LANDSVERORDENING ter uitvoering van de Mijnwet en tot regeling van sommige daarmee in verband staande onderwerpen TITELIAlgemene bepalingen Artikel1 Waar in deze landsverordening zonder nadere aanduiding artikelen worden genoemd, worden artikelen van deze landsverordening zelf bedoeld. Artikel2 1.In deze landsverordening wordt onder opsporing verstaan: opzettelijk ingesteld onderzoek naar de in artikel 1 van de Mijnwet genoemde delfstoffen met het oogmerk om recht tot mijnontginning te verwerven; en onder ontginning of mijnontginning de opzettelijke winning van deze delfstoffen, onverschillig of die winning geschiedt door onderaardse mijnwerken, open groeven, grondboringen of op andere wijze. 2.Deze landsverordening kent aan de uitdrukking onderzoekingsveld, concessieveld en mijnveld het begrip van ruimte toe, en aan de uitdrukkingen onderzoekingsterrein, vergunningsterrein, opsporingsterrein, concessieterrein en ontginningsterrein dat van oppervlakte. Artikel3 In deze landsverordening wordt verstaan onder: rechthebbende op de grond: degene die een zakelijk recht daarop heeft; derde belanghebbende: degene van wie uit een persoonlijk recht voortvloeiende belangen door een opsporing of ontginning kunnen worden geschaad. Artikel4 Onverminderd hetgeen overigens dienaangaande in deze landsverordening in het bijzonder is bepaald, gelden de aan opspoorders toegekende rechten en opgelegde verplichtingen, ook die omtrent de wijze van uitoefening van hun bedrijf mede voor ontdekkers die ingevolge artikel 88 hun werkzaamheden voortzetten. Artikel5 Waar in deze landsverordening gesproken wordt van "door de minister" wordt daarmede ook bedoeld "vanwege de minister". TITELIIVoorschriften tot uitvoering van artikel 1, derde en zesde lid,van de Mijnwet HOOFDSTUKIOver de vereisten waaraan aanvragers en houders van vergunning tot opsporing moeten voldoen Artikel6 1.Behoudens het bepaalde in het tweede lid van dit artikel moet elk schriftelijk verzoek om vergunning tot het doen van opsporingen vergezeld gaan van bescheiden, aantonende dat de aanvrager voldoet aan de in artikel 5, eerste lid, van de Mijnwet gestelde vereisten. 2.Zolang door een aanvrager de bescheiden, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, nog niet zijn terugontvangen, kan door hem bij de indiening van andere verzoeken worden volstaan met een mededeling bij welk verzoek die bescheiden zijn gevoegd. Artikel7 1.De aanvrager van een vergunning tot opsporing moet domicilie kiezen in de hoofdplaats van Sint Maarten, in het schriftelijk verzoek om vergunning. 2.Bij het kiezen van domicilie moet uitdrukkelijk worden verklaard dat dit geschiedt voor de duur van de vergunning en voor al wat daarop betrekking heeft. 3.Het door de aanvrager gekozen domicilie gaat bij overdracht en bij overlijden van de wettige houder van een vergunning over op de verkrijger van de vergunning. Artikel8 Vertegenwoordigers, als bedoeld in het eerste lid van artikel 5 van de Mijnwet, ook tijdelijk vervangende en waarnemende, moeten bij authentieke akte zijn aangesteld. Artikel9 Ingeval van overlijden van de wettige houder van een vergunning zijn diens rechtverkrijgenden, voor zover zij reeds dadelijk dan wel binnen de tijd van één jaar na het openvallen van de erfenis voldoen aan de in artikel 5 van de Mijnwet gestelde vereisten, verplicht dit door bescheiden aan te tonen en tevens het bewijs van bedoeld overlijden tijdig aan de Minister van Toerisme, Economische Zaken, Verkeer en Telecommunicatie, hierna te noemen: de minister, in te dienen. Artikel10 1.Bij overlijden van de wettige houder van een vergunning moeten zijn in Sint Maarten gevestigde rechtverkrijgenden, als er twee of meer zijn, binnen een korte termijn bij authentieke akte een gemeenschappelijke vertegenwoordiger aanstellen. 2.Wanneer er een of meer niet in Sint Maarten gevestigde rechtverkrijgenden van een overleden houder van een vergunning zijn, die verplicht zijn ter voldoening aan artikel 5 van de Mijnwet een vertegenwoordiger aan te stellen, moet, als er tevens een of meer in Sint Maarten gevestigde rechtverkrijgenden zijn, diezelfde vertegenwoordiger ook door deze rechtverkrijgenden tot hun vertegenwoordiger worden aangesteld; in dit geval moet de aanstelling in verband met het bepaalde in het derde lid van artikel 5 van de Mijnwet geschieden binnen de tijd van één jaar na het openvallen van de erfenis. Artikel11 1.Wanneer rechtverkrijgenden van een overleden wettige houder van een vergunning, die niet voldoen aan de in artikel 5 van de Mijnwet gestelde vereisten, ingevolge het derde lid van dat artikel hun uit de vergunning voorvloeiende rechten en verplichtingen wensen over te dragen, moet bij het verzoek om toestemming tot die overdracht, behalve de overigens gevorderde stukken ook worden overlegd het bewijs van overlijden van de wettige houder en tevens door bescheiden worden aangetoond, dat de verkrijger aan de gestelde vereisten voldoet; het bepaalde in het tweede lid van artikel 6 is van overeenkomstige toepassing. 2.Met betrekking tot overdrachten als bedoeld in het eerste lid van dit artikel gelden overigens de artikelen 54 tot en met
- Artikel12 Het verzoek om toestemming tot elke andere overdracht van een vergunning dan bedoeld in artikel 11 moet eveneens, behalve van de overige gevorderde stukken, vergezeld gaan van bescheiden, aantonende dat de verkrijger voldoet aan de in artikel 5 van de Mijnwet gestelde vereisten; het bepaalde in het tweede lid van artikel 6 is van overeenkomstige toepassing. Artikel13 1.Van elke verandering in het bestuur, commissarissen daaronder begrepen, van naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen die houders zijn van vergunningen of die andere naamloze vennootschappen houders van vergunningen, besturen, moet door dat bestuur, binnen een maand nadat de verandering heeft plaats gehad, worden kennis gegeven aan de minister. 2.In de kennisgeving moet worden opgegeven: de nationaliteit van de nieuwe bestuurder of commissaris; of hij ingezetene is van Sint Maarten; waar hij woonachtig is. 3.De minister is bevoegd om te allen tijde te vorderen, dat binnen een voor elk geval door hem te stellen termijn, bescheiden worden overgelegd, aantonende de juistheid van de in het tweede lid van dit artikel voorgeschreven opgaven. De gestelde termijn kan in bijzondere gevallen, eenmaal worden verlengd. 4.Het bovenstaande geldt eveneens voor verandering in het beheer van vennootschappen onder firma of bij wijze van geldschieting, die houders zijn van vergunningen of die bestuurders zijn van naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen die houders van vergunningen zijn. Artikel14 1.Van elk optreden van een nieuwe vertegenwoordiger, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Mijnwet, moet binnen één maand nadat dit optreden heeft plaats gehad, door de houder van de vergunning worden kennis gegeven aan de minister, onder overlegging van de authentieke akte of van een volledig afschrift daarvan, waarbij de nieuwe vertegenwoordiger is aangesteld. 2.Het bepaalde in het eerste lid van dit artikel geldt eveneens voor de tijdelijk vervangende en waarnemende vertegenwoordigers. Artikel15 1.Bij de behandeling van een verzoek om vergunning en een verzoek om toestemming tot overdracht van een vergunning, overeenkomstig de artikelen 33 en 34, wordt indien overigens tegen het verzoek geen bezwaren bestaan, nagegaan of de aanvrager dan wel de verkrijger voldoet aan de in artikel 5 van de Mijnwet gestelde vereisten. 2.In het geval genoemd in artikel 9 wordt nagegaan of de rechtverkrijgenden van een overleden vergunninghouder voldoen aan de in artikel 5 van de Mijnwet gestelde vereisten. 3.In de gevallen genoemd in de artikelen 13 en 14 wordt nagegaan of in verband met het optreden van een nieuwe bestuurder of commissaris, een nieuwe beherende vennoot dan wel een nieuwe vertegenwoordiger, de houder van de vergunning nog voldoet aan de in artikel 5 van de Mijnwet gestelde vereisten. 4.Overigens wordt gehandeld overeenkomstig het bepaalde in artikel
- Artikel16 1.In elk geval dat een persoon of een vennootschap, die in verband met het verkrijgen van een vergunning tot opsporing aan de in artikel 5 van de Mijnwet gestelde vereisten moet voldoen, naar het oordeel van de minister daaraan niet voldoet, wordt dit aan de belanghebbende of de belanghebbenden bij een, bij deurwaardersexploot betekende akte meegedeeld. 2.Bij die beschikking wordt tegelijkertijd het verzoek om vergunning of het verzoek om toestemming tot overdracht van een vergunning afgewezen, dan wel aangetekend dat de uit de vergunning voortvloeiende rechten en verplichtingen niet op de rechtverkrijgenden van de overleden wettige houder zijn overgegaan, omdat zij niet voldoen aan de in artikel 5 van de Mijnwet gestelde vereisten. 3.Van die beschikking en het exploot van betekening worden uittreksels in de Landscourant bekendgemaakt. Artikel17 1.In elk geval dat de houder van een vergunning naar het oordeel van de minister heeft opgehouden aan de in artikel 5 van de Mijnwet gestelde vereisten te voldoen, wordt dit aan de belanghebbende te kennen gegeven bij een met redenen omklede beschikking die ten spoedigste aan de belanghebbende bij een bij deurwaardersexploot betekende akte wordt meegedeeld. 2.Van die beschikking en het exploot van betekening worden uittreksels in de Landscourant bekendgemaakt. HOOFDSTUKIIOver de vereisten waaraan de houders van het recht op concessie en van concessies tot ontginning moeten voldoen Artikel18 1.Behoudens het bepaalde in het derde lid van dit artikel moet het verzoekschrift waarbij aanspraken op een concessie worden geldend gemaakt, behalve van de overigens gevorderde stukken, vergezeld gaan van bescheiden, aantonende dat de verzoeker voldoet aan de in artikel 5 van de Mijnwet gestelde vereisten. 2.Bij het kiezen van domicilie in het verzoekschrift, moet uitdrukkelijk worden verklaard, dat dit geschiedt voor de duur van de concessie en voor al wat daarop betrekking heeft. Het gekozen domicilie gaat bij overdracht van het recht op concessie, dan wel van de concessie en bij overlijden van de wettige houder van het recht op concessie dan wel van de concessie over op de verkrijger. 3.Zolang door een aanvrager de bescheiden, genoemd in het eerste lid van dit artikel, nog niet zijn terugontvangen, kan door hem bij de indiening van andere verzoeken worden volstaan met de overlegging van afschriften van die bescheiden onder mededeling bij welk verzoek de originele stukken zijn gevoegd. Artikel19 1.In geval van overlijden van de wettige houder van het recht op een concessie zijn diens rechtverkrijgenden, voor zover zij reeds dadelijk dan wel binnen de tijd van een jaar na het openvallen van de erfenis voldoen aan de in artikel 5 van de Mijnwet gestelde vereisten, verplicht dit door bescheiden aan te tonen en tevens het bewijs van bedoeld overlijden tijdig bij de minister in te dienen. 2.Wanneer rechtverkrijgenden van een overleden wettige houder van het recht op een concessie, die niet voldoen aan de in artikel 5 van de Mijnwet gestelde vereisten, hun recht wensen over te dragen, moeten bij het verzoek tot goedkeuring van die overdracht, behalve de overigens gevorderde stukken ook worden overgelegd het bewijs van overlijden van de wettige houder en tevens door bescheiden worden aangetoond, dat de verkrijger aan de gestelde vereisten voldoet. Het verzoek tot goedkeuring van deze overdracht moet door beide bij de overdracht betrokken partijen worden gedaan. Het bepaalde in het derde lid van artikel 18 is van overeenkomstige toepassing. Artikel20 Het bepaalde in artikel 19 geldt eveneens in geval van overlijden van de wettige houder van een concessie voor diens rechtverkrijgenden, voor zover zij reeds dadelijk dan wel binnen de tijd van een jaar na het openvallen van de erfenis voldoen aan de in artikel 5 van de Mijnwet gestelde vereisten, alsmede voor rechtverkrijgenden van een overleden wettige houder van een concessie, die niet voldoen aan de gestelde vereisten en hun uit de concessie voortvloeiende rechten en verplichtingen wensen over te dragen. Artikel21 Afgezien van het bepaalde in de artikelen 19 en 20 is bij elke andere overdracht van het recht op concessie of van een concessie de verkrijger verplicht de minister door bescheiden aan te tonen, dat hij voldoet aan de artikel 5 van de Mijnwet gestelde vereisten; het bepaalde in het derde lid van artikel 18 is van overeenkomstige toepassing. Artikel22 Het bepaalde in artikel 8 geldt eveneens voor de aanstelling van vertegenwoordigers, ook tijdelijk vervangende en waarnemende, van niet in Sint Maarten gevestigde houders van het recht op concessie en van concessies. Artikel23 1.Bij overlijden van de wettige houder van het recht op een concessie of van concessies moeten zijn in Sint Maarten gevestigde rechtverkrijgenden, als er twee of meer zijn, binnen een voor elk geval door de minister te stellen termijn bij authentieke akte een gemeenschappelijke vertegenwoordiger aanstellen. 2.Wanneer er een of meer niet in Sint Maarten gevestigde rechtverkrijgenden van een overleden houder van het recht op een concessie of van concessies zijn, die verplicht zijn ter voldoening aan artikel 5 van de Mijnwet een vertegenwoordiger aan te stellen, moet, als er tevens een of meer in Sint Maarten gevestigde rechtverkrijgenden zijn, diezelfde vertegenwoordiger ook door deze rechtverkrijgenden tot hun vertegenwoordiger worden aangesteld; in dit geval moet de aanstelling in verband met het bepaalde in het derde lid van artikel 5 van de Mijnwet geschieden binnen de tijd van één jaar na het openvallen van de erfenis. Artikel24 1.Van elke verandering in het bestuur, commissarissen daaronder begrepen, van naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen die houders zijn van het recht op een concessie of van concessies of die andere naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen, houders van het recht op concessie of van concessies besturen, moet door dat bestuur, binnen één maand nadat de verandering heeft plaats gehad, worden kennis gegeven aan de minister. 2.In de kennisgeving moet worden opgegeven: de nationaliteit van de nieuwe bestuurder of commissaris; of hij ingezetene is van Sint Maarten; waar hij woonachtig is. 3.De minister is bevoegd om te allen tijde te vorderen, dat binnen een voor elk geval door hem te stellen termijn, bewijzen worden overgelegd, aantonende de juistheid van de in het tweede lid van dit artikel voorgeschreven opgaven. De gestelde termijn kan in bijzondere gevallen eenmaal worden verlengd. 4.Het bovenstaande geldt eveneens voor veranderingen in het beheer van vennootschappen onder firma of bij wijze van geldschieting, die houders zijn van het recht op concessie of van concessies dan wel die bestuurders zijn van naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen die houders van het recht op concessie of van concessies zijn. Artikel25 1.Van elk optreden van een nieuwe vertegenwoordiger, als bedoeld in het eerste lid van artikel 5 van de Mijnwet, moet binnen een maand nadat dit optreden heeft plaats gehad, door de houder van het recht op concessie of van concessies, worden kennis gegeven aan de minister, onder overlegging van de authentieke akte of van een volledig afschrift daarvan, waarbij de nieuwe vertegenwoordiger is aangesteld. 2.Het bepaalde in het eerste lid van dit artikel geldt eveneens voor tijdelijk vervangende of waarnemende vertegenwoordigers. Artikel26 1.Bij de behandeling van een aanvraag om concessie en van een verzoek om goedkeuring tot overdracht van het recht op concessie of van concessies wordt, indien overigens tegen het verlenen van de concessie of de goedkeuring, voor zover die wordt vereist, geen bezwaren bestaan, nagegaan of de aanvrager dan wel de verkrijger voldoet aan de in artikel 5 van de Mijnwet gestelde vereisten. 2.In de gevallen genoemd in de artikelen 19 en 20 wordt nagegaan of de rechtverkrijgenden van een overleden houder van het recht op concessie dan wel van concessies voldoen aan de in artikel 5 van de Mijnwet gestelde vereisten. 3.In de gevallen genoemd in artikel 24 en 25 wordt nagegaan of in verband met het optreden van een nieuwe bestuurder of commissaris, een nieuwe beherende vennoot dan wel een nieuwe vertegenwoordiger, de houder van het recht op concessie of van concessies nog voldoet aan de in artikel 5 van de Mijnwet gestelde vereisten. 4.Overigens wordt gehandeld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 78 en 79 of de artikelen 80 tot en met
