.1 De aanvraag De aanvraag voor een voorziening wordt door de aanvrager of door zijn of haar gemachtigde ingediend. Het college kan van de aanvrager of gemachtigde verlangen zich te legitimeren door middel van een document als aangewezen in artikel 1, eerste lid, sub 1 tot en met sub 3, van de Wet op de Identificatieplicht. Artikel2.2 Artikel2.2Samenhangende afstemming 1.Om de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend af te stemmen op de situatie van de aanvrager wordt bij het onderzoek inzake het advies als bedoeld in artikel 2.3 van de Verordening indien van toepassing aandacht besteed aan: de algemene gezondheidstoestand van de aanvrager; de beperkingen die de aanvrager in zijn functioneren ondervindt als gevolg van ziekte of gebrek; de woning en de woonomgeving van de aanvrager; het psychisch en sociaal functioneren van de aanvrager; de sociale omstandigheden van de aanvrager. 2.Bij de besluitvorming en de motivering van het besluit wordt door het college bij deze bevindingen als bedoeld in het eerste lid aangesloten. Artikel2.3 Gegevens in de beschikking Indien een voorziening wordt toegekend, wordt in de beschikking in ieder geval vermeld: de voorwaarden waaraan de rechthebbende dient te voldoen voordat tot verstrekking kan worden overgegaan; de aard en de omvang van de voorziening; en voor welk doel de voorziening dient te worden aangewend. Indien een voorziening voor bepaalde tijd wordt toegekend, wordt in de beschikking tevens de geldigheidsduur vermeld. Indien een financiële tegemoetkoming wordt toegekend, wordt in de beschikking tevens vermeld op welke kosten de tegemoetkoming betrekking heeft. Indien een persoonsgebonden budget wordt toegekend, wordt in de beschikking tevens vermeld: de omvang van het persoonsgebonden budget; en de looptijd van het persoonsgebonden budget. Indien een persoonsgebonden budget wordt toegekend, wordt bij de beschikking een programma van eisen verstrekt waarin is aangegeven aan welke vereisten de met het persoonsgebonden budget te verwerven voorziening dient te voldoen. Indien een aanvraag wordt afgewezen, worden de gronden van deze afwijzing in de beschikking vermeld. Indien een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, wordt in de beschikking vermeld dat indien (een deel van) het budget niet is besteed aan het daarvoor bestemde doel, dit (deel) dient te worden terugbetaald. Artikel2.4 Terugvordering en Verhaal Eventuele schade als gevolg van verwijtbare omstandigheden aan een door de gemeente in bruikleen toegekende voorziening kan, met inachtneming van de bepalingen in de bruikleenovereenkomst, worden verhaald op de bruiklener. Een verleende voorziening wordt van de aanvrager teruggevorderd op grond van artikel 2.8 van de Verordening, dan wel indien blijkt dat de voorziening niet wordt aangewend voor het doel waarvoor deze is verleend. In geval een in bruikleen verstrekte voorziening als gevolg van verwijtbare omstandigheden niet meer aanwezig is, kan de restwaarde van de voorziening bij de bruiklener in rekening worden gebracht. Hoofdstuk 3 Bijzondere regels over het persoonsgebonden budget Artikel3.1 Toekenning persoonsgebonden budget Verstrekking van een toegekende individuele voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget, waaronder de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting vindt plaats op verzoek van de aanvrager, nadat deze uitdrukkelijk is geïnformeerd over de voor- en nadelen hiervan. Het persoonsgebonden budget kan indien nodig worden aangevuld met een vergoeding voor instandhoudingskosten. Onder instandhoudingskosten worden verstaan: de kosten die noodzakelijk zijn om de verstrekte voorziening in stand te houden, in het bijzonder de kosten van onderhoud en reparatie en, voor zover noodzakelijk, de verzekeringskosten. Tot betaling van het persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden wordt overgegaan nadat de budgethouder een overeenkomst voor het verstrekken van hulp bij het huishouden heeft overgelegd. Artikel3.2 Weigering persoonsgebonden budget Verstrekking als persoonsgebonden budget vindt niet plaats indien op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget. Artikel3.3 Controle persoonsgebonden budget De steekproef zoals genoemd in artikel 3.4, vijfde lid, van de Verordening heeft een omvang van tenminste 10% van het aantal verstrekte persoonsgebonden budgetten, na afloop van de verstrekking dan wel na afloop van enig kalenderjaar. Bij verstrekkingen van een woonvoorziening vanaf € 20.000,00 en voor hulp bij het huishouden vanaf € 7.500,00 zoals genoemd artikel 4.1, eerste en tweede lid, van dit Besluit, zal de controle voor 100% plaatsvinden. De controle vindt plaats na afloop van de verstrekking dan wel na afloop van elk kalenderjaar. Indien het persoonsgebonden budget, dan wel een gedeelte daarvan niet is besteed in de betreffende periode of het betreffende kalenderjaar, is de aanvrager verplicht dit terug te betalen. De verantwoording over het persoonsgebonden budget vindt plaats over het totaal van het toegekende bedrag, inclusief de betaalde eigen bijdrage. 5. Voor een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden geldt, dat over 1,5% van het bedrag, met een minimum van € 100,00 en tot een maximum van € 250,00 per jaar, geen verantwoording hoeft te worden afgelegd. Hoofdstuk 3a Bijzondere regels over de eigen bijdrage Artikel3.4 Omvang van de eigen bijdrage De in een kalenderjaar verschuldigde eigen bijdrage in de kosten van scootermobielen en/of hulp bij het huishouden bedraagt: voor de ongehuwde persoon jonger dan 65 jaar: € 18,00 per vier weken, met dien verstande dat indien zijn inkomen meer bedraagt dan € 22.905,00 het bedrag van € 18,00 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen zijn inkomen en € 22. 905,00; b.voor de ongehuwde persoon van 65 jaar of ouder: € 18,00 per vier weken, met dien verstande dat indien zijn inkomen meer bedraagt dan € 16.007,00 het bedrag van € 18,00 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen zijn inkomen en € 16.007,00; c.voor de gehuwde personen waarvan tenminste één van beiden jonger is dan 65 jaar: € 25,80 per vier weken, met dien verstande dat indien hun gezamenlijke inkomen meer bedraagt dan € 28.306,00 het bedrag van € 25,80 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen hun gezamenlijke inkomen en € 28.306,00; d.voor de gehuwde personen die beiden 65 jaar of ouder zijn: € 25,80 per vier weken, met dien verstande dat indien hun gezamenlijke inkomen meer bedraagt dan € 22.319,00 het bedrag van € 25,80 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen hun gezamenlijke inkomen en € 22.319,00. Bovenstaande bedragen worden jaarlijks geïndexeerd op basis van door het ministerie van VWS aangegeven parameters. Het aantal perioden van 4 weken waarover de eigen