Beleidsregel inzake de verstrekking van bijzondere bijstand, inkomensondersteunende regelingen en leenbijstand 2012 Hoofdstuk I Algemene bepalingen Artikel 1 Begripsbepalingen 1. In deze beleidsregel wordt verstaan onder: inkomen: het inkomen zoals omschreven in artikel 32 Wet werk en bijstand, onder aftrek van hetgeen op grond van artikel 31 Wet werk en bijstand niet tot de middelen wordt gerekend en van hetgeen op grond van artikel 33 lid 5 Wet werk en bijstand buiten beschouwing wordt gelaten; draagkrachtruimte: het inkomen voor zover dit uitstijgt boven 110% van de voor de aanvrager en zijn gezin geldende bijstandsnorm; bijstandsnorm: het ingevolge de artikelen 20 tot en met 29 van de Wet werk en bijstand in combinatie met de Verordening verhoging en verlaging algemene bijstand van toepassing zijnde bedrag. 2. De inhoud van de overige in deze beleidsregel gebezigde begrippen is gelijkluidend aan die in de Wet werk en bijstand, tenzij daarvan expliciet wordt afgeweken. 3. Als de inhoud van een begrip bij de toepassing van deze beleidsregel niet eenduidig blijkt te zijn, bepalen burgemeester en wethouders de nadere invulling c.q. interpretatie van dit begrip. Artikel 2 Individualiseren 1. Van de bepalingen en criteria in deze beleidsregel kan gemotiveerd worden afgeweken als de individuele situatie van de belanghebbende daartoe aanleiding geeft: in het voordeel van de belanghebbende als zijn individuele omstandigheden dit rechtvaardigen; in het nadeel van de belanghebbende als er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. 2. Het toe te kennen bedrag aan bijzondere bijstand kan, al dan niet gedurende een bepaalde periode, worden verlaagd indien de belanghebbende tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan betoont of heeft betoond. Hoofdstuk II Bijzondere bijstand algemeen en draagkrachtcriteria Artikel 3 Draagkracht 1. Voor de vaststelling van de draagkracht, zoals bedoeld in artikel 35 van de Wet werk en bijstand, wordt al het vermogen dat uitstijgt boven het vrij te laten vermogen overeenkomstig artikel 34 Wet werk en bijstand in aanmerking genomen. 2. Voor de vaststelling van de draagkracht in het inkomen, zoals bedoeld in artikel 35 van de Wet werk en bijstand, wordt de draagkrachtruimte van de draagkrachtperiode volledig in aanmerking genomen. Artikel 4 Draagkrachtperiode 1. De draagkracht in het inkomen wordt vastgesteld voor een periode van één kalenderjaar. 2. Als de aanvraag om bijzondere bijstand betrekking heeft op een voorafgaand kalenderjaar, wordt de draagkracht van dat kalenderjaar in aanmerking genomen. 3. Als er periodieke bijzondere bijstand wordt verstrekt, wordt de draagkrachtperiode afgestemd op de duur van die bijstand en wordt de hoogte van de draagkracht in het inkomen naar evenredigheid vastgesteld. Artikel 5 Draagkracht en eigen huis 1. Als de belanghebbende eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf, heeft belanghebbende recht op bijzondere bijstand voor zover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd. Artikel 11, eerste lid van deze beleidsregel is van toepassing. 2. De artikelen 3 en 4 van deze beleidsregel zijn van toepassing. Artikel 6 De aanvraag 1. Bijzondere bijstand dient, als de kosten zich voordoen, zo spoedig mogelijk te worden aangevraagd. 2. Bijzondere bijstand voor relatief geringe, periodiek voorkomende kosten kan worden aangevraagd in het lopende kalenderjaar. Hoofdstuk III Specifieke vormen van bijzondere bijstand Artikel 7 Categoriale bijstand voor personen van 65 jaar en ouder 1. Aan de belanghebbende die op 1 januari van een kalenderjaar 65 jaar of ouder is, kan in dat kalenderjaar, zonder dat wordt vastgesteld of de kosten in zijn individuele geval noodzakelijk zijn of gemaakt zijn, bijstand worden verleend voor onder meer de kosten van: Alarmeringssystemen Meerkosten warme maaltijden of dieet Overige door burgemeester en wethouders te bepalen kostensoorten 2. De bijstand bedoeld in het eerste lid bedraagt € 200,00 per persoon per kalenderjaar. 