Burgerlijk Wetboek Boek 3BOEK3VERMOGENSRECHT IN HET ALGEMEEN TITEL1Algemene bepalingen AFDELING1Begripsbepalingen Artikel1 Goederen zijn alle zaken en alle vermogensrechten. Artikel2 Zaken zijn de voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten. Artikel3 1.Onroerend zijn de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen, de met de grond verenigde beplantingen, alsmede de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen of werken. 2.Roerend zijn alle zaken die niet onroerend zijn. Artikel4 1.Al hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel van een zaak uitmaakt, is bestanddeel van die zaak. 2.Een zaak die met een hoofdzaak zodanig verbonden wordt dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan een van de zaken, wordt bestanddeel van de hoofdzaak. Artikel5 Inboedel is het geheel van tot huisraad en tot stoffering en meubilering van een woning dienende roerende zaken, met uitzondering van boekerijen en verzamelingen van voorwerpen van kunst, wetenschap of geschiedkundige aard. Artikel6 Rechten die, hetzij afzonderlijk hetzij tezamen met een ander recht, overdraagbaar zijn, of er toe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, ofwel verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel, zijn vermogensrechten. Artikel7 Een afhankelijk recht is een recht dat aan een ander recht zodanig verbonden is, dat het niet zonder dat andere recht kan bestaan. Artikel8 Een beperkt recht is een recht dat is afgeleid uit een meer omvattend recht, hetwelk met het beperkte recht is bezwaard. Artikel9 1.Natuurlijke vruchten zijn zaken die volgens verkeersopvatting als vruchten van andere zaken worden aangemerkt. 2.Burgerlijke vruchten zijn rechten die volgens verkeersopvatting als vruchten van goederen worden aangemerkt. 3.De afzonderlijke termijnen van een lijfrente gelden als vruchten van het recht op de lijfrente. 4.Een natuurlijke vrucht wordt een zelfstandige zaak door haar afscheiding, een burgerlijke vrucht een zelfstandig recht door haar opeisbaar worden. Artikel10 Registergoederen zijn goederen voor welker overdracht of vestiging inschrijving in daartoe bestemde openbare registers noodzakelijk is. Artikel11 Goede trouw van een persoon, vereist voor enig rechtsgevolg, ontbreekt niet alleen indien hij de feiten of het recht, waarop zijn goede trouw betrekking moet hebben, kende, maar ook indien hij ze in de gegeven omstandigheden behoorde te kennen. Onmogelijkheid van onderzoek belet niet dat degene die goede reden tot twijfel had, aangemerkt wordt als iemand die de feiten of het recht behoorde te kennen. Artikel12 Bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen, moet rekening worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Sint Maarten levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen die bij het gegeven geval zijn betrokken. Artikel13 1.Degene aan wie een bevoegdheid toekomt, kan haar niet inroepen, voor zover hij haar misbruikt. 2.Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. 3.Uit de aard van een bevoegdheid kan voortvloeien dat zij niet kan worden misbruikt. Artikel14 Een bevoegdheid die iemand krachtens het burgerlijk recht toekomt, mag niet worden uitgeoefend in strijd met geschreven of ongeschreven regels van publiekrecht. Artikel15 De artikelen 11 tot en met 14 vinden buiten het vermogensrecht toepassing, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. AFDELING1BHet voeren van een administratie Artikel15i 1.Een ieder die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefent, is verplicht van zijn vermogenstoestand en van alles betreffende zijn bedrijf of beroep, naar de eisen van dat bedrijf of beroep, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde zijn rechten en verplichtingen kunnen worden gekend. 2.Het tweede tot en met vierde lid van artikel 15 van Boek 2 zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel15j 1.Openlegging van tot een administratie behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers kunnen, voorzover zij daarbij rechtstreeks en voldoende belang hebben, vorderen: de erfgenamen, ten aanzien van de administratie van de erflater; deelgenoten in een gemeenschap, ten aanzien van de administratie betreffende de gemeenschap; schuldeisers in het geval van een faillissement, ten aanzien van de administratie van de failliet. AFDELING2Inschrijvingen betreffende registergoederen Artikel16 1.Er worden openbare registers gehouden, waarin feiten die voor de rechtstoestand van registergoederen van belang zijn, worden ingeschreven. 2.Welke deze openbare registers zijn, waar en op welke wijze een inschrijving in de registers kan worden verkregen, welke stukken daartoe aan de bewaarder moeten worden aangeboden, wat deze stukken moeten inhouden, hoe de registers moeten worden ingericht, hoe de inschrijvingen daarin dienen te geschieden, en hoe de registers kunnen worden geraadpleegd, wordt geregeld bij landsverordening.. Artikel17 1.Behalve die feiten waarvan inschrijving krachtens andere bij landsverordening vastgestelde bepalingen mogelijk is, kunnen in deze registers de volgende feiten worden ingeschreven: rechtshandelingen die een verandering in de rechtstoestand van registergoederen brengen, of in enig ander opzicht voor die rechtstoestand van belang zijn; erfopvolgingen die registergoederen betreffen, daaronder begrepen de opvolging door het eilandgebied krachtens de artikelen 189 en 226, vierde lid, van Boek 4, en de afgifte van registergoederen aan het Land krachtens artikel 226, eerste en tweede lid, van Boek
- vervulling van de voorwaarde, gesteld in een ingeschreven voorwaardelijke rechtshandeling, en de verschijning van een onzeker tijdstip, aangeduid in de aan een ingeschreven rechtshandeling verbonden tijdsbepaling, alsmede de dood van een vruchtgebruiker van een registergoed; reglementen en andere regelingen die tussen medegerechtigden in registergoederen zijn vastgesteld; rechterlijke uitspraken die de rechtstoestand van registergoederen of de bevoegdheid daarover te beschikken betreffen, mits zij uitvoerbaar bij voorraad zijn of een verklaring van de griffier wordt overgelegd dat daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat of dat hem binnen de desbetreffende termijn na de uitspraak niet van het instellen van een gewoon rechtsmiddel is gebleken, alsmede de tegen de bovenbedoelde uitspraken ingestelde rechtsmiddelen; instelling van rechtsvorderingen en indiening van verzoekschriften ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak die de rechtstoestand van een registergoed betreft; executoriale en conservatoire beslagen op registergoederen; naamsveranderingen die tot registergoederen gerechtigde personen betreffen; verjaring die leidt tot verkrijging van een registergoed of tenietgaan van een beperkt recht dat een registergoed is; beschikkingen en uitspraken, waarbij een krachtens een landsverordening ingeschreven beschikking wordt vernietigd, ingetrokken of gewijzigd; de aanleg en verwijdering van een net, bestaande uit een of meerkabels of leidingen, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie. 2.Huurovereenkomsten en andere feiten die alleen persoonlijke rechten geven of opheffen, kunnen slechts worden ingeschreven, indien een bijzondere, bij landsverordening vastgestelde, bepaling dit toestaat. Artikel18 Worden de bewaarder van de registers stukken ter inschrijving aangeboden, dan verstrekt hij de aanbieder een bewijs van ontvangst, vermeldende de aard van die stukken alsmede dag, uur en minuut van de aanbieding. Artikel19 1.Indien de voor een inschrijving nodige stukken worden aangeboden, de aangeboden stukken aan de wettelijke eisen voldoen en andere wettelijke vereisten voor de inschrijving zijn vervuld, geschiedt de inschrijving terstond na de aanbieding. 2.Als tijdstip van inschrijving geldt het tijdstip van aanbieding van de voor de inschrijving vereiste stukken. 3.Op verlangen van de aanbieder tekent de bewaarder de verrichte inschrijving op het ontvangstbewijs aan. 4.Indien de bewaarder vermoedt dat de in de aangeboden stukken vermelde kenmerken niet overeenstemmen met die welke met betrekking tot het registergoed behoren te worden vermeld, of dat de in te schrijven rechtshandeling door een onbevoegde is verricht of onverenigbaar is met een andere rechtshandeling, ter inschrijving waarvan hem de nodige stukken zijn aangeboden, is hij bevoegd de aanbieder en andere belanghebbenden daarop opmerkzaam te maken. Artikel20 1.De bewaarder van de registers weigert een inschrijving te doen, indien niet is voldaan aan de eisen, bedoeld in artikel 19, eerste lid. Hij boekt de aanbieding in het register van voorlopige aantekeningen met vermelding van de gerezen bedenkingen. 2.Wanneer de weigering ten onrechte is geschied, beveelt de rechter in eerste aanleg, rechtdoende in kort geding, op vordering van de belanghebbende de bewaarder de inschrijving alsnog te verrichten, zulks onverminderd de bevoegdheid van de gewone rechter. De rechter in eerste aanleg kan de oproeping van door hem aan te wijzen andere belanghebbenden gelasten. Het bevel van de rechter in eerste aanleg is van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad. 3.Wordt de geweigerde inschrijving alsnog bevolen, dan verricht de bewaarder haar terstond nadat de eiser haar opnieuw heeft verzocht. 4.Indien de belanghebbende binnen twee weken na de oorspronkelijke aanbieding aan de bewaarder een oproeping in kort geding ter verkrijging van het in het tweede lid bedoelde bevel heeft doen uitbrengen, en de aanvankelijk geweigerde inschrijving alsnog is verricht op een hernieuwde aanbieding van dezelfde stukken, gedaan binnen een week na een in eerste aanleg gegeven bevel, wordt de inschrijving geacht te zijn geschied op het tijdstip waarop de oorspronkelijke aanbieding plaatsvond. Hetzelfde geldt, indien de bewaarder op een hernieuwde aanbieding alsnog overgaat tot inschrijving binnen twee weken hetzij na de oorspronkelijke aanbieding, hetzij na een tijdig aanhangig gemaakte oproeping hangende het geding in eerste aanleg. 5.Een feit waarvan slechts blijkt uit een overeenkomstig het eerste lid, tweede zin, geboekt stuk, wordt geacht niet door raadpleging van de registers kenbaar te zijn, tenzij het krachtens het vierde lid geacht moet worden reeds ten tijde van de raadpleging ingeschreven te zijn geweest. 6.Een voorlopige aantekening wordt door de bewaarder doorgehaald, zodra hem is gebleken dat de voorwaarden voor toepassing van het vierde lid niet meer kunnen worden vervuld, of de inschrijving met inachtneming van het tijdstip van oorspronkelijke aanbieding alsnog heeft plaatsgevonden. Artikel21 1.De rangorde van inschrijvingen die op een zelfde registergoed betrekking hebben, wordt bepaald door de volgorde van de tijdstippen van inschrijving, tenzij uit de wet een andere rangorde voortvloeit. 2.Vinden twee inschrijvingen op een zelfde tijdstip plaats en zouden deze leiden tot onderling onverenigbare rechten van verschillende personen op dat goed, dan wordt de rangorde bepaald: in geval de ter inschrijving aangeboden akten op verschillende dagen zijn opgemaakt: door de volgorde van die dagen; in geval beide akten op dezelfde dag zijn opgemaakt en het notariële akten, daaronder begrepen notariële verklaringen, betreft: door de volgorde van de tijdstippen waarop elk van die akten of verklaringen is opgemaakt. Artikel22 Wanneer een feit in de registers is ingeschreven, kan daarna de geldigheid van de inschrijving niet meer worden betwist op grond dat de formaliteiten die voor de inschrijving worden vereist, niet zijn in acht genomen. Artikel23 Het beroep van een verkrijger van een registergoed op goede trouw wordt niet aanvaard, wanneer dit beroep insluit een beroep op onbekendheid met feiten die door raadpleging van de registers zouden zijn gekend. Artikel24 1.Indien op het tijdstip waarop een rechtshandeling tot verkrijging van een recht op een registergoed onder bijzondere titel in de registers wordt ingeschreven, een eveneens voor inschrijving in de registers vatbaar feit niet met betrekking tot dat registergoed ingeschreven was, kan dit feit aan de verkrijger niet worden tegengeworpen, tenzij hij het kende. 2.Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van: feiten die naar hun aard vatbaar zijn voor inschrijving in een register van de burgerlijke stand, een huwelijksgoederenregister of een register als bedoeld in artikel 1050 van Boek 4, ook indien het feit in een gegeven geval daarin niet kan worden ingeschreven, omdat daarop de in Sint Maarten geldende wet niet van toepassing is; in het curatele-register ingeschreven ondercuratelestellingen en opheffingen van curatele; in het faillissementsregister en surséanceregister ingeschreven rechterlijke uitspraken; aanvaardingen en verwerpingen van een nalatenschap; verjaring. 3.Het eerste lid is evenmin van toepassing ten aanzien van erfopvolgingen en uiterste wilsbeschikkingen die op het tijdstip van de inschrijving van de rechtshandeling nog niet ingeschreven waren, doch daarna, mits binnen drie maanden na de dood van de erflater, alsnog in de registers zijn ingeschreven. Artikel25 Indien op het tijdstip waarop een rechtshandeling ter verkrijging van een recht op een registergoed onder bijzondere titel wordt ingeschreven, een feit met betrekking tot dat registergoed in de registers was ingeschreven krachtens een authentieke akte waarin het feit door een ambtenaar met kracht van authenticiteit werd vastgesteld, kan de onjuistheid van dit feit aan de verkrijger niet worden tegengeworpen, tenzij hij deze onjuistheid kende of door raadpleging van de registers de mogelijkheid daarvan had kunnen kennen. Artikel26 Indien op het tijdstip waarop een rechtshandeling ter verkrijging van een recht op een registergoed onder bijzondere titel wordt ingeschreven, met betrekking tot dat registergoed een onjuist feit in de registers ingeschreven was, kan de onjuistheid van dit feit door hem die redelijkerwijs voor overeenstemming van de registers met de werkelijkheid had kunnen zorgdragen, aan de verkrijger niet worden tegengeworpen, tenzij deze de onjuistheid kende of door raadpleging van de registers de mogelijkheid daarvan had kunnen kennen. Artikel27 1.Hij die beweert enig recht op een registergoed te hebben, kan alle belanghebbenden bij openbare oproeping, en daarnaast hen die als rechthebbende of beslaglegger op dat goed ingeschreven staan, ieder bij name bij verzoekschrift, in rechte betrekken om te horen verklaren dat hem het recht waarop hij aanspraak maakt, toekomt. Alvorens een zodanige eis toe te wijzen, kan de rechter de maatregelen bevelen en de bewijsopdrachten doen, die hij in het belang van mogelijke nietverschenen rechthebbenden nuttig oordeelt. Artikel 82, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is niet van toepassing. Een krachtens dit artikel verkregen verklaring wordt niet in de registers ingeschreven voordat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. 