A L G E M E N E P L A A T S E L IJ K E V E R O R D E N I N G M E N A M E R A D I E L 2 0 1 6 Vastgesteld raadsvergadering 18 februari 2016 Inwerkingtreding 1 maart 2016 INHOUDSOPGAVE Hoofdstuk 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1:1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: openbare plaats: een voor het publiek toegankelijke plaats, waaronder begrepen de weg als bedoeld onder b; weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; openbaar water: alle wateren die voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn; bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben vastgesteld conform artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet; rechthebbende: een ieder die over enige zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de Bouwverordening; gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet; handelsreclame: elke openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; provinciale verordening: vigerende verordening van de provincie Fryslân. bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; Artikel 1:2 Beslistermijn Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag tenzij anders in deze verordening wordt aangegeven. Het bestuursorgaan kan de termijn voor hoogstens acht weken verlengen, tenzij anders in deze verordening is bepaald. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing als beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:4, artikel 2:5, Artikel 4:8 of artikel 4:16. Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor de beslissing op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3:4 eerste lid. Artikel 1:3 Indiening aanvraag Als een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan acht weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen. Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot hoogstens twaalf weken. Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning zich daartegen verzet. Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: als ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; als op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is wegens het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; als de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden gekomen; als van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; als de houder of zijn rechtsverkrijgende dit verzoekt. Artikel 1:7 Termijnen De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. Artikel 1:8 Weigeringsgronden De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; de openbare veiligheid; de volksgezondheid; de bescherming van het milieu Artikel 1:9 Uitzondering paragraaf 4.1.3.3 Awb Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de volgende artikelen in deze verordening: artikel 2:8, vergunning evenementen; artikel 2:13, exploitatievergunning speelgelegenheid; artikel 3:3 vergunning seksinrichting; artikel 4:18, ontheffing van het verbod tot recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen Hoofdstuk 2 OPENBARE ORDE Afdeling 1 Bestrijding van ongeregeldheden Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. Iedereen die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op bevel van een ambtenaar van de politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Afdeling 2 Betoging Artikel 2:2 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en minstens 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. De kennisgeving bevat: de naam en het adres van degene die de betoging houdt; het doel van de betoging; de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en beëindiging; de plaats en, voorzover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; voorzover van toepassing, de wijze van samenstelling; de maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid gestelde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen. Afdeling 3 Bruikbaarheid en aanzien van de weg Artikel 2:3 Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg of op andere openbare plaatsen strijdig met de publieke functie ervan Het is verboden de weg of een weggedeelte strijdig met de publieke functie daarvan te gebruiken, als: het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of het doelmatig en veilig gebruik daarvan, of een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; het beoogde gebruik op zichzelf, of wegens de omgeving een dermate ontsierend effect kan hebben dat het beoogde gebruik redelijkerwijs niet kan worden toegestaan; het beoogde gebruik overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak ten gevolg kan hebben. Het bevoegd bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere voorschriften stellen ten aanzien van terrassen en uitstallingen. Het bevoegd bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. In afwijking van het vierde lid kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het verbod in het eerste lid geldt niet: voor evenementen als bedoeld in artikel 2:8; voor standplaatsen als bedoeld in artikel 5:12; voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet, of het Provinciaal wegenreglement. Artikel 2:4 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Het is verboden zonder of afwijkend van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, de aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. De vergunning wordt verleend: als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; door het college in de overige gevallen. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak. Het verbod geldt voorts niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement Friesland, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening. Artikel 2:5 (Omgevings)vergunning voor het maken en veranderen van een uitweg Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. Een omgevingsvergunning kan, naast de gronden genoemd in artikel 1:8, worden geweigerd in verband met: de bruikbaarheid van de weg; het doelmatig gebruik van de weg; de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement. Afdeling 4 Veiligheid op de weg Artikel 2:6 Voorzieningen voor verkeer en verlichting De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende zijn besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid. Het bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht. Artikel 2:6A Openen straatkolken e.d. