Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Delft 2012 HoofdstukIDefinities en begripsomschrijvingen De raad van de gemeente Delft; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 20 september 2011; gelet op de artikelen 149, 156, tweede lid, onderdeel h, en 225 van de Gemeentewet en artikel 2a van de Wegenverkeerswet; gezien het advies van de commissie Middelen en Economie; BESLUIT: vast te stellen de Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Delft 2012 Artikel1 In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: college: college van burgemeester en wethouders; RVV 1990: het Reglement verkeersregels en verkeerstekens van 26 juli 1990, Stb. 459; motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990, met inbegrip van brommobielen, zoals bedoeld in artikel 1 onder ia van het RVV 1990; parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten stilstaan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden; houder: degene die naar de omstandigheden als houder van een motorvoertuig moet worden beschouwd, met dien verstande dat voor een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) geregistreerd motorvoertuig als houder wordt aangemerkt degene die ten tijde van het parkeren als kentekenhouder van dit motorvoertuig in het kentekenregister was ingeschreven; parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten, en hetgeen naar maatschappelijke opvatting voor het overige onder parkeerapparatuur wordt verstaan; parkeerapparatuurplaats: een parkeerplaats waarvoor parkeerbelasting wordt geheven door middel van parkeerapparatuur; reguliere betaaldparkeerplaats: een parkeerplaats waarvoor parkeerbelasting wordt geheven door middel van parkeerapparatuur, waarop niet met een parkeervergunning mag worden geparkeerd; belanghebbendenplaats: een parkeerplaats die is aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990, of gelegen is binnen een zone aangeduid met het bord E9 van Bijlage I van het RVV 1990 met het opschrift zone, voor zover deze plaats niet is uitgezonderd; vergunning: een door het college verleende vergunning, krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op daartoe aangewezen parkeerapparatuur- en/of belanghebbendenplaatsen; vergunninghouder: de natuurlijke of rechtspersoon aan wie een vergunning is verleend; dagkaart vergunninghouderplaats: een schriftelijk bewijs waarmee het is toegestaan te parkeren op belanghebbendenplaatsen gedurende een aaneengesloten periode van maximaal een kalenderdag; autodate: het herhaald en opeenvolgend gezamenlijk gebruik van motorvoertuigen op grond van een overeenkomst tussen natuurlijke personen en een aanbieder of tussen natuurlijke personen uit meer dan één huishouden; aanbieder: de natuurlijke of rechtspersoon die motorvoertuigen voor autodate ter beschikking stelt; autodateplaats: een parkeerplaats aangewezen voor een motorvoertuig bestemd voor autodate; centrale computer: computer van het bedrijf waarmee de gemeente Delft een overeenkomst heeft gesloten, bestemd voor de registratie van parkeerbewegingen in het kader van het verlenen van diensten op het gebied van betaald parkeren met gebruik van een telefoon; runshopplaats: een parkeerapparatuurplaats, waar de duur van het parkeren van een motorvoertuig is gemaximeerd tot 60 minuten; gehandicaptenparkeerkaart: een parkeerkaart als bedoeld in artikel 49 Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer, een regionale gehandicaptenparkeerkaart of een buitenlandse gehandicaptenparkeerkaart; dag: kalenderdag; maand: kalendermaand; feestdag: Nieuwjaarsdag, eerste Paasdag, tweede Paasdag, Koninginnedag, Hemelvaartsdag, eerste Pinksterdag, tweede Pinksterdag, eerste Kerstdag, tweede Kerstdag, alsmede de vijfde mei. HoofdstukIIPlaatsen voor vergunninghouders, vergunningen en vergunningbewijzen Artikel2 1.Het college kan, bij openbaar te maken besluit, weggedeelten aanwijzen die bestemd zijn voor het parkeren door vergunninghouders. Het college kan hierbij onderscheid maken in de categorieën als bedoeld in artikel 3, derde lid. 2.Het college kan, bij openbaar te maken besluit, de tijdstippen vaststellen waarop het parkeren op de in het vorige lid bedoelde parkeerplaatsen alleen aan vergunninghouders is toegestaan. Artikel3 1.Het college kan op een daartoe strekkende aanvraag een vergunning verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen en/of parkeerapparatuurplaatsen. 