- 5.In de gevallen, bedoeld in het tweede en derde lid van dit artikel, wordt aan belanghebbenden, indien zij naar het oordeel van de minister aan de gestelde vereisten voldoen, daarvan mededeling gedaan. Artikel27 1.In elk geval dat een persoon of een vennootschap, die in verband met het verkrijgen van het recht op concessie of van concessies aan de in artikel 5 van de Mijnwet gestelde vereisten moet voldoen, naar het oordeel van de minister daaraan niet voldoet, alsmede in elk geval dat de houder van het recht op een concessie of van concessies naar het oordeel van de minister heeft opgehouden aan die gestelde vereisten te voldoen, wordt dit aan de belanghebbende te kennen gegeven bij met redenen omklede beschikking. 2.Deze beschikking wordt vanwege de minister aan de belanghebbende bij een, bij deurwaardersexploot betekende akte medegedeeld. 3.De beschikking wordt zowel in de Landscourant als in de Nederlandse Staatscourant bij uittreksel aangekondigd. HOOFDSTUKIIIOver de vergunningen tot opsporing Artikel28 1.Recht tot opsporing wordt verkregen door schriftelijke vergunning. 2.Het schriftelijk verzoek om vergunning moet in twee eensluidende exemplaren worden ingediend bij de minister. De exemplaren van het verzoekschrift moeten beide gezegeld zijn en gelijktijdig worden ingediend. 3.Verzoeken om vergunning per telegram gedaan worden niet in behandeling genomen. 4.Op beide exemplaren van het verzoekschrift worden datum en uur van de indiening aangetekend en een exemplaar wordt aan de verzoeker terug gegegeven. Artikel29 1.Verzoeken om vergunning kunnen ook worden gedaan door een door de aanvrager daartoe bij authentieke of onderhandse akte aangestelde bijzondere gemachtigde; de volmacht moet bij het verzoekschrift worden overlegd en ook uitdrukkelijk de macht inhouden om voor de lastgever op de voorgeschreven wijze domicilie te kiezen. 2.Zolang een volmacht, die is overlegd bij een verzoekschrift om vergunning, nog niet door de gemachtigde is terugontvangen, kan door deze bij de indiening van andere verzoeken voor dezelfde aanvrager worden volstaan met de overlegging van een afschrift van de volmacht onder mededeling bij welk verzoek de originele akte is overlegd. 3.Machtiging tot het aanvragen van vergunningen kan door een niet in Sint Maarten gevestigde aanvrager ook worden verleend in de in artikel 8 bedoelde authentieke akte, waarbij door hem een vertegenwoordiger is aangesteld. Artikel30 1.Elk schriftelijk verzoek om vergunning mag slechts betrekking hebben op één aaneengesloten terrein dat een samenhangend geheel vormt en moet behalve van de overigens gevorderde stukken in elk geval vergezeld gaan van een kaart of schetstekening van het in het verzoekschrift zo nauwkeurig mogelijk aan te duiden terrein. 2.In het verzoekschrift moeten de naam, voornamen, leeftijd, en woonplaats alsmede het beroep van de aanvrager worden vermeld. 3.Bij aanvragen van gehuwde vrouwen moet dadelijk blijken van de toestemming van de echtgenoot, hetzij uit een door deze op het verzoekschrift gestelde en ondertekende verklaring, hetzij op andere wijze. Artikel31 1.Het aangeven van de grensomschrijving van de aangevraagde terreinen in de verzoekschriften om vergunning moet zo nauwkeurig mogelijk geschieden. 2.De hoekpunten van een aangevraagd terrein moeten in het algemeen zo worden gekozen dat ten minste één daarvan òf zelf een gemakkelijk op het terrein te vinden, uit zijn aard niet aan verandering of verplaatsing onderhevig vast punt is òf ten opzichte van een dergelijk zich in de nabijheid bevindend vast punt op eenvoudige wijze bepaald is. 3.De verbindingslijnen van de hoekpunten moeten bestaan uit rechte lijnen of goed waarneembare natuurlijke grenzen dan wel uit grenzen die officieel zijn vastgesteld. Meridianen en parallellen, alsmede lijnen die daarmee een aangegeven hoek vormen, mogen alleen als grenzen worden gebezigd indien zij zijn bepaald door in de nabijheid gelegen vaste punten. Artikel32 Verzoeken om vergunning die niet dadelijk bij de indiening geheel aan alle gestelde vereisten voldoen, worden op die grond afgewezen en mogen niet aan de aanvragers ter verbetering, wijziging of aanvulling worden teruggezonden. Kleine fouten of onduidelijkheden van ondergeschikt belang, die in de verzoeken mochten voorkomen en zonder terugzending aan de aanvragers ambtshalve kunnen worden verbeterd, leveren geen bezwaar op tegen het verlenen van de vergunning. Artikel33 1.Verschillende met dezelfde postbestelling of op andere wijze gelijktijdig door de minister ontvangen aanvragen voor één en hetzelfde terrein worden geacht alle op hetzelfde tijdstip te zijn ingediend. 2.Onder aanvragen voor een en hetzelfde terrein worden ook verstaan aanvragen voor terreinen die gedeeltelijk samenvallen. 3.Omtrent de voorrang van gelijktijdig voor één en hetzelfde terrein ingediende aanvragen voor zover zij voor een gunstige beschikking in aanmerking kunnen komen wordt door het lot beslist. De loting heeft plaats op de door de minister te bepalen wijze. Van de uitslag van de loting wordt proces-verbaal opgemaakt. Aan belanghebbenden wordt desgewenst door de minister van het proces-verbaal inzage verleend. 4.Wanneer een aanvraag die ingevolge het bepaalde in dit artikel voorrang heeft, om de een of andere reden wordt afgewezen, geniet de aanvraag die bij de loting het volgende nummer heeft getrokken, voorrang. 5.Bij gunstige beschikking op een aanvraag die voorrang heeft, worden alle andere aanvragen die volgens dit artikel moeten worden geacht voor een en hetzelfde terrein te zijn gedaan, afgewezen ook al is door die beschikking een gedeelte van het terrein waarvoor de andere aanvragen zijn gedaan, beschikbaar gebleven. Voor dat beschikbaar gebleven gedeelte kan slechts vergunning worden verleend nadat daarvoor een nieuwe aanvraag is ingediend. Artikel34 Nadat de minister een verzoek om vergunning met de daarop betrekking hebbende stukken heeft ontvangen en nadat overeenkomstig artikel 33 omtrent de voorrang is beslist, wordt de aanvraag ten spoedigste bekendgemaakt in de Landscourant. Artikel35 1.Een vergunning tot het doen van mijnbouwkundige opsporing wordt slechts verleend aan één persoon of één vennootschap. 2.Vergunning tot opsporing wordt niet verleend aan: minderjarigen; onder curatele gestelden; personen of vennootschappen, die ingevolge wettelijk voorschrift van het verkrijgen van vergunningen zijn uitgesloten; naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen die volgens hun statuten het bedrijven van mijnbouw niet als doelstelling hebben. Artikel36 1.Aanvragen om vergunning ingediend voor terreinen, binnen welke aan anderen vergunning tot het doen van opsporingen is verleend, zolang deze ingevolge die vergunning een aanspraak op concessie geldend kunnen maken, worden afgewezen. Voor zodanige terreinen kunnen eerst geldige aanvragen worden ingediend nadat de daarvoor verlende vergunning is vervallen of ingetrokken. 2.Het bepaalde in het vorige lid is ook van toepassing op aanvragen voor terreinen, waarvan een gedeelte behoort tot het onderzoekingsterrein van een ander. Artikel37 Bij overlijden van een aanvrager vervalt zijn aanvraag. Zijn rechtverkrijgenden kunnen aan zijn aanvraag geen rechten of aanspraken ontlenen. Artikel38 1.De beschikking waarbij vergunning verleend wordt moet omvatten: de naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van de houder van de vergunning; de oppervlakte van het onderzoekingsterrein, uitgedrukt in hectaren, met verwaarlozing van onderdelen; de grenzen van het onderzoekingsterrein; de duur van de vergunning; de naam van het gebied, waarbinnen het onderzoekingsterrein is gelegen; het gekozen domicilie; de voorwaarden die aan de vergunning zijn verbonden, in elk geval de voorwaarde genoemd in artikel 141, tweede lid; het bedrag van het door de houder van de vergunning verschuldigde vastrecht en de tijdstippen waarop het bedrag uiterlijk over het eerste vergunningsjaar en verder elk jaar over volgende vergunningsjaren moet worden voldaan; de datum. 2.Voorts moet in de beschikking worden melding gemaakt van: de bezwaren die door rechthebbende op de grond of derde belanghebbenden mochten zijn ingebracht en de dienaangaande genomen beslissing. Indien geen bezwaren zijn ingebracht, wordt dit uitdrukkelijk in de beschikking vermeld; de beslissing van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, hierna te noemen: Hof van Justitie, bedoeld in het tweede lid van artikel
- Artikel39 Wanneer de juiste oppervlakte van een onderzoekingsterrein niet met de zekerheid kan worden berekend, kan worden volstaan met een schatting tenzij de aanvrager meting van het terrein op zijn kosten verlangt. Artikel40 1.Van de beschikking waarbij vergunning verleend is, wordt zo spoedig mogelijk een authentiek en volledig afschrift uitgereikt aan de houder van de vergunning of, indien de houder van de vergunning niet in Sint Maarten is gevestigd, aan diens vertegenwoordiger aldaar. 2.De verleende vergunning wordt bekendgemaakt in de Landscourant; in die bekendmaking wordt de grensomschrijving van het in de vergunning genoemde onderzoekingsterrein vermeld. 3.Aan de houder van de vergunning of zijn vertegenwoordiger moeten op verzoek tegen betaling van het zegelgeld en van NAƒ 2,- voor elk afschrift, meerdere afschriften van de vergunningsbeschikking worden uitgereikt. Artikel41 1.Ingeval het in het eerste lid van artikel 40 bedoeld afschrift van de vergunningsbeschikking wegens het onbekend zijn van het adres van de houder van de vergunning (of van diens gemachtigde) dan wel van de vertegenwoordiger, niet binnen een termijn van drie maanden na de verzending is kunnen worden uitgereikt, wordt dit aangetekend. De vergunning wordt alsdan geacht niet te zijn verleend; er kunnen derhalve geen rechten aan worden ontleend. 2.De bepaling van het vorig lid is mede van toepassing wanneer het voor het afschrift van de vergunningsbeschikking verschuldigde zegelgeld niet binnen een termijn van drie maanden na de verzending is voldaan. 3.Op de krachtens dit artikel door de minister genomen beschikkingen is van toepassing het bepaalde in artikel 40, tweede lid. Artikel42 1.Wanneer een vergunning is verleend aan een aanvrager die op het tijdstip van verlening reeds was overleden, terwijl de minister onkundig was van dat overlijden, wordt de vergunning geacht niet te zijn verleend, zodat de rechtverkrijgenden van de overleden aanvrager aan zodanige vergunning geen rechten kunnen ontlenen. Hiervan moet aantekening geschieden. 2.Op de krachtens dit artikel door de minister genomen beschikking is van toepassing het bepaalde in artikel 40, tweede lid. Artikel43 1.De beschikking van de minister waarbij een verzoek om vergunning wordt afgewezen, moet de gronden vermelden waarop de afwijzing berust. Behoudens het bepaalde in artikel 16 wordt van de beschikking aan de belanghebbende kosteloos een volledig afschrift uitgereikt. 2.Van de in het vorig lid genoemde beschikking wordt een volledig afschrift bekendgemaakt in de Landscourant. Artikel44 1.De minister is bevoegd naar aanleiding van nader verkregen gegevens omtrent de grenzen en de oppervlakte van het onderzoekingsterrein of in verband met wijzigingen van officieel vastgestelde grenzen, na het verlenen van de vergunning bij een nadere beschikking de aanvankelijk in de vergunningsbeschikking opgenomen grensomschrijving en oppervlakte van het onderzoekingsterrein te wijzigen. Hij is tot die wijziging verplicht wanneer de houder van de vergunning meting van het terrein op zijn kosten verlangt en de meting een andere oppervlakte aangeeft dan aanvankelijk in de vergunningsbeschikking was opgenomen. 2.Op de in het vorig lid bedoeld beschikkingen is van toepassing het bepaalde in artikel