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel 2:6B Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert. Afdeling 5 Evenementen Artikel 2:7 Begripsbepaling In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, uitgezonderd: bioscoopvoorstellingen; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet; kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; activiteiten als bedoeld in artikel 2:13 van deze verordening. Onder evenement wordt ook verstaan: een herdenkingsplechtigheid; een braderie; een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:2 van deze verordening, op de weg; een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg. Er is sprake van een klein evenement als er wordt voldaan aan door de burgemeester opgestelde nadere voorschriften. Artikel 2:8 Evenement Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. Voor een klein evenement is geen vergunning noodzakelijk, maar moet men minstens vijftien werkdagen voor aanvang van een evenement een melding doen bij de burgemeester. De burgemeester kan na ontvangst van de melding als bedoeld in het tweede lid, besluiten dat het evenement geen doorgang kan vinden als daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 2:9 Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. Afdeling 6 Toezicht op openbare inrichtingen Artikel 2:10 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies worden verstrekt, en /of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt of bereid. Onder een openbare inrichting wordt in elk geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis. Onder openbare inrichting wordt ook verstaan een bij deze inrichting behorend terras en andere aanhorigheden; terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- en/ of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken en/ of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid en/ of verstrekt. Artikel 2:11 Toelatings- en sluitingstijden Openbare inrichtingen mogen tot 03.00 uur bezoekers toegang verlenen. Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met zondag tussen 6.00 uur en 9.00 uur. Het terras behorende bij een openbare inrichting is gesloten op maandag tot en met zondag tussen 23.00 en 9.00 uur. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. Het is bezoekers van een horecabedrijf verboden om na sluitingstijd zich in de openbare inrichting te bevinden. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de toelatings- en sluitingstijd. Het eerste, tweede, derde en het zesde lid zijn niet van toepassing in die situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien. Artikel 2:12 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of bij bijzondere omstandigheden voor één of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. Het eerste lid is niet van toepassing in die situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet. Artikel 2:13 Handel binnen openbare inrichtingen In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt. Artikel 2:14 Het college als bevoegd bestuursorgaan Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:10 en 2:11 op als bevoegd bestuursorgaan. Afdeling 6A Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Drank- en Horecawet Artikel 2:14a Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder: alcoholhoudende drank, horecabedrijf, horecalokaliteit, inrichting, paracommerciële rechtspersoon, sterke drank, slijtersbedrijf en zwak-alcoholhoudende drank, dat wat daaronder wordt verstaan in de Drank- en Horecawet. wet: de Drank- en Horecawet Artikel 2:14b Schenktijden paracommerciële rechtspersonen Een paracommerciële rechtspersoon die zich richt op het organiseren van activiteiten van sportieve of recreatieve aard verstrekt alcoholhoudende drank uitsluitend op: maandag tot en met vrijdag één uur voor, tijdens en één uur na afloop van de activiteit; zaterdag en zondag één uur voor, tijdens en één uur na de activiteit of indien de activiteit voor 17.00 uur is afgelopen tot uiterlijk 18.00 uur; mits de activiteit overeenstemt met het doel van de rechtspersoon en zich niet voornamelijk richt op jeugd onder de 18 jaar. Een paracommerciële rechtspersoon die zich richt op het organiseren van activiteiten waarbij het faciliteren van sociale interactie tussen alle bewoners van het dorp direct voortvloeit uit de doelstellingen, verstrekt alcoholhoudende drank uitsluitend op maandag tot en met zondag vanaf 14.00 uur tot 24.00 uur; Overige paracommerciële rechtspersonen verstrekken alcoholhoudende drank uitsluitend op: vrijdag en zaterdag vanaf 20.00 uur tot 01.00 uur; zondag vanaf 20.00 uur tot 23.00 uur. Artikel 2:14c Bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen Paracommerciële rechtspersonen, genoemd in artikel 2:14b, eerste lid, verstrekken geen alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet direct bij de activiteiten van deze rechtspersoon betrokken zijn. Paracommerciële rechtspersonen, genoemd in artikel 2:14b, tweede lid, verstrekken maximaal zes keer per jaar alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard of bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet direct bij de activiteiten van deze rechtspersoon betrokken zijn met inachtneming van het feit dat de drank wordt verstrekt op: maandag tot en met donderdag vanaf 14.00 uur tot 24.00 uur; vrijdag tot en met zondag vanaf 14.00 uur tot 02.00 uur. Paracommerciële rechtspersonen, genoemd in artikel 2:14b, derde lid, verstrekken geen alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet direct bij de activiteiten van deze rechtspersoon betrokken zijn. Als in de vestigingsplaats van, of binnen een straal van twee kilometer rond de paracommerciële