2.Het college kan regels stellen voor het aanvragen en verlenen van een vergunning. 3.Een vergunning kan worden verleend aan: a.een eigenaar of houder van een motorvoertuig die woont in een gebied waar belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn, te noemen bewonersvergunning; b.een eigenaar of houder van een motorvoertuig die een beroep of bedrijf uitoefent in een gebied waar belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig, te noemen bedrijfsparkeervergunning; c.degene, die ingeschreven staat op een adres binnen een gebied waar belanghebbendenplaatsen aanwezig zijn, ten behoeve van het parkeren van een motorvoertuig van bezoekers, te noemen bezoekerskaart; d.artsen, verloskundigen en medewerkers van de alarmopvolging van Careyn voor het parkeren op vergunninghoudersplaatsen, onder door het college nader te bepalen voorwaarden, te noemen hulpverlenervergunning; e.een bedrijf dat zich vanwege beroep gevestigd heeft in gebied B en aan een huisarts of een verloskundige ten behoeve van het parkeren van een motorvoertuig, te noemen kraskaart. f.het bedrijf, dat een voertuig bezigt bij het verrichten van herstel-, onderhouds- of daarmee gelijk te stellen werkzaamheden, voor zover dit voertuig voor het uitvoeren van die werkzaamheden in de onmiddellijke omgeving van de betreffende locatie, op plaatsen als bedoeld in het eerste lid, moet worden geparkeerd, te noemen aannemersdagkaart; g.marktkooplieden, voor het parkeren op specifieke tijden (donderdag en/of zaterdag) op daarvoor speciaal aangewezen parkeerplaatsen, te noemen warenmarktkaart; h.Een eigenaar of houder van een motorvoertuig, waarmee geparkeerd kan worden op alle belanghebbenden- en parkeerapparatuurplaatsen in alle gebieden, te noemen overallparkeerkaart. 4.Het college kan in bijzondere gevallen een vergunning ook verlenen aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig die niet voldoet aan één van de in het derde lid genoemde vereisten. 5.Het college kan, bij openbaar te maken besluit, een maximum aantal uit te geven vergunningen per aaneengesloten gebied, per categorie en per houder vaststellen. 6.Het college kan aan een vergunning voorschriften en beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte. Artikel4 1.Het college kan, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden van dit artikel, regels geven voor het aanvragen, het verlenen en de geldigheid van een vergunning. 2.Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van een aanvraag voor een vergunning. 3.Het college kan de in het eerste lid genoemde termijn met ten hoogste vier wekenverlengen. Van deze verlenging wordt de aanvrager schriftelijk in kennis gesteld. Artikel5 1.Een vergunning wordt voor ten hoogste twaalf kalendermaanden verleend. 2.De vergunning bevat in ieder geval de volgende gegevens: de periode waarvoor de vergunning geldt; het gebied waarvoor de vergunning geldt; de naam en adres van de houder en het kenteken van het motorvoertuig waarvoor de vergunning is verleend. Artikel6 1.Het college kan een vergunning intrekken of wijzigen: a.op verzoek van de vergunninghouder; b.wanneer de vergunninghouder niet meer woonachtig is of geen beroep of bedrijf meer uitoefent in het gebied, waarvoor de vergunning is verleend; c.wanneer er zich een wijziging voordoet in een van de omstandigheden die relevant waren voor het verlenen van de vergunning; d.wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van vergunningen komt te vervallen; e.wanneer de vergunninghouder niet of niet tijdig aan zijn betalingsverplichting voor zijn vergunning heeft voldaan; f.wanneer de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften; g.wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de vergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt; h.om redenen van openbaar belang. HoofdstukIIIVerbods- en strafbepaling; toezichthouders Artikel7 1.Het is verboden enig voorwerp, niet zijnde een motorvoertuig, te plaatsen of te laten staan: a. op een parkeerapparatuurplaats; b. op een belanghebbendenplaats; c.op een gehandicaptenparkeerplaats. 