Verordening regelende de subsidiering van het geven van godsdienstonderwijs en van levensbeschouwelijk vormingsonderwijs op de openbare scholen voor basis onderwijs en speciaal onderwijs NB. Deze verordening is niet van toepassing op het grondgebied van de voormalige gemeente Diepen veen. Artikel 1 Aan kerkelijke gemeenten, plaatselijke kerken, of rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid die zich blijkens hun statuten het geven van godsdienstonderwijs ten doel stellen, alsmede volledige rechtsbevoegdheid bezittende organisaties op geestelijke grondslag met als doelstelling het geven van levensbeschouwelijk vormingsonderwijs, als bedoeld in artikel 31 van de Wet op het basisonderwijs en artikel 41 van de Interimwet op het speciaal onderwijs en voorgezet speciaal onderwijs, kan door burgemeester en wethouders desgevraagd met inachtneming van de bepalingen van deze verordening, uit de gemeentekas een subsidie worden verleend voor het geven van godsdienstonderwijs c.q. levensbeschouwelijk vormingsonderwijs aan leerlingen van de openbare scholen voor basisonderwijs en speciaal onderwijs c.q. de afdeling voor speciaal onderwijs behorende tot een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs. Artikel 2 Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: godsdienstonderwijs: het onderricht in kennis, godsdienstgeschiedenis en cultuurgeschiedenis van een in de Nederlandse samenleving voorkomende godsdienst; levensbeschouwelijk: het leveren van een bijdrage aan de geestelijke vormingsonderwijs en zedelijke vorming van de leerlingen van een in de Nederlandse samenleving voorkomende levensbeschouwing; instanties: de kerkelijke gemeenten, plaatselijke kerken, of rechtspersonen c.q. organisaties met volledige rechtsbevoegdheid, als bedoeld in artikel 1; leerkrachten: de voor het geven van godsdienstonderwijs c.q. levensbeschouwelijk vormingsonderwijs door bedoelde instanties aangewezen leerkrachten. Artikel 3 Het godsdienstonderwijs c.q. levensbeschouwelijk vormingsonderwijs wordt in de Nederlandse taal gegeven. Artikel 4 Het in voorgaande artikelen bedoeld onderwijs wordt in de schoolgebouwen en binnen de schooltijden overeenkomstig artikel 30 van de Wet op het basisonderwijs en artikel 40 van de Interimwet op het speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs gegeven aan de leerlingen van de daarvoor in aanmerking komende groepen, zulks ter beoordeling van burgemeester en wethouders, wier ouders, voogden of verzorgers, godsdienstonderwijs c.q. levensbeschouwelijk vormingsonderwijs voor hen wensen dan wel daartegen geen bezwaren hebben. Artikel 5 De verantwoordelijkheid voor de inhoud van het godsdienstonderwijs en van het levensbeschouwelijk vormingsonderwijs alsmede de wijze waarop het gegeven wordt (pedagogisch/didactisch) en de keuze van de leermiddelen, berust bij de instanties, welke dit onderwijs doen geven. Artikel 6 De leerkrachten onthouden zich van het voeren van propaganda, hetzij voor enige richting in het onderwijs, hetzij voor enige geestelijke, maatschappelijke of politieke stroming. Artikel 7 De leerkrachten gedragen zich naar de door de directeur van de school te geven aanwijzingen. Zij verstrekken de directeur van de school alle verlangde inlichtingen voorzover deze in relatie staan met de werkzaamheden van de leerkracht. Artikel 8 De in artikel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.