2.Tegen het vonnis is geen verzet toegelaten. Hoger beroep en cassatie staan volgens de gewone regels open, behoudens de volgende uitzonderingen. Artikel 262 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is niet van toepassing. De termijn voor hoger beroep begint voor nietverschenen belanghebbenden te lopen vanaf de betekening van de uitspraak aan hen bij name, voor zover zij ingeschreven waren, of bij openbaar exploot, zo zij niet ingeschreven waren. Cassatie staat alleen open voor verschenen belanghebbenden. 3.De krachtens het eerste lid ingeschreven verklaring wordt ten aanzien van nietverschenen belanghebbenden die niet bij name zijn opgeroepen, vermoed juist te zijn, zolang het tegendeel niet bewezen is. Op de onjuistheid kan echter geen beroep worden gedaan ten nadele van hen die, daarmee onbekend, de verkrijger van het vonnis onder bijzondere titel zijn opgevolgd. 4.Een openbare oproeping als bedoeld in het eerste lid, geschiedt overeenkomstig artikel 5, ten 7º, tweede en derde volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Een openbaar exploot als bedoeld in het tweede lid, geschiedt op dezelfde wijze, tenzij de rechter nadere maatregelen voorschrijft als bedoeld in het eerste lid. De in het eerste lid bedoelde maatregelen kunnen bestaan in het voorschrijven van al of niet herhaalde aankondigingen van een door de rechter vast te stellen inhoud in een of meer binnen- of buitenlandse dagbladen. Artikel28 1.Is een inschrijving waardeloos, dan zijn degenen te wier behoeve zij anders zou hebben gestrekt, verplicht van deze waardeloosheid aan hem die daarbij een onmiddellijk belang heeft, op diens verzoek een schriftelijke verklaring af te geven. De verklaringen vermelden de feiten waarop de waardeloosheid berust, tenzij de inschrijving een hypotheek of een beslag betreft. 2.De verklaringen kunnen in de registers worden ingeschreven. Indien de inschrijving een hypotheek of een beslag betreft, machtigen deze verklaringen na inschrijving gezamenlijk de bewaarder tot doorhaling daarvan. Artikel29 1.Worden de vereiste verklaringen niet afgegeven, dan verklaart de rechter in eerste aanleg de inschrijving waardeloos op vordering van de onmiddellijk belanghebbende. Wordt ter verkrijging van dit bevel iemand die in de registers staat ingeschreven, opgeroepen, dan worden daarmee tevens opgeroepen al zijn rechtverkrijgenden die geen nieuwe inschrijving hebben genomen. 2.Alvorens een zodanige verklaring uit te spreken kan de rechter de maatregelen bevelen en de bewijsopdrachten doen, die hij in het belang van mogelijk nietverschenen rechthebbenden nuttig oordeelt. 3.Indien alle ingeschreven gedaagden zijn verschenen, is artikel 82, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet van toepassing. Indien voor een ingeschreven opgeroepene geen verzet, maar hoger beroep openstaat, geldt hetzelfde voor zijn rechtverkrijgenden die geen nieuwe inschrijving hebben genomen. In afwijking van artikel 84 van dat wetboek begint de termijn van verzet in elk geval te lopen vanaf de betekening van het vonnis aan de ingeschreven opgeroepene, ook als de betekening niet aan hem in persoon geschiedt, zulks mede ten opzichte van zijn rechtverkrijgenden die geen nieuwe inschrijving hebben genomen, tenzij de rechter hiertoe nadere maatregelen heeft bevolen en aan dat bevel niet is voldaan. Cassatie staat alleen open voor verschenen belanghebbenden. 4.Het vonnis dat de verklaring bevat, kan niet worden ingeschreven, voordat het in kracht van gewijsde is gegaan. Indien de waardeloze inschrijving een hypotheek of beslag betreft, machtigt het vonnis na inschrijving de bewaarder tot doorhaling daarvan. Artikel30 1.Sint Maarten is jegens belanghebbenden aansprakelijk voor de schade die zij lijden doordat in strijd met de wet een inschrijving is geweigerd of geschied. 2.Sint Maarten is eveneens aansprakelijk voor alle verdere vergissingen, verzuimen, vertragingen of andere onregelmatigheden, gepleegd bij het houden van de registers of bij het opmaken of afgeven van afschriften, uittreksels en getuigschriften. 3.Sint Maarten is ook aansprakelijk, wanneer iemand ten gevolge van omstandigheden die naar redelijkheid en billijkheid niet voor zijn rekening komen, door toepassing van artikel 24, 25 of 27 zijn recht verliest. Artikel31 Waar een bij landsverordening vastgestelde bepaling die betrekking heeft op registergoederen, een notariële akte of een notariële verklaring voorschrijft, is vereist een akte of verklaring van een persoon die in Sint Maarten het notarisambt uitoefent. TITEL2Rechtshandelingen Artikel32 1.Iedere natuurlijke persoon is bekwaam tot het verrichten van rechtshandelingen, voor zover de wet niet anders bepaalt. 2.Een rechtshandeling van een onbekwame is vernietigbaar. Een eenzijdige rechtshandeling van een onbekwame, die niet tot een of meer bepaalde personen gericht was, is echter nietig. Artikel33 Een rechtshandeling vereist een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard. Artikel34 1.Heeft iemand wiens geestvermogens blijvend of tijdelijk zijn gestoord, iets verklaard, dan wordt een met de verklaring overeenstemmende wil geacht te ontbreken indien de stoornis een redelijke waardering van de bij de handeling betrokken belangen belette, of indien de verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan. Een verklaring wordt vermoed onder invloed van de stoornis te zijn gedaan indien de rechtshandeling voor de geestelijk gestoorde nadelig was, tenzij het nadeel op het tijdstip van de rechtshandeling redelijkerwijze niet was te voorzien. 2.Een zodanig ontbreken van wil maakt een rechtshandeling vernietigbaar. Een eenzijdige rechtshandeling die niet tot een of meer bepaalde personen gericht was, wordt door het ontbreken van wil echter nietig. Artikel35 Tegen hem die eens anders verklaring of gedraging, overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen, heeft opgevat als een door die ander tot hem gerichte verklaring van een bepaalde strekking, kan geen beroep worden gedaan op het ontbreken van een met deze verklaring overeenstemmende wil. Artikel36 Tegen hem die als derde op grond van een verklaring of gedraging, overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen, het ontstaan, bestaan of tenietgaan van een bepaalde rechtsbetrekking heeft aangenomen en in redelijk vertrouwen op de juistheid van die veronderstelling heeft gehandeld, kan door degene om wiens verklaring of gedraging het gaat, met betrekking tot deze handeling op de onjuistheid van die veronderstelling geen beroep worden gedaan. Artikel37 1.Tenzij anders is bepaald, kunnen verklaringen, met inbegrip van mededelingen, in iedere vorm geschieden, en kunnen zij in een of meer gedragingen besloten liggen. 2.Indien bepaald is dat een verklaring schriftelijk moet worden gedaan, kan zij, voor zover uit de strekking van die bepaling niet anders volgt, ook bij exploot geschieden. 3.Een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring moet, om haar werking te hebben, die persoon hebben bereikt. Nochtans heeft ook een verklaring die hem tot wie zij was gericht, niet of niet tijdig heeft bereikt, haar werking, indien dit niet of niet tijdig bereiken het gevolg is van zijn eigen handeling, van de handeling van personen voor wie hij aansprakelijk is, of van andere omstandigheden die zijn persoon betreffen en rechtvaardigen dat hij het nadeel draagt. 4.Wanneer een door de afzender daartoe aangewezen persoon of middel een tot een ander gerichte verklaring onjuist heeft overgebracht, geldt het ter kennis van de ontvanger gekomene als de verklaring van de afzender, tenzij de gevolgde wijze van overbrenging door de ontvanger was bepaald. 5.Intrekking van een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring moet, om haar werking te hebben, die persoon eerder dan of gelijktijdig met de ingetrokken verklaring bereiken. Artikel38 1.Tenzij uit de wet of uit de aard van de rechtshandeling anders voortvloeit, kan een rechtshandeling onder een tijdsbepaling of een voorwaarde worden verricht. 2.De vervulling van een voorwaarde heeft geen terugwerkende kracht. Artikel39 Tenzij uit de wet anders voortvloeit, zijn rechtshandelingen die niet in de voorgeschreven vorm zijn verricht, nietig. Artikel40 1.Een rechtshandeling die door inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden of de openbare orde, is nietig. 2.Strijd met een dwingende wetsbepaling leidt tot nietigheid van de rechtshandeling, doch indien de bepaling uitsluitend strekt ter bescherming van één van de partijen bij een meerzijdige rechtshandeling, slechts tot vernietigbaarheid, een en ander voor zover niet uit de strekking van de bepaling anders voortvloeit. 3.Het tweede lid heeft geen betrekking op wetsbepalingen die niet de strekking hebben de geldigheid van daarmede strijdige rechtshandelingen aan te tasten. Artikel41 Betreft een grond van nietigheid slechts een deel van een rechtshandeling, dan blijft deze voor het overige in stand, voor zover dit, gelet op inhoud en strekking van de handeling, niet in onverbrekelijk verband met het nietige deel staat. Artikel42 Beantwoordt de strekking van een nietige rechtshandeling in een zodanige mate aan die van een andere, als geldig aan te merken rechtshandeling, dat aangenomen moet worden dat die andere rechtshandeling zou zijn verricht, indien van de eerstgenoemde wegens haar ongeldigheid was afgezien, dan komt haar de werking van die andere rechtshandeling toe, tenzij dit onredelijk zou zijn jegens een belanghebbende die niet tot de rechtshandeling als partij heeft medegewerkt. Artikel43 1.Rechtshandelingen die, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomende personen, strekken tot verkrijging door: rechters, leden van het openbaar ministerie, griffiers, advocaten, procesgemachtigden, deurwaarders en notarissen, van goederen waarover een geding aanhangig is voor het gerecht onder welks rechtsgebied zij hun bediening uitoefenen, ambtenaren, van goederen die door hen of te hunnen overstaan worden verkocht, of personen met openbaar gezag bekleed, van goederen die toebehoren aan een openbaar lichaam of een andere openbare instelling, en aan hun beheer zijn toevertrouwd, zijn nietig en verplichten de verkrijgers tot schadevergoeding. 2.Het eerste lid, onder a, heeft geen betrekking op uiterste wilsbeschikkingen, door een erflater ten voordele van zijn wettelijke erfgenamen gemaakt, noch op rechtshandelingen krachtens welke deze erfgenamen goederen van de nalatenschap verkrijgen. 3.In het geval, bedoeld in het eerste lid, onder c, is de rechtshandeling geldig, indien zij na goedkeuring bij landsbesluit is geschied of het een verkoop in het openbaar betreft. Artikel44 1.Een rechtshandeling is vernietigbaar, wanneer zij door bedreiging, door bedrog of door misbruik van omstandigheden is tot stand gekomen. 2.Bedreiging is aanwezig wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door onrechtmatig deze of een derde met enig nadeel in persoon of goed te bedreigen. De bedreiging moet zodanig zijn dat een redelijk oordelend mens daardoor kan worden beïnvloed. 3.Bedrog is aanwezig wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat de verzwijger verplicht was mede te delen, of door een andere kunstgreep. Aanprijzingen in algemene bewoordingen, ook al zijn ze onwaar, leveren op zichzelf geen bedrog op. 4.Misbruik van omstandigheden is aanwezig wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden. 5.Indien een verklaring is tot stand gekomen door bedreiging, bedrog of misbruik van omstandigheden van de zijde van iemand die geen partij bij de rechtshandeling is, kan op dit gebrek geen beroep worden gedaan jegens een wederpartij die geen reden had het bestaan ervan te veronderstellen. Artikel45 1.Indien een schuldenaar bij het verrichten van een onverplichte rechtshandeling wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden het gevolg zou zijn, is de rechtshandeling vernietigbaar en kan de vernietigingsgrond worden ingeroepen door iedere door de rechtshandeling in zijn verhaalsmogelijkheden benadeelde schuldeiser, onverschillig of zijn vordering vóór of na de handeling is ontstaan. 2.Een rechtshandeling anders dan om niet, die hetzij meerzijdig is, hetzij eenzijdig en tot een of meer bepaalde personen gericht, kan wegens benadeling slechts worden vernietigd indien ook degenen met of jegens wie de schuldenaar de rechtshandeling verrichtte, wisten of behoorden te weten dat daarvan benadeling van een of meer schuldeisers het gevolg zou zijn. 3.Wordt een rechtshandeling om niet wegens benadeling vernietigd, dan heeft de vernietiging ten aanzien van de bevoordeelde die wist noch behoorde te weten dat van de rechtshandeling benadeling van een of meer schuldeisers het gevolg zou zijn, geen werking, voor zover hij aantoont dat hij ten tijde van de verklaring of het instellen van de vordering tot vernietiging niet ten gevolge van de rechtshandeling gebaat was. 4.Een schuldeiser die wegens benadeling tegen een rechtshandeling opkomt, vernietigt deze slechts te zijnen behoeve en niet verder dan nodig is ter opheffing van de door hem ondervonden benadeling. 