LANDSVERORDENING op de in-, uit- en doorvoerHOOFDSTUK1Algemene Bepalingen Artikel1 Voor de toepassing van deze landsverordening wordt verstaan onder: binnenland: Sint Maarten; buitenland: tenzij anders is bepaald, al hetgeen buiten Sint Maarten is gelegen; rechten: zowel invoerrechten als accijnzen; ambtenaren: elke ambtenaar der Douane; Inspecteur: de Inspecteur der Douane; [vervallen] Inspectie: de dienst der Douane; aangifte: de specifieke aangifte bedoeld in artikel 54; schip: elk vaartuig, onder welke benaming ook bekend, alsmede elk luchtvaartuig; lichters: vaartuigen, waarin uit binnengekomen schepen goederen worden overgezet; visitatie: het onderzoek van de goederen; verificatie: de grondige opneming van de samenstelling, hoedanigheid en hoeveelheid van de goederen; roeiing: de bepaling van de inhoud van een lichaam uit de afmetingen of door waterijking; peiling: de bepaling van de gedeeltelijke inhoud van een lichaam uit de afmetingen; invoeren: het brengen in het vrije verkeer, voor zover dit, behoudens voor wat betreft de toepassing van de artikelen 97 en 98 van deze landsverordening, geschiedt in Sint Maarten, zowel rechtstreeks uit het buitenland, als na voorafgaande opslag in entrepot; wettelijke regelingen: de wettelijke regelingen inzake de douane alsmede de wettelijke bepalingen waarin de ambtenaren der Douane zijn aangewezen als toezichthoudend ambtenaar; gebouwen: bouwwerken alsmede onroerende tanks en de daarbij behorende leidingen; besloten terreinen: terreinen die door gebouwen dan wel door muren, schuttingen of dergelijke afsluitingen van de openbare weg zijn afgescheiden; erf: het onmiddellijk aan een woning of ander gebouw gelegen, daarbij behorende en daarmee in gebruik zijnde terrein; minister: Minister van Justitie; Hoofd: Hoofd Fiscale Zaken; woning: tot bewoning bestemde ruimte die gevormd wordt door een slaapplaats en alle vertrekken en overdekte ruimten die daarmee samen één geheel vormen. Tot bewoning bestemde gedeelten van vervoermiddelen worden niet aangemerkt als woning. Artikel2 1.De bepalingen omtrent de in-, uit- en doorvoer zijn toepasselijk op alle goederen, die zich bevinden binnen het gebied van Sint Maarten. 2.De invoerrechten en accijnzen zijn verschuldigd als de goederen in Sint Maarten worden ingevoerd. Artikel3 In de termijnen, in deze landsverordening bepaald, worden zaterdagen, zondagen en de krachtens artikel 23 van de Arbeidsregeling genoemde feestdagen niet meegerekend. Artikel4 1.De gewone diensttijd voor de dienst der Douane is van 07:00 uur tot 12:00 uur en van 13:00 tot 16:00 uur. 2.De kantooruren worden geregeld bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen. Artikel5 De kosten van dienstverlening door de ambtenaren ter uitvoering van deze landsverordening of van andere wettelijke regelingen op de in-, uit- endoorvoer en accijnzen: buiten de gewone diensttijd; op zaterdagen, zondagen en de krachtens artikel 23 van de Arbeidsregeling met de zondag gelijkgestelde dagen; op andere plaatsen dan in artikel 11 genoemd; bij verrichtingen op verzoek en ten gerieve van belanghebbenden; bij werkzaamheden in een entrepot, of in een bergplaats onder genot van krediet voor accijnzen; komen ten laste van belanghebbenden en worden berekend naar een tarief, daarvoor bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, vast te stellen. Dienovereenkomstig betaalde gelden worden in de Landskas gestort. Artikel6 Onverminderd de bepalingen van deze landsverordening zijn op de in-, uit- en doorvoer van accijnsgoederen ook toepasselijk de bepalingen van de bijzondere verordeningen op de accijnzen. Artikel7 Onverminderd de bepalingen in deze landsverordening zijn op de invoer van goederen de regels gesteld in de Landsverordening tarief van invoerrechten van toepassing tenzij anders bepaald. Artikel8 1.De minister stelt de modellen vast van akten van inklaring, vrachtlijsten, doorvoerlijsten en het Enig Document alsmede van alle andere documenten en stukken, krachtens deze landsverordening op te maken. 2.Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden regels gesteld ten aanzien van het gebruik van het Enig Document en kan een vergoeding worden vastgesteld, tegen betaling waarvan de in het eerste lid bedoelde documenten en overige stukken verkrijgbaar zijn. Artikel9 Buiten Sint Maarten gevestigde stoomvaartmaatschappijen zijn verplicht bij ondertekende, gezegelde verklaring, te deponeren ter Inspectie, domicilie in Sint Maarten te kiezen voor alles wat de uitvoering van deze verordening of van andere wettelijke regelingen omtrent de in-, uit- en doorvoer en de accijnzen betreft. Bij gebreke daarvan worden zij geacht voor gemelde doeleinden domicilie te hebben gekozen ter Inspectie. Artikel10 [vervallen] HOOFDSTUKIIInvoer Artikel11 1.Behoudens vergunning door de Inspecteur op schriftelijke aanvraag voor elk bijzonder geval te verlenen, onder zodanige voorwaarden als hij wenselijk zal achten, mogen in Sint Maarten geen goederen worden ingevoerd anders dan: te water: in Philipsburg; door de lucht: op de door de minister aan te wijzen vliegvelden; over land: langs de grensovergangen Illidge Road, Union Road, Oyster Pond, Lowlands Road en Concordia. 2.De in het eerste lid bedoelde vergunning wordt niet verleend, wanneer zich onder de lading accijnsgoederen bevinden. Artikel11A [vervallen] EERSTE AFDELING Inklaring Artikel12 1.Binnen zes uur na aankomst van een schip moet de schipper het schip inklaren bij de daartoe door de Inspecteur aangewezen ambtenaar, onder vertoning van de scheepspapieren en van de ladingspapieren van alle goederen, die zich in het schip bevinden, onverschillig of die goederen al dan niet aan invoerrecht of accijns onderworpen zijn. 2.Schepen, die binnen zes uur vóór de sluitingstijd van het kantoor zijn aangekomen, kunnen en schepen, na de sluitingstijd van het kantoor aangekomen, moeten worden ingeklaard op de eerstvolgende kantoordag vóór 10:00 uur. 3.Indien de inklaring wordt verlangd buiten de kantoortijd of op krachtens de Arbeidsregeling met de zondag gelijkgestelde dagen, wordt aan dat verlangen voldaan. Artikel13 De Inspecteur is bevoegd de inklaring terstond na aankomst van een schip te vorderen. Indien daaraan niet wordt voldaan, zal het schip worden bewaakt. Artikel14 1.Van de inklaring wordt een akte in tweevoud opgemaakt, te ondertekenen door de schipper en de ambtenaar tot inklaring, houdende de naam van de schipper; de naam, het domicilie, de tonnenmaat, de plaatsen van inlading en de plaats van bestemming van het schip; de lijst van alle ingeladen goederen met vermelding van de soort volgens de algemene handelsbenaming; het aantal, de soort en de merken van de colli en losse voorwerpen of wel, dat de goederen gestort zijn en alsdan van dezelfde hoeveelheid. 2.Voor schepen, in ballast aangekomen, vervangt de vermelding van die omstandigheid de opgave van de goederen. 3.De inklaring kan ook geschieden door overhandiging van een dubbel van de manifesten en de cognossementen, in welk geval in de akte, met beknopte omschrijving van de aan een exemplaar daarvan te hechten stukken en vermelding van het aantal, daarnaar wordt verwezen. Artikel15 De akte van inklaring wordt aangezuiverd door lossing van de daarin vermelde goederen, overeenkomstig de bepalingen van deze landsverordening. Artikel16 1.De goederen, die bij de inklaring worden opgegeven als onbekend of onder de algemene benaming van koopmanschappen zullen worden gelood, verzegeld, of bewaakt tot bij de lossing op behoorlijke aangifte door de belanghebbenden, desnoods na bezichtiging, of tot de opslag onder beheer van de Inspectie op de voet van de zevende afdeling van dit hoofdstuk. 