Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Aalten 2012 Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Aalten 2012. Hoofdstuk I Eigen bijdrage en eigen aandeel Artikel 1 Omvang eigen bijdrage en eigen aandeel Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 26 van de verordening bedraagt de in een kalenderjaar verschuldigde eigen bijdrage en het eigen aandeel dat bij de toekenning van een financiële tegemoetkoming voor eigen rekening blijft, tezamen: Het bedrag dat een ongehuwde persoon jonger dan 65 dient te betalen bedraagt € 18,00 per vier weken, met dien verstande dat indien zijn inkomen boven € 22.905,00 ligt het bedrag van € 18,00 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen zijn inkomen en € 22.905,00. Het bedrag dat een ongehuwde persoon van 65 jaar of ouder dient te betalen bedraagt € 18,00 per vier weken, met dien verstande dat indien zijn inkomen boven € 16.007,00 ligt het bedrag van € 18,00 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen zijn inkomen en € 16.007,00. Het bedrag dat gehuwde personen indien een van beiden jonger is dan 65 jaar of beiden jonger zijn dan 65 jaar dienen te betalen bedraagt € 25,80 per vier weken, met dien verstande dat indien hun gezamenlijke inkomen boven € 28.306,00 ligt het bedrag van € 25,80 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen hun gezamenlijke inkomen en € 28.306,00. Het bedrag dat gehuwde personen die beiden 65 jaar of ouder zijn dienen te betalen bedraagt € 25,80 per vier weken, met dien verstande dat indien hun gezamenlijke inkomen boven € 22.319,00 ligt het bedrag van € 25,80 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen hun gezamenlijke inkomen en € 22.319,00. Artikel 2 Inkomen voor berekening eigen bijdrage en eigen aandeel Het inkomen, bedoeld in art.1, bestaat uit het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde persoon dan wel de gehuwde personen tezamen, en bedraagt: indien met betrekking tot het peiljaar een aanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het verzamelinkomen, bedoeld in artikel 2.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001, in het peiljaar; in de overige gevallen: het belastbare loon, bedoeld in artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964, in het peiljaar. Inkomen dat in het buitenland wordt belast, dan wel is vrijgesteld van de belasting op grond van bepalingen van internationaal recht, wordt mede in aanmerking genomen, als ware dit aan de Nederlandse belastingwetgeving onderworpen. Artikel 3 Eigen bijdrage en eigen aandeel: 39 perioden van vier weken (3 jaar) Indien een voorziening bestaat uit een roerende zaak die in eigendom wordt verstrekt of uit een bouwkundige of woontechnische aanpassing van een woning die eigendom is van de ondersteuningsvrager, wordt gedurende een periode van 39 maal vier weken een eigen bijdrage in rekening gebracht dan wel bij de vaststelling van de hoogte van een financiële tegemoetkoming gedurende die periode een met toepassing van het in art. 1, vastgesteld bedrag in mindering gebracht. Artikel 4 Vaststelling en inning eigen bijdrage of eigen aandeel Artikel 16 van de wet bepaalt dat een eigen bijdrage wordt vastgesteld en geïnd door een door de minister van VWS aan te wijzen rechtspersoon. In de Regeling maatschappelijke ondersteuning, Staatscourant van 22 december 2006, nr. 250, heeft de minister in artikel 2 het Centraal Administratie Kantoor (CAK) daartoe aangewezen. Derhalve worden de eigen bijdragen in de gemeente Aalten berekend en geïnd door het CAK. Het CAK werkt met verzamelinkomens vanuit een peiljaar, welk jaar twee jaar voor het lopende jaar ligt. 1. Eigen bijdrage en kostprijs voorziening Een eigen bijdrage voor een persoonsgebonden budget of een voorziening in natura mag elke 4 weken gevraagd worden, maar mag niet de omvang (zie onder art.1) te boven gaan. Ook mag een eigen bijdrage de kostprijs van de voorziening niet te boven gaan. De gemeente bepaalt de kostprijs van de voorziening en geeft deze door aan het CAK. Indien de maximale eigen bijdrage per 4 weken van de ondersteuningsvrager de totale kostprijs overschrijdt, dan betaalt hij de kostprijs. Wanneer de totale kostprijs de maximale eigen bijdrage per 4 weken van de ondersteuningsvrager overschrijdt, dan betaalt hij de maximale eigen bijdrage. 