LANDSVERORDENING tot regeling van het toezicht op krankzinnigen§I.Inrichtingen tot verpleging en tot voorlopige opneming van krankzinnigen Artikel1 1.Er bestaat in Sint Maarten ten minste één instelling die uitsluitend is ingericht als krankzinnigengesticht, bestemd voor de medische en verpleegkundige verzorging van psychiatrische patiënten. 2.Indien en zodra niet van particuliere zijde een op de medische en verpleegkundige verzorging van psychiatrische patiënten gerichte instelling in stand wordt gehouden, voorziet de Minister van Volksgezondheid, Sociale Ontwikkeling en Arbeid, hierna te noemen: de minister, ten laste van Sint Maarten in de oprichting en het beheer van een krankzinnigengesticht, dat ten minste toegankelijk is voor die categorie of categorieën van patiënten, waaraan geen bestaand krankzinnigengesticht toegang verschaft. 3.De minister regelt naast het algemene toezicht, bedoeld in artikel 6, het bijzondere toezicht op, het bestuur van, de voorwaarden voor de opneming en verpleging, waaronder de verpleeggelden, in een krankzinnigengesticht als bedoeld in het tweede lid. Artikel2 1.Tot oprichting van een particulier krankzinnigengesticht is de vergunning van de minister vereist. Deze kan daaraan zodanige voorwaarden, waaronder de maximaal in rekening te brengen verpleeggelden, verbinden als hij in het belang van een deugdelijke uitvoering van deze landsverordening noodzakelijk acht. 2.Als particulier krankzinnigengesticht wordt beschouwd elke inrichting, waarin iemand meer dan drie krankzinnigen, die niet tot zijn gezin behoren, verpleegt. 3.Een particulier krankzinnigengesticht is uitsluitend tot verpleging van krankzinnigen bestemd. Artikel3 1.Onder het bestuur of de bestuurder en onder de eerste geneeskundige van een particulier krankzinnigengesticht, bedoeld in artikel 2, wordt in het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde verstaan het orgaan of lid van het orgaan van het gesticht dat onderscheidenlijk de aan het gesticht verbonden geneeskundige die ingevolge de op het gesticht toepasselijke bepalingen met de betreffende bestuurlijke of geneeskundige aangelegenheid belast is of tot de behartiging daarvan het meest aangewezen is. 2.Aan een particulier krankzinnigengesticht moet tenminste één bevoegde geneeskundige zijn verbonden. Artikel4 1.Indien een particulier krankzinnigengesticht zonder vergunning van de minister is opgericht, wordt het op diens last gesloten. 2.Indien een particulier krankzinnigengesticht niet voldoet aan de voorschriften van deze verordening en aan de voorwaarden, aan deze vergunning tot oprichting verbonden, zal de vergunning door de minister ingetrokken en het gesticht op diens last gesloten worden, indien niet alsnog binnen een door hem vast te stellen termijn naar behoren aan de voorschriften en de voorwaarden van deze verordening wordt voldaan. 3.Het besluit tot sluiting van een gesticht wordt met redenen omkleed en in de Landscourant bekendgemaakt. 4.Bij sluiting van een gesticht worden de daarin verpleegde krankzinnigen op kosten van hen, voor wier rekening zij verpleegd worden, binnen een door de minister te stellen termijn, door de zorg van het Hoofd van de Inspectiedienst Volksgezondheid, Sociale Ontwikkeling en Arbeid, hierna te noemen: de Inspecteur-Generaal, overgebracht naar andere krankzinnigengestichten. Artikel5 De minister wijst aan de plaatsen tot voorlopige opneming van krankzinnigen en stelt voorschriften vast, waaraan in die plaatsen betreffende de krankzinnigen moet worden voldaan. §II.Toezicht op verpleging van krankzinnigen en op krankzinnigengestichten Artikel6 1.Hij die een krankzinnige verpleegt, is gehouden daarvan binnen tweemaal 24 uur na aanvang van de verpleging aangifte te doen bij de minister. 