- Artikel45 1.Met de opsporing moet binnen de tijd van een jaar na de datum, waarop de vergunning verleend is, een aanvang zijn gemaakt. 2.Uiterlijk een maand na het verstrijken van de in het eerste lid van dit artikel genoemde termijn moet de houder van de vergunning of zijn vertegenwoordiger dan wel hij, die overeenkomstig het bepaalde in artikel 168 met de plaatselijke leiding is belast, de minister schriftelijk in kennis stellen van de aard van de op het onderzoeksterrein verrichte werkzaamheden en van hetgeen overigens is verricht, alsmede van de tijd waarop en, voor zover het de werkzaamheden op het terrein betreft, van de plaats waar de werkzaamheden zijn verricht en uitgevoerd. 3.Na ontvangst van de in het eerste lid genoemde schriftelijke kennisgeving gaat de minister na of hetgeen is verricht als een begin van opsporing kan worden beschouwd, nadat zo nodig op diens last een plaatselijk onderzoek is ingesteld, waarvan proces-verbaal wordt opgemaakt. 4.Als datum van indiening van de kennisgeving, geldt die van het daarvoor kosteloos afgegeven, gedagtekende ontvangstbewijs. 5.[vervallen] Artikel46 Indien door de minister wordt beslist, dat niet tijdig met de opsporing een aanvang is gemaakt of, indien geen schriftelijke kennisgeving bedoeld in artikel 45, tweede lid, is ingediend, wordt overeenkomstig de artikelen 61 en 62 de vergunning ingetrokken. Artikel47 1.Het schriftelijk verzoek om verlening van een vergunning moet door de houder of zijn vertegenwoordiger in twee eensluidende gezegelde exemplaren worden ingediend bij de minister en wel binnen drie maanden voor het verstrijken van de vergunningstermijn, waarvan de verlenging wordt gevraagd. Met de exemplaren van het verzoek wordt gehandeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 1, vierde lid, van de Mijnwet in verband met artikel 28, tweede en vierde lid, van deze verordening. Verzoeken om verlenging ingediend na, of langer dan drie maanden voor het verstrijken van de vergunningstermijn worden onvoorwaardelijk afgewezen. 2.Het verzoek kan worden gedaan door een gemachtigde. De volmacht moet bij het verzoek worden overgelegd. Het bepaalde in het tweede en derde lid van artikel 29 is van overeenkomstige toepassing. 3.Het verzoek om verlenging mag, evenals de beschikking waarbij de verlenging wordt verleend, slechts betrekking hebben op één vergunning. 4.De verlengde vergunningstermijn gaat in met de dag volgende op die waarop de termijn, waarvan de verlenging wordt verleend, eindigt of inmiddels reeds is geëindigd. 5.In afwachting van de beschikking op een verzoek om verlenging mogen de werkzaamheden op het onderzoekingsterrein worden voortgezet. 6.Bij overlijden van de houder van een vergunning die een verzoek om verlenging heeft ingediend, waarop op dat moment nog niet is beschikt, kan de verlenging aan de rechtverkrijgenden worden verleend. Artikel48 1.Het verzoek om verlenging wordt afgewezen indien niet is aangetoond, dat de houder van de vergunning diligent is geweest. 2.Het verzoek om verlenging wordt mede afgewezen indien door de houder van de vergunning niet door aanbieding van kwitanties is aangetoond, of indien niet op andere wijze aan de minister is gebleken, dat de aan vastrecht verschuldigde bedragen zijn betaald. 3.Onder diligentie wordt verstaan, dat van de vergunning ernstig gebruik is gemaakt, in die zin, dat de werkzaamheden op het terrein zo regelmatig mogelijk zijn voortgezet en alleen door omstandigheden onafhankelijk van de wil van de houder van de vergunning nog niet tot zodanig resultaat hebben geleid, dat op grond daarvan een aanspraak op concessie geldend gemaakt kan worden. 4.Teneinde te kunnen beoordelen of de houder van de vergunning diligent is geweest, moet bij het verzoek om verlenging, voor de eerste maal, worden overgelegd een zakelijk verslag omtrent de werkzaamheden die gedurende en na afloop van het eerste jaar van de vergunningstermijn op het onderzoekingsterrein hebben plaats gehad, omtrent hetgeen overigens is verricht, met vermelding van de resultaten van die werkzaamheden en verrichtingen. Een verzoek om verlenging waarbij geen verslag is overgelegd wordt dadelijk afgewezen. Artikel49 1.Bij het verzoek om verlenging voor de tweede maal moet worden overgelegd een verslag betreffende de werkzaamheden en verrichtingen gedurende het jaar, waarvoor de vergunning voor de eerste maal werd verlengd. 2.Overigens geldt het bepaalde in de artikelen 47 en 48 eveneens ten aanzien van een verlenging voor de tweede maal. Artikel50 De ingevolge de artikelen 48 en 49 ingediende verslagen worden niet aan de houders van de vergunning teruggezonden, maar blijven berusten bij de minister. Artikel51 Op de beschikkingen houdende verlenging van de vergunningstermijn is van toepassing het bepaalde in artikel
- Artikel52 1.De beschikking waarbij een verzoek om verlenging van de vergunningstermijn wordt afgewezen, moet de gronden vermelden waarop de afwijzing berust. 2.Op die beschikkingen is van toepassing het bepaalde in artikel
- Artikel53 Wanneer een vergunning door tijdsverloop is vervallen of is ingetrokken, mag aan hen die houder van die vergunning zijn geweest, noch voor hetzelfde terrein, noch voor een gedeelte daarvan opnieuw vergunning worden verleend. Evenmin mag aan hen een inmiddels aan een ander voor datzelfde terrein of een gedeelte daarvan verleende of overgedragen vergunning worden overgedragen. Artikel54 1De vergunning tot het doen van mijnbouwkundige opsporingen mag niet anders worden overgedragen dan krachtens verkregen toestemming van de minister. 2.Het schriftelijke verzoek tot overdracht van de vergunning tot opsporing moet door de beide bij de overdracht betrokken partijen worden gedaan. Het kan bij één verzoekschrift worden gedaan. 3.Het verzoek kan ook worden gedaan door een gemachtigde. De volmacht of volmachten moeten bij het verzoekschrift worden overgelegd. 4.Het verzoek om toestemming tot overdracht mag, evenals de beschikking waarbij de toestemming wordt verleend, slechts betrekking hebben op één vergunning. 5.Bij het overlijden van een van de bij de overdracht betrokken partijen vervalt, indien de toestemming nog niet is verleend, het verzoek daartoe. 6.De overdracht gaat in met de datum van de beschikking, waarbij de toestemming wordt verleend. Artikel55 1.Het verzoek om toestemming tot overdracht moet vergezeld gaan van de ter zake gevorderde stukken. In elk geval moet door overlegging van kwitanties of op andere wijze blijken, dat de aan vastrecht verschuldigde bedragen zijn betaald. 2.In het verzoekschrift moeten de beschikking waarbij de vergunning is verleend, alsmede de naam, voornamen, leeftijd en woonplaats en het beroep van de verkrijger worden vermeld. 3.Bij overdracht van vergunningen op gehuwde vrouwen moet dadelijk blijken van de toestemming van de echtgenoot, hetzij uit een door hem op het verzoekschrift gestelde en ondertekende verklaring, hetzij op andere wijze. 4.Verzoeken om toestemming tot overdracht die niet dadelijk bij de indiening geheel aan alle gestelde vereisten voldoen, worden op die grond afgewezen en mogen niet ter verbetering, wijziging of aanvulling worden teruggezonden. Kleine fouten of onduidelijkheden van ondergeschikt belang, die in de verzoeken mochten voorkomen en zonder terugzending ambtshalve kunnen worden verbeterd, leveren geen bezwaar op tegen het verlenen van de toestemming. Artikel56 1.De vergunning tot opsporing kan slechts aan één persoon of één vennootschap worden overgedragen. 2.De vergunning kan niet worden overgedragen aan een persoon of vennootschap aan wie ingevolge artikel 35 geen vergunning zou kunnen verleend. 3.De toestemming tot overdracht wordt ook geweigerd wanneer door de overdracht houder van de vergunning zou worden een persoon of vennootschap, aan wie ingevolge artikel 53 voor het betrokken onderzoekingsterrein niet opnieuw vergunning zou mogen worden verleend. 4.De toestemming tot overdracht wordt mede geweigerd indien niet door aanbieding van de kwitanties is aangetoond of indien niet op andere wijze is gebleken, dat de aan vastrecht verschuldigde bedragen zijn betaald. Artikel57 Op de beschikkingen waarbij toestemming tot overdracht van vergunningen is verleend, is van toepassing het bepaalde in artikel 40, met dien verstande, dat een afschrift van de beschikking wordt uitgereikt aan de nieuwe houder van de vergunning of zijn vertegenwoordiger. Artikel58 De houder die de vergunning heeft overgedragen, is verplicht nadat de toestemming tot overdracht is verleend het hem ingevolge artikel 40 uitgereikte afschrift van de vergunningsbeschikking aan de nieuwe houder af te geven. Artikel59 1.De beschikking waarbij een verzoek om toestemming tot overdracht van een vergunning is afgewezen, moet de gronden vermelden waarop de afwijzing berust. 2.Op die beschikking is van toepassing het bepaalde in artikel
- Artikel60 1.De vergunning wordt ingetrokken: indien niet binnen de in artikel 45 daarvoor bepaalde tijd met de opsporing is aangevangen; op vordering van de rechthebbenden op de grond of van derde belanghebbenden, indien de opsporingen worden ondernomen zonder dat jegens hen is voldaan aan de bepalingen van artikel
- 2.De vergunning kan worden ingetrokken: indien de houder van de vergunning aan een van de daarbij gestelde voorwaarden niet voldoet; hetzij voor het gehele onderzoekingsterrein, hetzij voor een gedeelte daarvan, op het verzoek van de houder van de vergunning. Dit verzoek wordt in tweevoud ingediend bij de minister. Op de beide exemplaren van het verzoekschrift worden dag en uur van de indiening aangetekend en een exemplaar wordt weer aan de verzoeker teruggegeven. Binnen drie maanden na de dag van de indiening wordt op het verzoek beschikt. Artikel61 1.De intrekking van een vergunning tot opsporing geschiedt door de minister. 2.De beschikking waarbij een vergunning wordt ingetrokken vermeldt de gronden waarop de intrekking berust en wordt, tenzij de intrekking op eigen verzoek is geschied, aan de houder van de vergunning gerechtelijk betekend. Artikel62 1.Tot de intrekking van een vergunning als bedoeld in artikel 60, eerste lid, onder a, wordt overgegaan zodra ingevolge artikel 46 is beslist dat niet tijdig met de opsporing een aanvang is gemaakt. 2.De beschikking, waarbij een vergunning ingevolge het eerste lid van dit artikel is ingetrokken, wordt bekendgemaakt in de Landscourant. Artikel63 1.Behoudens het bepaalde in het tweede lid van dit artikel wordt tot de intrekking op vordering van de rechthebbenden op de grond of van derde belanghebbenden, en om de reden dat de houder van de vergunning niet aan een van de daarbij gestelde voorwaarden heeft voldaan, niet overgegaan dan nadat de houder van de vergunning in de gelegenheid is gesteld om binnen een door de minister bepaalde termijn voor zijn belangen op te komen. 2.Wanneer wordt gebruikt gemaakt van de bevoegdheid om de vergunning in te trekken om de reden dat de houder niet heeft voldaan aan de voorwaarde, dat hij het door hem verschuldigde vastrecht op de daarvoor bepaalde tijdstippen moet voldoen, wordt de houder van de vergunning niet vooraf in de gelegenheid gesteld om voor zijn belangen op te komen. Artikel64 1.Van de beschikking waarbij een vergunning op vordering van rechthebbenden op de grond of van derde belanghebbenden is ingetrokken, wordt aan de verzoeker afschrift verleend. 2.Van de beschikking waarbij de vordering van rechthebbenden op de grond of derde rechthebbenden om intrekking van een vergunning is afgewezen, wordt zowel aan de verzoeker als de houder van de vergunning afschrift verleend. 3.De beschikkingen in dit artikel bedoeld worden bekendgemaakt in de Landscourant. Artikel65 1.Wanneer een vergunning voor een gedeelte van het onderzoekingsterrein op verzoek van de houder wordt ingetrokken, worden voor het gedeelte of de gedeelten die hij behoudt, door de minister een of meer afzonderlijke nieuwe vergunningsbeschikkingen uitgereikt overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 38, 39 en
- 2.De termijn van een nieuwe vergunning als bedoeld in het vorige lid wordt geacht te zijn ingegaan op de dag waarop de oorspronkelijke gedeeltelijk ingetrokken vergunning inging. 3.De beschikking, waarbij het verzoek van de houder van een vergunning om intrekking van zijn vergunning of van een deel daarvan is afgewezen, wordt bekendgemaakt in de Landscourant. Artikel66 1.De intrekking op verzoek van de houder van een vergunning gaat in zodra hem de beschikking houdende intrekking is uitgereikt. 2.In alle andere gevallen gaat de intrekking in op de dag, waarop de intrekkingsbeschikking aan de houder van de vergunning bij deurwaardersexploot is betekend. 3.Zodra de intrekking van een vergunning is ingegaan, moet de houder de opsporing op het onderzoeksterrein of op het gedeelte waarvoor de vergunning werd ingetrokken staken of doen staken. Artikel67 1.Bij de Afdeling Documentaire Informatievoorziening worden een of meer registers aangelegd, waarin de beschikkingen, waarbij vergunning tot opsporing is verleend, naar tijdsvolgorde worden ingeschreven met vermelding van de namen en woonplaatsen van de houders en hun vertegenwoordigers, de oppervlakten en grensomschrijvingen van de terreinen, de duur van de vergunningen en de aan de vergunningen verbonden voorwaarden. 2.In die registers worden ook alle verlengingen, overdrachten en intrekkingen van vergunningen aangetekend, alsmede alle wijzigingen in de grensomschrijvingen, de oppervlakten en de voorwaarden. 3.De in dit artikel genoemde registers zijn openbaar. HOOFDSTUKIVOver de concessies 1e.AFDELINGConcessie-aanvragen Artikel68 In deze verordening wordt onder "concessie-aanvraag" en "aanvraag om concessie" verstaan: het in het eerste lid van het volgende artikel bedoelde verzoekschrift, waarbij de ontdekker van een in de Mijnwet genoemde delfstof zijn aanspraken doet gelden en dientengevolge recht op concessie tot ontginning van de ontdekte delfstof verkrijgt. Artikel69 1.De aanspraken in artikel 2, eerste lid van de Mijnwet bedoeld worden geldend gemaakt door een schriftelijk verzoek om concessie. 2.In de concessie-aanvraag moet de aanvrager domicilie kiezen in de hoofdplaats van Sint Maarten voor de duur van de concessie. 3.Het schriftelijk verzoek om concessie moet in twee eensluidende exemplaren worden ingediend bij de minister. De exemplaren van het verzoekschrift moeten beide gezegeld zijn en gelijktijdig worden ingediend. 4.Op beide exemplaren van het verzoekschrift worden datum en uur van de indiening aangetekend en een exemplaar wordt weer aan de verzoeker teruggegeven. 5.Concessie-aanvragen per telegram gedaan worden niet in behandeling genomen. 6.De concessie-aanvraag wordt zo spoedig mogelijk na de indiening volledig in de Landscourant bekendgemaakt met vermelding van het tijdstip van de indiening. Artikel70 1.Concessie-aanvragen kunnen ook worden gedaan door een door de aanvrager bij authentieke of onderhandse akte aangestelde bijzondere gemachtigde. De volmacht moet bij de aanvraag worden overgelegd en ook uitdrukkelijk de macht inhouden om voor de lastgever in de concessie-aanvraag op de in artikel 69, tweede lid, voorgeschreven wijze domicilie te kiezen. 2.Zolang een volmacht die is overgelegd bij een concessie-aanvraag nog niet door de gemachtigde is terugontvangen, kan door deze bij de indiening van andere verzoeken voor dezelfde aanvrager worden volstaan met de overlegging van een afschrift van de volmacht onder mededeling bij welk verzoek de originele akte is overgelegd. 3.Machtiging tot het aanvragen van concessies kan door een niet in Sint Maarten gevestigde aanvrager ook worden verleend in de in de artikelen 8 en 22 bedoelde authentieke akte waarbij door hem een vertegenwoordiger is aangesteld. Artikel71 1Verschillende met dezelfde postbestelling of op andere wijze gelijktijdig bij de minister ingediende concessie-aanvragen voor één en hetzelfde terrein worden geacht alle op hetzelfde tijdstip te zijn ingediend. 2.Onder concessie-aanvragen voor een en hetzelfde terrein worden ook verstaan aanvragen voor terreinen die gedeeltelijk samenvallen. 3.Omtrent de in het eerste lid van artikel 2 van de Mijnwet bedoelde voorrang wordt ten aanzien van gelijktijdig voor een en hetzelfde terrein ingediende concessie-aanvragen beslist door de minister op de door deze te bepalen wijze. 4.Wanneer een concessie-aanvraag, die ingevolge het eerste lid van artikel 2 van de Mijnwet en dit artikel voorrang heeft, om de een of andere reden wordt afgewezen, geniet de daarop volgende aanvraag voorrang met inachtneming van de door de minister bepaalde volgorde. 