2.Het is verboden parkeerapparatuur in werking te stellen of handelingen te verrichten met de bedoeling parkeerapparatuur in werking te stellen in strijd met enig op de parkeerautomaat gegeven aanwijzing omtrent het gebruik van de automaat. 3.Het is verboden enig voorwerp op zodanige wijze tegen of bij parkeerapparatuur te plaatsen of te laten staan, dat daardoor een normaal gebruik daarvan wordt belemmerd of verhinderd. 4.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod. Artikel8 1.Overtreding van het bepaalde in lid 1, lid 2 of lid 3 van artikel 7 wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie. 2.De vergunninghouder die opzettelijk handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften, wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie. Artikel9 1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de personen werkzaam in de functie van Controleur Openbare Ruimte. 2.Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college aan te wijzen personen. HoofdstukIVParkeerbelasting Artikel10Belastbaar feit Onder de naam "parkeerbelasting" worden de volgende belastingen geheven: een belasting ter zake van het parkeren van een motorvoertuig op een bij dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze; een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze. Artikel11Belastingplicht 1.De belasting bedoeld in artikel 10, onderdeel a, wordt geheven van degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd. 2.Als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt mede aangemerkt: a. degene die de belasting voldoet dan wel te kennen geeft of heeft gegeven de belasting te willen voldoen; b. zolang geen voldoening van de belasting genoemd in artikel 10, onder a, heeft plaatsgevonden: de houder van het motorvoertuig met dien verstande dat: 1º indien een voor ten hoogste drie maanden aangegane huur- of leaseovereenkomst wordt overgelegd waaruit blijkt wie ten tijde van het parkeren ingevolge deze overeenkomst de huurder of gebruiker van het motorvoertuig was, niet de houder maar de huurder of gebruiker wordt aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd; 2º indien blijkt dat een ander in het kentekenregister had moeten staan ingeschreven, die ander wordt aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd. 3.De belasting genoemd in artikel 10, onderdeel a, wordt niet geheven van degene die op de voet van het tweede lid, onderdeel b, als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt aangemerkt, indien deze aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het motorvoertuig heeft gebruik gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen. 4.De belasting bedoeld in artikel 10, onderdeel b, wordt geheven van degene die de vergunning heeft aangevraagd. 5.De belastingen genoemd in artikel 10, onderdeel a en b, zijn niet verschuldigd indien het voertuig voorzien is van een geldige gehandicaptenparkeerkaart, mits deze zodanig in of aan het motorvoertuig is geplaatst, dat deze -met het oog op toezicht en controle- van buitenaf goed zicht- en leesbaar is. Deze vrijstelling geldt niet voor runshopplaatsen en autodateplaatsen. Artikel12Maatstaf van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak De maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel Artikel13Wijze van heffing 1.De belasting genoemd in artikel 10, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte. Als voldoening op aangifte wordt aangemerkt: a.het bij aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college gestelde voorschriften; b.het bij aanvang van het parkeren inbellen op de centrale computer op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college gestelde voorschriften. 2.De belasting genoemd in artikel 10, onderdeel b, wordt geheven bij wege van aanslag, gedagtekende schriftelijke kennisgeving, nota of andere schriftuur. Artikel14Tijdstip van het ontstaan van de belastingschuld 1.De belasting genoemd in artikel 10, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren, tenzij het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een telefoon inloggen op de centrale computer. 2.De belasting genoemd in artikel 10, onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend. Artikel15Termijnen van betaling 1.De belasting genoemd in artikel 10, onder a, wordt overeenkomstig de aangifte betaald bij de aanvang van het parkeren. 