2.De minister geeft van een aangifte als bedoeld in het eerste lid onverwijld kennis aan de procureur-generaal en aan de Inspecteur-Generaal. 3.Verpleging vangt aan, zodra een geneeskundige, die bevoegd is om in Sint Maarten de geneeskunst uit te oefenen, het verzorgend personeel kennis geeft van de aard van de ziekte van de verpleegde. 4.De geneeskundige, bedoeld in het derde lid, stelt de minister onverwijld van zijn diagnose in kennis. Artikel7 1.Onverminderd het elders in deze verordening bepaalde, zijn met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde belast de door de minister aangewezen geneeskundigen en ambtenaren van de Dienst Collectieve Preventie, alsmede de daartoe bij landsbesluit aangewezen ambtenaren. Een zodanige aanwijzing wordt bekendgemaakt in de Landscourant. 2.De krachtens het eerste lid aangewezen personen zijn, uitsluitend voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijze noodzakelijk is, bevoegd: vrijelijk alle inlichtingen te vragen; inzage te verlangen van alle boeken, bescheiden en andere informatiedragers en daarvan afschrift te nemen of deze daartoe tijdelijk mee te nemen; goederen aan opneming en onderzoek te onderwerpen en deze daartoe tijdelijk mee te nemen; alle plaatsen, met uitzondering van woningen zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner, te betreden, vergezeld van door hen aangewezen personen; woningen, waar krankzinnigen worden verpleegd of een zodanige verpleging wordt vermoed, zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner binnen te treden. 3.Zo nodig, wordt de toegang tot een plaats als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, verschaft met behulp van de sterke arm. 4.Op het binnentreden in woningen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, is titel X van het Derde boek van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 155, vierde lid, 156, tweede lid, 157, tweede en derde lid, 158, eerste lid, laatste zinsnede, en 160, eerste lid. 5.In de krankzinnigengestichten wordt te allen tijde vrije toegang verleend aan de procureur-generaal, de Inspecteur-Generaal en de minister. 6.Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van taakuitoefening van de krachtens het eerste lid aangewezen personen. 7.Een ieder is verplicht aan de krachtens het eerste lid aangewezen personen alle medewerking te verlenen die op grond van het tweede lid wordt gevorderd. 8.Zij, die krankzinnigen verplegen of die een krankzinnigengesticht besturen, alsmede de daaraan verbonden geneeskundigen, geven aan de procureur-generaal, de Inspecteur-Generaal en aan de minister de verlangde inlichtingen. Artikel8 [vervallen] Artikel9 [vervallen] Artikel10 1.Van elke toepassing van een dwangmiddel op een verpleegde in een krankzinnigengesticht wordt dagelijks aantekening gehouden in een register, ingericht naar een door de minister vast te stellen model. 2.Dit register wordt, behalve aan de Inspecteur-Generaal, op verlangen voorgelegd aan de procureur-generaal en de minister. Artikel11 De Inspecteur-Generaal of de minister bevindende, dat een krankzinnige buiten een krankzinnigengesticht wordt verwaarloosd, of in een niet voor de verpleging van krankzinnigen doelmatige woning wordt verpleegd, geeft hiervan onmiddellijk kennis aan de procureur-generaal. Artikel12 1.Bij hun op onbepaalde tijden, doch althans eenmaal in de drie maanden, aan de krankzinnigengestichten te brengen bezoeken verzekeren de procureur-generaal, de Inspecteur-Generaal of de minister zich dat niemand wederrechtelijk daarin geplaatst of vastgehouden wordt en dat de verpleegden behoorlijk worden behandeld. 