5.Bij gunstige beschikking op een aanvraag die de voorrang heeft, worden alle andere aanvragen, welke volgens dit artikel moeten worden geacht voor één en hetzelfde terrein te zijn gedaan, afgewezen ook al is door die beschikking een gedeelte van het terrein waarvoor de andere aanvragen zijn gedaan, beschikbaar gebleven. Voor dat beschikbaar gebleven gedeelte wordt slechts concessie verleend nadat daarvoor een nieuwe geldige aanvraag is ingediend. Artikel72 Elke concessie-aanvraag mag slechts betrekking hebben op één aaneengesloten terrein, dat één samenhangend geheel vormt. Artikel73 1.De concessie-aanvraag moet bevatten: de naam, de voornamen en de woonplaats van de verzoeker; de benaming van de delfstof of de namen van de delfstoffen voor welke de ontginning concessie gevraagd wordt; de ligging van de ontdekte vindplaats of vindplaatsen en de grenzen, hetzij van het aangevraagde, hetzij van het bestaande concessie-terrein; den naam aan de concessie te geven of gegeven; het gekozen domicilie; het beroep en de leeftijd van de verzoeker; of de ontdekking is geschied als houder van een vergunning dan wel als concessionaris, onder opgave van datum en nummer van de vergunningsbeschikking dan wel de concessiebeschikking; de tijd waarvoor de concessie wordt aangevraagd met dien verstande dat die, ingevolge het vijfde lid van artikel 1 van de Mijnwet, 75 jaar niet mag te boven gaan. 2.Bij concessie-aanvragen van gehuwde vrouwen moet blijken van de toestemming van de echtgenoot, hetzij uit een door deze op het verzoekschrift gestelde en ondertekende verklaring, hetzij op andere wijze. Artikel74 1.Elke concessie-aanvraag moet behalve van de in het eerste lid van artikel 73 genoemde en nog overigens gevorderde stukken, vergezeld gaan van: een aantoning als bedoeld in artikel 86; een plattegrondtekening in drievoud van het aangevraagde terrein, op geen kleinere schaal dan van 1:20.000, na plaatselijke opmeting opgemaakt door de Stichting Kadaster en Hypotheekwezen Sint Maarten of een ander persoon als bedoeld in het tweede lid van dit artikel, op welke plattegrondtekening nauwkeurig moeten zijn aangegeven: de grenzen van het aangevraagd terrein; de punten, geschikt voor de afbakening van merktekens, waarvan twee opeenvolgende op niet meer dan 500 meter afstand mogen gelegen zijn; de ligging van de ontdekte vindplaats of vindplaatsen; de natuurlijke of kunstmatig aangebrachte, ter oriëntering dienende, kenbare vaste punten aan de oppervlakte; de astronomische en magnetische meridiaan. 2.Bij uitzondering kan, indien ten genoege van de minister door de aanvrager overtuigend wordt aangetoond, dat het hem onmogelijk is geweest om over de diensten van de Stichting Kadaster en Hypotheekwezen Sint Maarten te beschikken, worden volstaan met een door een ander daartoe naar het oordeel van de minister geschikte persoon verrichte plaatselijke opmeting en daarvan opgemaakte plattegrondtekening. 3.Wanneer ten genoege van deminister wordt aangetoond, dat de begrenzing van het aangevraagde terrein door vaste merktekens of anderszins onmiskenbaar is vastgelegd, behoeft de in het tweede lid, onder 2°, genoemde kaart niet alle gegevens onder a tot en met e te vermelden. 4.Wanneer ten genoege van de minister wordt aangetoond, dat de in het eerste lid van dit artikel bedoelde stukken niet tegelijk met de concessie-aanvraag kunnen worden overgelegd, wordt een termijn van maximaal zes maanden gesteld waarbinnen de aanvrager die stukken moet indienen. De gestelde termijn kan in bijzondere gevallen eenmaal met maximaal drie maanden worden verlengd. Artikel75 Bij de plaatselijke opmeting van een aan te vragen concessieterrein, bedoeld in artikel 74, eerste lid, onder 2°, moeten de grenzen van dat terrein zodanig op het terrein worden uitgezet, dat zij te allen tijde zijn terug te vinden. Artikel76 1.Concessieterreinen moeten zoveel mogelijk door rechte lijnen begrensd zijn. 2.Lijnen zonder bekend azimut getrokken mogen niet als grenzen worden aangenomen. 3.De hoekpunten van de aangevraagde concessieterreinen moeten zo worden gekozen dat ten minste een daarvan of zelf een gemakkelijk op het terrein te vinden, uit zijn aard niet aan verandering of verplaatsing onderhevig vast punt is, of ten opzichte van een dergelijk zich in de nabijheid bevindend vast punt is bepaald. Artikel77 1.Een concessie tot ontginning wordt slechts verleend aan één persoon of één vennootschap. 2.Concessies tot ontginning worden niet verleend aan: minderjarigen; onder curatele gestelden; personen of vennootschappen, die ingevolge wettelijk voorschrift van het verkrijgen van concessies tot ontginning zijn uitgesloten; naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen die volgens hun statuten het bedrijven van mijnbouw niet als doelstelling hebben; hem, die krachtens artikel 7 van de Mijnwet van zijn rechten als concessionaris vervallen is verklaard maar alleen voor zover het betreft het terrein van zijn vroegere concessie. 2eAFDELINGOverdracht van het recht op concessie Artikel78 1.Het schriftelijk verzoek om goedkeuring van een overdracht van het recht op concessie in zijn geheel, ingevolge artikel 2, tweede lid, en artikel 5, derde lid, van de Mijnwet wordt gericht aan de minister. 2.Het verzoek moet door de beide bij de overdracht betrokken partijen worden gedaan; het kan bij één verzoekschrift worden gedaan. 3.Het verzoek kan ook worden gedaan door een gemachtigde; de volmacht of volmachten moeten bij het verzoekschrift worden overgelegd. 4.Elk verzoek om goedkeuring mag slechts betrekking hebben op één concessie-aanvraag. 5.Bij het verzoek om goedkeuring tot overdracht moet, behalve de ingevolge artikel 18, tweede lid, of artikel 20 en overigens gevorderde stukken worden overgelegd het door de houder van het recht op concessie ingevolge artikel 69, derde lid, terugontvangen exemplaar van zijn concessie-aanvraag. Ook moet door overlegging van kwitanties of op andere wijze blijken, dat de aan vastrecht verschuldigde bedragen zijn betaald. 6.In het verzoekschrift moeten de naam, voornamen, leeftijd en woonplaats en het beroep van de verkrijger worden vermeld. 7.Bij overlijden van de verkrijger vervalt, indien de goedkeuring nog niet is verleend, het verzoek daartoe. 8.Bij overdracht van het recht op concessie op gehuwde vrouwen moet dadelijk blijken van de toestemming van de echtgenoot, hetzij uit een door hem op het verzoekschrift gestelde en onderteekende verklaring, hetzij op andere wijze. 9.Het recht op concessie kan slechts op één persoon of één vennootschap worden overgedragen. 10.Het recht op concessie kan niet worden overgedragen op een persoon of vennootschap aan wie ingevolge artikel 77 geen concessie zou kunnen worden verleend. 11.De goedkeuring op de overdracht wordt ook geweigerd indien niet door aanbieding van de kwitanties is aangetoond of indien niet op andere wijze blijkt, dat de aan vastrecht verschuldigde bedragen zijn betaald. Artikel79 1.De minister beschikt op het verzoek met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 26 en
- 2.Elke overdracht van het recht op concessie wordt door de minister bij afzonderlijke beschikking goedgekeurd. 3.De beschikking, waarbij de goedkeuring is verleend, wordt in de Landscourant bekendgemaakt. 4.De overdracht gaat in met de datum van de beschikking, waarbij de goedkeuring wordt verleend. 5.De beschikking waarbij een verzoek om goedkeuring van een overdracht van het recht op concessie wordt afgewezen, wordt met redenen omkleed en, onverminderd het bepaalde in artikel 27 in de Landscourant bekendgemaakt. 3eAFDELINGBehandeling van concessie-aanvragen Artikel80 1.Is de minister van oordeel dat een concessie-aanvraag niet voldoet aan de in artikel 2, eerste lid, van de Mijnwet gestelde vereisten, maar dat daaraan kan worden tegemoetgekomen door de nodige verbeteringen in de aanvraag aan te brengen, dan wordt, tenzij om andere redenen in elk geval afwijzend op de aanvraag moet worden beschikt, de aanvrager in de gelegenheid gesteld de nodige verbeteringen in zijn aanvraag aan te brengen. 2.Daartoe wordt de aanvrager onder terugzending van de concessie-aanvraag meegedeeld, dat en waarom zijn aanvraag niet aan de in artikel 2, eerste lid, van de Mijnwet gestelde vereisten voldoet, met de uitnodiging om binnen een maand nadat hem die mededeling zal zijn uitgereikt, de nodige verbeteringen in de aanvraag aan te brengen en haar daarna wederom aan de minister te doen toekomen. Voor de uitgereikte mededeling wordt door de aanvrager een gedagtekend ontvangbewijs afgegeven, terwijl voor de door hem wederom ingediende concessie-aanvraag aan hem een gedagtekend ontvangstbewijs wordt uitgereikt. 3.Het bepaalde in de vorige leden geldt ook ten aanzien van de in artikel 74 genoemde, bij de aanvraag behorende stukken 4.Voldoet de aanvrager niet aan de uitnodiging om binnen de gestelde termijn de nodige verbeteringen in zijn aanvraag aan te brengen, dan wordt zij onvoorwaardelijk afgewezen. Artikel81 Is de minister van oordeel, dat een concessie-aanvraag niet voldoet aan de in artikel 2, eerste lid, van de Mijnwet gestelde vereisten en dat daaraan ook niet kan worden tegemoetgekomen door de nodige verbeteringen in de aanvraag aan te brengen, dan wordt de concessie-aanvraag onvoorwaardelijk afgewezen. Artikel82 Is de minister van oordeel dat, ondanks dat de aanvraag aan de in artikel 2, eerste lid, van de Mijnwet gestelde vereisten voldoet, tegen het verlenen van de concessie bezwaren bestaan, waaraan door de aanvrager niet kan worden tegemoetgekomen, dan wordt de concessie-aanvraag onvoorwaardelijk afgewezen. Artikel83 Voldoet de aanvrager niet aan de uitnodiging om binnen de gestelde termijn hetzij aan de gerezen bezwaren tegemoet te komen, hetzij de nodige verbeteringen in de aanvraag of ten aanzien van de daarbij behorende stukken aan te brengen, dan wel worden de vereiste stukken niet binnen de in artikel 74, vierde lid, gestelde of verlengde termijn ingediend, dan wordt de concessie-aanvraag onvoorwaardelijk afgewezen. Artikel84 Zodra vaststaat, dat zowel de aanvraag als de daarbij behorende stukken voldoen aan alle gestelde vereisten, wordt de aanvraag, indien gedurende en naar aanleiding van de behandeling daarin wijzigingen zijn aangebracht, onder verwijzing naar de eerste openbaarmaking ingevolge artikel 69, vijfde lid, opnieuw volledig in de Landscourant openbaar gemaakt met vermelding wederom van het tijdstip van de indiening. Artikel85 Iedere belanghebbende kan binnen de tijd van drie maanden nadat een aanvraag om concessie is bekendgemaakt, voor zijn belangen opkomen en zijn bezwaren tegen het verlenen van de aangevraagde concessie schriftelijk indienen bij de minister. 4eAFDELINGHet verlenen van concessies Artikel86 Concessies worden slechts verleend voor de winning van zodanige delfstoffen, waarvan ten genoegen van de minister wordt aangetoond, dat zij binnen het mijnveld in een natuurlijke afzetting voorkomen, waaruit haar winning technisch mogelijk is. Artikel87 Concessies worden niet verleend voor ontginning in streken of terreinen, waar die, naar het oordeel van de minister, om redenen van algemeen belang niet kan worden toegelaten. Artikel88 Na de indiening van het in artikel 69 bedoelde verzoek om concessie kan de ontdekker zijn werkzaamheden op de voet van opsporingswerken voortzetten totdat hij in kennis zal zijn gesteld van de beschikking op zijn verzoek. Artikel89 Op elke concessie-aanvraag wordt door de minister afzonderlijk beschikt, met gelijktijdige beslissing omtrent de eventueel ingebrachte bezwaren. Artikel90 De beschikking waarbij de concessie verleend wordt, moet omvatten: de naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van de concessionaris; de naam van de concessie; de oppervlakte van het concessieterrein uitgedrukt in hectaren, met verwaarlozing van onderdelen; de grenzen van het concessieterrein aangeduid op de bij de beschikking behorende kaart, waarop tevens de voor de plaatsing van merktekens bestemde punten worden aangegeven, waarbij twee opeenvolgende punten op niet meer dan 500 meter afstand mogen gelegen zijn; de duur van de concessie; de naam van het gebied, dan wel de namen van de gebieden waarbinnen het concessieterrein gelegen is; het gekozen domicilie; de naam van de delfstof of de namen van de delfstoffen waarvoor concessie verleend wordt; de bijzondere voorwaarden voor zover zij nodig zijn; de datum; het bedrag van het door de concessionaris verschuldigde vastrecht en de tijdstippen waarop dat bedrag uiterlijk over het eerste concessie-jaar en verder over elk van de volgende concessiejaren moet worden voldaan; het rekeningnummer van de Landskas waarop het vastrecht en het uitvoerrecht moeten worden gestort; de aangaande ingebrachte bezwaren genomen beslissing; terwijl de concessionaris in de beschikking wordt verwezen naar artikel
- Artikel91 De beschikking waarbij concessie verleend wordt vormt met het daarin gestelde voorwaarden de akte van concessie. Artikel92 1.Elke concessiebeschikking wordt in de Landscourant volledig openbaar gemaakt. 2.Een authentiek afschrift van de beschikking wordt aan de concessionaris uitgereikt. Voor dat afschrift worden geen andere kosten in rekening gebracht dan die van het zegel. 3.Aan de concessionaris of zijn vertegenwoordiger moeten op verzoek en tegen betaling van de kosten meerdere afschriften van de concessiebeschikking, c.q. met kaart, worden uitgereikt. 5eAFDELINGAfwijzing van concessie-aanvragen Artikel93 1.De beschikking van de minister, waarbij een aanvraag om concessie wordt afgewezen, moet de gronden vermelden waarop de afwijzing berust. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 26 wordt de beschikking volledig in de Landscourant openbaar gemaakt en wordt aan de aanvrager kosteloos een volledig afschrift van de beschikking uitgereikt. Artikel94 Op aanvragen van concessies wordt afwijzend beschikt: indien de aanvrager niet voldoet aan de in de Mijnwet en deze landsverordening gestelde vereisten; indien de aanvraag niet voldoet aan de in deze landsverordening gestelde vereisten; indien de minister gebruik maakt van de bevoegdheid verleend in artikel
- Artikel95 1.Indien een concessie-aanvraag, die was ingediend op grond van een ontdekking van de wettige houder van een vergunning, wordt afgewezen, mag die houder een nieuwe concessie-aanvraag voor hetzelfde terrein of een gedeelte daarvan indienen zolang hij nog wettig houder van de vergunning is. 2.Is na de indiening van de eerste afgewezen concessie-aanvraag inmiddels de vergunning vervallen of ingetrokken, dan moeten na de afwijzing van de concessie-aanvraag de werkzaamheden op het aangevraagde terrein onmiddellijk worden gestaakt. 6e.AFDELINGGemengde bepalingen betreffende verleende concessies Artikel96 De concessie gaat in met de datum van de beschikking waarbij zij is verleend. Artikel97 Bij verschil van opvatting omtrent de loop van de grenzen van een concessieterrein beslist de minister in hoogste instantie. Artikel98 1.De minister is bevoegd om, zoveel mogelijk met inachtneming van de belangen van de concessionaris, hetzij in verband met het bepaalde in het vorige artikel, hetzij in verband met wijzigingen van officieel vastgestelde grenzen, hetzij in verband met ontdekte vergissingen of onjuistheden, hetzij naar aanleiding van door van overheidswege verrichte topografische opnemingen, nader verkregen gegevens omtrent de grenzen en de oppervlakte van een concessieterrein, na het verlenen van de concessie bij een nadere beschikking de aanvankelijk in de concessie-beschikking opgenomen grensomschrijving en oppervlakte van het concessieterrein te wijzigen. In die nadere beschikking wordt aantekening gehouden van het nieuw bedrag van het verschuldigde vastrecht en van het tijdstip waarop dat bedrag voor de eerste maal en telkens over volgende jaren uiterlijk moeten worden voldaan. 2.In de beschikking wordt de concessionaris verwezen naar artikel 240, derde lid. 3.Op de beschikkingen van de minister, houdende wijziging van de grenzen en oppervlakten van concessieterreinen, is van toepassing het bepaalde in artikel