3. Behalve in geval van zeer bijzondere omstandigheden wordt voor de kosten genoemd in het eerste lid geen verdere bijzondere bijstand verstrekt. 4. Hoofdstuk II van deze beleidsregel is van toepassing. Artikel 8 Bijzondere bijstand voor indirecte schoolkosten 1. Als tegemoetkoming in de indirecte schoolkosten wordt aan een belanghebbende op aanvraag bijzondere bijstand toegekend ter hoogte van een bedrag van € 69,00 per schooljaar per ten laste komend kind dat basisonderwijs volgt. 2. De aanvraag moet worden ingediend gedurende het schooljaar waarop de aanvraag betrekking heeft. 3. Hoofdstuk II van deze beleidsregel is van toepassing. 4. De bijstand bedoeld in het eerste lid kan ten behoeve van het kind worden overgemaakt naar de school waar het kind basisonderwijs volgt, als het college daartoe aanleiding ziet. Artikel 9 Bijzondere bijstand bij inkomensafhankelijke regelingen 1. Geen bijstand wordt verleend voor kosten die voortvloeien uit inkomensafhankelijke regelingen, als deze regelingen ook bij een inkomen op of onder bijstandsniveau een eigen bijdrage opleggen. 2. In afwijking van het vorige lid kan er voor deze kosten wel bijstand worden verleend, indien en voor zover deze kosten een bedrag van € 100,00 per kalenderjaar overschrijden. 3. In afwijking van Hoofdstuk II wordt het inkomen van betrokkene boven de voor hem geldende bijstandsnorm volledig als draagkracht in aanmerking genomen. Hoofdstuk IV Leenbijstand en aflossingscriteria Artikel 10 Duurzame gebruiksgoederen 1. Als bijzondere omstandigheden in het individuele geval daartoe aanleiding geven, kan bijstand worden verstrekt voor de kosten van aanschaf, vervanging of reparatie van noodzakelijke, duurzame gebruiksgoederen. 2. Bijstand overeenkomstig het eerste lid wordt in beginsel verstrekt in de vorm van leenbijstand, met inachtneming van het bepaalde in artikel 11, vierde lid en artikel 12 van deze beleidsregel. Artikel 11 Leenbijstand 1. De bijzondere bijstand wordt verstrekt in de vorm van een lening indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op termijn over voldoende middelen zal beschikken om de desbetreffende noodzakelijke bijzondere kosten te voldoen, of indien de belanghebbende wel over in aanmerking te nemen vermogen beschikt, maar dit binnen een redelijke termijn niet of bezwaarlijk liquide kan maken. 2. De bijzondere bijstand wordt verstrekt in de vorm van een lening indien de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. 3. De bijzondere bijstand wordt verstrekt in de vorm van een lening indien de aanvraag een door de belanghebbende te betalen waarborgsom of een vooruit te betalen huur betreft. 4. Leenbijstand wordt niet verstrekt indien en voor zover de belanghebbende zelf over liquide, of eenvoudig liquide te maken middelen beschikt; de vrijlatingen van artikel 34 WWB zijn daarbij niet van toepassing. Artikel 12 Aflossing leenbijstand 1. Als leenbijstand wordt verstrekt is hierover geen rentevergoeding verschuldigd, tenzij individuele omstandigheden het vaststellen van een rentepercentage rechtvaardigen. 2. De maandelijkse aflossing van verleende leenbijstand wordt bij een inkomen op bijstandsniveau vastgesteld op: 5% van de algemene bijstand per maand inclusief vakantietoeslag, respectievelijk 10% van de algemene bijstand per maand inclusief vakantietoeslag voor personen die in een inrichting verblijven. 3. Als leenbijstand is toegekend aan een belanghebbende die een inkomen per maand ontvangt, of nadien gaat ontvangen, dat hoger is dan de voor hem geldende bijstandsnorm, dan kan de in het vorige lid aangegeven aflossingsverplichting per maand worden verhoogd met de helft van het verschil. 