2.Het bestuur van het gesticht zendt aan de procureur-generaal binnen twee maal 24 uur een schriftelijke kennisgeving van elke opneming, verplaatsing, verlof, ontslag of overlijden van een verpleegde, met vermelding van de redenen van de verplaatsing, het verlof of het ontslag en met opgave van de persoon, die de aanvraag mocht hebben gedaan. §III.Plaatsing en verblijf in een krankzinnigengesticht Artikel13 1.Iedere meerderjarige bloedverwant of aangehuwde in de rechte lijn en in de zijlijn tot de derde graad, alsmede de echtgenoot, voogd of curator van een krankzinnige, zijn bevoegd om aan de minister machtiging te verzoeken om de krankzinnige voorlopig in een gesticht te doen plaatsen in het belang van de openbare orde of in dat van de krankzinnige zelf. 2.Weigert de minister dan kunnen de verzoekers zich wenden tot het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, hierna te noemen: het Hof. Artikel14 1.De minister, of krachtens opdracht van de minister, de Korpschef of degene, die tot diens plaatsvervanger is aangewezen, kan bij ontstentenis van de in artikel 13 vermelde personen de voorlopige plaatsing in een gesticht ambtshalve bij bevelschrift gelasten. 2.Hij is, indien de in artikel 13 vermelde personen van hun bevoegdheid geen gebruik maken, daartoe verplicht, wanneer hij de plaatsing van de krankzinnige onder verzekerd toezicht, in het belang van de openbare orde of ter voorkoming van ongelukken, noodzakelijk acht, of wanneer het hem gebleken is, dat een krankzinnige verwaarloosd wordt. Artikel15 1.In spoedeisende gevallen kan de minister krankzinnigen in bewaring doen stellen. 2.De minister geeft hiervan zo spoedig mogelijk kennis aan de procureur-generaal, met bijvoeging van de bescheiden, waaruit de krankzinnigheid blijkt. 3.Deze bewaring vindt plaats in een door de minister krachtens artikel 5 aangewezen plaats tot voorlopige opneming. 4.De duur van het in bewaring stellen mag nooit langer zijn dan strikt noodzakelijk. 5.Zo spoedig mogelijk worden de nodige maatregelen genomen voor de voorlopige plaatsing in een gesticht. Artikel16 1.Een meerderjarige die het op grond van zijn toestand wenselijk acht zich te doen verplegen in een krankzinnigengesticht, kan schriftelijk verzoeken daarin opgenomen te worden. 2.Degene die op eigen verzoek in een krankzinnigengesticht is opgenomen, zal uiterlijk 24 uur na een daartoe strekkend verzoek zijnerzijds uit de inrichting worden ontslagen. 3.De artikelen 13, 14 en 15 zijn niet van toepassing op de in het eerste lid bedoelde personen. Artikel17 1.Bij het in artikel 13 bedoelde verzoek moet worden overgelegd een uiterlijk drie dagen vóór het verzoek opgemaakte, ondertekende en met redenen omklede verklaring van een geneeskundige als bedoeld in artikel 6 waaruit blijkt, dat de persoon voor wie plaatsing in een gesticht verlangd wordt, in een toestand van krankzinnigheid verkeert. 2.Bij de verzoeken kunnen bovendien omstandigheden vermeld en bescheiden overgelegd worden, waaruit de staat van krankzinnigheid nader blijkt. 3.De minister geeft in de regel ambtshalve geen bevel tot voorlopige plaatsing in een gesticht af, dan na ontvangst van een verklaring van een geneeskundige als in het eerste lid van dit artikel bedoeld. Artikel18 1.De minister is bevoegd, alvorens op het verzoek, bedoeld in artikel 13, te beschikken, de persoon, wiens plaatsing verzocht is, zijn bloedverwanten of aangehuwden, zijn echtgenoot, voogd of curator daarover te horen, wat eerstgenoemde betreft zo nodig in tegenwoordigheid van een geneeskundige door de minister aan te wijzen. 2.[vervallen] 3.[vervallen] Artikel19 1.De opneming van een krankzinnige in een gesticht geschiedt tegen overlegging van een gewaarmerkt afschrift van het in artikel 14 bedoeld bevelschrift. 2.Ingeval de rechter oordelende in strafzaken, met toepassing van artikel 1:80, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, heeft bevolen, dat iemand in een krankzinnigengesticht zal worden geplaatst, geschiedt de opneming van een zodanig persoon tegen overlegging van een uittreksel uit de onherroepelijk geworden uitspraak, die de plaatsing beveelt. 