- Artikel99 Noch de concessionarissen noch de hypothecaire of andere schuldeisers ontlenen tegenover Sint Maarten aan krachtens de artikelen 97 en 98 genomen beslissingen enige aanspraak op schadeloosstelling. HOOFDSTUKVSplitsing van concessieterreinen, verwisseling van gedeelten van aangrenzende concessieterreinen, vereniging van aan elkaar grenzende concessieterreinen en gedeeltelijke intrekking van concessies 1e.AFDELINGSplitsing, verwisseling en vereniging Artikel100 1.De splitsing van een concessieterrein in op zich zelf staande gedeelten, het verwisselen van een gedeelte van een concessieterrein met dat van een aangrenzend terrein, en het verenigen van twee of meer aan elkaar grenzende concessieterreinen tot een geheel kan slechts geschieden bij door de minister te verlenen nieuwe akten van concessie. Verzoekschriften om splitsing van een concessieterrein in op zich zelf staande gedeelten, het verwisselen van een gedeelte van een concessieterrein met dat van een aangrenzend terrein, en het verenigen van twee of meer aan elkaar grenzende concessieterreinen tot een geheel moeten worden ingediend bij de minister. 2.Betreffen de te verwisselen gedeelten van concessieterreinen of de te verenigen concessieterreinen concessies van verschillende houders, dan moeten de verzoeken daartoe worden gedaan door alle betrokken houders. Het verzoek moet in die gevallen bij één verzoekschrift worden gedaan. Artikel101 Splitsing van concessieterreinen, verwisseling van gedeelten van aangrenzende concessieterreinen en vereniging van aan elkaar grenzende concessieterreinen kunnen niet plaats hebben alvorens de bestaande concessies, waarop de splitsing, verwisseling en vereniging betrekking hebben, overeenkomstig het bepaalde in artikel 237, zijn ingeschreven. Artikel102 Splitsing van een concessieterrein en verwisseling van gedeelten van aangrenzende concessieterreinen worden slechts toegestaan indien de nieuwe concessies, die na de splitsing en de verwisseling zullen ontstaan, elk op zich zelf betrekking hebben op één aaneengesloten terrein dat een samenhangend geheel vormt. Artikel103 1.Het verzoekschrift waarbij splitsing van een concessieterrein in op zich zelf staande gedeelten wordt gevraagd, moet omvatten: de naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van de concessionaris; de naam van de bestaande concessie; de data en nummers van de concessiebeschikking en de gerechtelijke akte van concessie; de grenzen van elk van de gedeelten waarin de concessionaris het bestaande concessieterrein wenst gesplitst te zien; de namen van de nieuwe concessies; de namen van de hypothecaire of andere ingevolge artikel 184 bevoorrechte schuldeisers. 2.Het verzoekschrift betreffende de splitsing moet vergezeld gaan van: een plattegrondtekening van elk gedeelte waarin de concessionaris het bestaande concessieterrein wenst gesplitst te zien, op geen kleinere schaal dan van 1:20.000, na plaatselijke opmeting gemaakt door de Stichting Kadaster en Hypotheekwezen Sint Maarten of een ander daartoe naar het oordeel van de minister geschikte persoon, op welke plattegrondtekeningen nauwkeurig moeten zijn aangegeven: de grenzen van de nieuwe concessieterreinen; de punten geschikt voor de afbakening van nieuwe merktekens, waarvan twee opeenvolgende op niet meer dan 500 meter afstand mogen gelegen zijn; de natuurlijke of kunstmatig aangebrachte, ter oriëntering dienende, kenbare vaste punten aan de oppervlakte, voor zover het betreft elk nieuw concessieterrein; de astronomische en de magnetische meridiaan van elk nieuw concessieterrein; een of meer notariële akten waaruit blijkt, dat de hypothecaire schuldeiser of schuldeisers tegen de gewenste splitsing geen bezwaar hebben en waarin tevens de tussen de concessionaris en genoemde schuldeisers omtrent de vestiging van hypotheken op te verlenen nieuwe concessies gesloten overeenkomsten zijn opgenomen; een of meer verklaringen van de bewaarder van hypotheken in Sint Maarten, houdende opgave van de namen van hen, die blijkens de openbare registers bekend staan als houder van de betrokken concessie en als hypothecaire schuldeiser of schuldeisers. Deze verklaringen zijn vrij van zegel. 3.Ten aanzien van de in het tweede lid, onder 1°, van dit artikel bedoelde plattegrondtekeningen is van toepassing het bepaalde in het tweede lid van artikel 74 en in artikel 75; ten aanzien van de begrenzing van de nieuwe concessieterreinen, die na de splitsing zullen ontstaan, het bepaalde in artikel
- Artikel104 Het verzoek om splitsing van een concessieterrein in op zich zelf staande gedeelten met bekendstelling van de wijze waarop die splitsing zal geschieden, moet door de concessionaris op zijn kosten driemaal, telkens met een tijdsruimte van een maand, worden bekendgemaakt in de Landscourant alsmede in een door de minister aan te wijzen particulier nieuwsblad. Van de Landscourant en het particuliere nieuwsblad waarin de bekendmaking heeft plaats gehad, moet door de concessionaris een exemplaar aan de minister worden aangeboden. Artikel105 1.De krachtens artikel 184 bevoorrechte schuldeisers zijn bevoegd binnen een termijn van drie maanden na de eerste van de in artikel 104 bedoelde bekendmakingen bij tot de minister gericht verzoekschrift hun bezwaren tegen de gevraagde splitsing van een concessieterrein in te dienen. 2.Indien door een of meer van de in het eerste lid van dit artikel genoemde schuldeisers tegen de gevraagde splitsing bezwaren zijn ingebracht, wordt op het verzoek om splitsing niet beschikt dan nadat ten genoegen van de minister is aangetoond, dat de concessionaris zich met die schuldeiser of die schuldeisers heeft verstaan dan wel diens vordering of hun verordeningen heeft voldaan. Artikel106 Op een verzoek om splitsing van een concessieterrein wordt door de minister niet beschikt dan nadat tenminste een maand na de derde van de in artikel 104 genoemde bekendmakingen is verstreken. Artikel107 1.Op een verzoek om splitsing van een concessieterrein in op zich zelf staande gedeelten, dat aan de in de artikelen 100 tot en met 103 gestelde vereisten voldoet, wordt slechts afwijzend beschikt om overwegende redenen van algemeen belang. 2.Op de afwijzende beschikking is van toepassing het bepaalde in artikel
- Artikel108 1.Indien op een verzoek om splitsing van een concessieterrein in op zich zelf staande gedeelten gunstig wordt beschikt,verleent de minister voor elk gedeelte, waarin het terrein wordt gesplitst, een nieuwe concessie. 2.In elk van de beschikkingen waarbij in geval van splitsing nieuwe concessies worden verleend, wordt uitdrukkelijk vermeld, dat de nieuwe concessie wordt verleend met splitsing van de oorspronkelijke concessie inzoveel op zichzelf staande, in de beschikking bepaaldelijk te omschrijven gedeelten als de concessionaris heeft verzocht; overigens moeten die beschikkingen omvatten hetgeen in artikel 90, onder 1° tot en met 12°, is vermeld. 3.In de nieuwe concessiebeschikkingen mogen geen andere voorwaarden worden gesteld dan aan de oorspronkelijke concessie waren verbonden, tenzij op verzoek of met toestemming van de concessionaris en overigens met inachtneming van het bepaalde in artikel
- 4.De in geval van splitsing te verlenen nieuwe concessies worden verleend voor de duur, die de bestaande concessie nog te lopen had, en worden derhalve geacht te zijn ingegaan op de dag waarop die oorspronkelijke concessie inging. 5.In de nieuwe concessiebeschikkingen wordt de concessionaris verwezen naar artikel
- Artikel109 Op de beschikkingen waarbij in geval van splitsing van een concessieterrein nieuwe concessies worden verleend, is van toepassing het bepaalde in artikel 91 en
- Artikel110 Het op grond van de in geval van splitsing verleende nieuwe concessies verworven recht, wordt tegenover derden eerst als bestaand aangemerkt, nadat èn de in artikel 240 voorgeschreven openbaarmaking (inschrijving) heeft plaats gehad, en door inschrijving van de in het tweede lid, onder 2°, van artikel 103 bedoelde hypotheken uitvoering is gegeven aan hetgeen c.q. dienaangaande tussen partijen is overeengekomen. Eerst na die openbaarmaking en inschrijving zullen de in het tweede lid van artikel 240 bedoelde aantekingen mogen worden gesteld en de inschrijving of inschrijvingen van de op de oorspronkelijke concessie rustende hypotheek of hypotheken in de registers mogen worden doorgehaald. Artikel111 Binnen de tijd van een jaar na de datum van de beschikkingen, waarbij in geval van splitsing nieuwe concessies zijn verleend moet door de concessionaris worden voldaan aan de verplichting omschreven in het eerste lid, onder a en d, van artikel
- Artikel112 1.Op verzoeken betreffende het verwisselen van een gedeelte van een concessieterrein met dat van een aangrenzend concessieterrein en het verenigen van twee of meer aan elkaar grenzende concessieterreinen tot een geheel is het bepaalde in de artikelen 103 tot en met 111 van toepassing, met dien verstande dat in die artikelen voor "concessie", "concessieterrein", "concessie-beschikking" en "gerechtelijke akte" wordt gelezen "concessies", "concessieterreinen", "concessiebeschikkingen" en "gerechtelijke akten" en, indien zodanig verzoek betrekking heeft op concessies van verschillende houders, voor "concessionaris" wordt gelezen "concessionarissen", alsmede dat wat daar ten aanzien van splitsing is voorgeschreven, hier geldt voor verwisseling van gedeelten van concessieterreinen en voor vereniging van concessieterreinen. 2.Het verzoekschrift betreffende het verenigen van twee of meer aan elkaar grenzende concessieterreinen tot een geheel moet de grenzen van het nieuwe concessieterrein en de naam van de nieuwe concessie behelzen en vergezeld gaan van een plattegrondtekening van het nieuwe concessieterrein waarop de grenzen van dat terrein nauwkeurig zijn aangegeven. Overigens moeten het verzoekschrift en de daarbij over te leggen plattegrondtekening voldoen aan de voorschriften van artikel
- 3.Indien de vereniging van twee of meer aan elkaar grenzende concessieterreinen betrekking heeft op concessies van twee of meer verschillende houders, dan moet het verzoek om vereniging worden gedaan door alle betrokken concessionarissen en daarin worden vermeld aan wie van hen zij wensen dat de nieuwe concessie zal worden verleend. 4.Indien op een verzoek om vereniging van twee of meer aan elkaar grenzende concessieterreinen tot een geheel gunstig wordt beschikt, verleent de minister aan de houder van de oorspronkelijke concessies waarvan de terreinen worden vereenigd, één nieuwe concessie voor het verenigde terrein. Heeft de vereniging van twee of meer aan elkaar grenzende concessieterreinen betrekking op concessies van twee of meer verschillende houders, dan wordt de nieuwe concessie verleend aan hem, die in het verzoek om vereniging door de betrokken concessionarissen als houder van de te verlenen nieuwe concessie is aangewezen. 5.De in geval van verwisseling van gedeelten van aangrenzende concessieterreinen te verlenen nieuwe concessies worden verleend voor de duur, die de bestaande concessies nog te lopen hadden, en worden derhalve geacht te zijn ingegaan op de dag waarop de betrokken oorspronkelijke concessies ingingen. 6.De in geval van vereniging van aan elkaar grenzende concessieterreinen te verlenen nieuwe concessie wordt verleend voor de kortste duur die een van de bestaande concessies nog te lopen had en wordt derhalve geacht te zijn ingegaan op de dag waarop laatstbedoelde concessie inging. 2eAFDELINGGedeeltelijke intrekking Artikel113 Het schriftelijk verzoek van een concessionaris om gedeeltelijke intrekking van zijn concessie moet worden gericht aan de minister. Artikel114 1.Gedeeltelijke intrekking van een concessie kan niet plaatsvinden alvorens de concessie overeenkomstig het bepaalde in artikel 237 is ingeschreven. 2.Zij wordt slechts toegestaan indien het gedeelte van het concessieterrein, dat de concessionaris wenst te behouden, bestaat uit een aaneengesloten terrein dat een samenhangend geheel vormt. Artikel115 1.Het verzoekschrift waarbij gedeeltelijke intrekking van een concessie wordt gevraagd, moet omvatten: de naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van de concessionaris; de naam van de bestaande concessie; de data en nummers van de concessiebeschikking en de gerechtelijke akte van concessie; de grenzen van het gedeelte van het concessieterrein waarvoor de concessionaris intrekking verzoekt en van het gedeelte dat hij wenst te behouden; de naam van de nieuwe concessie; de namen van de hypothecaire of andere ingevolge artikel 184 bevoorrechte schuldeisers. 2.Het verzoekschrift moet vergezeld gaan van: een plattegrondtekening van het gedeelte van het concessieterrein dat de concessionaris wenst te behouden, op geen kleinere schaal dan van 1:20.000, na plaatselijke opmeting opgemaakt door de Stichting Kadaster en Hypotheekwezen Sint Maarten of een ander daartoe naar het oordeel van de minister geschikte persoon, op welke plattegrondtekening nauwkeurig moeten zijn aangegeven: de grenzen van het terrein, dat de concessionaris wenst te behouden; de punten, geschikt voor de afbakening van nieuwe merktekens, waarvan twee opeenvolgende op niet meer dan 500 meter afstand mogen gelegen zijn; de natuurlijke of kunstmatig aangebrachte, ter oriëntering dienende, kenbare vaste punten aan de oppervlakte; de astronomische en de magnetische meridiaan van het nieuwe concessieterrein; een of meer notariële akten waaruit blijkt, dat de hypothecaire schuldeiser of schuldeisers tegen de gevraagde gedeeltelijke intrekking geen bezwaar hebben en waarin tevens de tussen de concessionaris en genoemde schuldeisers omtrent de vesting van hypotheken op de te verlenen nieuwe concessie gesloten overeenkomsten zijn opgenomen; een of meer verklaringen van de bewaarder van de hypotheken in Sint Maarten, houdende opgave van de namen van hen, die blijkens de openbare registers bekend staan als houder van de betrokken concessie en als hypothecaire schuldeiser of schuldeisers. Deze verklaringen zijn vrij van zegel. 3.Wanneer ten genoegen van de minister wordt aangetoond, dat de begrenzing van het aangevraagde terrein door vaste merktekens of anderszins onmiskenbaar is vastgelegd, behoeft de in het tweede lid, onder 1°, genoemde kaart niet alle gegevens onder a tot en met d te vermelden. 4.Ten aanzien van de in het tweede lid, onder 1°, van dit artikel bedoelde plattegrondtekening is van toepassing het bepaalde in het tweede lid van artikel 74 en in artikel 75, en ten aanzien van de begrenzing van het nieuwe concessieterrein, dat na de gedeeltelijke intrekking zal ontstaan, het bepaalde in artikel