2.De loden of zegels zullen niet op de fusten of emballages, maar op de luiken van het schip en op alle verdere toegangen tot de plaats, alwaar aan boord de goederen zich bevinden, zoveel nodig worden gesteld, indien de omstandigheden dit in het belang van de handel ter beoordeling van de Inspecteur wenselijk maken. Artikel17 De schippers van de in het binnenland thuis behorende vissersvaartuigen, van de visvangst terugkerende, zijn niet onderworpen aan inklaring, zo zij niets anders aan boord hebben dan vis, de zaken, tot uitoefening van hun bedrijf behorende en de scheepsprovisie, die geacht worden tot verbruik aan boord door de bemanning te dienen, doch wel aan visitatie, waartoe zij van hun aankomst terstond en vóór alle lossing aan de politie moeten kennis geven. Artikel18 1.Behoudens het recht van visitatie zijn aan inklaring niet onderworpen: in het binnenland thuis behorende jachten en pleziervaartuigen, en zodanige vreemde vaartuigen, die tot erkende jachtclubs behoren, behalve wanneer passagiers of koopmansgoederen worden vervoerd; sleepboten, mits geen andere goederen aan boord hebbende dan de gewone scheepsprovisie; loodsvaartuigen; oorlogsschepen, behalve wanneer koopmansgoederen worden vervoerd die niet tot gebruik van de officieren en verdere bemanning bestemd zijn. 2.Aan stoomschepen, die alleen binnenkomen om post af te geven of in te nemen en aan die, welke alleen binnenkomen om kolen in te laden, kan door de Inspecteur vrijstelling van inklaring worden verleend en dit voor elk bijzonder geval. 3.In de in het vorig lid bedoelde gevallen zal steeds bewaking worden toegepast en zullen de schippers gehouden zijn, zo dikwijls dit door of namens de Inspecteur wordt verlangd, de ladingspapieren te tonen. 4.De binnenkomst van de in het eerste lid, onder a, bedoelde vaartuigen dient onverwijld te worden gemeld aan een door de Inspecteur aangewezen ambtenaar. Artikel19 1.Indien goederen aan de kusten worden geborgen of opgevist, afkomstig uit gestrande of verongelukte schepen of uit nood in zee geworpen, moeten degenen die dit verrichten of het toezicht er over hebben, daarvan zo spoedig mogelijk kennis geven aan de ambtenaren. 2.Geen goederen zullen als strandgoederen worden erkend, die, anders dan na aankomst en met medeweten van de ambtenaren, verder landwaarts mochten zijn gebracht dan waar zij tegen verdere beschadiging van het water zijn bevrijd. 3.Wanneer goederen uit schepen, op de kusten gestrand of verongelukt, in vaartuigen overgenomen zijn, zullen de schippers van die vaartuigen, die aan dezelfde verplichtingen als inkomende zeeschippers onderworpen zijn, de goederen moeten brengen naar een van de plaatsen in artikel 11 vermeld en van hun aankomst terstond vóór alle lossing aan de Inspecteur kennis geven. 4.De aard en de hoeveelheid van de goederen zal in elk geval zodra mogelijk ten overstaan van de ambtenaren worden onderzocht en van de bevinding door hen proces-verbaal worden opgemaakt. Artikel20 1.De goederen in het vorige artikel bedoeld, kunnen worden gesteld onder het medetoezicht van de Inspectie op kosten van de rechthebbenden. Deze zijn bevoegd tot wederuitvoer, vrij van alle invoerrechten en accijnzen, binnen de door de Inspecteur te bepalen tijd en desgevorderd onder zekerheidstelling. 2.Indien de goederen niet binnen de bepaalde tijd zijn wederuitgevoerd of wanneer zij niet onder het medetoezicht van de Inspectie zijn gesteld, zullen zij voor het invoerrecht en de accijns worden gelijkgesteld met ingevoerde goederen. 3.Indien zich onder de goederen zodanige bevinden, waarvan de invoer is verboden, wordt daarmee gehandeld als bij de zevende afdeling van dit hoofdstuk bepaald. Artikel21 1.Voor zover blijkt, dat strandgoederen zijn geladen geweest in schepen, van een van de plaatsen, in artikel 11 bedoeld, vertrokken, doch op de uitreis verongelukt en dat invoerrecht en accijns zijn betaald, zullen de goederen vrij zijn van invoerrecht en accijns en wat de accijns betreft, beschouwd worden als niet uitgevoerd te zijn geweest. 2.Voor doorgevoerde goederen, die niet weer worden uitgevoerd, zullen de invoerrechten en accijnzen verschuldigd zijn. Artikel22 1.Schepen, naar elders bestemd, die binnenvallen uit nood of om orders, kunnen met dezelfde lading vertrekken zonder betaling van invoerrecht of accijns, doch zal inmiddels plombering, verzegeling of bewaking worden toegepast. Wanneer het geheel of een gedeelte van de lading bestemd wordt tot lossing om niet weer te worden ingenomen, zullen de gewone bepalingen toepasselijk zijn. 2.Wanneer die schepen uit een van de plaatsen, in artikel 11 genoemd, vertrokken zijn, zullen de goederen voor zover