bijdrage voor scootermobielen als bedoeld in lid 1 van dit artikel wordt geheven, bedraagt maximaal 39. De kostprijzen voor de voorzieningen als bedoeld in lid 1 van dit artikel worden als volgt vastgesteld: Hulp bij het huishouden Categorie A natura € 17,00 per uur; Hulp bij het huishouden Categorie B natura € 20,50 per uur; Een scootermobiel voor gebruik in de woonomgeving (beperkte actieradius) € 46,50 per periode van 4 weken; d.Een scootermobiel voor gebruik in de woonomgeving (grotere actieradius) € 55,00 per periode van 4 weken; Een scootermobiel voor gebruik buiten de woonomgeving € 83,00 per periode van 4 weken. Met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid, bedraagt de eigen bijdrage voor een persoonsgebonden budget nooit meer dan het toegekende persoonsgebonden budget. Artikel3.5 Inkomen Het inkomen, bedoeld in artikel 3.6 van de Verordening, is het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde persoon dan wel de gehuwden personen tezamen, waaronder wordt verstaan: indien met betrekking tot het peiljaar een aanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het verzamelinkomen, bedoeld in artikel 2.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001, in het peiljaar; in de overige gevallen: het belastbare loon, bedoeld in artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964, in het peiljaar. Inkomen dat in het buitenland wordt belast, dan wel is vrijgesteld van belasting op grond van bepalingen van internationaal recht, wordt mede in aanmerking genomen als ware dit aan de Nederlandse belastingwetgeving onderworpen. In afwijking van het eerste lid vindt op aanvraag van de persoon aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend een voorlopige vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen plaats, indien redelijkerwijs te verwachten is dat het inkomen in het lopende jaar ten minste € 1.816,00 lager zal zijn dan het inkomen, bedoeld in het eerste lid. Indien het derde lid is toegepast, vindt na afloop van het jaar definitieve vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen over dat jaar plaats. Indien daarbij blijkt dat het bijdrageplichtig inkomen minder dan € 1.816,00 lager is geweest dan het inkomen, bedoeld in het eerste lid, vindt definitieve vaststelling plaats in overeenstemming met het eerste lid. Artikel3.6 Wijziging burgerlijke staat of leeftijd Voor de toepassing van de artikelen 3.6 van de Verordening en artikel 3.5 van dit besluit wordt een wijziging in de burgerlijke staat van de ongehuwde persoon of gehuwde personen en het bereiken van een van belang zijnde leeftijd van een van deze personen in aanmerking genomen met ingang van de datum waarop die wijziging plaatsvindt. Artikel3.7 Niet opleggen van de eigen bijdrage De eigen bijdrage wordt niet opgelegd voor zover: binnen twee jaar na aanvang van de maatschappelijke ondersteuning voor de te betalen eigen bijdrage geen beschikking dan wel voorlopige beschikking tot vaststelling van deze bijdrage is verzonden; binnen een jaar nadat de aanbieder van de maatschappelijke ondersteuning de naam, het adres en de woonplaats alsmede de omvang van de maatschappelijke ondersteuning heeft aangeleverd bij de op grond van artikel 16 van de Wet aangewezen rechtspersoon, deze rechtspersoon de naam, het adres en de woonplaats niet heeft teruggevonden in de gemeentelijke basisadministratie. de persoon voor wie de maatschappelijke ondersteuning is bedoeld, jonger is dan 18 jaar. Hoofdstuk 4 Hulp bij het huishouden Artikel4.1 Categorieën van hulp bij het huishouden Hulp bij het huishouden kan door het College worden verstrekt op grond van de volgende categorieën: a. Categorie A: Op de woning gerichte huishoudelijke werkzaamheden, indien noodzakelijk aangevuld met werkzaamheden gericht op de persoonlijke eigendommen. b.Categorie B: Categorie A, aangevuld met organisatie van de huishouding in verband met chronische ziekte of beperking, indien noodzakelijk ook aangevuld met het verzorgen en opvangen van jonge kinderen en eventueel aangevuld met activiteiten bij een ontregelde huishouding. Artikel4.2 Toewijzing hulp bij het huishouden in natura Het college maakt voor de uitvoering van de aan de aanvrager toegekende hulp bij het huishouden in natura gebruik van het Dynamisch Selectiemodel voor de toewijzing van één van de door het College gecontracteerde aanbieders; De aanvrager kan uitsluitend voorafgaand aan de toewijzingsprocedure van het Dynamisch Selectiemodel de keuze maken de hulp in natura te wijzigen in een persoonsgebonden budget; De aanvrager heeft het recht om voorafgaand aan de toewijzingsprocedure van het Dynamisch Selectiemodel één voorkeur en één anti-voorkeur voor een aanbieder uit te spreken; De uitgesproken voorkeur en anti-voorkeur wordt meegenomen in de toewijzingsprocedure van het Dynamisch Selectiemodel; De aanvrager, die voor het eerst hulp bij het huishouden gaat ontvangen of wil veranderen van aanbieder, kan aan de uitgesproken voorkeur als bedoeld in het derde lid geen onvervreemdbaar recht ontlenen bij de uitvoering van toewijzingsprocedure van het Dynamisch Selectiemodel; Indien de aanvrager de via het Dynamisch Selectiemodel toegewezen aanbieder weigert, kan het college de rechthebbende uitsluiten van toegang tot de voorziening voor de duur van maximaal één jaar. Artikel4.3 Hoogte van persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden. 1.Voor de categorieën als bedoeld in artikel 4.1 is de hoogte van het persoonsgebonden budget ten behoeve van hulp bij het huishouden als volgt bepaald: Categorie A: € 16,50 per uur. Categorie B € 20,50 per uur. Voor personen aan wie voorafgaand aan 1 januari 2009 een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden toegekend is, bedraagt de hoogte van het budget voor de resterende geldigheidsduur van de indicatie: indicatie 0 tot 2 uur per week € 948 per jaar indicatie 2 tot 4 uur per week € 2.838 per jaar indicatie 4 tot 7 uur per week € 5.214 per jaar indicatie 7 tot 10 uur per week € 8.052 per jaar indicatie 10 tot 13 uur per week € 10.890 per jaar indicatie 13 tot 16 uur per week € 13.728 per jaar Hoofdstuk 5 Woonvoorzieningen Artikel5.1 Hoogte van persoonsgebonden budget en financiële tegemoetkoming Het persoonsgebonden budget of de financiële tegemoetkoming voor woonvoorzieningen bedraagt ten hoogste de tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte. Artikel5.2 Terugbetaling bij verkoop Het in artikel 5.9, tweede lid, van de Verordening genoemde afschrijvingsschema voor terugbetaling luidt als volgt: Bij verkoop in het eerste jaar: 100% van de door de gemeente gesubsidieerde kosten; bij verkoop in het tweede jaar: 85% van de door de gemeente gesubsidieerde kosten; bij verkoop in het derde jaar: 70% van de door de gemeente gesubsidieerde kosten; bij verkoop in het vierde jaar: 55% van