5.Rechten, door derden te goeder trouw anders dan om niet verkregen op goederen die het voorwerp waren van de vernietigde rechtshandeling, worden geëerbiedigd. Ten aanzien van de derde te goeder trouw die om niet heeft verkregen, heeft de vernietiging geen werking voor zover hij aantoont dat hij op het ogenblik dat het goed van hem wordt opgeëist, niet ten gevolge van de rechtshandeling gebaat is. Artikel46 1.Indien de rechtshandeling waardoor een of meer schuldeisers zijn benadeeld, is verricht binnen één jaar voor het inroepen van de vernietigingsgrond en de schuldenaar zich niet reeds voor de aanvang van die termijn tot die rechtshandeling had verplicht, wordt vermoed dat men aan beide zijden wist of behoorde te weten dat een zodanige benadeling het gevolg van de rechtshandeling zou zijn: bij overeenkomsten, waarbij de waarde van de verbintenis aan de zijde van de schuldenaar aanmerkelijk die van de verbintenis aan de andere zijde overtreft; bij rechtshandelingen ter voldoening van of zekerheidstelling voor een niet opeisbare schuld; bij rechtshandelingen, door de schuldenaar die een natuurlijk persoon is, verricht met of jegens: zijn echtgenoot, zijn pleegkind of een bloed- of aanverwant tot in de derde graad; een rechtspersoon waarin hij, zijn echtgenoot, zijn pleegkind of een bloed- of aanverwant tot in de derde graad bestuurder of commissaris is, dan wel waarin deze personen, afzonderlijk of tezamen, als aandeelhouder rechtstreeks of middellijk voor ten minste de helft van het geplaatste stemgerechtigde kapitaal deelnemen; bij rechtshandelingen, door de schuldenaar die rechtspersoon is, verricht met of jegens een natuurlijke persoon: die bestuurder of commissaris van de rechtspersoon is, dan wel met of jegens diens echtgenoot, pleegkind of bloed- of aanverwant tot in de derde graad; die al dan niet tezamen met zijn echtgenoot, zijn pleegkinderen en zijn bloed- of aanverwanten tot in de derde graad, als aandeelhouder rechtstreeks of middellijk voor ten minste de helft van het geplaatste stemgerechtigde kapitaal deelneemt; wiens echtgenoot, pleegkinderen of bloed- of aanverwanten tot in de derde graad afzonderlijk of tezamen, als aandeelhouder rechtstreeks of middellijk voor ten minste de helft van het geplaatste stemgerechtigde kapitaal deelnemen; bij rechtshandelingen, door de schuldenaar die rechtspersoon is, verricht met of jegens een andere rechtspersoon, indien: een van deze rechtspersonen bestuurder is van de andere; een bestuurder, natuurlijk persoon, van een van deze rechtspersonen, of diens echtgenoot, pleegkind of bloed- of aanverwant tot in de derde graad, bestuurder is van de andere; een bestuurder, natuurlijk persoon, of een commissaris van een van deze rechtspersonen, of diens echtgenoot, pleegkind of bloed- of aanverwant tot in de derde graad, afzonderlijk of tezamen, als aandeelhouder rechtstreeks of middellijk voor ten minste de helft van het geplaatste stemgerechtigde kapitaal deelneemt in de andere; in beide rechtspersonen voor ten minste de helft van het geplaatste stemgerechtigde kapitaal rechtstreeks of middellijk wordt deelgenomen door dezelfde rechtspersoon, dan wel dezelfde natuurlijke persoon, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot, zijn pleegkinderen en zijn bloed- of aanverwanten tot in de derde graad; bij rechtshandelingen, door de schuldenaar die rechtspersoon is, verricht met of jegens een groepsmaatschappij; bij rechtshandelingen die ertoe strekken een goed onder een trustverband te brengen. 2.Met een echtgenoot wordt een andere levensgezel gelijkgesteld. 3.Onder pleegkind wordt verstaan hij die duurzaam als eigen kind is verzorgd en opgevoed. 4.Onder bestuurder, commissaris of aandeelhouder wordt mede verstaan hij die minder dan een jaar vóór de rechtshandeling bestuurder, commissaris of aandeelhouder is geweest. 5.Indien de bestuurder van een rechtspersoon-bestuurder zelf een rechtspersoon is, wordt deze rechtspersoon met de rechtspersoon-bestuurder gelijkgesteld. 6.Een groepsmaatschappij is een vennootschap of rechtspersoon die met een of meer andere vennootschappen of rechtspersonen organisatorisch in een economische eenheid is verbonden. 7.Voor de toepassing van dit artikel is met de hoedanigheid van bestuurder, commissaris of aandeelhouder van een rechtspersoon gelijkgesteld de hoedanigheid van trustee, protector of begunstigde van een trust. Artikel47 In geval van benadeling door een rechtshandeling om niet, die de schuldenaar heeft verricht binnen één jaar vóór het inroepen van de vernietigingsgrond, wordt vermoed dat hij wist of behoorde te weten dat benadeling van een of meer schuldeisers het gevolg van de rechtshandeling zou zijn. Artikel48 Onder schuldenaar in de zin van de artikelen 45 tot en met 47 is begrepen hij op wiens goed voor de schuld van een ander verhaal kan worden genomen. Artikel49 Een vernietigbare rechtshandeling wordt vernietigd hetzij door een buitengerechtelijke verklaring, hetzij door een rechterlijke uitspraak. Artikel50 1.Een buitengerechtelijke verklaring die een rechtshandeling vernietigt, wordt door hem in wiens belang de vernietigingsgrond bestaat, gericht tot hen die partij bij de rechtshandeling zijn. 2.Een buitengerechtelijke verklaring kan een rechtshandeling met betrekking tot een registergoed die heeft geleid tot een inschrijving in de openbare registers of tot een tot levering van een registergoed bestemde akte, slechts vernietigen indien alle partijen in de vernietiging berusten. Artikel51 1.Een rechterlijke uitspraak vernietigt een rechtshandeling, doordat zij een beroep in rechte op een vernietigingsgrond aanvaardt. 2.Een rechtsvordering tot vernietiging van een rechtshandeling wordt ingesteld tegen hen die partij bij de rechtshandeling zijn. 3.Een beroep in rechte op een vernietigingsgrond kan te allen tijde worden gedaan ter afwering van een op de rechtshandeling steunende vordering of andere rechtsmaatregel. Hij die dit beroep doet, is verplicht om zo spoedig mogelijk daarvan mededeling te doen aan de partijen bij de rechtshandeling die niet in het geding zijn verschenen. Artikel52 1.Rechtsvorderingen tot vernietiging van een rechtshandeling verjaren in geval van: onbekwaamheid: drie jaren nadat de onbekwaamheid is geëindigd, of indien de onbekwame een wettelijke vertegenwoordiger heeft, drie jaren nadat de handeling ter kennis van de wettelijke vertegenwoordiger is gekomen; bedreiging of misbruik van omstandigheden: drie jaren nadat deze invloed heeft opgehouden te werken; bedrog, dwaling of benadeling: drie jaren nadat het bedrog, de dwaling of de benadeling is ontdekt; een andere vernietigingsgrond: drie jaren nadat de bevoegdheid om deze vernietigingsgrond in te roepen, aan degene aan wie deze bevoegdheid toekomt, ten dienste is komen te staan. 2.Na de verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging van de rechtshandeling kan deze niet meer op dezelfde vernietigingsgrond door een buitengerechtelijke verklaring worden vernietigd. Artikel53 1.De vernietiging werkt terug tot het tijdstip waarop de rechtshandeling is verricht. 2.Indien de reeds ingetreden gevolgen van een rechtshandeling bezwaarlijk ongedaan gemaakt kunnen worden, kan de rechter desgevraagd aan een vernietiging geheel of ten dele haar werking ontzeggen. Hij kan aan een partij die daardoor onbillijk wordt bevoordeeld, de verplichting opleggen tot een uitkering in geld aan de partij die benadeeld wordt. Artikel54 1.De bevoegdheid om ter vernietiging van een meerzijdige rechtshandeling een beroep te doen op misbruik van omstandigheden vervalt, wanneer de wederpartij tijdig een wijziging van de gevolgen van de rechtshandeling voorstelt, die het nadeel op afdoende wijze opheft. 2.Bovendien kan de rechter op verlangen van een van de partijen, in plaats van een vernietiging wegens misbruik van omstandigheden uit te spreken, ter opheffing van dit nadeel de gevolgen van de rechtshandeling wijzigen. Artikel55 1.De bevoegdheid om ter vernietiging van een rechtshandeling een beroep op een vernietigingsgrond te doen vervalt, wanneer hij aan wie deze bevoegdheid toekomt, de rechtshandeling heeft bevestigd, nadat de verjaringstermijn ter zake van de rechtsvordering tot vernietiging op die grond een aanvang heeft genomen. 2.Eveneens vervalt de bevoegdheid om een beroep op een vernietigingsgrond te doen, wanneer een onmiddellijk belanghebbende na de aanvang van de verjaringstermijn aan hem aan wie deze bevoegdheid toekomt een redelijke termijn heeft gesteld om te kiezen tussen bevestiging en vernietiging en deze binnen deze termijn geen keuze heeft gedaan. Artikel56 Voor de toepassing van de artikelen 50 tot en met 55 gelden mede als partij: in geval van eenzijdige tot een of meer bepaalde personen gerichte rechtshandelingen: die personen; in geval van andere eenzijdige rechtshandelingen: zij die onmiddellijk belanghebbenden zijn bij de instandhouding van die handeling. Artikel57 Behoeft een rechtshandeling om het beoogde gevolg te hebben goedkeuring, machtiging, vergunning of enige andere vorm van toestemming van een overheidsorgaan of van een andere persoon die geen partij bij de rechtshandeling is, dan kan iedere onmiddellijk belanghebbende aan hen die partij bij de rechtshandeling zijn geweest, aanzeggen dat indien niet binnen een redelijke, bij die aanzegging gestelde termijn die toestemming wordt verkregen, de handeling te zijnen aanzien zonder gevolg zal blijven. Artikel58 1.Wanneer eerst na het verrichten van een rechtshandeling een voor haar geldigheid gesteld wettelijk vereiste wordt vervuld, maar alle onmiddellijk belanghebbenden die zich op dit gebrek hadden kunnen beroepen, in de tussen de handeling en de vervulling van het vereiste liggende tijdsruimte de handeling als geldig hebben aangemerkt, is daarmede de rechtshandeling bekrachtigd. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op het geval dat een rechtshandeling nietig is als gevolg van handelingsonbekwaamheid van degene die haar heeft verricht en deze vervolgens handelingsbekwaam wordt. 3.Inmiddels verkregen rechten van derden behoeven aan bekrachtiging niet in de weg te staan, mits zij worden geëerbiedigd. Artikel59 Buiten het vermogensrecht vinden de bepalingen van deze titel overeenkomstige toepassing, voor zover de aard van de rechtshandeling of van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. TITEL3Volmacht Artikel60 1.Volmacht is de bevoegdheid die een volmachtgever verleent aan een ander, de gevolmachtigde, om in zijn naam rechtshandelingen te verrichten. 2.Waar in deze titel van rechtshandeling wordt gesproken, is daaronder het in ontvangst nemen van een verklaring begrepen. Artikel61 1.Een volmacht kan uitdrukkelijk of stilzwijgend worden verleend. 2.Is een rechtshandeling in naam van een ander verricht, dan kan tegen de wederpartij, indien zij op grond van een verklaring of gedraging van die ander heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend, op de onjuistheid van deze veronderstelling geen beroep worden gedaan. 3.Indien een volgens wet of gebruik openbaar gemaakte volmacht beperkingen bevat, die zo ongebruikelijk zijn dat de wederpartij ze daarin niet behoefde te verwachten, kunnen deze haar niet worden tegengeworpen, tenzij zij ze kende. Artikel62 1.Een algemene volmacht strekt zich slechts uit tot daden van beschikking, indien schriftelijk en ondubbelzinnig is bepaald dat zij zich ook tot die daden uitstrekt. Onder algemene volmacht wordt verstaan de volmacht die alle zaken van de volmachtgever en alle rechtshandelingen omvat, met uitzondering van hetgeen ondubbelzinnig is uitgesloten. 2.Een bijzondere volmacht die in algemene bewoordingen is verleend, strekt zich slechts uit tot daden van beschikking, indien dit ondubbelzinnig is bepaald. Niettemin strekt een volmacht die voor een bepaald doel is verleend, zich uit tot alle daden van beheer en van beschikking die dienstig kunnen zijn tot het bereiken van dit doel. Artikel63 1.De omstandigheid dat iemand onbekwaam is tot het verrichten van rechtshandelingen voor zichzelf, maakt hem niet onbekwaam tot het optreden als gevolmachtigde. 2.Wanneer een volmacht door een onbekwaam persoon is verleend, is een krachtens die volmacht door de gevolmachtigde verrichte rechtshandeling op gelijke wijze geldig, nietig of vernietigbaar, als wanneer zij door de onbekwame zelf zou zijn verricht. Artikel64 Tenzij anders is bepaald, is een gevolmachtigde slechts in de navolgende gevallen bevoegd de hem verleende volmacht aan een ander te verlenen: voor zover de bevoegdheid hiertoe uit de aard van de te verrichten rechtshandelingen noodzakelijk voortvloeit of in overeenstemming is met het gebruik; voor zover de verlening van de volmacht aan een andere persoon in het belang van de volmachtgever noodzakelijk is en deze zelf niet in staat is een voorziening te treffen; voor zover de volmacht goederen betreft, die gelegen zijn buiten het land waar de gevolmachtigde zijn woonplaats heeft. Artikel65 Is een volmacht aan twee of meer personen tezamen verleend, dan is ieder van hen bevoegd zelfstandig te handelen, tenzij anders is bepaald. Artikel66 1.Een door de gevolmachtigde binnen de grenzen van zijn bevoegdheid in naam van de volmachtgever verrichte rechtshandeling treft in haar gevolgen de volmachtgever. 2.Voor zover het al of niet aanwezig zijn van een wil of van wilsgebreken, alsmede bekendheid of onbekendheid met feiten van belang zijn voor de geldigheid of de gevolgen van een rechtshandeling, komen ter beoordeling daarvan de volmachtgever of de gevolmachtigde of beiden in aanmerking, al naar gelang het aandeel dat ieder van hen heeft gehad in de totstandkoming van de rechtshandeling en in de bepaling van haar inhoud. Artikel67 1.Hij die een overeenkomst aangaat in naam van een nader te noemen volmachtgever, moet diens naam noemen binnen de door de wet, de overeenkomst of het gebruik bepaalde termijn of, bij gebreke hiervan, binnen een redelijke termijn. 2.Wanneer hij de naam van de volmachtgever niet tijdig noemt, wordt hij geacht de overeenkomst voor zichzelf te hebben aangegaan, tenzij uit de overeenkomst anders voortvloeit. Artikel68 Tenzij anders is bepaald, kan een gevolmachtigde slechts dan als wederpartij van de volmachtgever optreden wanneer de inhoud van de te verrichten rechtshandeling zo nauwkeurig vaststaat, dat strijd tussen beider belangen uitgesloten is. Artikel69 1.Wanneer iemand zonder daartoe bevoegd te zijn als gevolmachtigde in naam van een ander heeft gehandeld, kan laatstgenoemde de rechtshandeling bekrachtigen en haar daardoor hetzelfde gevolg verschaffen als zou zijn ingetreden wanneer zij krachtens een volmacht was verricht. 2.Is voor het verlenen van een volmacht tot de rechtshandeling een bepaalde vorm vereist, dan geldt voor de bekrachtiging hetzelfde vereiste. 3.Een bekrachtiging heeft geen gevolg, indien op het tijdstip waarop zij geschiedt, de wederpartij reeds heeft te kennen gegeven dat zij de handeling wegens het ontbreken van een volmacht als ongeldig beschouwt, tenzij de wederpartij op het tijdstip dat zij handelde heeft begrepen of onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat geen toereikende volmacht was verleend. 4.Een onmiddellijk belanghebbende kan degene in wiens naam gehandeld is, een redelijke termijn voor de bekrachtiging stellen. Hij behoeft niet met een gedeeltelijke of voorwaardelijke bekrachtiging genoegen te nemen. 5.Rechten door de volmachtgever vóór de bekrachtiging aan derden verleend, blijven gehandhaafd. Artikel70 Hij die als gevolmachtigde handelt, staat jegens de wederpartij in voor het bestaan en de omvang van de volmacht, tenzij de wederpartij weet of behoort te begrijpen dat een toereikende volmacht ontbreekt, of de gevolmachtigde de inhoud van de volmacht volledig aan de wederpartij heeft medegedeeld. Artikel71 1.Verklaringen, door een gevolmachtigde afgelegd, kunnen door de wederpartij als ongeldig van de hand worden gewezen, indien zij de gevolmachtigde terstond om bewijs van de volmacht heeft gevraagd en haar niet onverwijld hetzij een geschrift waaruit de volmacht volgt, is overgelegd, hetzij de volmacht door de volmachtgever is bevestigd. 