4. Als een belanghebbende op een leenbijstand ten minste 36 maanden naar draagkracht heeft afgelost, kan op diens verzoek kwijtschelding worden verleend voor het restant van de lening. Artikel 13 Gewijzigde omstandigheden Het overeenkomstig artikel 12 van deze beleidsregel vastgestelde aflossingsbedrag bij leenbijstand kan worden herzien als een wijziging in de omstandigheden van de belanghebbende hiertoe aanleiding geeft. Hoofdstuk V Bijzondere bijstand voor woonkosten Artikel 14 Woonkostentoeslag bij koopwoning 1. Als een eigen woning wordt bewoond waarvan de woonkosten niet hoger zijn dan het van toepassing zijnde bedrag, genoemd in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag, dan kan een toeslag worden verstrekt. De toeslag is gelijk aan de huurtoeslag die volgens de Wet op de huurtoeslag zou worden ontvangen bij het bewonen van een huurwoning met een rekenhuur gelijk aan de woonkosten. De toeslag wordt alleen verstrekt, indien van belanghebbende in redelijkheid niet verlangd kan worden dat hij de woning verkoopt en een huurwoning betrekt. Als van belanghebbende in redelijkheid wel verlangd kan worden dat hij de woning verkoopt en een huurwoning betrekt, kan tijdelijk een toeslag worden verstrekt. 2. Onder woonkosten genoemd in het eerste lid wordt verstaan de tot een bedrag per maand herleide kosten die de eigenaar verschuldigd is voor: hypotheekrente; eigenaarsdeel onroerende zaakbelasting; waterschapslasten; rioolrecht; brand- en opstalverzekering; een forfaitair bedrag per jaar voor de normale periodieke onderhoudskosten die bij een huurwoning voor rekening van de verhuurder komen; erfpachtcanon; eventuele servicekosten; te verminderen met alle tegemoetkomingen voor deze kosten uit enige andere bron. 3. Op de te verstrekken toeslag wordt de draagkracht in mindering gebracht. In afwijking van artikel 3 lid 2 van deze beleidsregel wordt bij de vaststelling van de woonkostentoeslag het inkomen van betrokkene boven de voor hem geldende bijstandsnorm volledig als draagkracht in aanmerking genomen. 4. Geen woonkostentoeslag wordt verstrekt indien de belanghebbende bij het aangaan van de woonlasten een dusdanig inkomen had, of te verwachten had, dat hij wist of kon weten dat hij de woonlasten niet volledig zou kunnen gaan opbrengen. Artikel 15 Kosten van verhuizing en inrichting 1. Als een verhuizing noodzakelijk is omdat de woonkosten niet langer kunnen worden voldaan kan voor aantoonbare, noodzakelijke kosten van verhuizing en herinrichting bijzondere bijstand worden verstrekt. 2. De bijstand op grond van het eerste lid wordt slechts verstrekt als de hoogte van de woonkosten na verhuizing niet meer bedraagt dan het huurbedrag dat is gekoppeld aan de maximale huurtoeslag. 3. De bijstand bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de kosten van verhuizing en herinrichting in totaal maximaal € 2.500,00 per huishouden. Artikel 16 Kosten van verhuizing en inrichting (ouder dan 65 jaar) 1. Als een belanghebbende die ouder is dan 65 jaar door omstandigheden genoodzaakt is te verhuizen naar een andere, zelfstandige woning die hem in staat stelt langer zelfstandig te blijven wonen, kan hem een tegemoetkoming worden verstrekt in de daaraan verbonden kosten van verhuizing en herinrichting. 2. De in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming bedraagt in totaal maximaal € 2.500,00 per huishouden. 3. Bij verhuizing naar een woning in eigendom wordt geen tegemoetkoming verstrekt. Hoofdstuk VI Periodieke bijzondere bijstand als aanvulling op algemene bijstand Artikel 17 Verblijf in een inrichting jongeren beneden de 21 jaar 1. Bij verblijf in een inrichting van een belanghebbende van 18, 19 of 20 jaar die geen beroep kan doen op zijn ouders om redenen zoals genoemd in artikel 12 van de Wet werk en bijstand, kan bijzondere bijstand worden verstrekt overeenkomstig de bijstandsnormen genoemd in artikel 20, eerste lid onder a Wet werk en bijstand. 