2. Duur eigen bijdrage Wordt een woon- of vervoersvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget of in natura aan de ondersteuningsvrager “in eigendom” verstrekt, dan vraagt de gemeente de eigen bijdrage per 4 weken gedurende 3 jaar (zie art.3). Als voorbeeld hiervoor geldt een aanpassing van de woning waarbij de ondersteuningsvrager de eigenaar van de woning is.Gaat het om een persoonsgebonden budget of een voorziening in natura die “niet in eigendom” wordt verstrekt, dan vraagt de gemeente de eigen bijdrage zo lang als de voorziening wordt gebruikt. Voorbeelden zijn de hulp bij het huishouden (dienstverlening) of scootmobiel (in bruikleen). 3. Eigen aandeel De bovengenoemde regels met betrekking tot de eigen bijdrage gelden ook voor het eigen aandeel bij de verstrekking van een financiële tegemoetkoming. Er zijn echter twee belangrijke verschillen:- het eigen aandeel bij een financiële tegemoetkoming wordt berekend en geïnd door de gemeente zelf of het CAK;- inning van het eigen aandeel geschiedt eenmalig door verrekening met de financiële tegemoetkoming in overleg met de ondersteuningsvrager. Artikel 5 Geen eigen bijdrage of eigen aandeel Een eigen bijdrage of eigen aandeel kan alleen gevraagd worden van personen van 18 jaar en ouder (artikel 15 lid 1 van de wet). De toelichting op artikel 15 van de wet stelt daarnaast dat ook de bijdrageplicht voor onderhoudsplichtige ouders is komen te vervallen. Verder is een eigen bijdrage of eigen aandeel niet verschuldigd voor: een algemene voorziening; een rolstoel; forfaitaire vergoedingen. Hoofdstuk II Persoonsgebonden budget vaststelling en voorwaarden Artikel 6 Vaststelling persoonsgebonden budget hulp bij het huishouden Bij het vaststellen van het persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden wordt, conform artikel 23, lid ,1 sub c van de verordening, rekening gehouden met de tegenwaarde van de goedkoopst-compenserende voorziening in natura. Een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden die niet vergeleken kan worden met een voorziening in natura, wordt toereikend vastgesteld. Op basis daarvan gelden de volgende uurtarieven: Indien de ondersteuningsvrager zelf de regie op de huishouding kan voeren én een arbeidsverhouding aangaat, is aangegaan of wenst aan te gaan als bedoeld in artikel 5 lid 1 van de Wet op de loonbelasting 1964 (HH1 specifiek alfa), wordt een bedrag per uur beschikbaar gesteld van € 14,80 onder aftrek van € 2,30 (zijnde door de gemeente te maken onkosten zoals bemiddeling en service); Indien de ondersteuningsvrager zelf de regie op de huishouding kan voeren (HH1), wordt een bedrag per uur beschikbaar gesteld van € 16,17; Indien de ondersteuningsvrager zelf de regie op de huishouding niet kan voeren (HH2), wordt een bedrag per uur beschikbaar gesteld van € 18,35. Artikel 7 Vaststelling persoonsgebonden budget overige individuele voorzieningen Het persoonsgebonden budget voor individuele voorzieningen wordt, conform artikel 23, lid 1, sub c van de verordening, vastgesteld op basis van de tegenwaarde van de goedkoopst-compenserende voorziening in natura. De omvang voor een persoonsgebonden budget voor een zaak, wordt bepaald als tegenwaarde van de zaak die de ondersteuningsvrager op dat moment ontvangen zou hebben als de zaak in natura zou zijn verstrekt. Was dat een niet nieuwe voorziening geweest, dan wordt de tegenwaarde daarop gebaseerd, met een looptijd gelijk aan de verkorte afschrijvingstermijn, rekening houdend met onderhoud en verzekering. Deze financiële compensatie dient uiteindelijk toereikend te zijn om de betreffende zaak te kunnen verwerven. Was de naturaverstrekking