2.Bewijs van volmacht kan niet worden verlangd indien de volmacht door de volmachtgever ter kennis van de wederpartij was gebracht, indien zij op een door wet of gebruik bepaalde wijze was bekendgemaakt of indien zij voortvloeit uit een aanstelling waarmede wederpartij bekend is. Artikel72 Een volmacht eindigt door: de dood, de ondercuratelestelling of het faillissement van de volmachtgever; de dood, de ondercuratelestelling of het faillissement van de gevolmachtigde, tenzij anders is bepaald; herroeping door de volmachtgever; opzegging door de gevolmachtigde. Artikel73 1.Niettegenstaande de dood of de ondercuratelestelling van de volmachtgever blijft de gevolmachtigde bevoegd de rechtshandelingen te verrichten die nodig zijn voor het beheer van een onderneming. 2.Niettegenstaande de dood of de ondercuratelestelling van de volmachtgever blijft de gevolmachtigde bevoegd rechtshandelingen te verrichten die niet zonder nadeel kunnen worden uitgesteld. Hetzelfde geldt indien de gevolmachtigde de volmacht heeft opgezegd. 3.De in het eerste en het tweede lid vermelde bevoegdheid eindigt een jaar na het overlijden, de ondercuratelestelling of de opzegging. Artikel74 1.Voor zover een volmacht strekt tot het verrichten van een rechtshandeling in het belang van de gevolmachtigde of van een derde, kan worden bepaald dat zij onherroepelijk is, of dat zij niet eindigt door de dood of ondercuratelestelling van de volmachtgever. Eerstgenoemde bepaling sluit, tenzij anders blijkt, de tweede in. 2.Bevat de volmacht een bepaling als bedoeld in het eerste lid, dan mag de wederpartij aannemen dat het aldaar voor de geldigheid van die bepaling gestelde vereiste vervuld is, tenzij het tegendeel voor haar duidelijk kenbaar is. 3.Tenzij anders is bepaald, kan de gevolmachtigde een overeenkomstig het eerste lid onherroepelijk verleende volmacht ook buiten de in artikel 64 genoemde gevallen aan een ander verlenen. 4.De rechter in eerste aanleg kan, op verzoek van de volmachtgever of van een erfgenaam of de curator van de volmachtgever, een bepaling als bedoeld in het eerste lid, wegens gewichtige redenen wijzigen of buiten werking stellen. Artikel75 1.Na het einde van de volmacht moet de gevolmachtigde desgevorderd geschriften waaruit de volmacht blijkt, teruggeven of toestaan dat de volmachtgever daarop aantekent dat de volmacht is geëindigd. In geval van een bij notariële akte verleende volmacht tekent de notaris die de minuut onder zijn berusting heeft, op verzoek van de volmachtgever het einde van de volmacht daarop aan. 2.Wanneer te vrezen is dat een gevolmachtigde van een volmacht ondanks haar einde gebruik zal maken, kan de volmachtgever zich wenden tot de rechter in eerste aanleg met het verzoek de wijze van bekendmaking van het einde van de volmacht te bepalen, die tot gevolg zal hebben dat het tegen een ieder kan worden ingeroepen. Tegen een toewijzende beschikking krachtens dit lid is geen hogere voorziening toegelaten. Artikel76 1.Een oorzaak die de volmacht heeft doen eindigen, kan tegenover een wederpartij die noch van het einde van de volmacht, noch van die oorzaak kennis droeg, slechts worden ingeroepen indien: het einde van de volmacht of de oorzaak die haar heeft doen eindigen, aan de wederpartij was medegedeeld of was bekend gemaakt op een wijze die krachtens wet of verkeersopvattingen meebrengt dat de volmachtgever het einde van de volmacht aan de wederpartij kan tegenwerpen; de dood van de volmachtgever van algemene bekendheid was; de aanstelling of tewerkstelling waaruit de volmacht voortvloeide, op een voor derden kenbare wijze was beëindigd; de wederpartij van de volmacht op geen andere wijze had kennis gekregen dan door een verklaring van de gevolmachtigde. 2.In de in het eerste lid bedoelde gevallen is de gevolmachtigde die voortgaat op naam van de volmachtgever te handelen, tot schadevergoeding gehouden jegens de wederpartij die van het einde van de volmacht geen kennis droeg. Hij is niet aansprakelijk indien hij wist noch behoorde te weten dat de volmacht was geëindigd. Artikel77 Wordt ondanks de dood van de volmachtgever krachtens de volmacht een geldige rechtshandeling verricht, dan worden de erfgenamen van de volmachtgever en de wederpartij gebonden alsof de handeling bij het leven van de volmachtgever was verricht. Artikel78 Wanneer iemand optreedt als vertegenwoordiger uit anderen hoofde dan volmacht, zijn de artikelen 63, eerste lid, 66, eerste lid, 67, 69, 70, 71 en 75, tweede lid, van overeenkomstige toepassing, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit. Artikel79 Buiten het vermogensrecht vinden de bepalingen van deze titel overeenkomstige toepassing, voor zover de aard van de rechtshandeling of van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. TITEL4Verkrijging en verlies van goederen AFDELING1Algemene bepalingen Artikel80 1.Men kan goederen onder algemene en onder bijzondere titel verkrijgen. 2.Men verkrijgt goederen onder algemene titel door erfopvolging, door boedelmenging, door fusie als bedoeld in artikel 309 van Boek 2 en door splitsing als bedoeld in artikel 335 van Boek 2, alsmede door opvolging of toetreding als trustee. 3.Men verkrijgt goederen onder bijzondere titel door overdracht, door verjaring en door onteigening en voorts op de overige bij landsverordening voor iedere soort aangegeven wijzen van rechtsverkrijging. 4.Men verliest goederen op de voor iedere soort bij landsverordening aangegeven wijzen. Artikel81 1.Hij aan wie een zelfstandig en overdraagbaar recht toekomt, kan binnen de grenzen van dat recht de in de wet genoemde beperkte rechten vestigen. Hij kan ook zijn recht onder voorbehoud van een zodanig beperkt recht overdragen, mits hij de voorschriften zowel voor overdracht van een zodanig goed, als voor vestiging van een zodanig beperkt recht in acht neemt. 2.Beperkte rechten gaan teniet door: het tenietgaan van het recht waaruit het beperkte recht is afgeleid; verloop van de tijd waarvoor, of de vervulling van de ontbindende voorwaarde waaronder het beperkte recht is gevestigd; afstand; opzegging, indien de bevoegdheid daartoe bij de wet of bij de vestiging van het recht aan de hoofdgerechtigde, aan de beperkt gerechtigde of aan beiden is toegekend; vermenging; en voorts op de overige in de wet voor iedere soort aangegeven wijzen van tenietgaan. 3.Afstand en vermenging werken niet ten nadele van hen die op het tenietgaande beperkte recht op hun beurt een beperkt recht hebben.Vermeninging werkt evenmin ten voordele van hen die op het bezwaarde goed een beperkt recht hebben en het tenietgaande recht moesten eerbiedigen. Artikel82 Afhankelijke rechten volgen het recht waaraan zij verbonden zijn. AFDELING2Overdracht van goederen en afstand van beperkte rechten Artikel83 1.Eigendom, beperkte rechten en vorderingsrechten zijn overdraagbaar, tenzij een landsverordening of de aard van het recht zich tegen een overdracht verzet. 2.De overdraagbaarheid van vorderingsrechten kan ook door een beding tussen schuldeiser en schuldenaar worden uitgesloten. 3.Alle andere rechten zijn slechts overdraagbaar, wanneer een landsverordening dit bepaalt. Artikel84 1.Voor overdracht van een goed wordt vereist een levering krachtens geldige titel, verricht door hem die bevoegd is over het goed te beschikken. 2.Bij de titel moet het goed met voldoende bepaaldheid omschreven zijn. 3.Wordt ter uitvoering van een voorwaardelijke verbintenis geleverd, dan wordt slechts een recht verkregen, dat aan dezelfde voorwaarde als die verbintenis is onderworpen. Artikel85 1.Een verbintenis, strekkende tot overdracht van een goed voor een bepaalde tijd, wordt aangemerkt als een verbintenis tot vestiging van een vruchtgebruik op het goed voor de gestelde tijd. 2.Een verbintenis, strekkende tot overdracht van een goed onder opschortende tijdsbepaling, wordt aangemerkt als een verbintenis tot onmiddellijke overdracht van het goed met gelijktijdige vestiging van een vruchtgebruik van de vervreemder op het goed voor de gestelde tijd. Artikel86 1.Ondanks onbevoegdheid van de vervreemder is een overdracht overeenkomstig artikel 90, 91 of 93 van een roerende zaak, niet-registergoed, of een recht aan toonder of order geldig, indien de overdracht anders dan om niet geschiedt en de verkrijger te goeder trouw is. 2.Rust op een in het eerste lid genoemd goed dat overeenkomstig artikel 90, 91 of 93 anders dan om niet wordt overgedragen, een beperkt recht dat de verkrijger op dit tijdstip kent noch behoort te kennen, dan vervalt dit recht, in het geval van overdracht overeenkomstig artikel 91 onder dezelfde opschortende voorwaarde als waaronder geleverd is. 3.Niettemin kan de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door diefstal heeft verloren, deze gedurende drie jaren, te rekenen van de dag van de diefstal af, als zijn eigendom opeisen, tenzij: de zaak door een natuurlijke persoon die niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelde, is verkregen van een vervreemder die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken anders dan als veilinghouder zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde bedrijfsruimte, zijnde een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan met de bij het een en ander behorende grond, en in de normale uitoefening van dat bedrijf handelde, of het geld dan wel toonder- of orderpapier betreft. 4.Op de in het derde lid bedoelde termijn zijn de artikelen 316, 318 en 319 betreffende stuiting van de verjaring van een rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. Artikel86a 1.Artikel 86 kan niet worden tegengeworpen aan degene die als eigenaar een roerende zaak opeist, die op het tijdstip waarop hij het bezit daarvan verloor, een cultuurgoed was, dat een integrerend deel vormde van een als zodanig aangewezen monument of van een archeologische vindplaats, of dat deel uitmaakte van een openbare collectie als bedoeld in het op 24 juni 1995 te Rome tot stand gekomen Verdrag van Unidroit inzake gestolen of onrechtmatig uitgevoerde cultuurgoederen (Trb. 1996 no. 227). 2.De rechter die een vordering als bedoeld in het eerste lid, toewijst, kent aan de bezitter een naar gelang van de omstandigheden billijke vergoeding toe, indien deze bewijst bij de verkrijging van de zaak de nodige zorgvuldigheid te hebben betracht, tenzij opeising zonder vergoeding bij toepasselijkheid van artikel 86, derde lid, mogelijk zou zijn geweest. 3.De vergoeding omvat in elk geval hetgeen aan de bezitter verschuldigd is krachtens de artikelen 120 en
- Zij wordt bij afgifte van de zaak uitgekeerd. Artikel87 1.Een verkrijger die binnen drie jaren na zijn verkrijging gevraagd wordt wie het goed aan hem vervreemdde, dient onverwijld de gegevens te verschaffen die nodig zijn om deze terug te vinden of die hij ten tijde van zijn verkrijging daartoe voldoende mocht achten. Indien hij niet aan deze verplichting voldoet, kan hij de bescherming die de artikelen 86 en 86a aan een verkrijger te goeder trouw bieden, niet inroepen. 2.Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van geld. Artikel88 Ondanks onbevoegdheid van de vervreemder is een overdracht van een registergoed, van een recht op naam, of van een ander goed waarop artikel 86 niet van toepassing is, geldig, indien de verkrijger te goeder trouw is en de onbevoegdheid voortvloeit uit de ongeldigheid van een vroegere overdracht, die niet het gevolg was van onbevoegdheid van de toenmalige vervreemder. Artikel89 1.De voor overdracht van onroerende zaken vereiste levering geschiedt door een daartoe bestemde, tussen partijen opgemaakte notariële akte, gevolgd door de inschrijving daarvan in de daartoe bestemde openbare registers. Zowel de verkrijger als de vervreemder kan de akte doen inschrijven. 2.De tot levering bestemde akte moet nauwkeurig de titel van overdracht vermelden; bijkomstige bedingen die niet de overdracht betreffen, kunnen in de akte worden weggelaten. 3.Treedt bij een akte van levering iemand als gevolmachtigde van een van de partijen op, dan moet in de akte de volmacht nauwkeurig worden vermeld. 4.Het eerste tot en met derde lid vindt overeenkomstige toepassing op de levering, vereist voor de overdracht van andere registergoederen. Artikel90 1.De levering, vereist voor de overdracht van roerende zaken, nietregistergoederen, die in de macht van de vervreemder zijn, geschiedt door aan de verkrijger het bezit van de zaak te verschaffen. 2.Blijft de zaak na de levering in handen van de vervreemder, dan werkt de levering tegenover een derde die een ouder recht op de zaak heeft, eerst vanaf het tijdstip dat de zaak in handen van de verkrijger is gekomen, tenzij de oudere gerechtigde met vervreemding heeft ingestemd. Artikel91 De levering van zaken als bedoeld in artikel 90, ter uitvoering van een verbintenis tot overdracht onder opschortende voorwaarde, geschiedt door aan de verkrijger de macht over de zaak te verschaffen. Artikel92 1.Heeft een overeenkomst de strekking dat de een zich de eigendom van een zaak die in de macht van de ander wordt gebracht, voorbehoudt totdat een door de ander verschuldigde prestatie is voldaan, dan wordt hij vermoed zich te verbinden tot overdracht van de zaak aan de ander onder opschortende voorwaarde van voldoening van die prestatie. 2.Een voorwaarde als bedoeld in het eerste lid, wordt voor vervuld gehouden, wanneer de vervreemder op enige andere wijze dan door voldoening van de tegenprestatie wordt bevredigd, wanneer de verkrijger van zijn verplichting daartoe wordt bevrijd uit hoofde van artikel 60 van Boek 6, of wanneer de verjaring van de rechtsvordering ter zake van de tegenprestatie is voltooid. Behoudens afwijkend beding, geldt hetzelfde bij afstand van het recht op de tegenprestatie. Artikel93 De levering, vereist voor de overdracht van een recht aan toonder waarvan het toonderpapier in de macht van de vervreemder is, geschiedt door de levering van dit papier op de wijze en met de gevolgen als aangegeven in de artikelen 90, 91 en