2. Op de te verstrekken bijzondere bijstand wordt de draagkracht in mindering gebracht. In afwijking van artikel 3 lid 2 van deze beleidsregel wordt het inkomen van betrokkene boven de voor hem geldende bijstandsnorm volledig als draagkracht in aanmerking genomen. Artikel 18 Levensonderhoud jongeren beneden de 21 jaar 1. Een belanghebbende van 18, 19 of 20 jaar heeft recht op bijzondere bijstand voor zover zijn noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de toepasselijke bijstandsnorm en hij geen beroep kan doen op zijn ouders om redenen zoals genoemd in artikel 12 van de Wet werk en bijstand. De algemene bijstand wordt aangevuld tot de bijstandsnorm van een 21-jarige in dezelfde situatie; de Verordening verhoging en verlaging algemene bijstand is daarbij van toepassing. 2. Op de te verstrekken bijzondere bijstand wordt de draagkracht in mindering gebracht. In afwijking van artikel 3 lid 2 van deze beleidsregel wordt het inkomen van betrokkene boven de voor hem geldende bijstandsnorm volledig als draagkracht in aanmerking genomen. Hoofdstuk VII Bijzondere bijstand voor re-integratieactiviteiten Artikel 19 Kosten re-integratieactiviteiten 1. Voor aantoonbare, noodzakelijke kosten die een belanghebbende maakt om te kunnen deelnemen aan activiteiten die noodzakelijk zijn om zijn kansen op re-integratie in het arbeidsproces te vergroten en die niet op grond van een andere regeling kunnen worden vergoed, kan bijzondere bijstand worden verleend. 2. Of de in het eerste lid bedoelde activiteiten noodzakelijk worden geacht om de kansen van de belanghebbende op re-integratie in het arbeidsproces te vergroten, wordt bepaald door burgemeester en wethouders. Hoofdstuk VIII Bijzondere bijstand computervoorziening Artikel 20 1. Aan een belanghebbende die een inkomen heeft van ten hoogste 110% van de voor hem geldende bijstandsnorm en die een gezin vormt met tenminste één kind in de leeftijd van 10 tot en met 14 jaar dat een vorm van dagonderwijs volgt, kan eenmalig als bijzondere bijstand een computer plus, voor zover noodzakelijk, randapparatuur worden verstrekt. De verstrekking geschiedt bij voorkeur in natura, en indien mogelijk in de vorm van gerecyclede apparatuur. 2. De bijstand kan ook als geldbedrag worden verstrekt, indien het College daartoe aanleiding ziet. 3. Deze bijstand wordt niet verstrekt als het gezin beschikt of kan beschikken over een vermogen boven het vrij te laten vermogen overeenkomstig artikel 34 Wet werk en bijstand; of er een computer jonger dan 5 jaar in het gezin aanwezig is. Hoofdstuk IX Bijzondere bijstand witgoed Artikel 21 1. Aan een belanghebbende die gedurende tenminste 5 jaar een inkomen heeft van ten hoogste 110% van de voor hem geldende bijstandsnorm, van wie een noodzakelijk huishoudelijk apparaat stuk is gegaan en niet meer gerepareerd kan worden, kan bijzondere bijstand voor een vervangend apparaat worden verstrekt. 2. In afwijking van artikel 10 van deze beleidsregel wordt deze bijstand verstrekt om niet. 3. Deze bijstand wordt niet verstrekt als de belanghebbende beschikt of kan beschikken over een vermogen boven het vrij te laten vermogen overeenkomstig artikel 34 Wet werk en bijstand. 4. De bijstand kan in voorkomende gevallen, indien het College daartoe aanleiding ziet, ook in natura worden verstrekt. 