- Artikel116 Het verzoek om gedeeltelijke intrekking van een concessie moet door de concessionaris op zijn kosten driemaal, telkens met een tijdruimte van een maand, worden bekendgemaakt in de Landscourant, alsmede in een door de minister aan te wijzen particulier nieuwsblad. Van de Landscourant en het particuliere nieuwsblad, waarin de bekendmaking heeft plaats gehad, moet door de concessionaris een exemplaar aan de minister worden aangeboden. Artikel117 1.De krachtens artikel 184 bevoorrechte schuldeisers zijn bevoegd binnen een termijn van drie maanden na de eerste van de in artikel 116 bedoelde bekendmakingen bij tot de minister gericht verzoekschrift hun bezwaren tegen de gevraagde gedeeltelijke intrekking van een concessie in te dienen. 2.Indien door een of meer van de in het eerste lid van dit artikel genoemde schuldeisers tegen de gevraagde gedeeltelijke intrekking bezwaren zijn ingebracht, wordt op het verzoek om gedeeltelijke intrekking niet beschikt dan nadat ten genoegen van de minister is aangetoond, dat de concessionaris zich met die schuldeiser of die schuldeisers heeft verstaan dan wel diens vordering of hun vorderingen heeft voldaan. Artikel118 Op een verzoek om gedeeltelijke intrekking van een concessie wordt door de minister niet beschikt dan nadat tenminste een maand na de derde van de in artikel 116 genoemde bekendmakingen is verstreken. Artikel119 1.Op een verzoek om gedeeltelijke intrekking van een concessie, dat aan de in de artikelen 113 tot en met 115 gestelde vereisten voldoet, wordt slechts afwijzend beschikt om overwegende redenen van algemeen belang. 2.Op de afwijzende beschikking is van toepassing het bepaalde in artikel
- Artikel120 1.Indien op een verzoek om gedeeltelijke intrekking van een concessie gunstig wordt beschikt, verleent de minister voor het terrein, dat de concessionaris wenst te behouden een nieuwe concessie. 2.In de beschikking waarbij in geval van gedeeltelijke intrekking een nieuwe concessie wordt verleend, wordt uitdrukkelijk vermeld dat de nieuwe concessie wordt verleend met intrekking van de oorspronkelijke concessie; overigens moet de beschikking omvatten hetgeen in artikel 90, onder 1° tot en met 12°, is vermeld. 3.In de nieuwe concessiebeschikking mogen geen andere voorwaarden worden gesteld dan aan de oorspronkelijke concessie waren verbonden, tenzij op verzoek of met toestemming van de concessionaris en overigens met inachtneming van het bepaalde in artikel
- 4.De in geval van gedeeltelijke intrekking te verlenen nieuwe concessie wordt verleend voor de duur, die de bestaande concessie nog te lopen had, en wordt derhalve geacht te zijn ingegaan op de dag waarop die oorspronkelijke concessie inging. 5.In de nieuwe concessiebeschikking wordt de concessionaris verwezen naar artikel
- Artikel121 Op de beschikking waarbij in geval van gedeeltelijke intrekking een nieuwe concessie wordt verleend, is van toepassing het bepaalde in de artikelen 91 en
- Artikel122 Het op grond van de in geval van gedeeltelijke intrekking verleende nieuwe concessie verworven recht wordt tegenover derden eerst als bestaand aangemerkt nadat èn de in artikel 240 voorgeschreven openbaarmaking (inschrijving) heeft plaats gehad èn door inschrijving van de in het tweede lid, onder 2°, van artikel 115 bedoelde hypotheken uitvoering is gegeven aan hetgeen c.q. dienaangaande tussen partijen is overeengekomen. Eerst na die openbaarmaking en inschrijving zullen de in het tweede lid van artikel 240 bedoelde aantekeningen mogen worden gesteld en de inschrijving of inschrijvingen van op de oorspronkelijke concessie rustende hypotheek of hypotheken in de registers mogen worden doorgehaald. Artikel123 Binnen de tijd van een jaar na de datum van de beschikking waarbij in geval van gedeeltelijke intrekking van een concessie een nieuwe concessie is verleend, moet door den concessionaris worden voldaan aan de verplichting omschreven in het eerste lid, onder a en d, van artikel
- HOOFDSTUKVIHet verlenen van concessies na openbare mededinging Artikel124 Indien een naar het oordeel van de minister voor ontginning in aanmerking komende delfstofafzetting ontdekt is ten gevolge van een van overheidswege ingesteld onderzoek, wijst de minister, behoudens de rechten van derden, het terrein aan, waarbinnen geen concessie wordt verleend dan na openbare mededinging, onverminderd de bevoegdheid van de overheid om daarin zelf mijnontginning te ondernemen. Artikel125 Artikel 124 is van toepassing op naar het oordeel van de minister voor ontginning in aanmerking komende delfstofafzettingen totontginning ge waarvan en aanspraken op concessie overeenkomstig artikel 2 van de Mijnwet, geldend kunnen gemaakt worden en die niet vallen in de termen van het eerste lid van laatstgenoemd artikel. Artikel126 De beschikking, waarbij krachtens artikel 124 door de minister het terrein wordt aangewezen waarbinnen geen concessie wordt verleend dan na openbare mededinging, wordt openbaar gemaakt in de Landscourant. Artikel127 1.In geval van openbare mededinging wordt de concessie toegewezen aan hem die het hoogste bedrag in geld aanbiedt, mits de minister van oordeel is, dat tegen zijn toelating geen bezwaar bestaat. 2.Leidt de openbare mededinging tot geen resultaat dan wordt, voor zover daartoe termen bestaan en niet onderhands concessie is of wordt verleend, het volgens de artikelen 124 en 125 gereserveerde terrein weer opengesteld voor opsporingen. Artikel128 Indien naar het oordeel van de minister een niet tengevolge van een van overheidswege ingesteld onderzoek ontdekte delfstofafzetting voor ontginning in aanmerking komt, tot ontginning waarvan geen aanspraken op concessie, overeenkomstig de Mijnwet en deze verordening, geldend kunnen gemaakt worden, wordt de beschikking waarbij in verband daarmee krachtens artikel 125 door de minister het terrein wordt aangewezen, waarbinnen geen concessie wordt verleend dan na openbare mededinging, openbaar gemaakt in de Landscourant. Artikel129 1.In een terrein als bedoeld in de artikelen 126 en 128 worden ingevolge het eerste lid, onder a van artikel 174 en in verband met het bepaalde in artikel 176 geen opsporingen toegelaten totdat voor dat terrein concessie is verleend of het terrein weer voor opsporing wordt opengesteld. 2.De beschikking, waarbij een terrein als bedoeld in de artikelen 126 en 128, krachtens het tweede lid van artikel 127 en met toepassing van het bepaalde in artikel 176, voor zover daartoe termen bestaan door de minister weer voor opsporingen wordt opengesteld, wordt openbaar gemaakt in de Landscourant. Artikel130 De beschikking, waarbij door de minister de gelegenheid wordt opengesteld om na openbare mededinging concessie te verkrijgen voor de winning van de in de beschikking genoemde delfstof of delfstoffen in een nauwkeurig aangeduid concessieterrein, overeenkomende met of gelegen binnen en een overeenkomstig artikel 126 of artikel 128 aangewezen terrein wordt volledig in de Landscourant openbaar gemaakt. Ten aanzien van de omvang van het terrein is van toepassing het bepaalde in artikel
- Artikel131 1.De mededinging op de voet van het eerste lid van artikel 127 naar een concessie als bedoeld in artikel 130 geschiedt bij een openbare inschrijving;de door de minister bepaalde dag, uur en plaats van de inschrijving en de door de minister vastgestelde voorwaarden worden in de Landscourant bekendgemaakt en voor zover nodig ook in een of meer particuliere nieuwsbladen aangekondigd. 2.Tot het houden van de openbare inschrijving wordt eerst overgegaan nadat vaststaat, dat in verband met de uitslag van de in artikel 130 genoemde bekendmaking geen redenen van algemeen belang zich tegen het verlenen van de concessie verzetten. Artikel132 1.Niet geldig zijn inschrijvingsbiljetten van personen of vennootschappen, die ingevolge artikel 77 geen houders van concessies kunnen zijn. 2.De beschikking betreffende de toewijzing wordt in de Landscourant volledig openbaar gemaakt. Artikel133 Hij aan wie de concessie is toegewezen is verplicht: de som, waarvoor door hem is ingeschreven binnen de in de voorwaarden van de inschrijving vastgestelde termijn ineens in de Landskas te storten; binnen een termijn van zes maanden na de datum van het nummer van de Landscourant waarin de beschikking ingevolge het tweede lid van artikel 132 is openbaar gemaakt bij de minister in te dienen: een verklaring waarbij door hem overeenkomstig het tweede lid van artikel 69 domicilie wordt gekozen, met vermelding van de aan de concessie te geven naam; een plattegrondtekening, die voldoet aan het bepaalde in het eerste lid, onder 2°, van artikel
- Artikel134 1.Nadat binnen de gestelde termijnen aan het bepaalde in artikel 133 is voldaan, wordt de concessie door de minister verleend aan hem, aan wie zij definitief is toegewezen. De artikelen 90, 91, 92 en 143 zijn van overeenkomstige toepassing. 2.De definitieve toewijzing vervalt onvoorwaardelijk indien niet binnen de gestelde termijnen aan het bepaalde in artikel 133 is voldaan. De beschikking van de minister, waarbij daarvan aantekening wordt gehouden, wordt in de Landscourant openbaar gemaakt. HOOFDSTUKVIIOver de omvang, waarvoor vergunningen tot opsporing en concessies tot ontginning kunnen worden verkregen Artikel135 De vergunning tot opsporing word verleend voor een veld, dat zich binnen de verticale projectie van het terrein, aangeduid in de beschikking, waarbij vergunning wordt verleend, tot een onbepaalde diepte uitstrekt. Artikel136 1.Elk tot het doen van opsporingen aan te vragen terrein mag behoudens het bepaalde in het tweede lid van dit artikel geen grotere oppervlakte hebben dan 3.000 hectaren. Aanvragen voor een grotere omvang worden onvoorwaardelijk afgewezen. 2.Indien in het belang van een doelmatige begrenzing, dit door de minister nodig wordt geoordeeld, kan aan een aanvrager, behoudens de rechten en aanspraken van anderen, vergunning worden verleend voor een grotere omvang dan door hem is aangevraagd en mag ook het in het eerste lid van dit artikel genoemde maximum worden overschreden, maar alleen voor zover dat strikt noodzakelijk is met het oog op de begrenzing. 3.Ieder kan in een of meer gebieden zoveel onderzoekingsterreinen krijgen, ook door overdracht, als hij zelf wenst en beschikbaar zijn, mits elk terrein op zich zelf niet groter is dan het in dit artikel genoemde maximum. Artikel137 Concessies tot ontginning worden verleend voor een mijnveld, dat zich binnen de verticale projectie van het in de concessiebeschikking aangeduide terrein tot in onbepaalde diepte uitstrekt. Artikel138 Behoudens het bepaalde in artikel 140 en behalve in het geval van artikel 139 worden geen concessies verleend voor een grotere omvang van elk concessieterrein op zich zelf, dan van 1.000 hectaren. Artikel139 1.Indien, in het belang van een doelmatige begrenzing of van een behoorlijke ontginning dit door de minister nodig wordt geoordeeld kan aan de ontdekker, behoudens de rechten en aanspraken van anderen, concessie worden verleend voor een grotere omvang dan door hem is aangevraagd of kunnen in het concessieterrein aangrenzende gronden begrepen worden, die buiten het onderzoekingsterrein liggen. 2.Een authentiek afschrift van de beschikking wordt aan de concessionaris uitgereikt. Artikel140 De omvang van concessieterreinen, ontstaan door verwisseling van gedeelten van aangrenzende terreinen of door vereniging van twee of meer aan elkaar grenzende concessieterreinen, mag het in artikel 138 genoemde maximum overschrijden. HOOFDSTUKVIIIOver de voorwaarden, waaronder vergunning tot opsporing en concessies tot ontginning kunnen worden verkregen 1eAFDELINGAlgemene bepalingen Artikel141 1.De voorwaarden die aan de vergunning worden verbonden, moeten tot het strikt noodzakelijke worden beperkt en mogen in geen geval bepalingen inhouden die strijdig zijn met of uitbreiding geven aan de voorschriften van de Mijnwet en deze landsverordening. 2.In elke vergunningsbeschikking wordt als voorwaarde gesteld dat de houder bij het gebruik maken van het hem verleende recht de bepalingen van de Mijnwet, de wettelijke voorschriften tot uitvoering van die wet en de bij de vergunning gestelde voorwaarden moet in acht nemen, in het bijzonder dat hij het door hem verschuldigde vastrecht op de daarvoor bepaalde tijdstippen moet voldoen. 3.De in dit artikel bedoelde voorwaarden mogen, zolang de vergunning van kracht is, niet worden gewijzigd of met nieuwe uitgebreid dan op verzoek of met toestemming van de houder van de vergunning. 4.Op de beschikkingen, houdende wijziging of uitbreiding van de voorwaarden van een vergunning, of afwijzing van een daartoe strekkend verzoek, is van toepassing het bepaalde in artikel
- Artikel142 Aan een verlenging of bij de toestemming tot overdracht van de vergunning mogen geen nieuwe of gewijzigde voorwaarden worden verbonden dan op verzoek of met toestemming van de houder van de vergunning. Artikel143 De voorwaarden die in de concessie-beschikking worden gesteld moeten tot het strikt noodzakelijke worden beperkt. Artikel144 1.De voorwaarden, die in de concessiebeschikking zijn gesteld, mogen nadat de concessie is verleend, niet worden gewijzigd of met nieuwe uitgebreid dan op verzoek of met toestemming van de concessionaris. 2.Op de beschikkingen van de minister houdende wijziging of uitbreiding van de voorwaarden van concessies is van toepassing het bepaalde in artikel