- Voor overdracht van een recht aan order, waarvan het orderpapier in de macht van de vervreemder is, geldt hetzelfde, met dien verstande dat voor de levering tevens endossement vereist is. Artikel94 1.Buiten de in artikel 93 geregelde gevallen worden tegen een of meer bepaalde personen uit te oefenen rechten geleverd door een daartoe bestemde akte, en mededeling daarvan aan die personen door de vervreemder of verkrijger. 2.De levering van een tegen een bepaalde, doch op de dag waarop de akte wordt opgemaakt onbekende persoon uit te oefenen recht dat op die dag aan de vervreemder toebehoort, werkt terug tot die dag, indien de mededeling met bekwame spoed wordt gedaan, nadat die persoon bekend is geworden. 3.Deze rechten kunnen ook worden geleverd door een daartoe bestemde akte, zonder mededeling daarvan aan de personen tegen wie die rechten moeten worden uitgeoefend, mits deze rechten op het tijdstip van de levering reeds bestaan of rechtstreeks zullen worden verkregen uit een dan reeds bestaande rechtsverhouding. De levering kan niet worden tegengeworpen aan de personen tegen wie deze rechten moeten worden uitgeoefend dan na mededeling daarvan aan die personen door de vervreemder of de verkrijger. Voor de verkrijger van een recht dat overeenkomstig de eerste zin is geleverd, geldt artikel 88 slechts, indien hij te goeder trouw is op het tijdstip van de in tweede volzin bedoelde mededeling. 4.De personen tegen wie het recht moet worden uitgeoefend, kunnen verlangen dat hun een door de vervreemder gewaarmerkt uittreksel van de akte en haar titel wordt ter hand gesteld. Bedingen die voor deze personen van geen belang zijn, behoeven daarin niet te worden opgenomen. Is van een titel geen akte opgemaakt, dan moet hun de inhoud, voor zover voor hem van belang, schriftelijk worden meegedeeld. Artikel95 Buiten de in de artikelen 89 tot en met 94 geregelde gevallen en behoudens het in de artikelen 96 en 98 bepaalde, worden goederen geleverd door een daartoe bestemde akte. Artikel96 De levering van een aandeel in een goed geschiedt op overeenkomstige wijze en met overeenkomstige gevolgen als is bepaald met betrekking tot levering van dat goed. Artikel97 1.Toekomstige goederen kunnen bij voorbaat worden geleverd, tenzij het verboden is deze tot onderwerp van een overeenkomst te maken of het registergoederen zijn. 2.Een levering bij voorbaat van een toekomstig goed werkt niet tegen iemand die het goed ingevolge een eerdere levering bij voorbaat heeft verkregen. Betreft het een roerende zaak, dan werkt zij jegens deze vanaf het tijdstip dat de zaak in handen van de verkrijger is gekomen. Artikel98 Tenzij een landsverordening anders bepaalt, vindt al hetgeen in deze afdeling omtrent de overdracht van een goed is bepaald, overeenkomstige toepassing op de vestiging, de overdracht en de afstand van een beperkt recht op een zodanig goed. AFDELING3Verkrijging en verlies door verjaring Artikel99 1.Rechten op roerende zaken die niet-registergoederen zijn, en rechten aan toonder of order worden door een bezitter te goeder trouw verkregen door een onafgebroken bezit van drie jaren, andere goederen door een onafgebroken bezit van tien jaren. 2.Het eerste lid geldt niet voor roerende cultuurgoederen die een integrerend deel vormden van een als zodanig aangewezen monument of van een archeologische vindplaats, of die deel uitmaakten van een openbare collectie als bedoeld in het in artikel 86a, eerste lid, genoemde verdrag. Artikel100 Hij die een nalatenschap in bezit heeft genomen, kan die nalatenschap en de daartoe behorende goederen niet eerder door verjaring ten nadele van de rechthebbende verkrijgen dan nadat diens rechtsvordering tot opeising van die nalatenschap is verjaard. Artikel101 Een verjaring begint te lopen met de aanvang van de dag na het begin van het bezit. Artikel102 1.Hij die een ander onder algemene titel in het bezit opvolgt, zet een lopende verjaring voort. 2.Hetzelfde doet de bezitter te goeder trouw die het bezit van een ander anders dan onder algemene titel heeft verkregen. Artikel103 Onvrijwillig bezitsverlies onderbreekt de loop van de verjaring niet, mits het bezit binnen het jaar wordt terugverkregen of een binnen het jaar ingestelde rechtsvordering tot terugverkrijging van het bezit leidt. Artikel104 1.Wanneer de verjaring van de rechtsvordering, strekkende tot beëindiging van het bezit wordt gestuit of verlengd, wordt daarmee de verkrijgende verjaring dienovereenkomstig gestuit of verlengd. 2.In dit artikel en de artikelen 105 en 106 wordt onder verjaring van een rechtsvordering de verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van de uitspraak waarbij de eis is toegewezen, begrepen. Artikel105 1.Hij die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering, strekkende tot beëindiging van het bezit, wordt voltooid, verkrijgt dat goed, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. 2.Heeft iemand vóór dat tijdstip het bezit onvrijwillig verloren, maar het na dat tijdstip,mits binnen het jaar na het bezitsverlies of uit hoofde van een binnen dat jaar ingestelde rechtsvordering, terugverkregen, dan wordt hij als de bezitter op het in het eerste lid aangegeven tijdstip aangemerkt. Artikel106 Wanneer de verjaring van de rechtsvordering van een beperkt gerechtigde tegen de hoofdgerechtigde tot opheffing van een met het beperkte recht strijdige toestand wordt voltooid, gaat het beperkte recht teniet, voor zover de uitoefening daarvan door die toestand is belet. Artikel106a Ten behoeve van een bezitter die wist of behoorde te weten dat een onroerende zaak of een recht waaraan deze is onderworpen toebehoort aan de overheid, is met betrekking tot die zaak of dat recht jegens de overheid verjaring uitgesloten. TITEL5Bezit en houderschap Artikel107 1.Bezit is het houden van een goed voor zichzelf. 2.Bezit is onmiddellijk,wanneer iemand bezit zonder dat een ander het goed voor hem houdt. 3.Bezit is middellijk, wanneer iemand bezit door middel van een ander die het goed voor hem houdt. 4.Houderschap is op overeenkomstige wijze onmiddellijk of middellijk. Artikel108 Of iemand een goed houdt en of hij dit voor zichzelf of voor een ander doet, wordt naar verkeersopvatting beoordeeld, met inachtneming van de navolgende regels en overigens op grond van uiterlijke feiten. Artikel109 Wie een goed houdt, wordt vermoed dit voor zichzelf te houden. Artikel110 Bestaat tussen twee personen een rechtsverhouding die de strekking heeft dat hetgeen de ene op bepaalde wijze zal verkrijgen, door hem voor de ander zal worden gehouden, dan houdt de ene het ter uitvoering van die rechtsverhouding door hem verkregene voor de ander. Artikel111 Wanneer men heeft aangevangen krachtens een rechtsverhouding voor een ander te houden, gaat men daarmee onder dezelfde titel voort, zolang niet blijkt dat hierin verandering is gebracht, hetzij ten gevolge van een handeling van hem voor wie men houdt, hetzij ten gevolge van een tegenspraak van diens recht. Artikel112 Bezit wordt verkregen door inbezitneming, door overdracht of door opvolging onder algemene titel. Artikel113 1.Men neemt een goed in bezit door zich daarover de feitelijke macht te verschaffen. 2.Wanneer een goed in het bezit van een ander is, zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen voor een inbezitneming onvoldoende. Artikel114 Een bezitter draagt zijn bezit over door de verkrijger in staat te stellen die macht uit te oefenen die hij zelf over het goed kon uitoefenen. Artikel115 Voor de overdracht van het bezit is een tweezijdige verklaring zonder feitelijke handeling voldoende wanneer: de vervreemder de zaak bezit en hij haar krachtens een bij de levering gemaakt beding voortaan voor de verkrijger houdt; de verkrijger houder van de zaak voor de vervreemder was; een derde voor de vervreemder de zaak hield, en haar na de overdracht voor de ontvanger houdt. In het onder c bedoelde geval gaat het bezit niet over voordat de derde de overdracht heeft erkend, dan wel de vervreemder of de verkrijger de overdracht aan hem heeft meegedeeld. Artikel116 Hij die onder een algemene titel een ander opvolgt, volgt daarmee die ander op in diens bezit en houderschap, met alle hoedanigheden en gebreken daarvan. Artikel117 1.Een bezitter van een goed verliest het bezit, wanneer hij het goed kennelijk prijsgeeft, of wanneer een ander het bezit van het goed verkrijgt. 2.Zolang niet een van de in het eerste lid genoemde gronden van bezitsverlies zich heeft voorgedaan, duurt een aangevangen bezit voort. Artikel118 1.Een bezitter is te goeder trouw, wanneer hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijs als zodanig mocht beschouwen. 2.Is een bezitter eenmaal te goeder trouw, dan wordt hij geacht dit te blijven. 3.Goede trouw wordt vermoed aanwezig te zijn; het ontbreken van goede trouw moet worden bewezen. Artikel119 1.De bezitter van een goed wordt vermoed rechthebbende te zijn. 2.Ten aanzien van registergoederen wijkt dit vermoeden, wanneer komt vast te staan dat de wederpartij of diens rechtsvoorganger te eniger tijd rechthebbende was en dat de bezitter zich niet kan beroepen op verkrijging nadien onder bijzondere titel waarvoor inschrijving in de registers vereist is. Artikel120 1.Aan een bezitter te goeder trouw behoren de afgescheiden natuurlijke en de opeisbaar geworden burgerlijke vruchten toe. 2.De rechthebbende op een goed, die dit opeist van een bezitter te goeder trouw of die het van deze heeft terugontvangen, is verplicht de ten behoeve van het goed gemaakte kosten alsmede de schade waarvoor de bezitter op grond van titel 3 van Boek 6 uit hoofde van zijn bezit jegens derden aansprakelijk mocht zijn, aan deze te vergoeden, voor zover de bezitter niet door de vruchten van het goed en de overige voordelen die hij ter zake heeft genoten, voor het een en ander is schadeloos gesteld. De rechter kan de verschuldigde vergoeding beperken, indien volledige vergoeding zou leiden tot onbillijke bevoordeling van de bezitter jegens de rechthebbende. 3.Zolang een bezitter te goeder trouw de hem verschuldigde vergoeding niet heeft ontvangen, is hij bevoegd de afgifte van het goed op te schorten. 4.Het eerste tot en met derde lid is ook van toepassing op hem die meent en mocht menen dat hij het bezit rechtmatig heeft verkregen, ook al weet hij dat de handelingen die voor de levering van het recht nodig zijn, niet hebben plaatsgevonden. Artikel121 1.Een bezitter die niet te goeder trouw is, is jegens de rechthebbende behalve tot afgifte van het goed ook verplicht tot het afgeven van de afgescheiden natuurlijke en de opeisbaar geworden burgerlijke vruchten, onverminderd zijn aansprakelijkheid op grond van titel 3 van Boek 6 voor door de rechthebbende geleden schade. 2.Hij heeft tegen de rechthebbende alleen een vordering tot vergoeding van de kosten die hij ten behoeve van het goed of tot winning van de vruchten heeft gemaakt, voor zover hij deze vergoeding van de rechthebbende kan vorderen op grond van het bepaalde omtrent ongerechtvaardigde verrijking. 3.Het eerste en tweede lid is ook op de bezitter te goeder trouw van toepassing vanaf het tijdstip waarop de rechthebbende zijn recht tegen hem heeft ingeroepen. Artikel122 Indien de rechthebbende ter bevrijding van de door hem ingevolge de artikelen 120 en 121 verschuldigde vergoedingen op zijn kosten het goed aan de bezitter wil overdragen, is de bezitter gehouden hieraan mee te werken. Artikel123 Heeft de bezitter van een zaak daaraan veranderingen of toevoegingen aangebracht, dan is hij bevoegd om, in plaats van de hem op grond van de artikelen 120 en 121 daarvoor toekomende vergoeding te vorderen, deze veranderingen of toevoegingen weg te nemen, mits hij de zaak in de oude toestand terugbrengt. Artikel124 Wanneer iemand een goed voor een ander houdt en dit door een derde als rechthebbende van hem wordt opgeëist, vindt hetgeen in de artikelen 120 tot en met 123 omtrent de bezitter is bepaald, te zijnen aanzien toepassing met inachtneming van de rechtsverhouding waarin hij tot die ander stond. Artikel125 1.Hij die het bezit van een goed heeft verkregen, kan op grond van een daarna ingetreden bezitsverlies of bezitsstoornis tegen derden dezelfde rechtsvorderingen instellen tot terugverkrijging van het goed en tot opheffing van de stoornis, die de rechthebbende op het goed toekomen. Nochtans moeten deze rechtsvorderingen binnen het jaar na het verlies of de stoornis worden ingesteld. 2.De vordering wordt afgewezen, indien de opgeroepene een beter recht dan de eiser heeft tot het houden van het goed of de storende handelingen krachtens een beter recht heeft verricht, tenzij de opgeroepene met geweld of op heimelijke wijze aan de eiser het bezit heeft ontnomen of diens bezit heeft gestoord. 3.Dit artikel laat voor de bezitter, ook nadat het in het eerste lid bedoelde jaar is verstreken, en voor de houder onverlet de mogelijkheid een vordering op grond van onrechtmatige daad in te stellen, indien daartoe gronden zijn. Titel6Trust Afdeling1Algemene bepalingen Artikel126 Deze titel laat onverlet hetgeen bepaald is in de Landsverordening toezicht trustwezen. Artikel127 1.Voor de toepassing van deze titel heeft de term trust het oog op de rechtsbetrekkingen die bij rechtshandeling onder de levenden of ter zake des doods in het leven worden geroepen door een persoon, de insteller, wanneer een trustee rechthebbende op goederen is of wordt ten behoeve van een begunstigde of voor een bepaald doel. 2.Een trust heeft de volgende kenmerken: de goederen van de trust, hierna te noemen het trustvermogen, vormen een afgescheiden vermogen en zijn geen deel van het vermogen van de trustee; de trustee is rechthebbende op het trustvermogen; de trustee heeft de bevoegdheid en de plicht, ter zake waarvan hij rekening en verantwoording schuldig is, om het trustvermogen te besturen. 3.Het is niet noodzakelijkerwijs onverenigbaar met het bestaan van een trust dat de insteller zich bepaalde rechten en bevoegdheden heeft voorbehouden of dat de trustee bepaalde rechten als begunstigde heeft. 4.Op de verkrijging door de trustee van het trustvermogen, anders dan door opvolging of toetreding als bedoeld in artikel 145, eerste lid, is afdeling 2 van titel 4 van toepassing. Dit geldt ook indien de insteller de trustee zal zijn. Artikel128 Een rechtshandeling waarbij de trustee goederen heeft verkregen, met inbegrip van een verklaring van de insteller waarbij deze zelf trustee wordt ten aanzien van de goederen, kan slechts door een rechterlijke uitspraak worden vernietigd. Artikel129 1.Waar in deze titel wordt gesproken van een notariële akte, wordt daaronder verstaan een akte verleden door of ten overstaan van een Sint Maartense notaris. Een volmacht tot medewerking aan de akte moet schriftelijk zijn verleend. 2.De akte wordt verleden in de taal die de insteller kiest, mits de notaris deze taal verstaat. Is de taal een andere dan het Papiaments of de Nederlandse, Engelse of Spaanse taal, dan wordt een door een beëdigd vertaler ondertekende Nederlandse vertaling aan de akte gehecht. Afdeling2Instelling van de trust Artikel130 1.De instelling van de trust geschiedt bij notariële akte, een uiterste wil bij notariële akte daaronder begrepen. 2.Een trust ontstaat niet bij het ontbreken van een door de notaris ondertekende akte. Het ontbreken van kracht van authenticiteit aan een door een notaris ondertekende akte verhindert het ontstaan van de trust niet, tenzij het gaat om een uiterste wilsbeschikking. 3.De trustakte bevat de trustbepalingen, die tenminste inhouden: de aanwijzing van een begunstigde of een bepaald doel; de benoeming van tenminste één binnen Sint Maarten wonende of gevestigde trustee en de aanvaarding van die benoeming; een voorziening ter verzekering dat niet een binnen Sint Maarten wonende of gevestigde trustee komt te ontbreken; de omschrijving van het trustvermogen; de benaming van de trust, met het woord trust als onderdeel daarvan. 4.De Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten kan ontheffing verlenen van het in het derde lid, onderdelen b en c, besloten voorschrift. De Bank kan aan de ontheffing voorwaarden verbinden. 5.Het doel mag niet in strijd zijn met dwingende wetsbepalingen, de goede zeden of de openbare orde. Artikel131 Indien aan een trust gebreken kleven, kan de rechter in eerste aanleg, op verzoek van de insteller, een andere belanghebbende of het openbaar ministerie, de als trustee fungerende persoon veroordelen tot het verrichten van hetgeen nodig is voor de geldige instelling van de trust, daaronder begrepen de aanpassing van de trustakte. Artikel132 1.Wijziging van de trustbepalingen en herroeping van de trust zijn slechts mogelijk onder de omstandigheden vermeld en door een persoon daartoe aangewezen in de trustakte. 2.Zodanige wijziging of herroeping geschiedt bij notariële akte. Artikel133 1.Indien door onvoorziene omstandigheden aan de kennelijke bedoeling van de insteller in een naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbare mate afbreuk wordt gedaan, kan de rechter in eerste aanleg, op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie, de trustbepalingen buiten toepassing laten of deze wijzigen. Aan een wijziging kan geheel of gedeeltelijk terugwerkende kracht worden verleend. 2.Nadat een beschikking waarbij de trustbepalingen zijn gewijzigd in kracht van gewijsde is gegaan, zendt de griffier van het college waar de procedure laatstelijk aanhangig was, een afschrift van de beschikking aan de Kamer van Koophandel, ter inschrijving in het handelsregister van de datum van de beschikking en, voorzover vereist, van de gewijzigde gegevens. Afdeling3De trustee Artikel134 1.Zowel handelingsbekwame natuurlijke personen als rechtspersonen kunnen rechtsgeldig als trustee fungeren. 2.De insteller kan trustee zijn. 3.De trustee kan niet de enige begunstigde zijn. 4.De trustee kan evenmin protector zijn als bedoeld in afdeling