5. Onder een huishoudelijk apparaat, als bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan een wasmachine, een koelkast, een kooktoestel en een kachel. Hoofdstuk X Bijzondere bijstand kosten zwemles Artikel 22 1. Aan een belanghebbende die een inkomen heeft van ten hoogste 110% van de voor hem geldende bijstandsnorm kan bijzondere bijstand worden verstrekt in de vorm van een tegemoetkoming in de kosten van zwemlessen van zijn ten laste komende kinderen in de leeftijd van 7 en 8 jaar. 2. De tegemoetkoming bedraagt eenmalig € 450,00 per kind als bedoeld in het eerste lid. 3. De zwemlessen moeten gericht zijn op het behalen van het zwemdiploma A. 4. Deze bijstand wordt niet verstrekt als de belanghebbende beschikt of kan beschikken over een vermogen boven het vrij te laten vermogen overeenkomstig artikel 34 Wet werk en bijstand. Hoofdstuk XI Tegemoetkoming kosten maatschappelijke participatie kinderen Artikel 23 1. Aan een belanghebbende die een inkomen heeft van ten hoogste 110% van de voor hem geldende bijstandsnorm kan een tegemoetkoming worden verstrekt in de kosten in verband met maatschappelijke participatie van zijn ten laste komende kinderen in de leeftijd van 6 tot en met 17 jaar die onderwijs of een beroepsopleiding volgen. 2. De tegemoetkoming bedraagt € 150,00 per kind per kalenderjaar. 3. De leeftijd van het kind op 1 januari van het kalenderjaar is bepalend voor de vraag of een kind tot de doelgroep behoort. 4. Deze tegemoetkoming wordt niet verstrekt als de belanghebbende beschikt of kan beschikken over een vermogen boven het vrij te laten vermogen overeenkomstig artikel 34 Wet werk en bijstand. 5. Van de belanghebbende kan een bewijs worden verlangd van het maken van kosten in verband met maatschappelijke participatie van zijn kinderen. Hoofdstuk XII Bijzondere bijstand collectieve ziektekostenverzekering Artikel 24 1. De gemeente Ede zet ten behoeve van inwoners met een laag inkomen in samenwerking met een ziektekostenverzekeraar een collectieve ziektekostenverzekering met een of meer aanvullende pakketten op, 2. De voorwaarden voor toetreding tot deze collectieve ziektekostenverzekering en de verstrekkingen die deze verzekering biedt worden nader uitgewerkt in uitvoeringsregels. Hoofdstuk XIII Betaling, intrekking en terugvordering van de bijstand Artikel 25 Betaling van de bijzondere bijstand 1. De periodieke bijzondere bijstand die met toepassing van deze beleidsregel wordt verstrekt, wordt maandelijks uitbetaald overeenkomstig artikel 45 van de Wet werk en bijstand. 2. Eenmalige bijzondere bijstand die met toepassing van deze beleidsregel wordt verstrekt wordt betaald op het eerste betalingsmoment volgend op de datum van toekenning. 3. Bijzondere bijstand kan, als dat doelmatig wordt geacht, rechtstreeks worden uitbetaald aan een derde. Artikel 26 Intrekking en terugvordering 1. Burgemeester en wethouders kunnen een besluit op grond van deze beleidsregel geheel of gedeeltelijk intrekken als: het besluit is gebaseerd op onjuiste of onvolledige gegevens, feiten of omstandigheden; toegekende bijzondere bijstand niet is aangewend voor de bestemming waarvoor deze werd aangevraagd; of de bijstand is toegekend tot een te hoog bedrag; 2. Bijzondere bijstand, die als gevolg van een besluit als bedoeld in het eerste lid ten onrechte is uitbetaald, kan worden teruggevorderd, evenals bijzondere bijstand die is uitbetaald tot een te hoog bedrag. Hoofdstuk XIV Overgangs- en slotbepalingen Artikel 27 Overgangsbepaling Aanvragen die worden gedaan op of na 1 januari 2012 worden beoordeeld conform het beleid dat gold voor 1 januari 2012, indien de bijzondere bijstand betrekking heeft op een periode gelegen vóór 1 januari 2012. Artikel 28 Slotbepalingen 1. De Beleidsregel inzake de verstrekking van bijzondere bijstand, inkomensondersteunende regelingen en leenbijstand 2012 vervangt de Beleidsregel inzake de verstrekking van bijzondere bijstand en leenbijstand 2008. 