de door de gemeente gesubsidieerde kosten; bij verkoop in het vijfde jaar: 40% van de door de gemeente gesubsidieerde kosten; bij verkoop in het zesde jaar: 25% van de door de gemeente gesubsidieerde kosten; bij verkoop in het zevende jaar: 10% van de door de gemeente gesubsidieerde kosten. Artikel5.3 Verhuiskostenvergoeding 1. Het bedrag van de verhuiskostenvergoeding als bedoeld in artikel 5.3, sub a, van de Verordening bedraagt € 1.975,00. Geen verhuiskostenvergoeding wordt verstrekt indien: de verhuizing heeft plaatsgevonden voordat het besluit door het college is genomen; de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen; de aanvrager verhuist vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is om het gehele jaar door te worden bewoond; of de aanvrager verhuist naar een AWBZ-instelling of een andere onzelfstandige woonruimte. Artikel5.4 Vergoeding bij ‘ontruiming’ aangepaste woonruimte Het college kan vergoeding in de verhuis- en inrichtingskosten van maximaal € 4.050,00 verstrekken aan een persoon die ten behoeve van een persoon met functiebeperkingen een aangepaste woonruimte ontruimt. Artikel5.5 Vergoeding van woonruimteaanpassing Een vergoeding in de kosten van woonruimteaanpassing als bedoeld in artikel 5.3, sub b, van de Verordening wordt slechts verstrekt indien de aanpassing leidt tot opheffing of aanzienlijke vermindering van ergonomische belemmeringen die de aanvrager bij het normale gebruik van de woning ondervindt en een verhuizing niet te realiseren is, of een verhuizing duurder is dan een woonruimteaanpassing, of een verhuizing vanwege sociale omstandigheden naar het oordeel van het college niet gewenst is. Artikel5.6 Nadere voorwaarden bij woonruimteaanpassing De in artikel 5.5 bedoelde voorziening wordt alleen verstrekt, indien: met de werkzaamheden waarop de voorziening betrekking heeft, geen aanvang is genomen voordat het college positief heeft beslist op de aanvraag; door het college aangewezen personen op één of meer door hen te bepalen tijdstippen toegang is geboden tot dat gedeelte van de woonruimte waar de woonruimteaanpassing wordt verricht; deze personen inzage wordt gegeven in de bescheiden en tekeningen welke betrekking hebben op de woonruimteaanpassing en de gelegenheid is geboden tot het controleren van de woonruimteaanpassing. Het college kan van het bepaalde in het eerste lid, sub a, afwijken, indien bijzondere spoedeisende medische omstandigheden daartoe aanleiding geven. Artikel5.7 Woonwagen Een financiële tegemoetkoming in de aanpassingskosten van een woonwagen wordt slechts verstrekt indien: de woonwagen niet ouder dan tien jaar is en nog een technische levensduur heeft van minimaal vijf jaar; de standplaats niet binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt; de woonwagen in de gemeente op de standplaats stond ten tijde van de indiening van de aanvraag voor een woonvoorziening; en de hoofdbewoner van de woonwagen in het bezit is van een bewoningsvergunning als bedoeld in de Huisvestingswet. Artikel 5.8 Woonschip Een financiële tegemoetkoming in de aanpassingskosten van een woonschip wordt slechts verstrekt indien: het woonschip niet ouder dan tien jaar is en nog een technische levensduur heeft van minimaal vijf jaar; het woonschip nog minimaal vijf jaar op de ligplaats mag blijven liggen. Artikel 5.9 Binnenschip Een financiële tegemoetkoming in de aanpassingskosten van een binnenschip wordt slechts verstrekt indien de aanpassing betrekking heeft op het voor de schipper, de bemanning en hun gezinsleden bestemde gedeelte van het verblijf als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel V, van het Binnenschepenbesluit, van een binnenschip, dat: in het register, bedoeld in artikel 783 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, als zodanig te boek is gesteld op de wijze omschreven in de Maatregel te boek gestelde schepen 1992; en bedrijfsmatig wordt gebruikt, hetzij voor het vervoer van goederen, daarbij blijkens de meetbrief bedoeld in het Metingbesluit binnenvaartuigen 1978 een laadvermogen van tenminste vijftien ton hebbend, hetzij voor het vervoer van meer dan twaalf personen buiten de in de aanhef bedoelde. Artikel 5.10 Woningsanering Een financiële tegemoetkoming in de kosten voor woningsanering als bedoeld in artikel 5.3, sub d, van de Verordening wordt verstrekt, indien: de noodzaak hiertoe, vanwege caraklachten in verband met een allergie voor huisstof of huisstofmijt, is vastgesteld; er bij de aanschaf van de huidige vloer- en raambedekking geen sprake was van een (verwachte) noodzaak tot woningsanering; niet eerder voor de aanvrager op grond van de Wet of een andere regeling de huidige woning is gesaneerd; de woningsanering niet heeft plaatsgevonden voordat het college op de aanvraag heeft beschikt; en de woningsanering is aangevraagd binnen één jaar nadat voor de eerste maal een allergie voor huisstofmijt is vastgesteld. 2.Voor de vergoeding van de kosten van vloer- en raambedekking in het kader van woningsanering worden maximaal de daarvoor geldende NIBUD-normen toegepast. Artikel 5.11 Kosten van onderhoud, keuring en reparatie 1. Voor het verstrekken van een financiële tegemoetkoming in verband met onderhoud, keuring en reparatie, als bedoeld in artikel 5.3, sub e1, van de Verordening geldt dat alleen de werkelijk gemaakte kosten, tot een maximum van de in het tweede en derde lid vermelde bedragen, van onderhoud, keuring en reparatie van de volgende onderdelen voor een vergoeding in aanmerking komen: stoelliften; rolstoel- of plateauliften; woonhuisliften; hefplateauliften; balansliften; de mechanische inrichting voor het verstellen van een in hoogte verstelbaar keukenblok, bad of wastafel; elektromechanische opening- en sluitingsmechanismen van deuren. De maximale vergoeding voor kosten van onderhoud van diverse soorten liften in woningen wordt bepaald aan de hand van onderstaande tabel: Door gemeente gecontracteerde leveranciers Overige leveranciers Standaard onderhoudscontract Meerjarig contract (kosten per jaar) Stoellift € 90,00 € 70,00 € 150,00 Rolstoelplateaulift € 225,00 € 150,00 € 225,00 Sta-plateaulift € 225,00 € 150,00 € 225,00 Woonhuislift € 670,00 2 x per jaar € 450,00 € 670,00 2 x per jaar De in deze tabel genoemde maximale bijdragen zijn één maal per jaar declarabel. De bijdrage voor de woonhuislift is voor twee maal onderhoud per jaar. De maximale toeslagen op de bovenvermelde tarieven betreffende onderhoud zijn: 50% voor installaties geplaatst buiten de woning; 50% voor installaties die meer dan één verdieping overbruggen; 50% voor installaties, uitgevoerd met elektrisch aangedreven plateaus en/of afrijdbeveiliging respectievelijk elektrisch wegklapbare raildelen. 