- 3.In die beschikkingen wordt de concessionaris verwezen naar artikel 240, derde lid. 2eAFDELINGOver de heffing van vastrecht Artikel145 1.Het vastrecht van vergunningen tot opsporing en van ontdekkers die na het verstrijken van de vergunningstermijn hun werkzaamheden op de voet van opsporingswerken voortzetten, wordt geheven over vergunningsjaren en voor iedere vergunning afzonderlijk berekend naar de oppervlakte van het opsporingsterrein zoals deze door de minister in de vergunningsbeschikking (artikel 38, eerste lid, onder b) is vastgesteld of ingevolge het bepaalde in artikel 44, eerste lid, is gewijzigd. 2.Het wegens vastrecht verschuldigde bedrag moet steeds in zijn geheel worden voldaan. Artikel146 1.Het vastrecht over het eerste vergunningsjaar moet uiterlijk binnen drie maanden, gerekend van de datum van beschikking waarbij de vergunning is verleend, worden voldaan. 2.Over volgende vergunningsjaren moet het vastrecht uiterlijk op de laatste dag voor de aanvang van elk vergunningsjaar worden voldaan. Artikel147 1.Ten aanzien van vergunningen, die hetzij op verzoek, hetzij ingevolge het bepaalde in artikel 60, eerste lid, onder a en b, en het tweede lid, onder a, voor het gehele opsporingsterrein worden ingetrokken, is het vastrecht verschuldigd over alle vergunningsjaren die vóór de datum van de beschikking tot intrekking zijn ingegaan. 2.Mocht over enig jaar dat is ingegaan na de datum van de beschikking, waarbij een vergunning is ingetrokken, het vastrecht reeds zijn betaald, dan wordt het te veel betaalde, als onverschuldigd, aan de rechthebbende zo spoedig mogelijk terugbetaald. Artikel148 1.Wanneer een vergunning voor een gedeelte van het opsporingsterrein op verzoek van de houder wordt ingetrokken, is het vastrecht berekend over de gehele oppervlakte van het oorspronkelijke opsporingsterrein verschuldigd over alle vergunningsjaren, die voor de datum van de beschikking tot de gedeeltelijke intrekking zijn ingegaan. 2.Het vastrecht berekend over het gedeelte of de gedeelten, die de vergunninghouder, wiens vergunning op verzoek voor een gedeelte van het opsporingsterrein is ingetrokken, behoudt, is voor de eerste maal verschuldigd over het vergunningsjaar dat ingaat op of na de datum van de beschikking tot gedeeltelijke intrekking en moet voor het eerst uiterlijk binnen drie maanden na de datum van de nieuwe vergunningsbeschikking of de nieuwe vergunningsbeschikkingen, bedoeld in artikel 65, tweede lid, worden voldaan. 3.Mocht over enig jaar dat is ingegaan na de datum van de beschikking, waarbij een vergunning voor een gedeelte van het opsporingsterrein is ingetrokken, het vastrecht reeds over de gehele oppervlakte zijn voldaan dan wordt het te veel betaalde als onverschuldigd aan de rechthebbende zo spoedig mogelijk terugbetaald. Artikel149 1.Wordt de oppervlakte van een opsporingsterrein krachtens het bepaalde in artikel 44, eerste lid, gewijzigd, dan geschiedt de berekening van het wegens vastrecht verschuldigde bedrag naar het gewijzigde aantal hectaren van de oppervlakte van het opsporingsterrein, voor de eerste maal over het vergunningsjaar, volgende op dat waarin de wijziging heeft plaatsgevonden. 2.Heeft de in het eerste lid van dit artikel bedoelde wijziging van het aantal hectaren van de oppervlakte plaats op een tijdstip waarop het over het daarop volgende vergunningsjaar verschuldigd vastrecht reeds mocht zijn voldaan, dan moet, indien het gewijzigde cijfer een grotere oppervlakte van het opsporingsterrein aangeeft dan aanvankelijk was aangenomen, hetgeen meer aan vastrecht verschuldigd is uiterlijk op de laatste dag van de derde maand volgende op die waarin de wijziging heeft plaats gehad, worden bijbetaald, terwijl indien het gewijzigde cijfer een kleinere oppervlakte aangeeft, het te veel betaalde aan de rechthebbende zo spoedig mogelijk wordt terugbetaald. De datum waarop de bijbetaling uiterlijk moet geschieden, wordt vermeld in de beschikking waarbij de wijziging plaatsvindt. 3.In de in het tweede lid van dit artikel bedoelde beschikking wordt eveneens vermeld het gewijzigde bedrag van het vastrecht en van het tijdstip waarop dat uiterlijk voor de eerste maal moet worden voldaan. Artikel150 1.Sint Maarten heft van iedere vergunning tot opsporing en van elke ontdekker, die opsporingswerken voortzet overeenkomstig artikel 88 een jaarlijks, ieder jaar bij vooruitbetaling te voldoen, vastrecht, evenredig aan de oppervlakte van het opsporingsterrein en ten bedrage van NAƒ 0,05 per hectare. 2.Sint Maarten heft van iedere concessie een jaarlijks, ieder jaar bij vooruitbetaling te voldoen, vastrecht, evenredig aan de oppervlakte van het concessie-terrein en ten bedrage van NAƒ 0,25 per hectare. 3.Restitutie van gedane betalingen wegens verschuldigd vastrecht vindt niet plaats. Artikel151 Van elke ontdekker, die opsporingswerken voortzet overeenkomstig artikel 88 nadat de tijd waarvoor zijn vergunning was verleend of verlengd is verstreken en voordat een beschikking is gevolgd op zijn concessie-aanvraag, wordt vastrecht geheven alsof zijn vergunning nog van kracht was en wel over alle vergunningsjaren, die ingaan vóór de datum van de beschikking op zijn concessie-aanvraag. Artikel152 1.Van elke ontdekker, die reeds houder is van een concessie tot ontginning op het betrokken terrein van een andere dan de door hem ontdekte delfstof, wordt een jaarlijks vastrecht geheven, evenredig aan de oppervlakte van het door hem aangevraagde concessie-terrein, ten bedrage van NAƒ 0,05 per hectare, en wel van het tijdstip waarop hij een aanvraag om concessie tot winning van de door hem ontdekte delfstof heeft ingediend tot het tijdstip waarop een beschikking op die aanvraag wordt genomen. 2.Wanneer de concessie-aanvraag van de ontdekkerconcessionaris voldoet aan de gestelde vereisten dan wordt een beschikking opgemaakt, waarin worden vermeld: de oppervlakte van het aangevraagde concessieterrein; het bedrag van het verschuldige vastrecht; de tijdstippen waarop het vastrecht voor de eerste maal, en wel uiterlijk binnen drie maanden gerekend van de datum van de beschikking, en verder elk jaar bij vooruitbetaling moet worden voldaan; het rekeningnummer van de Landskas waarop het vastrecht moet worden gestort. 3.Van de beschikking wordt behalve aan de ontdekkerconcessionaris een afschrift gezonden aan de Ontvanger. Artikel153 Als belastingschuldige ten aanzien van het vastrecht van vergunningen en ontdekkers is aan te merken hij die houder van de vergunning of van het recht op concessie is op het tijdstip dat die belasting uiterlijk moet worden voldaan. Artikel154 Zodra de houder van een vergunning langer dan drie maanden achterstallig is met de betaling van het door hem verschuldigde vastrecht wordt de vergunning onmiddellijk ingetrokken, onverminderd de bevoegdheid om bij niet-voldoening van het vastrecht op het daarvoor bepaalde tijdstip, reeds eerder tot die intrekking over te gaan. Artikel155 1.De minister verstrekt aan de Ontvanger binnen acht dagen na afloop van elke maand opgaven betreffende de gedurende de afgelopen maand verleende, verlengde, overgedragen en, hetzij voor het gehele opsporingsterrein, hetzij voor een gedeelte daarvan, ingetrokken vergunningen alsmede betreffende alle vergunningen waarvan de oppervlakte overeenkomstig het bepaalde in artikel 44 gedurende die maand is gewijzigd en welke ingevolge de artikelen 41 en 42 moeten geacht worden niet te zijn verleend. 2.In de opgaven moeten worden vermeld: de data en nummers van de desbetreffende beschikkingen; de namen van de houders van de vergunningen waarvan vastrecht verschuldigd is; de bedragen van het verschuldigde vastrecht alsmede de vergunningsjaren waarover die bedragen verschuldigd zijn; de tijdstippen waarop het vastrecht over elk vergunningsjaar uiterlijk moet worden voldaan. Artikel156 De Ontvanger verstrekt met het oog op het bepaalde in artikel 154 binnen acht dagen na afloop van elke maand aan de minister opgaven van de vergunningen waarvan het verschuldigde vastrecht, dat in de loop van die maand moest zijn betaald, niet is voldaan. Artikel157 In de kwitanties voor van vergunningen en door ontdekkers betaald vastrecht moet behalve van de namen van de belastingschuldigen, ook melding worden gemaakt van het belastingjaar waarop de betaling betrekking heeft. Artikel158 1.Het vastrecht van concessies wordt geheven over concessiejaren en voor iedere concessie afzonderlijk berekend naar de oppervlakte van het concessie-terrein zoals deze door de minister is vastgesteld of ingevolge artikel 98 is gewijzigd. 2.Het wegens vastrecht verschuldigde bedrag moet steeds in zijn geheel worden voldaan. 3.Over het eerste concessie-jaar moet het vastrecht uiterlijk op de laatste dag van de derde maand volgend op die waarin de concessie is aangevangen worden voldaan. 4.Over de volgende concessie-jaren moet het vastrecht uiterlijk op de laatste dag voor de aanvang van elk concessie-jaar worden voldaan. 5.In de beschikking waarbij een concessie wordt verleend, worden ingevolge artikel 90 vermeld: de oppervlakte van het concessie-terrein uitgedrukt in hectaren, met verwaarlozing van onderdelen; het bedrag van het vastrecht en van de tijdstippen waarop dat bedrag overeenkomstig dit artikel uiterlijk over het eerste concessie-jaar en verder elk jaar over volgende concessie-jaren moet worden voldaan; het rekeningnummer van de Landskas waarop het vastrecht moet worden gestort. Artikel159 1.Ingeval: een concessie-terrein in op zich zelf staande gedeelten wordt gesplitst, een gedeelte van een concessie-terrein met dat van een aangrenzend concessie-terrein wordt verwisseld, twee of meer aan elkaar grenzende concessie-terreinen tot een geheel worden verenigd; een concessie op verzoek van de concessionaris gedeeltelijk wordt ingetrokken; de oppervlakte van een concessie-terrein bij beschikking van de minister krachtens artikel 98 wordt gewijzigd; is het vastrecht, berekend naar de oppervlakte van de concessie-terreinen, zoals die is vastgesteld in de beschikkingen van de minister welke op de splitsing, verwisseling, vereniging, gedeeltelijke intrekking of wijziging van de oppervlakte betrekking hebben, voor de eerste maal verschuldigd over het jaar (concessie-jaar), dat na de datum van die beschikkingen ingaat. 2.Het vastrecht van de concessies, waarop de in het eerste lid van dit artikel bedoelde beschikkingen betrekking hebben, moet voor de eerste maal uiterlijk worden voldaan op de laatste dag van de derde maand volgend op die waarin de splitsing, verwisseling, vereniging, gedeeltelijke intrekking of wijziging van de oppervlakte heeft plaats gehad. 3.Heeft de splitsing, verwisseling, vereniging, gedeeltelijke intrekking of wijziging van de oppervlakte van concessies plaats op een tijdstip, waarop het over het daarop volgende jaar (concessie-jaar) verschuldigde vastrecht van de oorspronkelijke oppervlakte reeds mocht zijn voldaan, dan moet hetgeen meer aan vastrecht verschuldigd is, uiterlijk worden bijbetaald op de laatste dag van de derde maand volgend op die waarin de splitsing, verwisseling, vereniging, gedeeltelijke intrekking of wijziging van de oppervlakte heeft plaats gehad, terwijl het teveel betaalde aan de rechthebbende zo spoedig mogelijk wordt terugbetaald. De datum waarop de bijbetaling uiterlijk moet geschieden, wordt in de desbetreffende beschikkingen van de minister, bedoeld in de artikelen 98, 108, 112 en 120, vermeld. Ingevolge de evengenoemde artikelen worden in die beschikkingen ook vermeld de bedragen van het verschuldigdevastrecht en van de tijdstippen waarop die bedragen voor de eerste maal en telkens over volgende jaren uiterlijk moeten worden voldaan. Artikel160 1.Bij niet-voldoening van het vastrecht voor of op de in deze verordening voorgeschreven tijdstippen, verbeurt de concessionaris een boete van 1% van het door hem verschuldigde bedrag voor elke maand achterstand, waarbij een gedeelte van een maand voor een volle maand wordt gerekend. 2.In de kwitanties voor betaald vastrecht, moet behalve van de namen van de belastingschuldigen en van de concessies, ook melding worden gemaakt van het concessie-jaar, waarop de betaling betrekking heeft. Artikel161 Als belastingschuldigen ten aanzien van het vastrecht en als aansprakelijk voor de deswege verschuldigde boetes is aan te merken, hij die concessionaris is op het tijdstip dat die belasting uiterlijk moet worden voldaan. 3deAFDELINGHet mijnrecht of de mijnbelasting Artikel161A 1.De houder van een concessie is over de door hem gewonnen delfstoffen mijnbelasting verschuldigd. 2.De mijnbelasting bedraagt ten minste 25% en ten hoogste 10% van de waarde van de gewonnen delfstoffen. 3.De minister stelt, bij het verlenen van de concessie, het percentage van de mijnbelasting vast, rekening houdende met de aard van de delfstoffen, alsmede met de gesteldheid van het terrein waarbinnen de omstandigheden waaronder en de wijze waarop de ontginning zal moeten plaats vinden. 4.De mijnbelasting kan op naar tijdvakken wisselende percentages worden vastgesteld. 5.Indien de houder van de concessie ten genoegen van de minister aantoont, dat de ontginning over het afgelopen jaar, als gevolg van bij de aanvang van de concessie niet te voorziene omstandigheden, verlies heeft opgeleverd, kan de minister de over dat jaar verschuldigde of betaalde belasting gedeeltelijk kwijtschelden of teruggeven. Artikel161B Naast het vastrecht als bedoeld in de vorige afdeling van dit hoofdstuk is de houder van een concessie aan Sint Maarten verschuldigd: hetzij uitsluitend een daarbij overeen te komen belasting over de gewonnen delfstoffen; hetzij naast zodanige belasting of in plaats van belasting, een daarbij overeen te komen aandeel in de met de ontginning behaalde winst. Artikel161C 1.Onder de waarde van de gewonnen delfstoffen wordt voor de berekening van de mijnbelasting verstaan de handelswaarde van die delfstoffen opde plaats van de winning. 2.Behoudens het bepaalde in het derde lid van dit artikel strekt de werkelijke verkoopprijs van de delfstoffen, al dan niet nadat deze een bewerking hebben ondergaan, tot grondslag voor de berekening van de handelswaarde. 3.Indien de werkelijke verkoopprijs niet geacht kan worden op normale wijze tot stand te zijn gekomen, strekt de wereldmarktprijs, indien deze bestaat, en anders de geschatte verkoopwaarde tot grondslag voor de berekening van de handelswaarde. Artikel161D 1.Indien belasting verschuldigd is, wordt vóór het einde van elk kalenderjaar, voor het daarop volgende kalenderjaar, de handelswaarde per eenheid product en per concessiehouder voorlopig vastgesteld. 2.Als voorlopige handelswaarde per eenheid product wordt aangemerkt de verkoopprijs als bedoeld in het tweede lid van het vorige artikel: die definitief voor het voorlaatste kalenderjaar werd vastgesteld volgens onderstaande regels; of die gedurende het lopende kalenderjaar werd behaald; of die voor het komende kalenderjaar vermoedelijk zal gelden. 3.Op basis van de voorlopig vastgestelde handelswaarde vindt de heffing van de belasting in het komende kalenderjaar plaats. 4.Binnen tien maanden na afloop van dat kalenderjaar wordt aan de hand van de uitkomsten van het ontginningsbedrijf van de concessiehouder gedurende dat jaar de handelswaarde per eenheid product over dat kalenderjaar definitief vastgesteld. 5.Voor het eerste kalenderjaar of het nog overblijvende gedeelte daarvan zal van een ontginning als voorlopige handelswaarde per eenheid product worden aangemerkt de vermoedelijke verkoopprijs als bedoeld in het tweede lid van het vorige artikel, die voor het mijnproduct in dit tijdvak zal gelden. 6.De vaststelling van de voorlopige en de definitieve handelswaarde geschiedt bij beschikking van de Inspecteur der Douane. Een afschrift van de beschikking wordt per aangetekende brief toegezonden of tegen schriftelijk ontvangstbewijs uitgereikt aan de concessiehouder of zijn vertegenwoordiger. 