- Een protector die een benoeming tot trustee aanvaardt houdt op protector te zijn. Artikel135 1.De trustee is verplicht het trustvermogen in overeenstemming met de wet en de bepalingen van de trustakte te besturen en zijn bevoegdheden in overeenstemming met de aard van het trustvermogen en met de zorgvuldigheid die uit zijn vertrouwenspositie voortvloeit uit te oefenen. 2.De trustee is verplicht het trustvermogen te verzekeren tegen gevaren waartegen het gebruikelijk is een verzekering te sluiten. In ieder geval is de trustee, indien een gebouw tot het trustvermogen behoort, verplicht dit tegen brand te verzekeren. Artikel136 1.Met betrekking tot een tot het trustvermogen behorend goed ter zake waarvan inschrijvingen kunnen plaatsvinden in een ingevolge de wet gehouden register, kan de trustee verlangen dat een inschrijving geschiedt op zijn naam en in zijn hoedanigheid van trustee, of op een zodanige andere wijze dat van het bestaan van de trust blijkt. 2.Tenzij in de trustakte anders is bepaald, moet de trustee het bestaan van het trustverband doen inschrijven: in de openbare registers, bedoeld in titel 1, afdeling 2, voor zover het trustvermogen bestaat uit registergoederen; in het register van aandeelhouders, voor zover het trustvermogen bestaat uit aandelen op naam in een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap; in het handelsregister, voor zover het trustvermogen bestaat uit een onderneming of een aandeel van een volledig aansprakelijke vennoot in een openbare vennootschap. 3.Tenzij in de trustakte anders is bepaald of zulks naar verkeersopvattingen niet van de trustee kan worden gevergd, dan wel naar het toepasselijke recht onmogelijk of verboden is, moet de trustee aan zijn wederpartij kenbaar maken dat hij handelt in zijn hoedanigheid van trustee. Is aan de wederpartij kenbaar dat de trustee handelt in zijn hoedanigheid, dan is geen verhaal mogelijk op het niet aan de trust onderworpen vermogen van de trustee, tenzij de trustee de verplichtingen die voor hem uit de trust voortvloeien heeft geschonden. Artikel137 1.De trustee is verplicht het trustvermogen afgescheiden te houden van een ander trustvermogen en van zijn niet aan een trust onderworpen vermogen. 2.De trustee is verplicht binnen Sint Maarten van elk trustvermogen een zodanige afzonderlijke administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren dat te allen tijde de samenstelling, de inkomsten en uitgaven van elk trustvermogen uit de administratie zijn vast te stellen. De administratie van beleggingstrusts kan ook buiten Sint Maarten worden gevoerd. 3.Tenzij in de trustakte anders is bepaald, is de trustee verplicht jaarlijks, alsmede bij het einde van de trust, aan de begunstigde rekening en verantwoording af te leggen over zijn bestuur. Daarbij wordt uitdrukkelijk melding gemaakt van rechtshandelingen waarbij een trustee of protector een tegenstrijdig eigen belang had. 4.De trustee is verplicht op verzoek van het openbaar ministerie inlichtingen te verschaffen die nodig zijn voor de uitoefening van diens uit deze titel voortvloeiende taken. Artikel137a Bestaat de trust ten behoeve van een of meer begunstigden, dan houdt de trustee zich op de hoogte van de namen en adressen van alle begunstigden en wat hun toekomt Artikel138 Indien meerdere trustees in functie zijn, richten hun bevoegdheden zich naar hetgeen in titel 7 voor deelgenoten is bepaald, tenzij uit de trustakte anders voortvloeit Artikel139 1.De trustee is onder meer bevoegd tot: vervreemding, belegging en herbelegging van het trustvermogen; uitkering van het zuiver inkomen of accumulatie voor ten hoogste vijf jaren; beëindiging of opschorting van uitkeringen ter voorziening in de kosten van levensonderhoud en studie, voorzover die uitkeringen feitelijk voor een ander doel gebruikt worden; beëindiging van uitkeringen indien een begunstigde, in strijd met een daartoe strekkend verbod in de trustakte, zijn belang in de trust heeft vervreemd, bezwaard of belast; het op verzoek van de insteller, de protector of derden doen van uitkeringen aan niet in de trustakte genoemde personen of ten behoeve van niet in de trustakte genoemde doelen, mits deze uitkeringen niet onverenigbaar zijn met de trustbepalingen; raadpleging van adviseurs in verband met de uitoefening van zijn taak. 2.Het verlenen van een volmacht is slechts toegestaan in de vorm van een bijzondere volmacht van beperkte duur. 3.Rechtshandelingen met betrekking tot het trustvermogen waarbij een trustee een tegenstrijdig belang heeft, kunnen slechts worden aangegaan met medewerking van alle overige trustees en met toestemming van alle protectors. Bij ontbreken van een protector is toestemming van de rechter in eerste aanleg vereist. Wordt de in de eerste volzin bedoelde medewerking of toestemming zonder redelijke grond geweigerd of verklaart men zich niet, dan kan de medewerking of toestemming, op verzoek van de trustee, worden vervangen door een machtiging van de rechter in eerste aanleg. 4.In de trustakte kan van het eerste tot en met derde lid worden afgeweken. Artikel140 1.In de trustakte kan de beschikkingsbevoegdheid van de trustee met betrekking tot het trustvermogen of bepaalde tot het trustvermogen behorende goederen worden beperkt. Een zodanige bepaling staat aan executie door schuldeisers niet in de weg. Indien in de trustakte is bepaald dat beschikking niet zonder toestemming van één of meer in de trustakte genoemde personen kan geschieden en die personen de vereiste toestemming zonder redelijke grond weigeren of zich niet verklaren, kan de toestemming op verzoek van de trustee worden vervangen door een machtiging van de rechter in eerste aanleg. 2.De in het eerste lid bedoelde beschikkingsonbevoegdheid kan slechts worden tegengeworpen aan een verkrijger die haar kende. 3.De beschikkingsonbevoegdheid kan ook worden tegengeworpen aan een verkrijger die haar niet kende, maar die om niet verkreeg, tenzij en voor zover deze aantoont dat hij ten tijde dat de beschikkingsonbevoegdheid hem bekend werd, door de verkrijging niet gebaat was. 4.Bekendheid met het bestaan van het trustverband impliceert bekendheid met de beschikkingsonbevoegdheid indien deze is ingeschreven in het handelsregister, tenzij de beschikkingsonbevoegdheid zo ongebruikelijk is dat de verkrijger haar daarin niet behoefde te verwachten. 5.Met betrekking tot registergoederen impliceert inschrijving van het trustverband in de openbare registers, bedoeld in titel 1, afdeling 2, bekendheid met het bestaan van het trustverband. Artikel141 Een trustee kan als zodanig in rechte optreden en verschijnen voor een notaris of voor enig persoon die handelt in de uitoefening van een openbare functie. Artikel142 Tenzij de beloning van de trustee in de trustakte anders is geregeld, komt aan de truTenzij de beloning van de trustee in de trustakte anders is geregeld, komt aan de trustee of de gezamenlijke trustees vijf procent van het zuiver inkomen uit het trustvermogen toe, met een minimum van NAF. 1.000, per jaar. Dit minimum kan bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden gewijzigd telkens wanneer de prijsontwikkeling daartoe aanleiding geeft. Artikel143 1.De trustee is aansprakelijk, indien hij in de zorg van een goed trustee tekortschiet, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend. 2.Indien meer dan één trustee in functie is, is elk hunner hoofdelijk aansprakelijk. Niet aansprakelijk is evenwel de trustee die bewijst dat het desbetreffende feit aan hem niet te wijten is en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden. 3.Aansprakelijkheid voor schade ten gevolge van opzet of bewuste roekeloosheid kan noch in de trustakte, noch op enige andere wijze worden beperkt of uitgesloten. 4.Indien het trustvermogen is benadeeld, kan de vordering worden ingesteld door elke mede-trustee. De vordering kan, tenzij in de trustakte anders is bepaald, ook worden ingesteld door een protector of begunstigde, met dien verstande dat de schadevergoeding zo spoedig mogelijk wordt afgedragen aan een trustee, die niet is de trustee die zijn verplichtingen heeft geschonden. Artikel144 1.Voor zover in de trustakte niet anders is bepaald, kan de trustee zijn taak slechts neerleggen zonder dat zulks onnodige schade voor de begunstigde of het trustvermogen veroorzaakt. 2.De trustee kan door de protector of, op verzoek van in de trustakte daartoe aangewezen personen of het openbaar ministerie, door de rechter in eerste aanleg worden geschorst. 3.Indien in geval van schorsing niet binnen vier weken wordt overgegaan tot het instellen van een onderzoek naar de omstandigheden die tot de schorsing hebben geleid, vervalt de schorsing. 4.Op verzoek van de protector, het openbaar ministerie of, tenzij in de trustakte anders is bepaald, de insteller of begunstigde, dan wel andere in de trustakte daartoe aangewezen personen kan de trustee door de rechter in eerste aanleg worden ontslagen. 5.In de trustakte kan worden bepaald dat de insteller of de protector naar eigen goeddunken de trustee kan ontslaan en al dan niet vervangen 6.De trustee verliest voorts zijn hoedanigheid van trustee door zijn dood, zijn faillietverklaring, zijn ondercuratelestelling of door de instelling van een bewind, bedoeld in titel 19 van Boek 1, over één of meer van zijn goederen, dan wel, rechtspersoon zijnde, door een besluit tot ontbinding. 7.Indien, ondanks de voorziening ter zake in de trustakte, een binnen Sint Maarten wonende of gevestigde trustee komt te ontbreken, benoemt de rechter in eerste aanleg deze, op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie, dan wel ambtshalve. Artikel145 1.Een opvolgende of toetredende trustee verkrijgt van rechtswege het trustvermogen of een aandeel daarin onder algemene titel. Ontbrak op enig moment een trustee, dan wordt de opvolgende trustee geacht rechthebbende te zijn vanaf het tijdstip van defungeren van de laatste trustee. 2.Voorzover tot het trustvermogen goederen behoren, ten aanzien waarvan in enig register of bij enige autoriteit gegevens zijn vastgelegd, is de opvolgende trustee verplicht, onverwijld van de rechtsovergang te doen blijken. 3.Een opvolgende trustee is verplicht tot openbaarmaking van de op hem betrekking hebbende gegevens, voorzover zulks vereist is en niet op grond van artikel 161 mocht zijn geschied Artikel146 1.De defungerende trustee is verplicht aan de opvolgende trustee rekening en verantwoording af te leggen, alsmede aan hem de op het trustvermogen betrekking hebbende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers af te geven. 2.De defungerende trustee is voorts verplicht tot het afgeven aan de opvolgende trustee van volmachten, verklaringen, titelbewijzen en documenten die in enig rechtstelsel verband houden met de rechtsovergang. Voorzover de defungerende trustee zelf daarbij belang behoudt, is hij slechts verplicht om aan de opvolgende trustee op diens verlangen en op dienst kosten een afschrift of uittreksel af te geven. 3.Ingeval van overlijden van een trustee rusten de in het eerste en tweede lid genoemde verplichtingen op diens erfgenamen. Ingeval ten aanzien van een trustee, rechtspersoon zijnde, een besluit tot ontbinding is genomen, rusten die verplichtingen op degene die met de vereffening is belast. Afdeling4De Protector Artikel147 1.In de trustakte kan worden bepaald dat, en onder welke voorwaarden, er één of meer protectors zullen zijn. 2.Indien benoeming van een protector mogelijk is, dient tevens te worden bepaald wie tot benoeming bevoegd is. 3.Benoeming van een protector door een trustee is nietig. Een voordracht tot benoeming van een protector door een trustee is niet bindend. Artikel148 1.Zowel handelingsbekwame natuurlijke personen als rechtspersonen kunnen als protector fungeren. 2.De protector kan niet de enige begunstigde zijn. 3.De protector kan evenmin trustee zijn. Een trustee die een benoeming tot protector aanvaardt houdt op trustee te zijn. Een trustee kan geen benoeming tot protector aanvaarden indien daardoor een binnen Sint Maarten wonende of gevestigde trustee zou komen te ontbreken. Artikel149 1.De protector is verplicht, met de zorgvuldigheid die uit de vertrouwenspositie van protector voortvloeit, de trustee met raad terzijde te staan, toezicht te houden op de trustee en zonodig over te gaan tot schorsing van de trustee of tot het nemen van andere in de trustakte omschreven maatregelen. 2.De protector is verplicht zodanige andere taken te verrichten als hem bij zijn benoeming mochten zijn toevertrouwd, welke taken echter, afgezien van het verlenen of onthouden van zijn goedkeuring of toestemming, niet mogen inhouden de bevoegdheid tot het nemen van beslissingen die naar hun aard binnen de bevoegdheid van de trustee vallen. 