3.De maximale vergoeding voor kosten van afzonderlijke keuring van diverse soorten liften in woningen wordt bepaald aan de hand van onderstaande tabel: Liftinstituut Frequentie Stoellift € 82,00 1 x per 4 jaar Rolstoelplateaulift € 109,00 1 x per 4 jaar Sta-plateaulift € 109,00 1 x per 4 jaar Woonhuislift € 175,00 1 x per 1,5 jaar Artikel 5.12 Kosten in verband met tijdelijke huisvesting Een financiële tegemoetkoming in de noodzakelijk geachte kosten van tijdelijke huisvesting die door de aanvrager worden gemaakt in verband met het aanpassen van zijn huidige woonruimte of de door de aanvrager nog te betrekken woonruimte kan alleen worden verstrekt voor de periode dat de woonruimte ten gevolge van het verrichten van de woonruimteaanpassing niet bewoond kan worden en de aanvrager dubbele woonlasten heeft. Een financiële tegemoetkoming in verband met tijdelijke huisvesting wordt alleen verstrekt als de aanvrager redelijkerwijs niet had kunnen voorkomen dat hij deze dubbele woonlasten zou hebben. De termijn gedurende welke een financiële tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt, bedraagt ten hoogste zes maanden. In de in het eerste lid bedoelde gevallen kan alleen een financiële tegemoetkoming worden verstrekt als deze kosten worden gemaakt in verband met: tijdelijk betrekken van een woonruimte; langer moeten aanhouden van de te verlaten woonruimte. Artikel 5.13 Kosten in verband met huurderving 1. Een financiële tegemoetkoming in de kosten van huurderving als bedoeld in artikel 5.3, sub e3, van de Verordening, kan worden verstrekt, indien ten gevolge van de huurbeëindiging van een aangepaste woonruimte sprake is van verlies van huurinkomsten. 2. De termijn gedurende welke een financiële tegemoetkoming in de kosten van huurderving als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt, bedraagt ten hoogste zes maanden. 3.De hoogte van de financiële tegemoetkoming is gelijk aan de noodzakelijk te maken huurkosten met een maximum gelijk aan de restwaarde van de aangebrachte woonvoorzieningen. Artikel 5.14 Het verwijderen van woonvoorzieningen Een financiële tegemoetkoming in de kosten van verwijdering van een woonruimteaanpassing als bedoeld in artikel 5.3, sub e4, van de Verordening, kan worden verstrekt, indien de woonruimte in de huidige staat niet opnieuw verhuurbaar is. Artikel5.15 Uitraasruimte Een aanvrager kan voor een uitraasruimte, als bedoeld in artikel 5.3, sub f, van de Verordening in aanmerking worden gebracht indien sprake is van een op basis van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek aanwezige gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot gevolg, waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin aanvrager tot rust kan komen. Artikel5.16 Verstrekking van de woonvoorziening 1. De volgende van de in dit hoofdstuk genoemde voorzieningen worden verstrekt aan de eigenaar van de woonruimte: a. woonruimteaanpassing; b. kosten in verband met onderhoud, keuring en reparatie; kosten van huurderving; kosten van verwijderen van woonvoorzieningen. De volgende van de in dit hoofdstuk genoemde voorzieningen worden verstrekt aan de hoofdbewoner van de woonruimte: a. verhuizing en inrichting; een woonvoorziening van niet-bouwkundige of woontechnische aard; kosten van tijdelijke huisvesting. Hoofdstuk 6 Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel Artikel6.1 Algemene voorziening Het college verstaat onder een algemene voorziening, waaronder een collectieve vervoersvoorziening, zoals bedoeld in artikel 6.1, sub a, van de Verordening: het gebruik van een gemaximeerd aantal zones met het collectief vraagafhankelijk vervoer regio Holland Rijnland (CVV) tegen (het gewezen) strippentarief 65+ en 65-, met daarbij een vrij besteedbaar bedrag dat voor vervoer als genoemd in dit Besluit onder artikel 6.3, eerste lid, sub a tot en met f, en voor het collectief vraagafhankelijk vervoer regio Holland Rijnland kan worden aangewend. Artikel6.2 Vervoersvoorziening in natura Het college verstaat onder een vervoersvoorziening in natura zoals bedoel in artikel 6.1, sub b, van de Verordening: een al dan niet aangepaste voorziening in de vorm van: een scootermobiel / open elektrische buitenwagen; een gesloten buitenwagen; een auto; een ander verplaatsingsmiddel Artikel6.3 Vervoersvoorziening als persoonsgebonden budget Het college verstaat onder een persoonsgebonden budget te besteden aan een vervoersvoorziening zoals bedoel in artikel 6.1, sub c en sub d, van de Verordening; een tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van: een taxi; een eigen auto of vervoer door derden; een combinatie van a. en b.; een rolstoeltaxi; een voor rolstoelgebruik aangepast vervoermiddel, niet zijnde een taxi; een combinatie van d. en e.; een bruikleenauto / buitenwagen met verbrandingsmotor; of een ander verplaatsingsmiddel dan de onder a. tot en met g. genoemde. een tegemoetkoming in de kosten van: een gehandicaptenparkeerkaart en/of -plaats; aanpassing van de eigen auto; aanpassing van een ander verplaatsingsmiddel; een tegemoetkoming in de kosten van een al dan niet aangepaste voorziening in de vorm van: een scootermobiel / open elektrische buitenwagen; een gesloten buitenwagen; een auto; een ander verplaatsingsmiddel. Artikel6.4 Inkomensdefinitie en – grens (algemeen gebruikelijke) vervoersvoorzieningen Voor de toepassing van artikel 6.4 van de Verordening wordt onder inkomen verstaan het bruto inkomen van de aanvrager van 18 jaar of ouder en, indien van toepassing, dat van diens echtgeno(o)t(
.1, eerste lid Deze bepaling sluit aan bij de omschrijving van het begrip ‘aanvrager’ in artikel 1.1, sub u, van de Verordening. Artikel 2.3, algemeen In dit hoofdstuk is geen bepaling opgenomen over een termijn voor het beschikken op een aanvraag. De algemene wettelijke termijn (Algemene wet bestuursrecht) bedraagt acht weken. Het verder preciseren van een termijn is niet zinvol, omdat de behandelingsduur van veel aanvragen mede afhankelijk is van een aantal door de gemeente niet te beïnvloeden factoren. Dat is met name het geval wanneer aan het CIZ om advies moet worden gevraagd. Wel zal de aanvrager, indien de aanvraag meer tijd vergt dan gebruikelijk, hiervan op de hoogte worden gesteld. Artikel 2.3, zesde lid Het motiveringsbeginsel van de beschikking wordt hier ten overvloede opgenomen, voor de duidelijkheid. Hoofdstuk 3 Bijzondere regels over het persoonsgebonden budget Artikel 3.1, eerste lid De strekking van deze bepaling is dat aan de aanvrager zal worden gevraagd om bij hulp bij het huishouden een expliciete keuze te maken tussen een verstrekking in natura of een verstrekking in de vorm van persoonsgebonden budget, waaronder een vergoeding voor het inhuren van een alfahulp. De recente wetswijziging schrijft voor dat in het geval van een persoonsgebonden budget voor een alfahulp er sprake moet zijn van “geïnformeerde toestemming” van de aanvrager. Artikel 