een nieuwe voorziening geweest, dan wordt de tegenwaarde daarop gebaseerd, rekening houdend met een eventueel door de gemeente te ontvangen korting en rekening houdend met onderhoud en verzekering. De gemeente gebruikt daarvoor de overeengekomen prijzen met de door haar gecontracteerde leveranciers. In de praktijk zal het vaak voorkomen dat een voorziening moet worden aangepast (maatwerk). Om de hoogte van de voorziening dan te bepalen zal een offerte bij de gecontracteerde leverancier opgevraagd worden. Aan de hand van de offerte wordt het persoonsgebonden budget vervolgens vastgesteld. Als het persoonsgebonden budget berekend is, wordt het bij beschikking aan de ondersteuningsvrager bekendgemaakt. In de beschikking wordt, op grond van artikel 23, lid 2 van de verordening, vermeld voor welk resultaat het budget gebruikt moet worden, wat de omvang van het persoonsgebonden budget is en hoe deze tot stand gekomen is en voor hoeveel jaar het budget bedoeld is. Om volstrekt duidelijk te laten zijn wat met het persoonsgebonden budget dient te worden aangeschaft en meer precies, aan welke vereisten de aan te schaffen voorziening dient te voldoen, wordt een zo nauwkeurig mogelijk omschreven programma van eisen bij de beschikking gevoegd. Hierdoor kan voorkomen worden dat door onduidelijkheid omtrent de eisen die aan de voorziening gesteld moeten worden een verkeerde voorziening wordt aangeschaft. Dat zou tot inadequate voorzieningen kunnen leiden, hetgeen op zich weer tot nieuwe aanvragen aanleiding zou kunnen zijn. Dit is uitsluitend te voorkomen door een programma van eisen onderdeel uit te laten maken van de beschikking. Wordt dan toch een voorziening aangeschaft die niet aan dat programma van eisen voldoet, dan is gehandeld in strijd met de beschikking.In de beschikking zal ook opgenomen moeten worden dat er een eigen bijdrage in de kosten verschuldigd is. Omdat die eigen bijdrage vastgesteld en geïnd zal worden door het CAK (zie onder art.4), zal uitsluitend een aankondiging opgenomen worden. Artikel 8 Betaalbaarstelling en verantwoording persoonsgebonden budget Het persoonsgebonden budget wordt, nadat een besluit op de aanvraag is genomen, conform artikel 6, lid 3 van de wet als bedrag aan de ondersteuningsvrager verstrekt. Het is niet zo dat het college (ook als daarom wordt verzocht) het persoonsgebonden budget beheert en op verzoek uitbetaalt aan de door de ondersteuningsvrager uitgekozen leverancier. De ondersteuningsvrager, diens wettelijke vertegenwoordiger is verantwoordelijk voor de betaling(en). Het ontvangen van een persoonsgebonden budget houdt in dat de ondersteuningsvrager of diens wettelijke vertegenwoordiger verantwoordelijk is voor de besteding van het beschikbaar gestelde bedrag voor het doel waarvoor het is toegekend. Betaalbaarstelling Het persoonsgebonden budget Hulp bij het huishouden wordt vooraf periodiek betaalbaar gesteld en wel per periode van vier weken, voor zover de ondersteuningsvrager conform de beschikking hierop aanspraak kan maken.Het persoonsgebonden budget Hulp bij het huishouden/alfa wordt achteraf periodiek betaalbaar gesteld rechtstreeks aan de alfahulp, op basis van de werkelijk gewerkte uren.Persoonsgebonden budgetten voor woningaanpassingen, vervoersvoorzieningen en (sport)rolstoelen worden in één keer uitbetaald, tenzij de aard van de voorziening zich hiervoor niet leent of in overleg met de ondersteuningsvrager anders wordt beslist. Een persoonsgebonden budget voor een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte wordt verleend aan de eigenaar van de woonruimte.De wijze van betaalbaarstelling wordt in de beschikking opgenomen. Verantwoording De verantwoording van het persoonsgebonden budget door de budgethouder aan het college vindt na afloop van de verstrekking plaats. Voor wat betreft de controle op het PGB voor Hulp bij het huishouden wordt 100% gecontroleerd. Artikel 9 Terugvordering persoonsgebonden budget of financiële tegemoetkoming Is het