rechtspersonen, genoemd in artikel 2:14b, tweede lid, geen horecabedrijf is gevestigd geldt de beperking van maximaal zes keer per jaar voor deze rechtspersonen niet. Een paracommerciële rechtspersoon doet uiterlijk twee weken voor een bijeenkomst als bedoeld in dit artikel melding hiervan aan de burgemeester. Artikel 2:14d Beperking verstrekking sterke drank Het is verboden anders dan om niet sterke drank te verstrekken in een inrichting: waarin uitsluitend of hoofdzakelijk onderwijs wordt gegeven; welke uitsluitend of hoofdzakelijk in gebruik is bij één of meer jeugd- of jongerenorganisaties of- instellingen. Hieronder wordt in elk geval een jongerencentrum verstaan; welke deel uitmaakt van een gebouw, of dat is gelegen op een terrein, dat uitsluitend of hoofdzakelijk in gebruik is bij één of meer sportorganisaties of- instellingen of als kampeerterrein; Artikel 2:14e Ontheffingsregeling De burgemeester kan ontheffing verlenen van de in artikel 2:14b gestelde verboden. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend en aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Een ontheffing wordt niet verleend in de volgende omstandigheden: de onderneming beschikt niet over een rechtsgeldige drank- en horecavergunning; de ontheffing is strijdig met het geldende bestemmingsplan; er bestaat vrees voor verstoring van de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid; er bestaat vrees voor nadelige beïnvloeding van het woon-en leefklimaat. De burgemeester kan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid intrekken als: niet langer wordt voldaan aan de in het tweede lid bedoelde voorschriften of beperking; zich feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de ontheffing gevaar zal opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid. Artikel 2:14f Verbod verstrekking alcoholhoudende drank in horecabedrijven en/of slijtersbedrijven De burgemeester kan één of meerdere bedrijven als bedoeld in artikel 3 van de wet gedurende een bepaalde periode een verbod opleggen om alcoholhoudende dranken voor gebruik ter plaatse te verstrekken als de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid dit vordert. Artikel 2:14g Verbod verstrekking alcoholhoudende drank voor andere detailhandel dan slijtersbedrijven De burgemeester kan één of meerdere bedrijven als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet gedurende een bepaalde periode een verbod opleggen om zwakalcoholhoudende dranken voor gebruik elders dan ter plaatse te verstrekken als de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid dit vordert. Afdeling 7 Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2:15 Speelgelegenheden In deze afdeling wordt verstaan onder Wet: de Wet op de kansspelen; Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op: speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet vergunning is verleend; speelgelegenheden waarvoor de Minister van Veiligheid en Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen; speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet, of de handeling als bedoeld in artikel l, onder a, van de Wet te verrichten. De burgemeester weigert de vergunning: als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; als de exploitatie van de speelgelegenheid strijdig is met een geldend bestemmingsplan. Artikel 2:16 Kansspelautomaten In dit artikel wordt verstaan onder: kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c. van de Wet; hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet; laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet. In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee kansspelautomaten toegestaan. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan. Afdeling 8 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel 2:17 Betreden gesloten woning of lokaal Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is. De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen. Artikel 2:18 Plakken en kladden Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: een aanplakbiljet, geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing als gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. Het college kan nadere voorschriften stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. Artikel 2:19 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen Het is verboden: op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair; zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan weggebruikers of bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 2:19a Objecten onder hoogspanningslijn Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen als de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Artikel 2:20 Verboden drankgebruik 1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: b. een terras behorend bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; c. de plaats niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens Artikel 35 van de Drank en Horecawet. Artikel 2:21 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte of deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Artikel 2:22 Loslopende honden Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen; op openbare paden en in en rond weilanden wegens de ziekte Neospora (vee) zonder dat deze aangelijnd is. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid onder a niet geldt. De verboden genoemd in het eerste lid onder a en b zijn niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden. Artikel 2:23 Verontreiniging door honden Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond direct worden verwijderd. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden. Artikel 2:24 Gevaarlijke honden Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op een openbare plaats of op het terrein van een ander: anders dan kort aangelijnd nadat de burgemeester aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod wegens het gedrag van die hond noodzakelijk vindt; anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat de burgemeester aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn en muil-korfgebod wegens het gedrag van die hond noodzakelijk vindt. In afwijking van artikel 2:22, eerste lid onder c, geldt voor het bepaalde in het eerste lid dat de hond voorzien moet zijn van een optisch leesbaar, niet- verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of de buikwand. In het eerste lid wordt verstaan onder: muilkorf: een muilkorf vervaardigd van stevig kunststof en / of leer, die door middel van een stevige leren riem rond de hals zodanig is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van een mens niet mogelijk is en die zodanig is ingericht dat de hond geen mens of dier kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn; kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter. Artikel 2:25 Loslopend vee De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken. Afdeling 9 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen Artikel 2:26 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar. Gelijkgesteld aan het verkoopregister is het Digitale Opkopers register. Artikel 2:27 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register / digitaal opkopers register en daarin vermeldt hij onverwijld: a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; b. de datum van verkoop of overdracht van het goed; c. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor zover mogelijk - soort, merk en nummer van het goed; d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. 2. De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze verplichtingen. Artikel 2:28 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: a. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: 1° dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; 2° van een verandering van de onder a, sub l°, bedoelde adressen; 3° als hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; 4° dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan; b. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; c. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; d. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste zeven dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is. Afdeling 10 Vuurwerk Artikel 2:29 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is. Artikel 2:30 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te bezigen als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2:31 Gebruik carbid 1. Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetyde (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden op zodanige wijze dat gevaar, schade of overlast voor de omgeving kan ontstaan. 2. Het verbod gesteld in het eerste lid geldt niet indien: a. gebruik wordt gemaakt van melkbussen en of gelijksoortige voorwerpen met een maximale inhoud van 50 liter, met gebruikmaking van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsel met vergelijkbare eigenschappen; b. het gebruik plaatsvindt op 31 december vanaf 18.00 uur tot 1 januari 02.00 uur van het daaropvolgende jaar; c. hiervan minstens drie weken voorafgaande aan de datum van gebruik melding is gedaan aan de burgemeester; d. de melding is vergezeld van een schriftelijke toestemming van de eigenaar van het terrein van waaraf geschoten wordt; e. de melding is voorzien van een kaart waarop de betreffende locatie is ingetekend en waarop de schootsrichting is aangegeven; f. de plaats vanwaar geschoten wordt, is gelegen: 1. op een afstand van minstens 100 meter van woonbebouwing; 2. op een afstand van minstens 300 meter van in gebruik zijnde voorzieningen voor het houden van dieren. 3. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht. Afdeling 11 Drugsoverlast Artikel 2:32 Openlijk gebruik en handel van drugs Het is verboden op of aan de weg in een voor publiek toegankelijk gebouw of vaartuig voorwerpen of stoffen openlijk voorhanden te hebben ten behoeve van gebruik bij middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet. Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing op voorwerpen of activiteiten die in het belang van de volksgezondheid, in het bijzonder de preventie, de bestrijding van drugsverslaving of de hulpverlening aan de verslaafden, van overheidswege worden bevorderd of zijn goedgekeurd. Hoofdstuk 3. REGULERING PROSTITUTIE, SEKSBRANCHE EN AANVERWANTE ONDERWERPEN Afdeling 1. Algemene bepalingen Artikel 3:1 Afbakening De artikelen 1:2, 1:3 en 1:5 tot en met 1:8 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde. Artikel 3:2 Begripsbepaling In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een prostituee onder de aandacht van het publiek brengt; b. beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding van een seksbedrijf; c. bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester; d. escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostituee; e. exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico een seksbedrijf wordt uitgeoefend; f. klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een prostitutiebedrijf of een prostituee aangeboden seksuele diensten; g. prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; h. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; i. prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie; j. raamprostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie, waarbij het werven van klanten gebeurt door een prostituee die zichtbaar is vanuit een voor publiek toegankelijke plaats; k. seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting tegen betaling; l. seksinrichting: voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf; m. werkruimte: als zelfstandig aan te merken onderdeel van seksinrichting waarin de seksuele handelingen met een ander tegen betaling worden verricht. Afdeling 2. Vergunning seksbedrijf Artikel 3:3 Vergunning Het is verboden een seksbedrijf uit te oefenen zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan. Op een aanvraag om een vergunning wordt binnen twaalf weken beslist. Deze termijn kan met hoogstens twaalf weken worden verlengd. Een vergunning kan mede voor één seksinrichting worden verleend. De vergunning wordt voor bepaalde of onbepaalde tijd verleend aan de exploitant en op zijn naam gesteld. De vergunning is niet overdraagbaar. De vergunning kan worden verlengd. Artikel 3:4 Concentratie seksinrichtingen Het college kan delen van de gemeente aanwijzen waarbuiten of waarbinnen voor het vestigen van een seks-inrichting geen vergunning wordt verleend. Daarbij kan worden bepaald dat de aanwijzing slechts geldt voor seksinrichtingen van seksbedrijven van een nader aangewezen aard. Artikel 3:5 Raamprostitutiebedrijven en maximering aantal seksinrichtingen Voor het uitoefenen van een raamprostitutiebedrijf wordt geen vergunning verleend. Het bevoegde bestuursorgaan kan een maximum stellen aan het totaal aantal seksinrichtingen van seksbedrijven, niet zijnde raamprostitutiebedrijven, waarvoor vergunning kan worden verleend. Artikel 3:6 Aanvraag Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door het bevoegd bestuursorgaan vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke activiteit vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: de persoonsgegevens van de exploitant; het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; of in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag de exploitant een vergunning voor een seksbedrijf is geweigerd of een aan de exploitant verleende vergunning voor een seksbedrijf is ingetrokken; het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend; het adres van een onder het seksbedrijf vallende seksinrichting; het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt; een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van de exploitant; indien van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant; een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen, verstrekt door de Belastingdienst; bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimtes bestemd voor de uitoefening van het seksbedrijf; indien van toepassing, de plaatselijke ligging van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een situatieschets met een noordpijl en schaalaanduiding; indien van toepassing, de plattegrond van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een tekening met een schaalaanduiding. Als er een beheerder is aangesteld, is het tweede lid, onder a, b, c, g en h, van overeenkomstige toepassing op de beheerder. Als het bevoegde bestuursorgaan dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag, kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd. Artikel 3:7 Weigeringsgronden 1. Een vergunning wordt geweigerd als: a. de exploitant of de beheerder onder curatele staat; b. de exploitant of de beheerder is ontzet uit het ouderlijk gezag of de voogdij; c. de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is; d. de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt; e. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; f. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; g. er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000; h. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar geleden voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van minstens zes maanden; i. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar geleden voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij minstens één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van minstens € 500,- of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: I. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Menameradiel 2015; II. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht; III. artikel 69 van de Algemene wet rijksbelastingen; IV. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; V. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; VI. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. j. er een maximum als bedoeld in artikel 3:5 is vastgesteld en dit maximum al bereikt is; k. de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd op zal leveren met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in ontwerp dat ter inzage is gelegd, een beheersverordening of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4. 2. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder h, wordt gelijk gesteld: a. een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf; b. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375,- bedraagt. 3. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. 4. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee. 5. Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd: a. voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:9, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met g, of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking; b. als niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3:6 gestelde eis met betrekking tot de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen; c. als de vergunning geheel of deels betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend; d. als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd; e. als het bedrijfsplan niet voldoet aan het bepaalde bij artikel 3:15, eerste en tweede lid; f. als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:16 gestelde verplichtingen zal naleven; g. als het escortbedrijf wordt gevestigd in een woonruimte waarvoor geen vergunning als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 is verleend. Artikel 3:8 Eisen met betrekking tot vergunning De vergunning vermeldt in ieder geval: De naam van de exploitant; indien van toepassing, die van de beheerder; voor welke activiteit de vergunning is verleend; het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend; het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt; indien van toepassing, het adres van de onder dat seksbedrijf vallende seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend; de voorschriften en/of beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden; indien