7.De concessiehouder is tegenover de Landskas aansprakelijk voor de belasting. Artikel161E 1.De concessiehouder is verplicht zijn boekhouding in te richten volgens door de Inspecteur der Douane te stellen regels en hij is gehouden desgevraagd aan de door de Inspecteur der Douane aan te wijzen ambtenaren of deskundigen inzage te verlenen van boeken of andere bescheiden die tot staving van zijn aangifte kunnen dienen. 2.Binnen acht dagen na afloop van elke maand doet de concessiehouder aangifte bij de Inspecteur der Douane van de gedurende die maand geleverde producten en betaalt hij de belasting berekend naar de voorlopig vastgestelde handelswaarde aan de Ontvanger onder overlegging van een afschrift van de aangifte. 3.Binnen acht dagen na de dagtekening van de beschikking waarbij de handelswaarde over enig jaar definitief werd vastgesteld betaalt de concessiehouder de te weinig betaalde belasting aan de Ontvanger. 4.De bepalingen van de Landsverordening houdende regeling van de invordering van belastingen, bijdragen en vergoedingen door middel van dwangschriften, alsmede van rechtspleging inzake van belastingen, bijdragen en vergoedingen zijn van overeenkomstige toepassing op de invordering of de navordering van de belasting. 5.De Landskas heeft voor de belasting recht van voorrang gaande boven alle andere bestaande voorrechten daaronder begrepen pand en hypotheek op alle roerende en onroerende goederen van de belastingschuldige. Artikel161F 1.Tegen de vaststelling van de voorlopige of de definitieve handelswaarde kan binnen drie maanden na dagtekening van de beschikking een met reden omkleed beroepschrift worden ingediend bij de Raad van Beroep voor belastingzaken. 2.De Inspecteur der Douane is belast met de uitvoering van de beslissingen van de Raad van Beroep. Artikel161G Gedurende vijf jaren na de dagtekening van de beschikking waarbij de handelswaarde definitief werd vastgesteld kan de niet of te weinig betaalde belasting worden nagevorderd. Artikel161H 1.Indien de concessiehouder opzettelijk geen of te weinig verschuldigde belasting betaalt, is artikel 154 van overeenkomstige toepassing. 2.Bij niet tijdige voldoening van de belasting is artikel 160 van overeenkomstige toepassing. Artikel161I Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere regels tot uitvoering van de artikelen 161A tot en met 161H worden vastgesteld. HOOFDSTUKIXOver de rechten en verplichtingen die uit de vergunningen tot opsporing en de concessies tot ontginning voortvloeien Artikel162 1.De vergunning tot het doen van opsporingen geeft de houder, met uitsluiting van ieder ander, het recht om overeenkomstig de voorschriften van de Mijnwet en van deze verordening, en de bij de vergunning gestelde voorwaarden, in het onderzoekingsveld alle werkzaamheden te verrichten, nodig tot opsporing van de in artikel 1 van de Mijnwet genoemde delfstoffen of met als doel om de aard van de aangetroffen delfstofafzettingen en van de daarin voorkomende delfstoffen te beoordelen. 2.Over de door hem verkregen delfstoffen mag de opspoorder, behoudens de rechten van anderen, vrijelijk beschikken. 3.Hetgeen in de artitkelen 164, 165 en 166 bepaald is omtrent concessionarissen en ontginningen is eveneens van toepassing op houders van vergunningen tot het doen van opsporingen en door hen verrichte opsporingen. Artikel163 1.De concessie geeft de concessionaris overeenkomstig de voorschriften van deze landsverordening en op de in de akte van concessie gestelde voorwaarden, binnen het mijnveld het uitsluitend recht tot het winnen van de in die akte genoemde delfstoffen en tot de aanleg van alle daartoe benodige werken, zowel op als onder de grond; dit recht strekt zich mede uit tot binnen het mijnveld gelegen oude ertshopen van vroegere ontginningen of opsporingen. 2.Delfstoffen genoemd in artikel 1 van de Mijnwet, die niet in de akte van concessie zijn genoemd, mogen door de concessionaris, tenzij hij tot de winning daarvan een nadere concessie heeft verkregen, niet gewonnen worden, dan voor zover, ter beoordeling van de minister, de samenhang van die delfstoffen met de in de akte van concessie genoemde haar gelijktijdige winning onvermijdelijk maakt. Heeft een ander in hetzelfde mijnveld een concessie voor de winning van die delfstoffen, dan moet de overeenkomstig dit lid gewonnen hoeveelheid daarvan op diens vordering, tegen vergoeding van de kosten van voortbrenging aan hem worden afgestaan. Artikel164 1.De concessionaris is verplicht tot volledige vergoeding van alle schade door de onderneming aan de rechthebbenden op of belanghebbenden bij de bovengrond en hetgeen daartoe behoort toegebracht, onverschillig of ontginningswerken al dan niet daaronder hebben plaats gehad, of de schade door een opzettelijke daad van hem veroorzaakt is of niet, dan wel of zij al of niet had kunnen worden voorzien. 2.Is de schade door twee of meer ontginningen veroorzaakt, dan zijn de concessionarissen daarvan gemeenschappelijk en wel tot gelijke delen tot vergoeding van de schade gehouden, onverminderd het recht om onderling terug te vorderen wat elk dientengevolge meer mocht hebben bijgedragen dan zijn aandeel in de schade bedraagt. Evenwel zal het aan de rechthebbenden op of belanghebbenden bij de bovengrond vrijstaan om, het bewijs leverende dat de verhouding van concessionarissen wat betreft elk aandeel in de toegebrachte schade anders is dan die van gelijke delen, dienovereenkomstig hun vordering tot schadevergoeding in te richten. 3.De verplichting tot vergoeding strekt zich niet uit tot schade aan gebouwen of inrichtingen tot stand gekomen op een tijdstip dat het gevaar, waarmee die door de ontginning bedreigd worden, de rechthebbenden op of belanghebbenden bij de bovengrond bij gewone opmerkzaamheid niet onbekend had kunnen blijven. Behoort, tengevolge van het door de ontginning veroorzaakte gevaar, de oprichting van zodanige werken boven de grond achterwege te blijven, dan kunnen rechthebbenden op of belanghebbenden bij de bovengrond daaraan geen aanspraak op schadevergoeding wegens waardevermindering ontlenen, indien blijkt, dat hun geopenbaard voornemen om zodanige werken op te richten kennelijk slechts het ontvangen van schadevergoeding ten doel heeft. Artikel165 1.Wanneer het nodig is dat de werkzaamheden van naburige ontginningen in onderling verband worden verricht en de concessionarissen dienaangaande niet tot overeenstemming kunnen komen, zijn ze gehouden zich te gedragen naar de regelingen, ter zake door de minister te treffen. 2.De concessionaris is aansprakelijk voor de schade, die hij aan een naburige ontginning toebrengt. Artikel166 De aanspraak op schadeloosstelling als in de artikelen 163 en 164 bedoeld, voor zover zij niet gegrond is op een overeenkomst, verjaart door verloop van drie jaar, te rekenen van de dag, waarop de schade aan de belanghebbende bekend is. Artikel167 1.De concessionaris is verplicht: binnen de tijd van twee jaren na de datum van de beschikking waarbij de concessie is verleend of van de beschikking waarbij de loop van de concessiegrenzen krachtens de artikelen 98, 100 of 114 is gewijzigd, de begrenzing van het concessieterrein dienovereenkomstig af te bakenen door plaatsing op de daarvoor in de desbetreffende beschikking of op de daarbij behorende kaart aangegeven punten,van goed gefundeerde stenen of ijzeren merktekens, waarop ten minste 1,50 meter boven de begane grond de letters M. C. alsmede de beginletters van ieder in de naam van de concessie voorkomend woord zijn aangebracht; op daartoe van overheidswege gedane aanzegging en binnen de tijd, op de wijze en op de plaatsen, voor elk geval aangegeven, ter nadere aanwijzing van de grenzen van het concessieterrein merktekens op andere punten dan de onder a bedoelde aan te brengen; de merktekens in behoorlijke staat te onderhouden; de merktekens, vervallen wegens wijziging van de loop van de concessiegrenzen, binnen de tijd van een jaar na de datum van de wijzigingsbeschikking, maar niet alvorens de in verband met de wijziging nodige nieuwe merktekens zijn aangebracht, te verwijderen. 2.De minister is bevoegd voor en namens de nalatige concessionaris en op diens kosten en risico de merktekens overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid van dit artikel, te doen plaatsen, onderhouden en verwijderen. Artikel168 1.De concessionaris is bevoegd om de plaatselijke leiding van de ontginning en daarmee in verband staande werkzaamheden aan een beheerder van de onderneming op te dragen. 2.De beheerder van de onderneming moet door of vanwege de concessionaris worden voorzien van een schriftelijke volmacht, waarin zijn bevoegdheden duidelijk zijn omschreven; de volmacht moet telkens op verzoek aan de bestuurs en de met het toezicht belaste ambtenaren worden getoond. 3.De concessionarissen en vertegenwoordigers van concessionarissen zijn verplicht aan de minister opgave te doen van de naam en de woonplaats van de beheerder van elke onderneming, binnen 30 dagen nadat diens aanstelling heeft plaats gehad. Deze bepaling is ook van toepassing op tijdelijk vervangende en waarnemende beheerders. Artikel169 Onder de aanleg binnen het mijnveld van werken als bedoeld in artikel 163 nodig tot het winnen van de in de concessiebeschikking genoemde delfstoffen wordt verstaan de uitvoering van alle opsporings- en ontginningswerken, zowel op als onder de grond, en van al hetgeen ten dienste daarvan strekt, zoals: de aanleg van stapel-, opslag- en scheepplaatsen, van los- en laadhoofden en aanlegplaatsen voor schepen, van land- en waterwegen, met inbegrip van spoorwegen, van machine-installaties, van verzamelplaatsen van water en andere vloeistoffen, van buis- en andere leidingen, van was-, sorterings- en reinigingsinrichtingen en van smeltovens; de plaatsing van merktekens tot afbakening en van de concessiegrenzen; de oprichting van tot uitvoering van het mijnbouwbedrijf en tot huisvesting, voeding of verpleging van de werklieden bestemde gebouwen en inrichtingen; het aanbrengen van toe- en afvoerwegen van lucht; de oprichting van magazijnen voor springmiddelen en de toegangswegen daarheen en van inrichtingen tot fabricage van cokes en briketten indien die ter plaatste van de kolenontginning worden opgericht; alsmede de aanleg en uitvoering van alle andere voor het bedrijf nodige werken waaromtrent in geval van twijfel door deminister wordt beslist dat zij vallen onder de in artikel 163 genoemde werken. Artikel170 1.De concessionaris is bevoegd om buiten zijn concessieterrein hulpwerken aan te leggen. Hij is ook bevoegd tot die aanleg binnen het mijnveld van een andere concessionaris, voor zover die hulpwerken waterlozing of luchtverversing dan wel voordeliger uitoefening van zijn eigen mijnbouwbedrijf ten doel hebben en het mijnbouwbedrijf van die andere concessionaris daardoor belemmerd noch met gevaar bedreigd wordt. 2.Betwist de concessionaris, binnen wiens mijnveld het hulpwerk van een andere concessionaris zou moeten worden aangelegd, zijn verplichting om die aanleg te gedogen, dan mag daartoe pas worden overgegaan nadat de minister ter zake beslist en verlof tot de aanleg verleend heeft. 3.De concessionaris, die enig hulpwerk binnen het mijnveld van een andere concessionaris aanlegt, is verplicht tot volledige vergoeding van alle schade door die aanleg aan dat mijnveld en de daarin voorkomende werken toegebracht. 4.De delfstoffen gewonnen bij de aanleg van hulpwerken worden, voor zover de concessionaris, door wie die werken ten behoeve van zijn bedrijf zijn aangelegd, die behoudt, beschouwd als een deel van de opbrengst van de door hem gedreven mijnontginning. 5.De delfstoffen, gewonnen bij de aanleg van hulpwerken binnen het mijnveld van een andere concessionaris, moeten aan deze op zijn verlangen kosteloos worden afgegeven voor zover hem concessie is verleend voor de winning van die delfstoffen. 6.Het hulpwerk wordt beschouwd als één geheel uit te maken met het mijnveld ten behoeve waarvan het is aangelegd of, indien het ten behoeve van meer dan één mijnveld is aangelegd en de betrokken concessionarissen daaromtrent niet anders zijn overeengekomen, als deel van die verschillende mijnvelden. Artikel171 1.Over de door de concessionaris bij zijn ontginning gewonnen, niet in artikel 1 van de Mijnwet genoemde delfstoffen, mag door hem zonder enige vergoeding aan de rechthebbende op de grond vrijelijk worden beschikt evenwel uitsluitend ten behoeve van zijn bedrijf. Wint de concessionaris die delfstoffen bij zijn bedrijf en beschikt hij daarover niet uitsluitend ten behoeve van zijn bedrijf, dan moet door hem voor die beschikking aan de rechthebbende op de grond schadevergoeding worden betaald dan wel is de rechthebbende op de grond bevoegd te vorderen, dat aan hem de gewonnen hoeveelheid delfstoffen door de concessionaris tegen vergoeding van de kosten van voortbrenging wordt afgestaan. 2.Het bepaalde in het eerste lid van dit artikel is ook van toepassing op de daar bedoelde delfstoffen, gewonnen bij de aanleg van hulpwerken. Artikel172 Onder de kosten van voortbrenging, bedoeld in artikel 171 en in artikel 163, tweede lid, zijn, behalve die van winning, ook de kosten van transport tot de plaats van levering begrepen. HOOFDSTUKXOver de rechten en verplichtingen van de rechthebbenden op de grond en van derde belanghebbenden, voor het geval ten behoeve van opsporingen of ontginningen over de grond moet worden beschikt en van naburige concessionarissen onderling EERSTEAFDELINGAlgemene bepalingen Artikel173 De rechthebbenden op de grond en derde belanghebbenden zijn gehouden het doen van opsporingen in de grond te gedogen: mits zij door de houder van de vergunning vooraf, onder vertoon van de vergunning of een authentiek afschrift daarvan, in kennis gesteld zijn met diens voornemen tot het doen van opsporingen en met de plaats waar die zullen geschieden; tegen vooraf genoten of vooraf verzekerde schadeloosstelling. Artikel174 Opsporingen worden niet toegelaten: in terreinen of gebieden, gereserveerd hetzij voor opsporing of ontginning van overheidswege, hetzij voor de uitgifte van een concessie na openbare mededinging volgens de artikelen 124 tot en met 133; in terreinen, binnen welke aan anderen vergunning tot het doen van opsporingen is verleend, zolang zij ingevolge die vergunning een aanspraak op concessie geldend kunnen maken; in terreinen of gebieden door de minister om redenen van algemeen belang voor opsporingen gesloten. Artikel175 1.Opsporingen, die zich binnen het onderzoekingsveld uitstrekken tot een mijnveld waarvoor aan een ander concessie is verleend, mogen binnen dat mijnveld slechts worden verricht ten aanzien van delfstoffen voor de winning waarvan nog geen concessie is verleend. 2.De concessionaris is verplicht, desgewenst tegen vooraf genoten of vooraf verzekerde schadeloosstelling, het doen van opsporingen in zijn mijnveld door een ander te gedogen, mits de beheerder van de onderneming tweemaal 24 uur voor de aanvang van die opsporingen op de voet van artikel 173, onder a, door de houder van de vergunning met diens voornemen daartoe wordt in kennis gesteld. 3.De schadeloosstelling dan wel de te stellen zek