2.De belasting genoemd in artikel 10, onder b, wordt betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend. 3.Indien de voldoening op aangifte geschiedt via het inbellen op de centrale computer, wordt de belasting in afwijking van het bepaalde in het tweede lid overeenkomstig de aangifte betaald binnen twee maanden na het einde van het parkeren. 4.Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald. Artikel16Bevoegdheid tot gebruik wielklem en wegsleepregeling 1.Tot zekerheid van de betaling van een naheffingsaanslag ter zake van de belasting genoemd in artikel 10, onderdeel a, kan aan het motorvoertuig een wielklem worden aangebracht, waardoor wordt verhinderd dat het motorvoertuig wordt weggereden. 2.Het college wijst bij openbaar te maken besluit de terreinen en weggedeelten aan waar de wielklem wordt toegepast. 3.Indien na het aanbrengen van de wielklem 24 uren zijn verstreken kan het motorvoertuig naar een door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen plaats worden overgebracht en in bewaring worden gesteld. Artikel17Bevoegdheid tot aanwijzing parkeerplaatsen De aanwijzing van de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van de belastingen, genoemd in artikel 10 mag worden geparkeerd, geschiedt door de gemeenteraad bij openbaar te maken besluit Artikel18Overdracht van bevoegdheden Het college is bevoegd tot het wijzigen van deze verordening, indien de wijzigingen van zuiver redactionele aard zijn, een en ander voor zover met deze wijzigingen niet reeds bij het vaststellen of latere wijziging van deze verordening bij raadsbesluit rekening is gehouden. Artikel19Kosten De kosten van de naheffingsaanslag, de kosten van het aanbrengen van een wielklem en de kosten van overbrenging en bewaring van een motorvoertuig ter zake van de belasting genoemd in artikel 10, onderdeel a, worden bepaald op de bedragen zoals opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel. Artikel 20 Nadere regels door het college Het college kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en invordering van de parkeerbelastingen. HoofdstukVSlotbepalingen Artikel21Inwerkingtreding en overgangsbepaling 1.Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2012. 2.Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de Parkeerverordening gemeente Delft 2011. Vergunningen die zijn verleend krachtens de Parkeerverordening Delft 2011 worden geacht te zijn verleend krachtens deze verordening. 3.De Verordening parkeerbelastingen gemeente Delft 2011 wordt ingetrokken met ingang van de in het vierde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 4.De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2012. Artikel22Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Delft 2012 Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 10 november 2011. mr. drs. G.A.A. Verkerk ,burgemeester. R.H. van Luyk ,griffier. Bekendgemaakt 27 november 2011. TARIEVENTABEL Behorende bij de Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Delft 2012 Hoofdstuk1Tarieven voor parkeren Artikel1 Ter zake van het parkeren bij parkeerapparatuur en van het verlenen van parkeervergunningen gelden de volgende tarieven, waarbij voor de uitwerking van de in de tabel genoemde gebiedsaanduidingen wordt verwezen naar het door de gemeenteraad vastgestelde ‘Aanwijzingsbesluit betaald parkeren’: Uurtarief Dagtarief Maandtarief Jaartarief 1. Voor het parkeren op een parkeerplaats bij parkeerapparatuur 1.1 Dagkaart vergunninghoudersplaatsen € 23,00 € 23,00 1.2. Gebied B reguliere betaaldparkeerplaatsen € 2,80 1.3. Gebied B runshopplaatsen (maximaal 1 uur parkeren) € 2,80 1.4. Gebied B Nieuwelaan, Nieuwe Plantage, Laantje achter Wilhelmina € 2,50 1.5. Gebied B parkeerterreinen Gasthuisplaats, Paardenmarkt € 2,30 € 13,80 € 158,40 € 1.582,20 1.6 Gebied B parkeerterreinen Gasthuisplaats, Paardenmarkt ma t/m vr. € 836,40 1.7 Gebied B parkeerterreinen Gasthuisplaats, Paardenmarkt ma t/m zo Zie 1.5 1.8 Gebied C: Spoorsingel € 2,80 1.9 Gebied F: Groene Haven (maximaal 3 uur parkeren) € 2,50 1.10. Gebied C (geen Spoorsingel) tot en met F (geen Groene Haven) € 2,50 1.11. Gebied B, C, F: parkeerterrein Nijverheidsplein (onderdeel van gebied Spoorzone) € 2,30 € 6,60 (ma t/m
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.