van toepassing, de geldigheidsduur van de vergunning; het nummer van de vergunning. De exploitant zorgt ervoor dat de vergunning of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seks-inrichting waarvoor de vergunning mede is verleend, en dat ook aan de buitenkant van de seksinrichting zichtbaar is dat hij over een vergunning voor die seksinrichting beschikt. Artikel 3:9 Intrekkingsgronden De vergunning wordt ingetrokken als: de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest; de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven; is gehandeld in strijd met de artikelen 3:10, 3:13, aanhef en onder a, 3:14, tweede lid, 3:15 en 3:16, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1°; zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid; zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met i; de vergunninghouder dat verzoekt; de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met een geldend bestemmingsplan, een beheers-verordening of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4. De vergunning kan worden geschorst of ingetrokken als: is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen; in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning; een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of beheerder is geworden; is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen, onverminderd het eerste lid, aanhef en onder c; is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen; zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woon- en leefomgeving of de gezondheid van prostituees of klanten; de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt; er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel; gedurende minstens zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning. Artikel 3:10 Melding gewijzigde omstandigheden De vergunninghouder meldt elke verandering waardoor zijn seksbedrijf niet langer in overeenstemming is met de op grond van artikel 3:8, eerste lid, in de vergunning opgenomen gegevens, zo snel mogelijk aan het bevoegde bestuursorgaan. Deze verleent een gewijzigde vergunning, als het seksbedrijf aan de vereisten voldoet. Artikel 3:11 Verlenging vergunning Op een aanvraag om verlenging van een vergunning zijn de artikelen 3:3, 3:5, 3:6, 3:7, 3:8 en 3:15, derde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat actuele gegevens en bescheiden waarover het bevoegde bestuursorgaan al beschikt niet nogmaals overgelegd dienen te worden. Als minstens twaalf weken voorafgaand aan de vervaltermijn van de vergunning verlenging van de vergunning is aangevraagd, blijft de vergunning van kracht totdat op de aanvraag om verlenging is besloten. Afdeling 3. Uitoefenen seksbedrijf PARAGRAAF 3.1 REGELS VOOR ALLE SEKSBEDRIJVEN Artikel 3:12 Sluitingstijden seksinrichtingen; aanwezigheid; toegang Het is de exploitant en de beheerder verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven: op maandag tot en met donderdag tussen 01.00 uur en 06.00 uur; op vrijdag, zaterdag en zondag tussen 02.00 uur en 06.00 uur. tenzij bij vergunning anders is bepaald. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting gesloten moet zijn voor bezoekers. Het is de exploitant en de beheerder verboden personen die nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt toe te laten of te laten verblijven in een seksinrichting. Artikel 3:13 Adverteren Het is verboden in advertenties voor een seksbedrijf: geen vermelding op te nemen van het telefoonnummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder e, van het nummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder i, en van de bedrijfsnaam; vermelding op te nemen van een ander telefoonnummer dan bedoeld onder a, en als het een prostitutiebedrijf betreft, onveilige seks aan te bieden of te garanderen dat prostituees die voor of bij het betreffende bedrijf werken vrij zijn van seksueel overdraagbare aandoeningen. PARAGRAAF 3.2 REGELS VOOR ALLE PROSTITUTIEBEDRIJVEN EN PROSTITUEES Artikel 3:14 Leeftijd en verblijfstitel prostituees; verbod werken voor onvergund prostitutiebedrijf Prostitutie vindt uitsluitend plaats door een prostituee die de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt. Het is een exploitant verboden een prostituee voor of bij zich te laten werken die: nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt; in Nederland verblijft of werkt strijdig met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000. Het is een prostituee verboden: te handelen in strijd met het eerste lid; werkzaam te zijn voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een prostitutiebedrijf is verleend. Artikel 3:15 Bedrijfsplan Een prostitutiebedrijf beschikt over een bedrijfsplan, waarin in ieder geval wordt beschreven welke maatregelen de exploitant treft: op het gebied van hygiëne; ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het zelfbeschikkingsrecht van de prostituees; ter bescherming van de gezondheid van de klanten; ter voorkoming van strafbare feiten. De door de exploitant te treffen maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, waarborgen dat: de hygiëne in een seksinrichting voldoet aan de algemene eisen die hiervoor in de branche gelden en dat dit controleerbaar is; inzichtelijk en controleerbaar is welke maatregelen een exploitant in zijn bedrijfsvoering en inrichting van de werkruimten treft voor gezonde en veilige werkomstandigheden voor prostituees; in de werkruimten altijd voldoende condooms met een CE-markering voor gebruik beschikbaar zijn; in de werkruimten voor de prostituees een goed functionerende alarmvoorziening aanwezig is; de prostituee zich regelmatig kan laten onderzoeken op seksueel overdraagbare aandoeningen en door de exploitant voldoende geïnformeerd is over de mogelijkheden van een dergelijk onderzoek; de prostituee niet gedwongen wordt zich geneeskundig te laten onderzoeken; de prostituee vrij is in de keuze van de arts(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.