persoonsgebonden budget of de financiële tegemoetkoming anders besteed dan bedoeld, dan kan het college deze geheel of gedeeltelijk terugvorderen. Daarbij zal leidend zijn of er opzet in het spel is geweest, of dat sprake is geweest van onwetendheid. In die laatste situatie wordt overlegd dat deze situatie in de toekomst vermeden dient te worden. Bij opzet moet afgewogen worden of terugvordering in verhouding staat tot wat er bewust onjuist is gedaan. In het geval van PGB voor Hulp bij het huishouden kan rekening worden gehouden met een verantwoordingsvrij bedrag ad € 250,00 per jaar, terwijl bedragen onder de € 25,00 die uiteindelijk niet verantwoord kunnen worden, niet teruggevorderd worden. Het persoonsgebonden budget of de financiële tegemoetkoming wordt teruggevorderd als: het geld niet wordt aangewend voor het doel waarvoor het is verstrekt; de ondersteuningsvrager voordat hij de voorziening heeft aangekocht of besteld overlijdt of verhuist naar een andere gemeente; door een voortschrijdend ziektebeeld de geïndiceerde voorziening niet meer adequaat is en de ondersteuningsvrager met het toegekende bedrag de voorziening nog niet heeft aangekocht of besteld; de ondersteuningsvrager zich niet houdt aan de voorwaarden waaronder het persoonsgebonden budget of de financiële tegemoetkoming is verstrekt. Voordat terugvordering kan plaatsvinden dient eerst het recht op een voorziening ingetrokken te worden, zie artikel 32 van de verordening, met een intrekkingsbeschikking.Een voorziening aangeschaft met een persoonsgebonden budget of met een financiële tegemoetkoming kan, zodra deze voorziening niet meer gebruikt wordt, onder verrekening naar rato van eventueel ingebrachte eigen middelen, door het college worden opgehaald en voor herverstrekking beschikbaar gesteld. Indien de ondersteuningsvrager nadat de voorziening is aangekocht overlijdt of is hersteld, dient de voorziening (bedrag naar rato of de zaak) aan de gemeente terug te worden gegeven. Deze teruggave verplichting wordt in de beschikking opgenomen, met als argument dat de voorziening dan voor herverstrekking wordt ingezet. Indien een ondersteuningsvrager, binnen de gestelde periode waarvoor het persoonsgebonden budget of de financiële tegemoetkoming is verstrekt, verhuist naar een andere gemeente dient het bedrag naar rato terugbetaald te worden of wordt die gemeente verzocht de voorziening over te nemen. Hoofdstuk III Vergoedingen Artikel 10 Vergoedingen vervoersvoorzieningen De forfaitaire vergoedingen voor een vervoersvoorziening zijn maximaal: voor gebruik van eigen of bruikleen auto of taxikosten € 1.055,00 per jaar; voor rolstoeltaxikosten € 1.581,00 per jaar. Indien tevens een aanvullende vervoersvoorziening is verstrekt volgt een korting van 50% op de bovengenoemde bedragen in dit artikel. Ten aanzien van bewoners van een in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten gefinancierde instelling wordt bij de vaststelling van de hierboven genoemde vervoersvoorziening rekening gehouden met de mogelijkheid tot deelname aan het maatschappelijk verkeer binnen de instelling. Behoudens individueel bepaalde omstandigheden die de vervoersbehoefte beïnvloeden wordt als uitgangspunt gehanteerd dat de helft van de deelname aan het maatschappelijk verkeer plaatsvindt binnen de instelling en wordt de tegemoetkoming dienovereenkomstig op 50% vastgesteld. Het vorenstaande geldt tevens t.a.v. bewoners die door extramuralisering van de AWBZ-instellingen vervolgens weer zelfstandig gaan wonen. Ten behoeve van de tot een gezin behorende kinderen met beperkingen kan een vervoerskostenregeling worden verstrekt die als volgt is vastgesteld:Voor kinderen in een leeftijd:- tot 4 jaar geen vergoeding;- van 4 tot 12 jaar 50% van het normbedrag;- van 12 tot 18 jaar het normbedrag. De verstrekte forfaitaire vergoedingen voor vervoer kunnen jaarlijks worden heronderzocht. Artikel 11 Vergoeding autoaanpassing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.