2. Deze Beleidsregel treedt in werking op 1 januari 2012. Vastgesteld bij besluit van burgemeester en wethouders d.d. 29 november 2011, nummer 688689. Toelichting Algemeen Het recht op bijzondere bijstand is vastgelegd in artikel 35 WWB. Voor de verstrekking van bijzondere bijstand is het niet noodzakelijk dat de belanghebbende algemene bijstand ontvangt. Ook hij die beschikt over een ander inkomen, dat niet toereikend is om bepaalde uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan te voldoen, kan een beroep doen op bijzondere bijstand. Zijn draagkracht is dan van belang. Draagkracht kan zitten in het inkomen, maar ook in het vermogen. De bijstandsnorm in combinatie met de eventuele gemeentelijke toeslag of verlaging is in principe voldoende voor de algemene noodzakelijke bestaanskosten. Als een belanghebbende in bijzondere omstandigheden verkeert waardoor hij hogere kosten heeft dan waarin de algemene bijstand voorziet, kunnen burgemeester en wethouders bijzondere bijstand verstrekken, rekening houdend met de draagkracht. Geen recht op bijzondere bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt. De beleidsregel geeft een aantal algemene kaders aan, zoals de draagkrachtsystematiek en de aanvraagtermijn. Daarnaast worden enkele veel voorkomende vormen van bijzondere bijstand behandeld. Ook wordt (niet limitatief) aangegeven in welke gevallen bijstand in de vorm van een lening wordt verstrekt. De beleidsregel geeft middels artikel 2 de ruimte om te individualiseren. Daarnaast geeft artikel 16 WWB zelfs de mogelijkheid om, als er sprake is van zeer dringende redenen, bijstand (daaronder begrepen bijzondere bijstand) te verlenen aan een belanghebbende, terwijl er eigenlijk sprake is van een uitsluitingsgrond. De wetswijzigingen binnen de WWB per januari 2012, waaronder de begrenzing van gemeentelijk minimabeleid tot 110% van de bijstandsnorm, maken dat de Beleidsregel inzake de verstrekking van bijzondere bijstand geactualiseerd moet worden. Bij de beoordeling van de draagkracht in het inkomen en vermogen wordt vanaf januari 2012 gekeken naar de middelen van het gezin, zoals dat nieuw is omschreven. Artikel 1 Er wordt voor wat betreft het begrippenkader en de achterliggende ideeën zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de Wet werk en bijstand (WWB). Dit vereenvoudigt de uitvoering. Het inkomensbegrip kan voor de uitvoering van de bijzondere bijstand gelijk zijn aan het inkomensbegrip voor de beoordeling van de algemene bijstand. In artikel 32 WWB is omschreven wat inkomsten zijn. In artikel 31 WWB wordt omschreven welke inkomsten voor de vaststelling van de algemene bijstand niet meetellen. Het gaat dan bijvoorbeeld om kinderbijslag, huurtoeslag, bepaalde belastingkortingen, gemeentelijke premies voor arbeidsinschakeling en inkomsten van minderjarige kinderen. Het is consequent om in het geval van bijzondere bijstand dezelfde lijn te volgen. Hierdoor wordt tevens voorkomen, dat de fiscale jonggehandicaptenkorting draagkrachtverhogend zou gaan werken. Een opmerking moet echter worden gemaakt bij de inkomstenvrijlating van maximaal € 190,00 (bedrag per 1 juli 2011; het bedrag wordt regelmatig aangepast) per maand gedurende maximaal zes aaneengesloten maanden bij deeltijdarbeid door een bijstandsgerechtigde (artikel 31 lid 2 onder n WWB). Deze vrijlating is nadrukkelijk gekoppeld aan het ontvangen van algemene bijstand en de veronderstelling dat deze premie bijdraagt aan uitstroom uit de algemene bijstand. Bij het verlenen van bijzondere bijstand aan een persoon die algemene bijstand (met deze vrijlating) ontvangt, kan deze vrijlating wel buiten beschouwing blijven. Bij het verlenen van bijzondere bijstand aan een persoon die géén algemene bijstand ontvangt, is dit echter niet aan de orde. De inkomsten uit arbeid zijn dan volledig in aanmerking te nemen. In artikel 33 lid 5 WWB is bepaald, dat bij de algemene bijstand aan personen van 65 jaar en ouder een gering bedrag aan pensioenuitkering buiten beschouwing wordt gelaten (per 1 juli 2011 is dat € 18,40 voor een alleenstaande). Bij de draagkrachtbepaling voor de bijzondere bijstand blijft dit bedrag eveneens buiten beschouwing. Het begrip vermogen kan eveneens op dezelfde manier worden behandeld als bij de verstrekking van de algemene bijstand. Zie hiervoor