3.Voorzover in de trustakte niet anders is bepaald, is de protector verplicht bij zijn aftreden een opvolger te benoemen. Artikel150 1.Voorzover in de trustakte niet anders is bepaald, dient, indien meerdere protectors in functie zijn, een vereiste toestemming of medewerking verleend te worden door de meerderheid van de protectors, waarbij zoveel protectors als in de omstandigheden redelijkerwijs mogelijk in de besluitvorming zijn betrokken. 2.Voorzover in de trustakte niet anders is bepaald, kan de protector in verband met de uitoefening van zijn taak adviseurs raadplegen. 3.Het verlenen van een volmacht is slechts mogelijk aan een mede-protector, in de vorm van een bijzondere volmacht van beperkte duur. 4.Voorzover in de trustakte niet anders is bepaald, geldt de protector als belanghebbende in de zin van deze titel. 5.Voorzover in de trustakte niet anders is bepaald, kunnen rechtshandelingen met betrekking tot het trustvermogen waarbij een protector een tegenstrijdig belang heeft, slechts worden aangegaan met medewerking van alle trustees en met toestemming van alle overige protectors. Wordt de in de eerste volzin bedoelde medewerking of toestemming zonder redelijke grond geweigerd of verklaart men zich niet, dan kan de medewerking of toestemming, op verzoek van een trustee, worden vervangen door een machtiging van de rechter in eerste aanleg. Artikel151 1.De protector is aansprakelijk, indien hij in de zorg van een goed protector tekortschiet, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend. 2.Indien meer dan één protector in functie is, is elk hunner hoofdelijk aansprakelijk. Niet aansprakelijk is evenwel de protector die bewijst, dat het desbetreffende feit aan hem niet te wijten is en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden. 3.Aansprakelijkheid voor schade ten gevolge van opzet of bewuste roekeloosheid kan noch in de trustakte, noch op enige andere wijze worden beperkt of uitgesloten. 4.Indien het trustvermogen is benadeeld, kan de vordering worden ingesteld door elke trustee. De vordering kan, tenzij in de trustakte anders is bepaald, ook worden ingesteld door een mede-protector of begunstigde, met dien verstande dat de schadevergoeding zo spoedig mogelijk wordt afgedragen aan de trustee of trustees. Artikel152 1.Voor zover in de trustakte niet anders is bepaald, kan de protector zijn taak slechts neerleggen zonder dat zulks onnodige schade voor de begunstigde of het trustvermogen veroorzaakt. 2.Op verzoek van een mede-protector, het openbaar ministerie of, tenzij in de trustakte anders is bepaald, de insteller of begunstigde, dan wel andere in de trustakte daartoe aangewezen personen kan een protector door de rechter in eerste aanleg worden ontslagen. 3.In de trustakte kan worden bepaald dat de insteller naar eigen goeddunken de protector kan ontslaan en al dan niet vervangen en dat deze bevoegdheid na de dood van de insteller overgaat op een andere aangewezen persoon. 4.De protector verliest voorts zijn hoedanigheid van protector door zijn dood, zijn faillietverklaring, zijn ondercuratelestelling of door de instelling van een bewind, bedoeld in titel 19 van Boek 1, over één of meer van zijn goederen, dan wel, rechtspersoon zijnde, door een besluit tot ontbinding. 5.Ingeval een afgetreden of overleden protector heeft nagelaten een opvolger te benoemen, zal bij gebreke van voorziening in de trustakte, de nog in functie zijnde protector een opvolgende protector benoemen. Indien geen andere protector in functie is, zal de rechter in eerste aanleg, op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie, dan wel ambtshalve, een opvolgende protector benoemen. Afdeling5De begunstigste Artikel153 1.Nog niet bestaande natuurlijke personen of rechtspersonen, mits voldoende bepaalbaar, kunnen ook begunstigde zijn. 2.De insteller kan zichzelf als begunstigde aanwijzen. 3.Is de aanwijzing van de begunstigde onherroepelijk en jegens de begunstigde om niet, dan geldt zij als aanvaard, indien zij ter kennis van de begunstigde is gekomen en door deze niet onverwijld is afgewezen. Artikel154 1.Voorzover in de trustakte niet anders is bepaald of door de trustee niet tot accumulatie is besloten, komt jaarlijks het zuiver inkomen uit het trustvermogen toe aan de begunstigde of het bepaalde doel. 2.Voorzover in de trustakte niet anders is bepaald, is de begunstigde bevoegd om over zijn rechten en bevoegdheden in de trust te beschikken, onverminderd het derde lid. De trustee geldt als degene tegen wie de desbetreffende rechten en bevoegdheden worden uitgeoefend. 3.Voorzover in de trustakte niet anders is bepaald, kunnen uitkeringen ter voorziening in de kosten van levensonderhoud en studie niet feitelijk gebruikt worden voor betaling van schulden die geen verband houden met het doel waarvoor deze gedaan zijn en is de begunstigde niet bevoegd over het recht op die uitkeringen te beschikken. 4.Voorzover in de trustakte niet anders is bepaald, is elke begunstigde afzonderlijk bevoegd jaarlijks naar aanleiding van de afgelegde rekening en verantwoording, voor eigen rekening een onderzoek in te stellen, overlegging te verlangen van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, zich de tot het trustvermogen behorende waarden te doen tonen en de op het trustvermogen betrekking hebbende administratie te onderzoeken. Hij kan zich bij de uitoefening van deze bevoegdheden doen bijstaan door een deskundige. 5.Indien uit dit onderzoek blijkt dat de afgelegde rekening en verantwoording belangrijke onjuistheden bevat of ten aanzien van belangrijke aspecten kennelijk onvolledig is, komen de redelijk gemaakte kosten van dit onderzoek voor rekening van de trustee in zijn niet aan de trust onderworpen vermogen. Afdeling6Het trustvermogen Artikel155 1.Het trustvermogen is afgescheiden van het niet aan een trust onderworpen vermogen van de trustee en andere trustvermogens. Het trustvermogen strekt niet tot verhaal van de persoonlijke schulden van de trustee, maakt geen deel uit van het niet aan een trust onderworpen vermogen van de trustee in geval van diens insolventie of faillissement en maakt geen deel uit van enige huwelijksgoederengemeenschap waarin de trustee gehuwd mocht zijn, noch van zijn nalatenschap. 2.Het trustvermogen wordt gevormd door alle goederen waarop de trustee rechthebbende is. 3.Tenzij in de trustakte of bij de verkrijging door de trustee anders is bepaald, omvat het trustvermogen ook de goederen die geacht moeten worden in de plaats van een tot het trustvermogen behorend goed te treden, vorderingen tot vergoeding van schade daaronder begrepen, benevens de vruchten en andere voordelen die zulk een goed oplevert, zolang de vruchten niet zijn aangewend ten behoeve van de begunstigde of het bepaalde doel. Artikel156 1.Indien de trustee tot het trustvermogen behorende goederen ten onrechte niet afgescheiden heeft gehouden, kan elke mede-trustee vorderen dat de goederen alsnog worden afgescheiden en aan hem worden afgestaan. 2.Onverminderd de bescherming van derden, kunnen tot het trustvermogen behorende goederen door de trustee of een mede-trustee worden teruggevorderd in gevallen waarin de trustee deze, met schending van de verplichtingen die voor hem uit de trust voortvloeien, heeft vervreemd. Dit lid is van overeenkomstige toepassing op bezwaringen en ingebruikgevingen van tot het trustvermogen behorende goederen. 3.De bevoegdheden van het eerste en tweede lid komen, tenzij in de trustakte anders is bepaald, ook toe aan een protector of begunstigde, met dien verstande dat de goederen zo spoedig mogelijk worden afgedragen aan een trustee, die niet is de trustee die zijn verplichtingen heeft geschonden. 4.Artikel 155, derde lid, is van overeenkomstige toepassing. Artikel157 1.Voorzover in de trustakte niet anders is bepaald, komen uitgaven die door de trustee en andere bevoegde personen bevoegdelijk zijn gedaan, alsmede de aan de trustee toekomende beloning, in de eerste plaats ten laste van het zuiver inkomen uit het trustvermogen en vervolgens van het trustvermogen. 2.Voorzover in de trustakte niet anders is bepaald dient, voor de toepassing van deze titel onder zuiver inkomen te worden verstaan de algebraïsche som van hetgeen in geld of geldswaarde zuiver genoten wordt als opbrengst van onroerende zaken en de rechten waaraan deze zijn onderworpen, roerend kapitaal en rechten op periodieke uitkeringen als bedoeld in de Landsverordening op de inkomstenbelasting
- Artikel158 1.De trust eindigt: door de vervulling van een in de trustakte opgenomen ontbindende voorwaarde, door het bereiken van het doel waarvoor de trust in het leven is geroepen zonder dat de trustakte daarvoor een voorziening bevat of door het verloop van de tijd waarvoor de trust is ingesteld; bij het geheel ontbreken van trustvermogen, indien niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd verandering komt; indien er geen begunstigden meer zijn of deze allen schriftelijk afstand van hun aanspraken hebben gedaan; zodra de enige trustee de enige begunstigde wordt; of door ontbinding van de trust door de rechter in eerste aanleg, op verzoek van het openbaar ministerie, op de grond dat aan de trust gebreken kleven of in het belang van de openbare orde. 2.Nadat een rechterlijke beschikking waarbij de trust is ontbonden in kracht van gewijsde is gegaan, zendt de griffier van het college waar de procedure laatstelijk aanhangig was, een afschrift van de beschikking aan de Kamer van Koophandel ter inschrijving van de ontbinding in het handelsregister. 3.De rechter kan in de in het tweede lid bedoelde beschikking op verzoek van een belanghebbende dan wel ambtshalve een vereffenaar benoemen. Artikel160 In de in artikel 159, onderdelen a, c en e, vermelde gevallen draagt de trustee bij zijn eindrekening en verantwoording alle tot het trustvermogen behorende goederen, overeenkomstig de voor elk van die goederen geldende regelen, over aan degene, die daartoe in de trustakte is aangewezen en bij gebreke van zodanige aanwijzing, aan de insteller of zijn rechtsopvolgers onder algemene titel. Ingeval ook deze ontbreken, dient de eindrekening en verantwoording te worden afgelegd aan de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten en dienen de overblijvende goederen te worden verkocht, met afdracht van de opbrengst daarvan aan het Land. Afdeling8Openbaarmaking van de trust Artikel161 1.De notaris te wiens overstaan de trustakte is verleden, is verplicht de trust in te schrijven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. De inschrijving vindt plaats overeenkomstig de bepalingen inzake de inschrijving van een trust in het handelsregister. De notaris te wiens overstaan een trustakte wordt gewijzigd, is verplicht tot inschrijving van de datum van wijziging en, voorzover vereist, van de gewijzigde gegevens. 2.De notaris te wiens overstaan een trust wordt herroepen, is verplicht tot inschrijving van deze herroeping. 3.Ingeval de trust eindigt anders dan door herroeping of ontbinding door de rechter, is de laatst fungerende trustee verplicht daarvan mededeling te doen aan de Kamer van Koophandel ter inschrijving van de beëindiging in het handelsregister. Indien zulks niet binnen vier weken mocht zijn geschied, is iedere belanghebbende, na daartoe verkregen toestemming van de rechter in eerste aanleg, tot het doen van die mededeling bevoegd. TITEL7Gemeenschap AFDELING1Algemene bepalingen Artikel166 1.Gemeenschap is aanwezig, wanneer een of meer goederen toebehoren aan twee of meer deelgenoten gezamenlijk. 2.De aandelen van de deelgenoten zijn gelijk, tenzij uit hun rechtsverhouding anders voortvloeit. 3.Op de rechtsbetrekkingen tussen de deelgenoten is artikel 2 van Boek 6 van overeenkomstige toepassing. Artikel167 Goederen die geacht moeten worden in de plaats van een gemeenschappelijk goed te treden, behoren tot de gemeenschap. Artikel168 1.De deelgenoten kunnen het genot, het gebruik en het beheer van gemeenschappelijke goederen bij overeenkomst regelen. 2.Voor zover een overeenkomst ontbreekt, kan de rechter in eerste aanleg op verzoek van de meest gerede partij een zodanige regeling treffen, zo nodig met onderbewindstelling van de goederen. Hij houdt daarbij naar billijkheid rekening zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang. 3.Een bestaande regeling kan op verzoek van de meest gerede partij door de rechter in eerste aanleg wegens onvoorziene omstandigheden gewijzigd of buiten werking gesteld worden. 4.Een regeling is ook bindend voor de rechtverkrijgenden van een deelgenoot. 5.Op een overeenkomstig het tweede lid ingesteld bewind zijn, voor zover de rechter in eerste aanleg niet anders heeft bepaald, de artikelen 154, 157 tot en met 166, 168, 172, 173 en 174 van Boek 4 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de rechter in eerste aanleg de in artikel 159 van Boek 4 bedoelde beloning ook op grond van bijzondere omstandigheden anders kan regelen, alsmede dat hij de in artikel 160 van Boek 4 bedoelde zekerheidstelling te allen tijde kan bevelen. Het kan door een gezamenlijk besluit van de deelgenoten of op verzoek van een hunner door de rechter in eerste aanleg worden opgeheven. Artikel169 Tenzij een regeling anders bepaalt, is iedere deelgenoot bevoegd tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is. Artikel170 1.Handelingen dienende tot gewoon onderhoud of tot behoud van een gemeenschappelijk goed, en in het algemeen handelingen die geen uitstel kunnen lijden, kunnen door ieder van de deelgenoten zo nodig zelfstandig worden verricht. Ieder van hen is bevoegd ten behoeve van de gemeenschap verjaring te stuiten. 2.Voor het overige geschiedt het beheer door de deelgenoten tezamen, tenzij een regeling anders bepaalt. Onder beheer zijn begrepen alle handelingen die voor de normale exploitatie van het goed dienstig kunnen zijn, alsook het aannemen van aan de gemeenschap verschuldigde prestaties. 3.Tot andere handelingen betreffende een gemeenschappelijk goed dan in het eerste en het tweede lid vermeld, zijn uitsluitend de deelgenoten tezamen bevoegd. Artikel171 Tenzij een regeling anders bepaalt, is iedere deelgenoot bevoegd tot het instellen van rechtsvorderingen en het indienen van verzoekschriften ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. Een regeling die het beheer toekent aan een of meer van de deelgenoten, sluit, tenzij zij anders bepaalt, deze bevoegdheid voor de anderen uit. Artikel172 Tenzij een regeling anders bepaalt, delen de deelgenoten naar evenredigheid van hun aandelen in de vruchten en andere voordelen die het gemeenschappelijke goed oplevert, en moeten zij in dezelfde evenredigheid bijdragen tot de uitgaven die voortvloeien uit handelingen die bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht. Artikel173 De deelgenoot die voor de overige deelgenoten beheer heeft gevoerd, legt, tenzij bij regeling anders is bepaald, jaarlijks op vordering van een andere deelgenoot daaromtrent rekening en verantwoording af; hij legt zulke rekening en verantwoording in ieder geval bij het einde van het beheer af. Artikel174 1.De rechter die ter zake van een vordering tot verdeling bevoegd zou zijn of voor wie een zodanige vordering reeds aanhangig is, kan een deelgenoot op diens verzoek ten behoeve van de voldoening van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld of om andere gewichtige redenen machtigen tot het te gelde maken van een gemeenschappelijk goed. Indien een deelgenoot voor wie een te verkopen goed een bijzondere waarde heeft, bereid is het goed tegen vergoeding van de geschatte waarde over te nemen, kan de voormelde rechter deze overneming bevelen. 