersvoorziening en het bezit van een eigen auto algemeen gebruikelijk geacht, zodat een auto of een met een auto vergelijkbare voorziening en de daarmee samenhangende gebruiks- en onderhoudskosten niet in aanmerking komen voor verstrekking of vergoeding. 9 9.

Artikel26Omvang in gebied en in kilometers.

  1. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal contact, dat uitsluitend door de aanvrager zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de aanvrager noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen.
  2. De te verstrekken vervoersvoorziening zal maatschappelijke participatie door middel van lokale verplaatsingen met tenminste een omvang per jaar van 1500 kilometer met een bandbreedte tot 2000 kilometer mogelijk maken. Hoofdstuk6Verplaatsen in en rond de woning Artikel27Vormen van rolstoelvoorzienincjen. De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het verplaatsen in en om de woning dan wel voor sportbeoefening te verstrekken voorziening kan bestaan uit: a. een algemene voorziening waaronder een algemene rolstoelvoorziening; b. een rolstoelvoorziening in natura; c. een persoonsgebonden budget te besteden aan een rolstoelvoorziening; d. een persoonsgebonden budget te besteden aan een sportrolstoel. Artikel28Primaat algemene rolstoelvoorziening bii incidenteel rolstoelgebruik en sortrolstoel.
  3. Een aanvrager kan voor de in artikel 27, onder a. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek incidenteel zittend verplaatsen in en rond de woning noodzakelijk maken en hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of een andere wettelijke regeling geen adequate oplossing bieden.
  4. Een aanvrager kan voor de in artikel 27, onder b. en c. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien een algemene voorziening niet beschikbaar is, dan wel geen adequate oplossing biedt en aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken en hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of een andere wettelijke regeling geen adequate oplossing bieden.
  5. Een aanvrager kan voor de in artikel 27, onder d. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek sportbeoefening zonder sportrolstoel onmogelijk maken. Artikel29Aanspraak op rolstoelvoorzienincjen voor AWBZ-bewoners. In uitzondering op het gestelde in artikel 28, lid 2 komt een persoon die verblijft in een op grond van artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen erkende instelling uitsluitend voor een rolstoel in aanmerking indien hij geen recht heeft op een rolstoel, verstrekt op grond van de AWBZ. Hoofdstuk7Het verkrijgen van voorzieningen en motiveren van besluiten Artikel30.Gebruik aanvraagformulier. Een aanvraag dient te worden ingediend door middel van een door het college ter beschikking gesteld formulier. Artikel31Relatie met de Algemene Wet Biizondere Ziektekosten. De aanvraag dient te worden ingediend bij het (naam plaats of naam loket), in welk loket / op welke plaats zowel aanvragen voor voorzieningen inzake de wet alsook aanvragen zorg inzake de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten kunnen worden ingediend Artikel32Inlichtingen, onderzoek, advies.
  6. Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor de beoordeling van het recht op een voorziening, degene door wie een aanvraag is ingediend: a. op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te ondervragen; b. op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen ondervragen en/of onderzoeken.
  7. Het college vraagt een door hen daartoe aangewezen adviesinstantie om advies indien: a. de interne deskundigheid niet toereikend is om op de aanvraag te besluiten b. de gevraagde voorziening om medische redenen wordt afgewezen; c. het college dat overigens gewenst vindt.
  8. Een aanvrager is verplicht aan het college of de door hen aangewezen adviesinstantie die gegevens te verschaffen of te doen verschaffen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag.
  9. Bij de advisering zoals genoemd in het eerste lid wordt door de adviseur gebruik gemaakt van de systematiek zoals neergelegd in de International Classification of Functions, Disabilities and Impairments, de zogenaamde lOF classificatie. Artikel33Samenhangende afstemming. Het college legt in het Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente MilI en St. Hubert regels vast omtrent de wijze waarop de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend wordt afgestemd op de situatie van de aanvrager. Artikel34Wijzigingen in de situatie. Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is verstrekt, is verplicht aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening. Artikel35Intrekking van een voorziening Het college kan een beschikking, genomen op grond van deze verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken indien: a. niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening; b. op grond van gegevens beschikt is en daarna gebleken is dat de gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen.
  10. Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt dat de tegemoetkoming of het budget binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van het middel waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Artikel36Terugvordering
  11. Ingeval een voorziening is ingetrokken kan een op basis daarvan reeds uitbetaalde financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget worden teruggevorderd.
  12. In geval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is ingetrokken kan deze voorziening worden teruggevorderd indien de voorziening is verleend op basis van valselijk verstrekte gegevens Artikel 37 Hardheidsclausule. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 38 lndexering. Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening en het op deze verordening berustende Financieel Besluit Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente MilI en St. Hubert geldende bedragen verhogen of verlagen conform de ontwikkelingen van de prijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. Artikel 39 Deze Verordening zal na een periode van twee jaar na inwerkingtreding worden geëvalueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft wordt de Verordening aangepast. Bij de evaluatie zal het Participatieorgaan WMO om advies worden gevraagd. Artikel 40 Inwerkingtreding. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2008 Artikel 41 Deze verordening wordt aangehaald: Verordening Voorzieningen Maatschappelijke Ondersteuning Gemeente MilI en St. Hubert 2008 Aldus besloten door de raad van de gemeente Mill en St. Hubert in zijn openbare vergadering van 6 september 2007

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.