de toelichting op artikel 3. Artikel 2 Het eerste lid voorziet in de mogelijkheid om te individualiseren. De toepassing van de algemene regels kan in een individueel geval tot een ongewenst resultaat leiden. Van deze algemene regels kan dan gemotiveerd worden afgeweken. Dit kan zowel in het voordeel van de belanghebbende zijn, als in diens nadeel. Het tweede lid voorziet in de mogelijkheid om de bijzondere bijstand, die op zich wel volgens de bepalingen en criteria wordt toegekend, toch lager vast te stellen bij wijze van sanctie. Er is hier een koppeling met artikel 18 WWB en de afstemmingsverordening bedoeld in artikel 8 lid 1 onder b WWB (de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand). Als de belanghebbende bijvoorbeeld een aanzienlijke reserveringscapaciteit in zijn inkomen had, maar deze niet heeft benut en daardoor een beroep doet op bijzondere bijstand, moet dit gevolgen kunnen hebben voor de toekenning. Zie ook artikel 11, tweede lid. Artikel 3 Bij het verstrekken van bijzondere bijstand moet rekening worden gehouden met de draagkracht van belanghebbende. Burgemeester en wethouders kunnen bepalen welk deel van het vermogen en inkomen van de belanghebbende boven de bijstandsnorm bij de vaststelling van de draagkracht in aanmerking wordt genomen (artikel 35 lid 1 WWB). Daarbij zijn de vrijlatingen zoals die gelden voor de algemene bijstand niet meer verplicht van toepassing. Bij de toelichting op artikel 1 is al aangegeven, dat desalniettemin voor het inkomensbegrip zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij de algemene bijstand. Voor wat betreft het vermogen geldt eveneens, dat aangesloten wordt bij het vermogensbegrip in de WWB, alsook bij de in artikel 34 WWB geregelde vermogensvrijlatingen. Bij inkomen boven de voor de belanghebbende geldende bijstandsnorm (bepaald met toepassing van het gemeentelijk beleid inzake toeslagen en verlagingen) wordt de draagkrachtruimte vastgesteld. De draagkrachtruimte is ingevolge de definitie in artikel 1 het verschil tussen het werkelijke inkomen van belanghebbende en 110% van de voor belanghebbende geldende algemene bijstandsnorm. Deze draagkrachtruimte wordt aangemerkt als draagkracht. Het is in overeenstemming met de gedachte dat de belanghebbende in eerste instantie zelf verantwoordelijk is voor de voorziening in de kosten van zijn bestaan, dat hij zijn inkomen boven 110% van de bijstandsnorm ook aanwendt voor zijn kosten. Het percentage van 110 is gekozen om gelijke tred te houden met de door de rijksoverheid gestelde beperking aan het inkomen bij categoriale bijzondere bijstand en minimabeleid. In de volgende situaties is het nodig bij de bepaling van de draagkracht af te wijken van de basisregels: bij de beoordeling van het recht op een woonkostentoeslag (artikel 14 van deze beleidsregel) wordt 100% van de draagkrachtruimte in het inkomen in aanmerking genomen. Het inkomen boven het voor belanghebbende geldende bijstandsniveau moet volledig voor de betaling van de woonkosten worden aangewend. Als de draagkrachtruimte niet volledig wordt ingezet zal er ongelijkheid ontstaan. De belanghebbende met een inkomen boven bijstandsniveau zou dan een hogere woonkostentoeslag ontvangen dan de geldende huurtoeslag bij dat inkomen. bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand voor personen jonger dan 21 jaar die in een inrichting verblijven (artikel 17 van deze beleidsregel). bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand voor personen jonger dan 21 jaar die extra bestaanskosten hebben doordat zij zelfstandig wonen (artikel 18 van deze beleidsregel). Als dit niet gebeurt, heeft deze groep uiteindelijk meer te besteden dan personen in een vergelijkbare omstandigheden die 21 jaar of ouder zijn en die algemene bijstand ontvangen. bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand voor inkomensafhankelijke