2.De in het eerste lid bedoelde rechter kan een deelgenoot op diens verzoek machtigen een gemeenschappelijk goed te bezwaren met een recht van pand of hypotheek tot zekerheid voor de voldoening van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld die reeds bestaat of waarvan het aangaan geboden is voor het behoud van een goed van de gemeenschap. Artikel175 1.Tenzij uit de rechtsverhouding tussen de deelgenoten anders voortvloeit, kan ieder van hen over zijn aandeel in een gemeenschappelijk goed beschikken. 2.Indien uit de rechtsverhouding tussen de deelgenoten voortvloeit dat zij niet, tenzij met aller toestemming, bevoegd zijn over hun aandeel te beschikken, is artikel 168, derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing. 3.De schuldeisers van een deelgenoot kunnen zijn aandeel in een gemeenschappelijk goed uitwinnen. Na de uitwinning van een aandeel kunnen beperkingen van de bevoegdheid om over de aandelen te beschikken niet worden ingeroepen tussen de verkrijger van dat aandeel en de overige deelgenoten. Artikel176 1.De verkrijger van een aandeel of een beperkt recht daarop moet van de verkrijging onverwijld mededeling doen aan de overige deelgenoten of aan degene die door de deelgenoten of de rechter met het beheer over het goed is belast. 2.Een overgedragen aandeel wordt verkregen onder de last aan de gemeenschap te vergoeden hetgeen de vervreemder haar schuldig was.Vervreemder en verkrijger zijn hoofdelijk voor deze vergoeding aansprakelijk. De verkrijger kan zich aan deze verplichting onttrekken door zijn aandeel op zijn kosten aan de overige deelgenoten over te dragen; dezen zijn verplicht aan een zodanige overdracht mee te werken. 3.Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing bij uitwinning van de gezamenlijke aandelen in een gemeenschappelijk goed. Artikel177 1.Wordt een gemeenschappelijk goed verdeeld of overgedragen, terwijl op het aandeel van een deelgenoot een beperkt recht rust, dan komt dat recht te rusten op het goed voor zover dit door die deelgenoot wordt verkregen, en wordt het goed voor het overige van dat recht bevrijd, onverminderd hetgeen de beperkt gerechtigde of de deelgenoot op wiens aandeel zijn recht rust, krachtens hun onderlinge verhouding van de ander wegens een door deze aldus ontvangen overwaarde heeft te vorderen. 2.Een verdeling, alsmede een overdracht waartoe de deelgenoten zich na bezwaring met het beperkte recht hebben verplicht, behoeft de medewerking van de beperkt gerechtigde. 3.Een bij toedeling van het goed aan de in het eerste lid genoemde deelgenoot bedongen recht van pand of hypotheek tot waarborg van hetgeen hij aan een of meer van de deelgenoten ten gevolge van de verdeling schuldig is of mocht worden, heeft, mits het gelijktijdig met de levering van het hem toegedeelde daarop wordt gevestigd, voorrang boven een beperkt recht dat een deelgenoot tevoren op zijn aandeel had gevestigd. Artikel178 1.Ieder van de deelgenoten, alsmede hij die een beperkt recht op een aandeel heeft, kan te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed vorderen, tenzij uit de aard van de gemeenschap of uit het tweede tot en met vijfde lid anders voortvloeit. 2.Op verlangen van een deelgenoot kan de rechter voor wie een vordering tot verdeling aanhangig is, bepalen dat alle of sommige opeisbare schulden die voor rekening van de gemeenschap komen, moeten worden voldaan alvorens tot de verdeling wordt overgegaan. 3.Indien de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen van een of meer deelgenoten aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend, kan de rechter voor wie een vordering tot verdeling aanhangig is, op verlangen van een deelgenoot een of meermalen, telkens voor ten hoogste drie jaren, een vordering tot verdeling uitsluiten. 4.Indien geen vordering tot verdeling aanhangig is, kan een beslissing als bedoeld in het tweede en het derde lid, op verzoek van ieder van de deelgenoten worden gegeven door de rechter die ter zake van de vordering tot verdeling bevoegd zou zijn. 5.Zij die bevoegd zijn verdeling te vorderen, kunnen hun bevoegdheid daartoe een of meer malen bij overeenkomst, telkens voor ten hoogste vijf jaren, uitsluiten. Artikel 168, derde en vierde lid, is op een zodanige overeenkomst van overeenkomstige toepassing. Artikel179 1.Indien verdeling van een gemeenschappelijk goed wordt gevorderd, kan ieder van de deelgenoten verlangen dat alle tot de gemeenschap behorende goederen en de voor rekening van de gemeenschap komende schulden in de verdeling worden begrepen, tenzij er gewichtige redenen zijn voor een gedeeltelijke verdeling. Van de verdeling worden die goederen uitgezonderd die wegens een van de in artikel 178 genoemde gronden onverdeeld moeten blijven. 2.De omstandigheid dat bij een verdeling een of meer goederen zijn overgeslagen, heeft alleen ten gevolge dat daarvan een nadere verdeling kan worden gevorderd. 3.Op de toedeling van een schuld is titel 2, afdeling 3, van Boek 6 van toepassing. Artikel180 1.Een schuldeiser die een opeisbare vordering op een deelgenoot heeft, kan verdeling van de gemeenschap vorderen, doch niet verder dan nodig is voor het verhaal van zijn vordering. Artikel 178, derde lid, is van toepassing. 2.Heeft een schuldeiser een bevel tot verdeling van de gemeenschap verkregen, dan behoeft de verdeling zijn medewerking. Artikel181 1.Voor het geval dat deelgenoten of zij wier medewerking vereist is, niet meewerken tot een verdeling nadat deze bij rechterlijke uitspraak is bevolen, benoemt de rechter die in eerste aanleg van de vordering tot verdeling heeft kennis genomen, indien deze benoeming niet reeds bij die uitspraak heeft plaatsgehad, op verzoek van de meest gerede partij een onzijdig persoon die hen bij de verdeling vertegenwoordigt en daarbij hun belangen naar eigen beste inzicht behartigt. Hebben degenen die niet meewerken tegenstrijdige belangen, dan wordt voor ieder van hen een onzijdig persoon benoemd. 2.Een onzijdig persoon is verplicht hetgeen aan de door hem vertegenwoordigde persoon ingevolge de verdeling toekomt, voor deze in ontvangst te nemen en daarover tot de afgifte aan de rechthebbende op de voet van artikel 410 van Boek 1 het bewind te voeren. 3.De beloning die de onzijdige persoon ten laste van de rechthebbende toekomt, wordt op zijn verzoek vastgesteld door de rechter die hem benoemde. Artikel182 Als een verdeling wordt aangemerkt iedere rechtshandeling waartoe alle deelgenoten, hetzij in persoon, hetzij vertegenwoordigd, meewerken en krachtens welke een of meer van hen een of meer goederen van de gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten verkrijgen. De handeling is niet een verdeling, indien zij strekt tot nakoming van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld aan een of meer deelgenoten, die niet voortspruit uit een rechtshandeling als bedoeld in de vorige zin. Artikel183 1.De verdeling kan geschieden op de wijze en in de vorm die partijen goeddunkt, mits de deelgenoten en zij wier medewerking vereist is, allen het vrije beheer over hun goederen hebben en in persoon of bij een door hen aangewezen vertegenwoordiger meewerken, dan wel in geval van bewind over hun recht, worden vertegenwoordigd door de bewindvoerder, voorzien van de daartoe vereiste toestemming of machtiging. 2.In andere gevallen moet, tenzij de rechter anders bepaalt, de verdeling geschieden bij notariële akte en worden goedgekeurd door de rechter in eerste aanleg die bevoegd is de wettelijke vertegenwoordiger van degene die het vrije beheer over zijn goederen mist, tot beschikkingshandelingen te machtigen. Artikel184 1.Ieder van de deelgenoten kan bij een verdeling verlangen dat op het aandeel van een andere deelgenoot wordt toegerekend hetgeen deze aan de gemeenschap schuldig is. De toerekening geschiedt ongeacht de gegoedheid van de schuldenaar. Is het een schuld onder tijdsbepaling, dan wordt zij voor haar contante waarde op het tijdstip van de verdeling toegerekend. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op schulden onder een opschortende voorwaarde die nog niet vervuld is. Artikel185 1.Voor zover de deelgenoten en zij wier medewerking vereist is, over een verdeling niet tot overeenstemming kunnen komen, gelast op vordering van de meest gerede partij de rechter de wijze van verdeling of stelt hij zelf de verdeling vast, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang. 2.Als wijzen van verdeling komen daarbij in aanmerking: toedeling van een gedeelte van het goed aan ieder van de deelgenoten; overbedeling van een of meer deelgenoten tegen vergoeding van de overwaarde; verdeling van de netto-opbrengst van het goed of een gedeelte daarvan, nadat dit op een door de rechter bepaalde wijze zal zijn verkocht. 3.Zo nodig kan de rechter bepalen dat degene die overbedeeld wordt, de overwaarde geheel of ten dele in termijnen mag voldoen. Hij kan daaraan de voorwaarde verbinden dat zekerheid tot een door hem bepaald bedrag en van een door hem bepaalde aard wordt gesteld. Artikel186 1.Voor de overgang van het aan ieder van de deelgenoten toegedeelde is een levering vereist op dezelfde wijze als voor overdracht is voorgeschreven. 2.Hetgeen een deelgenoot verkrijgt, houdt hij onder dezelfde titel als waaronder de deelgenoten dit tezamen vóór de verdeling hielden. Artikel187 1.De papieren en bewijzen van eigendom, tot de toegedeelde goederen behorende, worden overgegeven aan hem aan wie de goederen zijn toegedeeld. 2.Algemene boedelpapieren en stukken als bedoeld in het eerste lid, die betrekking hebben op aan meer deelgenoten toegedeelde goederen, verblijven bij hem die de meerderheid van de betrokken deelgenoten daartoe heeft benoemd, onder verplichting aan de overige deelgenoten inzage, en zo iemand dit verlangt, afschriften of uittreksels op diens kosten af te geven. 3.Bij gebreke van een meerderheid als bedoeld in het tweede lid, geschiedt de daar bedoelde benoeming op verlangen van een deelgenoot door de rechter die de verdeling vaststelt, of in andere gevallen op verzoek van een deelgenoot door de rechter in eerste aanleg. Tegen een beslissing krachtens dit lid is geen hogere voorziening toegelaten. Artikel188 1.Tenzij anders is overgekomen, zijn deelgenoten verplicht in evenredigheid van hun aandelen elkaar de schade te vergoeden die het gevolg is van een uitwinning of stoornis, voortgekomen uit een vóór de verdeling ontstane oorzaak, alsmede, wanneer een vordering voor het volle bedrag is toegedeeld, de schade die voortvloeit uit onvoldoende gegoedheid van de schuldenaar op het ogenblik van de verdeling. 2.Wordt een deelgenoot door zijn eigen schuld uitgewonnen of gestoord, dan zijn de overige deelgenoten niet verplicht tot vergoeding van zijn schade. 3.Een verplichting tot vergoeding van schade die voortvloeit uit onvoldoende gegoedheid van de schuldenaar, vervalt door verloop van drie jaren na de verdeling en na het opeisbaar worden van de toegedeelde vordering. 4.Indien verhaal op een deelgenoot voor zijn aandeel in een krachtens het eerste lid verschuldigde schadevergoeding onmogelijk blijkt, wordt het aandeel van ieder van de andere deelgenoten naar evenredigheid verhoogd. AFDELING2Enige bijzondere gemeenschappen Artikel189 1.Deze titel geldt niet voor een huwelijksgemeenschap of rederij, zolang zij niet ontbonden zijn, noch voor de gemeenschap van een in appartementsrechten gesplitst gebouw, zolang de splitsing niet is opgeheven. 2.Voor de gemeenschap van een nalatenschap, voor een ontbonden huwelijksgemeenschap of rederij en voor de gemeenschap van een gebouw waarvan de splitsing in appartementsrechten is opgeheven, gelden de volgende bepalingen van deze afdeling, alsmede die van afdeling 1, voor zover daarvan in deze afdeling niet wordt afgeweken. 3.De bepalingen van deze titel gelden niet voor de gemeenschap vaneen vennootschap, ongeacht of zij ontbonden is. Artikel190 1.Een deelgenoot kan niet beschikken over zijn aandeel in een tot de gemeenschap behorend goed afzonderlijk, en zijn schuldeisers kunnen een zodanig aandeel niet uitwinnen, zonder toestemming van de overige deelgenoten. 2.Nochtans kan een deelgenoot op een zodanig aandeel ook zonder toestemming van de andere deelgenoten een recht van pand of hypotheek vestigen. Zolang het goed tot de gemeenschap behoort, kan de pand- of hypotheekhouder niet tot verkoop overgaan, tenzij de overige deelgenoten hierin toestemmen. Artikel191 1.Tenzij uit de rechtsverhouding tussen de deelgenoten anders voortvloeit, kan ieder van de deelgenoten over zijn aandeel in de gehele gemeenschap beschikken en kunnen zijn schuldeisers een zodanig aandeel uitwinnen. 2.Indien uit de rechtsverhouding tussen de deelgenoten voortvloeit dat zij niet, tenzij met aller toestemming, bevoegd zijn over hun aandeel te beschikken, is artikel 168, derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing. Artikel192 Tot de gemeenschap behorende schulden kunnen op de goederen van de gemeenschap worden verhaald. Artikel193 1.Een schuldeiser wiens vordering op de goederen der gemeenschap kan worden verhaald, kan de rechter verzoeken een vereffenaar te benoemen wanneer tot verdeling van de gemeenschap wordt overgegaan voordat de opeisbare schulden daarvan zijn voldaan of wanneer voor hem het gevaar bestaat dat hij niet ten volle of niet binnen een redelijke tijd zal worden voldaan, hetzij omdat de gemeenschap niet toereikend is of niet behoorlijk beheerd of afgewikkeld wordt, hetzij omdat een schuldeiser zich op de goederen van de gemeenschap gaat verhalen. Afdeling 3 van titel 6 van Boek 4 betreffende de vereffening van een nalatenschap is van toepassing of overeenkomstige toepassing. 2.Ook een schuldeiser van een deelgenoot kan de rechter verzoeken een vereffenaar te benoemen, wanneer zijn belangen door een gedraging van de deelgenoten ernstig worden geschaad. Artikel194 1.Ieder van de deelgenoten kan vorderen dat een verdeling aanvangt met een boedelbeschrijving. 2.Een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, verbeurt zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoten. AFDELING3Nietige en vernietigbare verdelingen Artikel195 1.Een verdeling waaraan nie