3.1, tweede lid Deze bepaling is een uitwerking van artikel 3.4, eerste lid, sub b, van de Verordening. Het begrip “goedkoopst adequaat” moet worden begrepen als volgt: eerst wordt onderzocht welke oplossingen adequaat zijn en vervolgens wordt van deze de goedkoopste gekozen. In de toelichting van de verordening is al aangegeven dat bij het bepalen van de hoogte van het persoonsgebonden budget wordt gekregen naar de te verstrekken goedkoopst adequate voorziening in de natura (beter gezegd de compensatie die via die voorziening wordt geboden). De gewijzigde wet spreekt van een “vergelijkbaar en toereikend persoonsgebonden budget” (artikel 6 van de wet). Dit dient gelezen te worden als dat het persoonsgebonden budget toereikend dient te zijn om tot een met natura vergelijkbare compensatie van de beperking te komen. Als referentiepunt voor de budgetbepaling is het resultaat (het compenseren van de beperking via een pgb door de burger) belangrijker dan het bedrag dat de gemeente kwijt is in natura. Artikel 3.1, derde lid (nieuw) Er is hier een derde lid toegevoegd waarin staat aangegeven dat het budget voor hulp bij het huishouden pas daadwerkelijk wordt overgemaakt, nadat de gemeente een overeenkomst tussen cliënt en hulpverlener heeft ontvangen. Op deze wijze heeft de gemeente een toetssteen bij de controle achteraf na het einde van het kalenderjaar. Artikel 3.2 Deze bepaling is een uitwerking van artikel 3.1, eerste lid, van de Verordening. Het gaat hierbij om concrete aanwijzingen die leiden tot een ernstig vermoeden van onvermogen in het omgaan van betrokkene met een persoonsgebonden budget. Niet alleen de fysieke en mentale vermogens van de aanvrager zijn van belang, maar ook de omstandigheid of een andere persoon deze taak voor hem waarneemt of kan overnemen. Hierbij moet worden gedacht aan een wettelijke vertegenwoordiger (mentor of bewindvoerder) of een betrouwbare zaakwaarnemer. Artikel 3.3, tweede lid De controle vindt dus plaats na afloop van de periode die met de verstrekking is gemoeid. Beslaat deze periode meerdere kalenderjaren, dan vindt een jaarlijkse controle plaats. Artikel 3.3, vierde lid De verantwoording van het persoonsgebonden budget of de financiële tegemoetkoming betreft het hele budget inclusief de eigen betaling en exclusief het deel dat hieronder in het 5e lid is beschreven. Artikel 3.3, vijfde lid Deze bepaling omschrijft welke gedeelte van het persoonsgebonden budget als ‘vrij besteedbaar’ kan worden beschouwd. Ook in de informatie bij de individuele beschikking zal hierop worden gewezen. Voor 2012 is het minimale verantwoordingsvrije bedrag gewijzigd van € 250 naar minimaal € 100, omdat € 250 op een budget van nog geen € 1000 een te groot bedrag wordt gevonden. Ook het maximale bedrag van € 1250 is bijgesteld, omdat 1,5% van het hoogste budget slechts ruim € 200 is en € 1250 dus simpelweg nooit zal voorkomen, dus € 250 wordt een logischer bedrag geacht; Hoofdstuk 3a Bijzondere regels over de eigen bijdrage Algemeen De vraag ligt voor de hand of er geen anti-cumulatiebepaling gewenst is om stapeling van eigen bijdragen, denk bijv. aan ziektekosten, kosten van aangepast schoeisel en overige AWBZ-regelingen, tegen te gaan. De Wmo is echter preferent ten opzichte van andere regelgeving, zodat een dergelijke bepaling met betrekking tot eigen bijdragen niet nodig is. In de toelichting bij de Algemene maatregel van bestuur is hierover het volgende opgemerkt: “Anders dan bij de Wvg gaat de Wmo-bijdrage thans voor op de AWBZ. Dit betekent dat burgers die voor een bepaalde Wmo-voorziening reeds een eigen bijdrage betalen, maar daarvoor het maximum nog niet hebben bereikt, voor de AWBZ slechts een eigen bijdrage betalen tot dat voor hen geldende maximum. Dit geldt ook voor de eigen bijdrage die in mindering wordt gebracht op het persoonsgebonden budget op grond van de AWBZ.” Door deze bepaling is ook het totaal van de eigen bijdrage die de gemeente zelf kan vragen aan aanvragers die verschillende voorzieningen tegelijk hebben, aan grenzen gebonden. Artikel 3.4 lid 1 De hier genoemde bedragen zijn afkomstig uit de Algemene maatregel van bestuur (besluit maatschappelijke ondersteuning van 2 oktober 2006, laatst gewijzigd 17 november 2010), en zoals nadien bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van de prijsindex voor de gezinsconsumptie. Deze bedragen zijn bovengrenzen; gemeenten kunnen ook lagere beginbedragen, hogere drempelinkomens en een lager percentage als 15% hanteren. Dit kan alleen gelijkmatig voor alle groepen tegelijkertijd. Aanpassingen ervan hebben grote budgettaire consequenties. De Rijksoverheid geeft sinds 1 januari 2009 aan cliënten met een Wmo en/of AWBZ eigen bijdrage via het CAK een korting van 33% op de totaal te betalen eigen bijdragen. Deze compensatiemaatregel is door het Rijk ingevoerd vanwege de beperking van de fiscale aftrek van bijzondere ziektekosten. Het Rijk bepaalt en betaalt deze maatregel, dit gaat buiten de gemeenten om. Artikel 3.4 lid 2 Hier wordt geregeld dat de maximale periode waarover een eigen bijdrage voor een scootermobiel kan worden gevraagd maximaal 3 kalenderjaren is. De eigen bijdrage wordt per periode van 4 weken geheven. Artikel 3.4 lid 3 Volgens de Wet maatschappelijke ondersteuning mag de eigen bijdrage nooit meer bedragen dan de kostprijs van de voorziening. In dit artikel worden de kostprijzen vastgesteld. De bedoeling is dat de hoogte van de kostprijs voor hulp bij het huishouden gelijk aan de minimale tarieven die verwacht worden als uitkomst van het Dynamische Selectiemodel bij hulp in natura. Het bedrag voor scootmobielen is afgeleid van het huurbedrag dat de gemeente gemiddeld maandelijks betaalt voor het betreffende model aan de drie gecontracteerde leveranciers. Artikel 3.5 Het hier gehanteerde inkomensbegrip is eveneens afkomstig uit de Algemene maatregel van bestuur en sluit aan bij de bestaande praktijk met betrekking tot het verstrekken van hulp bij het huishouden (huishoudelijke verzorging). Artikelen 3.6 en 3.7 Ook deze artikelen zijn overgenomen uit de Algemene maatregel van bestuur. Hoofdstuk 4 Hulp bij het huishouden Artikel 4.1 In het kader van de aanbesteding 2009 zijn de oorspronkelijke 4 categorieën naar zwaarte van hulp bij het huishouden vervangen door twee categorieën. Het besluit is daarop vorig jaar al aangepast. Het onderscheid in categorieën heeft implicaties voor de vraag welke hulpverlener zal worden ingezet. De situatie waarin het hulp vragende huishouden verkeert, inclusief de regie en het regelvermogen van de aanvrager, en het ‘profiel’ van de hulpverlenende persoon moeten op elkaar aansluiten. Tot ‘op de woning gerichte huishoudelijke werkzaamheden’ behoren de grovere werkzaamheden als stof afnemen, afwassen, opruimen, ramen zemen en het schoonmaken van het sanitair. Onder ‘huishoudelijke werkzaamheden gericht op persoonlijke eigendommen’ vallen werkzaamheden die zich meer richten op persoonlijke eigendommen en lijfgoed. Denk hierbij aan taken als was of kleding opbergen, bed opmaken en het verzorgen van planten en huisdieren. Ook het incidenteel opwarmen van een maaltijd in de magnetron en het klaarzetten van de broodmaaltijd kan hieronder worden gerekend. Voorbeelden van ‘activiteiten behorende bij de organisatie van het huishouden’ zijn het helpen bij het voorbereiden van de maaltijd, dagelijkse opvoedingsactiviteiten en administratieve werkzaamheden zoals het plannen en beheren van middelen met betrekking tot het huishouden. Bij ‘activiteiten behorende bij een situatie van een ontregelde huishouding’ moet worden gedacht aan zaken als het instrueren over het omgaan met hulpmiddelen, textielverzorging, omgaan met het huishoudenbudget of begeleiding bij opvoeding. Het koken in de zin van het volledig bereiden van een volwaardige maaltijd behoort slechts in tijdelijke noodsituaties tot de voorziening ‘hulp bij het huishouden’, omdat hiervoor voorliggende voorzieningen (Tafeltje Dek Je, kant-en-klaarmaaltijden, etc.) bestaan. Dit moet worden onderscheiden van het simpel opwarmen van een maaltijd waarvan hierboven sprake is. Vanwege de verandering van 4 categorieomschrijvingen naar het hanteren van 2 categorieën wordt de volgende overgangsbepaling gehanteerd: bij bestaande klanten (dat wil zeggen die op 1-1-2009 een geldige indicatie in een van de vier soorten hadden) duurt de oude indicatie met de afgegeven categorie voort totdat herindicatie noodzakelijk danwel aan de orde is. Nieuwe klanten (d.w.z. die na 1-1-2009 een indicatie krijgen) krijgen hun indicatie in categorie A of B. Artikel 4.2 Is ingevoegd om het gehanteerde dynamisch selectiemodel voor hulp bij het huishouden op hoofdlijnen in het Wmo-besluit op te nemen en te bepalen dat de cliënt voorafgaand aan de selectie de keuze moet maken voor een pgb en niet nadat de selectie en toewijzing heeft plaats gevonden. Dat laatste zou namelijk de gemeenten in de onwenselijk situatie brengen dat zij op cliëntniveau contractbreuk pleegt richting aanbieders. Lid 5 is per 2012 aangepast omdat de voorkeur van de bestaande cliënt voor de bestaande aanbieder per 2012 absoluut is geworden. Artikel 4.3 lid 1 De hier gehanteerde tarieven zijn getoetst aan de voorstellen van de landelijke belangenvereniging voor houders van een persoonsgebonden budget en landelijke bekende gemiddelden.Jjurisprudentie laat zien dat gemeenten voor beoordeling of de hoogte van het pgb toereikend is, niet gebonden zijn aan de tarieven voor de hulp in natura met instellingen als referentie. Het is vooral belangrijk of met het versterkte bedrag de compensatie kan worden bereikt. De particuliere inkoopmarkt van hulp bij het huishouden (de “witte” werkster) en het tarief voor een (gewezen) alfahulp kan/mag daarbij als referentiepunt worden genomen. Veel gemeenten kennen inmiddels voor categorie A een PGB dat gelijk is aan de kosten van een werkster via een alfahulpconstructie (€ 12,50 à € 14,50) en soms nog een tweede PGB-tarief voor een hulp voor categorie A via een instelling voor Hulp bij het Huishouden. Het ligt is de reden deze ontwikkeling mee te nemen bij het herijken van de beleidsregels in het kader van een gekantelde verordening. Om deze reden wordt het tarief voor categorie A voor 2012 gelijk gehouden. Het tarief voor categorie B (hulp waarbij professionele, gediplomeerde hulp een must
.1, eerste lid Deze bepaling sluit aan bij de omschrijving van het begrip ‘aanvrager’ in artikel 1.1, sub u, van de Verordening. Artikel 2.3, algemeen In dit hoofdstuk is geen bepaling opgenomen over een termijn voor het beschikken op een aanvraag. De algemene wettelijke termijn (Algemene wet bestuursrecht) bedraagt acht weken. Het verder preciseren van een termijn is niet zinvol, omdat de behandelingsduur van veel aanvragen mede afhankelijk is van een aantal door de gemeente niet te beïnvloeden factoren. Dat is met name het geval wanneer aan het CIZ om advies moet worden gevraagd. Wel zal de aanvrager, indien de aanvraag meer tijd vergt dan gebruikelijk, hiervan op de hoogte worden gesteld. Artikel 2.3, zesde lid Het motiveringsbeginsel van de beschikking wordt hier ten overvloede opgenomen, voor de duidelijkheid. Hoofdstuk 3 Bijzondere regels over het persoonsgebonden budget Artikel 3.1, eerste lid De strekking van deze bepaling is dat aan de aanvrager zal worden gevraagd om bij hulp bij het huishouden een expliciete keuze te maken tussen een verstrekking in natura of een verstrekking in de vorm van persoonsgebonden budget, waaronder een vergoeding voor het inhuren van een alfahulp. De recente wetswijziging schrijft voor dat in het geval van een persoonsgebonden budget voor een alfahulp er sprake moet zijn van “geïnformeerde toestemming” van de aanvrager. Artikel 3.1, tweede lid Deze bepaling is een uitwerking van artikel 3.4, eerste lid, sub b, van de Verordening. Het begrip “goedkoopst adequaat” moet worden begrepen als volgt: eerst wordt onderzocht welke oplossingen adequaat zijn en vervolgens wordt van deze de goedkoopste gekozen. In de toelichting van de verordening is al aangegeven dat bij het bepalen van de hoogte van het persoonsgebonden budget wordt gekregen naar de te verstrekken goedkoopst adequate voorziening in de natura (beter gezegd de compensatie die via die voorziening wordt geboden). De gewijzigde wet spreekt van een “vergelijkbaar en toereikend persoonsgebonden budget” (artikel 6 van de wet). Dit dient gelezen te worden als dat het persoonsgebonden budget toereikend dient te zijn om tot een met natura vergelijkbare compensatie van de beperking te komen. Als referentiepunt voor de budgetbepaling is het resultaat (het compenseren van de beperking via een pgb door de burger) belangrijker dan het bedrag dat de gemeente kwijt is in natura. Artikel 3.1, derde lid (nieuw) Er is hier een derde lid toegevoegd waarin staat aangegeven dat het budget voor hulp bij het huishouden pas daadwerkelijk wordt overgemaakt, nadat de gemeente een overeenkomst tussen cliënt en hulpverlener heeft ontvangen. Op deze wijze heeft de gemeente een toetssteen bij de controle achteraf na het einde van het kalenderjaar. Artikel 3.2 Deze bepaling is een uitwerking van artikel 3.1, eerste lid, van de Verordening. Het gaat hierbij om concrete aanwijzingen die leiden tot een ernstig vermoeden van onvermogen in het omgaan van betrokkene met een persoonsgebonden budget. Niet alleen de fysieke en mentale vermogens van de aanvrager zijn van belang, maar ook de omstandigheid of een andere persoon deze taak voor hem waarneemt of kan overnemen. Hierbij moet worden gedacht aan een wettelijke vertegenwoordiger (mentor of bewindvoerder) of een betrouwbare zaakwaarnemer. Artikel 