eigen bijdragen (artikel 9), omdat anders wordt voorbijgegaan aan het feit dat deze bijdragen juist aan een bepaald inkomen zijn gekoppeld, De berekening wordt gemaakt over de volgens artikel 4 van deze beleidsregel vastgestelde draagkrachtperiode. Artikel 4 De draagkrachtperiode is de periode waarover de draagkracht wordt vastgesteld. Er wordt uitgegaan van een periode van een kalenderjaar (het jaar waarop de kosten betrekking hebben). Zijn de kosten in een eerder kalenderjaar gemaakt dan de aanvraag is gedaan, dan is dus het moment waarop de kosten zijn gemaakt relevant voor het bepalen van het kalenderjaar. In lid 3 is bepaald dat bij periodieke bijzondere bijstand (bijvoorbeeld een woonkostentoeslag totdat een andere woning kan worden betrokken) de draagkrachtperiode naar evenredigheid wordt vastgesteld. Dat kan zowel langer als korter dan een kalenderjaar zijn. Artikel 5 Dit artikel is bedoeld te benadrukken dat belanghebbenden met een (aanzienlijk) eigen vermogen in de vorm van een eigen woning niet bij voorbaat zijn uitgesloten van het recht op bijzondere bijstand. De extra vrijlating van vermogen gebonden in de woning bedraagt (per 1 juli 2011) € 46.900 (artikel 34 lid 2 onder d WWB). Naar deze extra vrijlating wordt in artikel 5 via artikel 3 impliciet verwezen door de koppeling aan artikel 34 WWB. Als het vermogen van de belanghebbende, gebonden in de woning, lager is dan het hierboven bedoelde bedrag, brengt dit zijn aanspraak op bijzondere bijstand dus niet in gevaar. Het kan voorkomen, dat de belanghebbende die voor bijzondere kosten komt te staan, wel over vermogen boven de vrijlating beschikt in zijn woning, maar dat dit niet liquide kan worden gemaakt (als bijvoorbeeld alles vastzit in de woning). In dat geval kan artikel 11 uitkomst bieden (leenbijstand). De waarde van de woning dient te worden bepaald op de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering. Veelal zal een globale waardebepaling voldoende zijn om te beoordelen of de belanghebbende onder de vermogensvrijlating blijft, of juist ver daar over heen gaat. Een aankoopprijs, recente taxatie, de laatst bepaalde WOZ-waarde e.d. kan hiervoor een ijkpunt zijn. Bij hogere en/of langdurige bijzondere bijstand kan het nodig zijn om tot taxatie over te gaan. De kosten daarvan komen voor rekening van de belanghebbende en worden opgeboekt bij de te verstrekken leenbijstand. Er kan zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij het gemeentelijk beleid met betrekking tot de krediethypotheek voor algemene bijstand, zij het dat vestiging van een hypotheek in veel gevallen niet doelmatig zal zijn. Artikel 6 Het college zal bij de beoordeling van een aanvraag om bijzondere bijstand zich steeds de volgende vier vragen moeten stellen: Doen de kosten zich voor? Zijn de kosten in het individuele geval noodzakelijk? Vloeien de kosten voort uit bijzondere individuele omstandigheden? Kunnen de kosten worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm? Voorts geldt ook voor de bijzondere bijstand in principe het verbod om bijstand te verlenen met terugwerkende kracht. Met het verbod op bijstandsverlening met terugwerkende kracht moet ten aanzien van de bijzondere bijstand echter niet te rigide worden omgegaan. In de aard van de bijzondere omstandigheden kan immers besloten liggen dat een aanvraag indienen voordat de kosten opkomen niet mogelijk is. Vasthouden aan het verbod op bijstandsverlening met terugwerkende kracht zou in die gevallen betekenen dat de functie van de bijzondere bijstand danig wordt uitgehold. Bij bijzondere bijstand moet het dus om praktische redenen mogelijk zijn dat bijstand wordt verstrekt voor kosten die eerder zijn gemaakt. Om te voorkomen dat kosten van langere tijd geleden nog worden aangevraagd (hetgeen moeilijk te beoordelen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.