3.Dit uittreksel en de expeditie van de in de artikelen 23, 24, 29 en 30 bedoelde rechterlijke beschikkingen moeten aan het bestuur van het gesticht worden overgelegd; zij worden vermeld in en bewaard bij een register, ingericht naar een door de minister vast te stellen model. Artikel20 1.Bij elke plaatsing van een krankzinnige in een gesticht geeft de minister daarvan onverwijld kennis aan de personen in artikel 13 vermeld, voor zover deze personen in Sint Maarten gevestigd en bekend zijn. 2.De minister zendt een afschrift van zijn bevel en de geneeskundige verklaring op grond waarvan het bevel is gegeven, ten spoedigste aan de procureur-generaal. Artikel21 1.Gedurende de eerste vier weken na iemands opneming houdt de geneeskundige van het gesticht, die de opgenomene behandelt, in een daartoe bestemd register, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld, dagelijks aantekening van zijn bevinding. 2.Na de afloop van de eerste vier weken geschiedt gelijke aantekening gedurende een half jaar, ten minste wekelijks en daarna ten minste maandelijks. Artikel22 1.Binnen vijf weken na iemands opneming wordt door de procureur-generaal een afschrift van de in artikel 21, eerste lid, bedoelde aantekeningen met een requisitoir om de opgenomene gedurende een bepaalde tijd, die van één jaar niet te boven gaande, in een krankzinnigengesticht te doen verblijven, ingediend bij het Hof. 2.Het requisitoir gaat vergezeld van een met redenen omklede verklaring van de geneeskundige van het gesticht, of, indien er meer zijn, van de eerste geneeskundige omtrent het noodzakelijke of wenselijke van een verdere verpleging in een krankzinnigengesticht. Artikel23 1.Over het requisitoir kan door het Hof worden beschikt op de in artikel 22 vermelde bescheiden. 2.Het Hof kan echter nader bewijs door getuigen of andere middelen gelasten en zelfs het verhoor van de verpleegde bevelen. 3.Wordt het verhoor van de verpleegde bevolen, dan geschiedt dit in het gesticht al of niet in tegenwoordigheid van een van de daaraan verbonden geneeskundigen. Het Hof kan verhoor opdragen aan een daartoe te benoemen rechter-commissaris of aan de rechter in eerste aanleg. Dit verhoor geschiedt zoveel mogelijk in het bijzijn van de procureur-generaal. 4.Bij gelegenheid van het verhoor van de verpleegde kunnen tevens de geneeskundigen en andere personen, die zich in het gesticht bevinden, als getuigen worden gehoord, zonder voorafgaande oproeping. 5.Hangende het onderzoek blijft de verpleegde in het gesticht. 6.Bij afwijzende beschikking op het requisitoir van de procureur-generaal gelast het Hof tevens, dat de persoon, wiens verdere verblijf in een krankzinnigengesticht is verzocht, onmiddellijk uit het gesticht wordt ontslagen. 7.De beschikking van het Hof wordt gesteld op het requisitoir. Artikel24 1.Ten hoogste één maand en ten minste 14 dagen vóór het verstrijken van de tijd, waarvoor het Hof iemands verblijf in een krankzinnigengesticht heeft vergund, wordt door de geneeskundige van het gesticht of, indien er meer zijn door de eerste geneeskundige aan de procureur-generaal aan afschrift gezonden van de in artikel 21 bedoelde aantekeningen, vergezeld van zijn met redenen omklede verklaring omtrent de noodzakelijke of wenselijke verdere verpleging in een krankzinnigengesticht. 2.De procureur-generaal dient hierop, zo daartoe termen zijn, uiterlijk acht dagen na de ontvangst van de in het eerste lid genoemde bescheiden en onder overlegging daarvan aan het Hof een requisitoir in tot het verlenen van een nieuwe machtiging voor ten hoogste één jaar. 3.Op dit requisitoir wordt beschikt overeenkomstig de voorschriften van artikel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.