3.3, tweede lid De controle vindt dus plaats na afloop van de periode die met de verstrekking is gemoeid. Beslaat deze periode meerdere kalenderjaren, dan vindt een jaarlijkse controle plaats. Artikel 3.3, vierde lid De verantwoording van het persoonsgebonden budget of de financiële tegemoetkoming betreft het hele budget inclusief de eigen betaling en exclusief het deel dat hieronder in het 5e lid is beschreven. Artikel 3.3, vijfde lid Deze bepaling omschrijft welke gedeelte van het persoonsgebonden budget als ‘vrij besteedbaar’ kan worden beschouwd. Ook in de informatie bij de individuele beschikking zal hierop worden gewezen. Voor 2012 is het minimale verantwoordingsvrije bedrag gewijzigd van € 250 naar minimaal € 100, omdat € 250 op een budget van nog geen € 1000 een te groot bedrag wordt gevonden. Ook het maximale bedrag van € 1250 is bijgesteld, omdat 1,5% van het hoogste budget slechts ruim € 200 is en € 1250 dus simpelweg nooit zal voorkomen, dus € 250 wordt een logischer bedrag geacht; Hoofdstuk 3a Bijzondere regels over de eigen bijdrage Algemeen De vraag ligt voor de hand of er geen anti-cumulatiebepaling gewenst is om stapeling van eigen bijdragen, denk bijv. aan ziektekosten, kosten van aangepast schoeisel en overige AWBZ-regelingen, tegen te gaan. De Wmo is echter preferent ten opzichte van andere regelgeving, zodat een dergelijke bepaling met betrekking tot eigen bijdragen niet nodig is. In de toelichting bij de Algemene maatregel van bestuur is hierover het volgende opgemerkt: “Anders dan bij de Wvg gaat de Wmo-bijdrage thans voor op de AWBZ. Dit betekent dat burgers die voor een bepaalde Wmo-voorziening reeds een eigen bijdrage betalen, maar daarvoor het maximum nog niet hebben bereikt, voor de AWBZ slechts een eigen bijdrage betalen tot dat voor hen geldende maximum. Dit geldt ook voor de eigen bijdrage die in mindering wordt gebracht op het persoonsgebonden budget op grond van de AWBZ.” Door deze bepaling is ook het totaal van de eigen bijdrage die de gemeente zelf kan vragen aan aanvragers die verschillende voorzieningen tegelijk hebben, aan grenzen gebonden. Artikel 3.4 lid 1 De hier genoemde bedragen zijn afkomstig uit de Algemene maatregel van bestuur (besluit maatschappelijke ondersteuning van 2 oktober 2006, laatst gewijzigd 17 november 2010), en zoals nadien bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van de prijsindex voor de gezinsconsumptie. Deze bedragen zijn bovengrenzen; gemeenten kunnen ook lagere beginbedragen, hogere drempelinkomens en een lager percentage als 15% hanteren. Dit kan alleen gelijkmatig voor alle groepen tegelijkertijd. Aanpassingen ervan hebben grote budgettaire consequenties. De Rijksoverheid geeft sinds 1 januari 2009 aan cliënten met een Wmo en/of AWBZ eigen bijdrage via het CAK een korting van 33% op de totaal te betalen eigen bijdragen. Deze compensatiemaatregel is door het Rijk ingevoerd vanwege de beperking van de fiscale aftrek van bijzondere ziektekosten. Het Rijk bepaalt en betaalt deze maatregel, dit gaat buiten de gemeenten om. Artikel 3.4 lid 2 Hier wordt geregeld dat de maximale periode waarover een eigen bijdrage voor een scootermobiel kan worden gevraagd maximaal 3 kalenderjaren is. De eigen bijdrage wordt per periode van 4 weken geheven. Artikel 3.4 lid 3 Volgens de Wet maatschappelijke ondersteuning mag de eigen bijdrage nooit meer bedragen dan de kostprijs van de voorziening. In dit artikel worden de kostprijzen vastgesteld. De bedoeling is dat de hoogte van de kostprijs voor hulp bij het huishouden gelijk aan de minimale tarieven die verwacht worden als uitkomst van het Dynamische Selectiemodel bij hulp in natura. Het bedrag voor scootmobielen is afgeleid van het huurbedrag dat de gemeente gemiddeld maandelijks betaalt voor het betreffende model aan de drie gecontracteerde leveranciers. Artikel 3.5 Het hier gehanteerde inkomensbegrip is eveneens afkomstig uit de Algemene maatregel van bestuur en sluit aan bij de bestaande praktijk met betrekking tot het verstrekken van hulp bij het huishouden (huishoudelijke verzorging). Artikelen 3.6 en 3.7 Ook deze artikelen zijn overgenomen uit de Algemene maatregel van bestuur. Hoofdstuk 4 Hulp bij het huishouden Artikel 4.1 In het kader van de aanbesteding 2009 zijn de oorspronkelijke 4 categorieën naar zwaarte van hulp bij het huishouden vervangen door twee categorieën. Het besluit is daarop vorig jaar al aangepast. Het onderscheid in categorieën heeft implicaties voor de vraag welke hulpverlener zal worden ingezet. De situatie waarin het hulp vragende huishouden verkeert, inclusief de regie en het regelvermogen van de aanvrager, en het ‘profiel’ van de hulpverlenende persoon moeten op elkaar aansluiten. Tot ‘op de woning gerichte huishoudelijke werkzaamheden’ behoren de grovere werkzaamheden als stof afnemen, afwassen, opruimen, ramen zemen en het schoonmaken van het sanitair. Onder ‘huishoudelijke werkzaamheden gericht op persoonlijke eigendommen’ vallen werkzaamheden die zich meer richten op persoonlijke eigendommen en lijfgoed. Denk hierbij aan taken als was of kleding opbergen, bed opmaken en het verzorgen van planten en huisdieren. Ook het incidenteel opwarmen van een maaltijd in de magnetron en het klaarzetten van de broodmaaltijd kan hieronder worden gerekend. Voorbeelden van ‘activiteiten behorende bij de organisatie van het huishouden’ zijn het helpen bij het voorbereiden van de maaltijd, dagelijkse opvoedingsactiviteiten en administratieve werkzaamheden zoals het plannen en beheren van middelen met betrekking tot het huishouden. Bij ‘activiteiten behorende bij een situatie van een ontregelde huishouding’ moet worden gedacht aan zaken als het instrueren over het omgaan met hulpmiddelen, textielverzorging, omgaan met het huishoudenbudget of begeleiding bij opvoeding. Het koken in de zin van het volledig bereiden van een volwaardige maaltijd behoort slechts in tijdelijke noodsituaties tot de voorziening ‘hulp bij het huishouden’, omdat hiervoor voorliggende voorzieningen (Tafeltje Dek Je, kant-en-klaarmaaltijden, etc.) bestaan. Dit moet worden onderscheiden van het simpel opwarmen van een maaltijd waarvan hierboven sprake is. Vanwege de verandering van 4 categorieomschrijvingen naar het hanteren van 2 categorieën wordt de volgende overgangsbepaling gehanteerd: bij bestaande klanten (dat wil zeggen die op 1-1-2009 een geldige indicatie in een van de vier soorten hadden) duurt de oude indicatie met de afgegeven categorie voort totdat herindicatie noodzakelijk danwel aan de orde is. Nieuwe klanten (d.w.z. die na 1-1-2009 een indicatie krijgen) krijgen hun indicatie in categorie A of B. Artikel 4.2 Is ingevoegd om het gehanteerde dynamisch selectiemodel voor hulp bij het huishouden op hoofdlijnen in het Wmo-besluit op te nemen en te bepalen dat de cliënt voorafgaand aan de selectie de keuze moet maken voor een pgb en niet nadat de selectie en toewijzing heeft plaats gevonden. Dat laatste zou namelijk de gemeenten in de onwenselijk situatie brengen dat zij op cliëntniveau contractbreuk pleegt richting aanbieders. Lid 5 is per 2012 aangepast omdat de voorkeur van de bestaande cliënt voor de bestaande aanbieder per 2012 absoluut is geworden. Artikel 4.3 lid 1 De hier gehanteerde tarieven zijn getoetst aan de voorstellen van de landelijke belangenvereniging voor houders van een persoonsgebonden budget en landelijke bekende gemiddelden.Jjurisprudentie laat zien dat gemeenten voor beoordeling of de hoogte van het pgb toereikend is, niet gebonden zijn aan de tarieven voor de hulp in natura met instellingen als referentie. Het is vooral belangrijk of met het versterkte bedrag de compensatie kan worden bereikt. De particuliere inkoopmarkt van hulp bij het huishouden (de “witte” werkster) en het tarief voor een (gewezen) alfahulp kan/mag daarbij als referentiepunt worden genomen. Veel gemeenten kennen inmiddels voor categorie A een PGB dat gelijk is aan de kosten van een werkster via een alfahulpconstructie (€ 12,50 à € 14,50) en soms nog een tweede PGB-tarief voor een hulp voor categorie A via een instelling voor Hulp bij het Huishouden. Het ligt is de reden deze ontwikkeling mee te nemen bij het herijken van de beleidsregels in het kader van een gekantelde verordening. Om deze reden wordt het tarief voor categorie A voor 2012 gelijk gehouden. Het tarief voor categorie B (hulp waarbij professionele, gediplomeerde hulp een must is) stijgt mee met de kostprijshantering voor categorie B in natura richting het CAK. Het is goed om te realiseren dat de gemeente naast het pgb-budget per budgethouder per maand minimaal € 2,50 betaald aan de Sociale Verzekeringsbank voor de ondersteuning van PGB-houders. Artikel 4.3 lid 2 Dit lid bepaalt dat bestaande cliënten tot aan de herindicatie via de van de AWBZ-afgeleide systematiek hun persoonsgebonden budget blijven ontvangen. De genoemde bedragen zijn in 2012 licht naar boven bijgesteld met circa 1,5% indexering, zodat ze deelbaar zijn door 12 (maanden). Hoofdstuk 5 Woonvoorzieningen Algemeen De hier opgenomen bepalingen zijn een neerslag van de in Leiden vóór 1 januari 2007 bestaande praktijk. Dat betekent dat de relevante bepalingen uit hoofdstuk 2 van de Verordening voorzieningen gehandicapten 2006 en het bijbehorende Financieel besluit, voor zover niet reeds opgenomen in de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning in dit hoofdstuk een plaats hebben gevonden. Artikel 5.1 Hiermee wordt aangegeven, dat wordt uitgegaan van de daadwerkelijk gemaakte kosten, indien deze lager uitvallen dan die van de geaccepteerde offerte. Artikel 5.3, eerste lid Het hier genoemde bedrag van € 1.975,00 is afgeleid van de vóór 1 januari 2007 bestaande ‘Wvg-praktijk’ en in 2012 periodiek geïndexeerd. Artikel 5.4 Hetzelfde als bovenstaande geldt voor het hier genoemde bedrag van € 4.050,00. Artikel 5.11 De tekst van dit artikel is conform de regels van het landelijk Liftinstituut inzake het keuren en onderhouden van liften en met de Europese aanbesteding van de levering en het onderhoud van liften die in 2010 heeft plaatsgevonden en per 1 januari 2011 heeft geleid tot een nieuwe raamcontract met de bestaande leverancier. Hoofdstuk 6 Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel Algemeen De hier opgenomen bepalingen zijn een neerslag van de in Leiden vóór 1 januari 2007 bestaande praktijk. Dat betekent dat de relevante bepalingen uit hoofdstuk 3 van de Verordening voorzieningen gehandicapten 2006 en het bijbehorende Financieel besluit, voor zover niet al opgenomen in de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning, in dit hoofdstuk zijn opgenomen. Artikel 6.4 In het vierde lid stond dat de gemeente voor de inkomensgrens en de bijbehorende bedragen voor vervoer kijkt naar de bijstandsnorm voor gehuwden. Per 2012, zo is het wetsontwerp, zal de bijstandsnorm voor gehuwden worden vervangen door de bijstandsnorm voor een gezin. Op deze terminologie is dit lid alvast aangepast. Mocht de wetswijziging toch niet doorgaan, dan zal de gemeente Leiden gewoon de bijstandsnorm voor gehuwden als norm blijven hanteren en zal in plaats van gezin “gehuwden” moeten worden gelezen en de nadere detaillering qua verwijzing binnen de Wwb-artikelen komt dan te vervallen. Artikel 6.7, Een aantal bedragen zijn voor 2012 licht naar boven bijgesteld. Weliswaar is de Nationale stippenkaart verdwenen, maar de kosten voor de Wmo-cliënt per zone zullen in 2012 nog wel worden afgeleid van het (gewezen) strippenkaarttarief. Artikel 6.8 en 6.9 De bedragen in het eerste lid zijn gerelateerd aan de huurprijzen van de goedkoopste adequate voorzieningen in natura. De opgenomen bedragen zijn per 2012 met circa 1,5% geïndexeerd. 6.8 lid 9 en 12 De mogelijkheid om een scootermobiel aangeschaft via een pgb bij overlijden, verhuizing of niet adequaat zijn, terug te geven aan de gemeente is vanwege onuitvoerbaarheid per 2011 geschrapt. De tabel voor terugbetaling van de restwaarde in deze gevallen is aangepast. 6.8 lid 11. Indien een scootermobielgebruiker verhuist naar een andere gemeente, neemt deze laatste gemeente in het algemeen het beheer/verantwoordelijkheid van de voorziening over. Dit artikel is toegevoegd voor het geval de ontvangende gemeente niet wil meewerken. Hoofdstuk 7 Overige manieren van verplaatsen Algemeen De hier opgenomen bepalingen zijn een neerslag van de in Leiden vóór 1 januari 2007 bestaande praktijk. Dat betekent dat de relevante bepalingen uit hoofdstuk 4 van de Verordening voorzieningen gehandicapten 2006 en het bijbehorende Financieel besluit, voor zover niet al opgenomen in de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning , in dit hoofdstuk zijn opgenomen. Artikel 7.2 en 7.3 De bedragen in het eerste lid zijn gerelateerd aan de huurprijzen van de goedkoopste adequate voorzieningen in natura. De opgenomen bedragen zijn per 2012 met circa 1,5% geïndexeerd. 7.2 lid 9 en 12 De mogelijkheid om een rolstoel aangeschaft via een pgb bij overlijden, verhuizing of niet adequaat zijn, terug te geven aan de gemeente is vanwege onuitvoerbaarheid per 2011 geschrapt. De tabel voor terugbetaling van de restwaarde in deze gevallen is aangepast. Artikel 7.4 Het hier genoemde bedrag van € 2.500,00 is afgeleid van de vóór 1 januari 2007 bestaande ‘Wvg-praktijk’ en is in 2012 periodiek geïndexeerd. Hoofdstuk 8 Slotbepalingen Algemeen Deze artikelen zijn de voor regelgeving als deze gebruikelijke slotbepalingen. Artikel 8.2, die bepaalt dat het College nadere (uitvoerings)regels kan stellen, bijvoorbeeld in het Handboek Voorzieningen Wmo, is in 2010 ingevoegd.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.