blijkt, dat zij in bedoelde plaatsen in de schepen zijn geladen geweest en invoerrecht en accijns zijn betaald, vrij zijn van invoerrecht en accijns en zullen overigens de gewone bepalingen van toepassing zijn. Artikel23 Omtrent de inklaring en verdere behandeling van reisbagage en passagiersgoed en de invoer van handelsmonsters en kleine pakken tijdschriften worden de nodige voorschriften vastgesteld bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen. TWEEDE AFDELING Lossing Artikel24 1.De lossing kan slechts geschieden op werkdagen van 06:00 uur tot 18:00 uur. Op andere dagen en uren slechts met vergunning van de Inspecteur. 2.De lossing moet geschieden in Sint Maarten in de haven; de ligplaats van de schepen wordt nader aangewezen door de Havenmeester in overleg met de Inspecteur. 3.In bijzondere gevallen kan de Inspecteur vergunnen om elders te lossen, in welk geval de lading gedurende de reis naar de bijzondere losplaats onder verzegeling of bewaking kan worden gesteld en de kosten van bewaking en toezicht door de ambtenaren ten laste van belanghebbende komen. Deze vergunning wordt niet verleend voor accijnsgoederen. Artikel25 Met de lossing mag niet worden aangevangen dan in tegenwoordigheid of met medeweten van de ambtenaren belast met de visitatie. Artikel26 Indien de lossing van enig schip niet is volbracht binnen tweemaal 24 uur na de inklaring, zal bewaking toegepast worden. Artikel27 1.Vóór alle lossing zal aangifte moeten geschieden en overigens gehandeld worden zoals bij de vijfde afdeling is voorgeschreven. 2.In het geval, bedoeld in artikel 16, zal de lossing van die goederen kunnen plaats hebben op een consent na een voorlopige aangifte, waarin de goederen zijn omschreven met al zodanige bijzonderheden als de aangever bekend zijn. Artikel28 1.Vóór alle lossing kan vergunning worden verzocht tot herstel van een abuis, dat bij de inklaring mocht zijn begaan. 2.De Inspecteur zal door middel van aantekening op de akte van inklaring herstel toestaan, wanneer het abuis naar zijn oordeel niet aan frauduleuze oogmerken is toe te schrijven. Artikel29 1.Geen schipper zal, buiten onvermijdelijke noodzakelijkheid in het geval van storm of andere onvoorziene omstandigheden, zijn lading geheel of gedeeltelijk mogen overzetten in lichterschepen zonder consent van de Inspecteur. 2.De lichterschepen en hun lossing zijn aan gelijk toezicht onderworpen, als de schepen, waaruit gelicht wordt. Artikel30 1.Wanneer iemand verlangt goederen van boord van een oorlogsschip aan de wal te brengen, is hij verplicht daarvan vooraf aangifte te doen overeenkomstig de vijfde afdeling van dit hoofdstuk met gelijktijdige betaling van de wegens die goederen verschuldigde invoerrechten en accijnzen. 2.Eerst na betaling wordt tot de lossing overgegaan; deze mag niet geschieden zonder voorkennis van de ambtenaren, aan wie de kwitanties van betaalde belasting moeten worden getoond.
- Overigens zijn de bepalingen van de vijfde, zesde en zevende afdeling van dit hoofdstuk toepasselijk. DERDE AFDELING Inklaring met vrachtlijsten Artikel31 1.In plaats van de inklaring, op de wijze in artikel 14 bepaald, kunnen de schippers bij de inklaring een of meer door hen ondertekende vrachtlijsten inleveren voor alle goederen, die zich in het schip bevinden. 2.In dit geval wordt in de akte van inklaring, met vermelding van het aantal, naar de daaraan te hechten vrachtlijsten verwezen, en gelden overigens de bepalingen van deze en de volgende afdeling. Artikel32 1.De vrachtlijsten moeten voor elke partij goederen vermelden: het volgnummer; de soort van de goederen volgens de algemene handelsbenaming; de soort, het aantal, de merken en de nummers van de colli of losse voorwerpen, of wel dat de goederen gestort zijn; het bruto gewicht of de kubieke maat: de laatste echter alleen voor goederen, die in de handel naar die maatstaf worden verkocht, of waarvoor de ladingspapieren geen andere maatstaf vermelden. 2.Geschillen over de vraag, of goederen al of niet gestort zijn, worden beslist door de Inspecteur. 3.Verschillende merken kunnen alleen dan in één partij bijeen worden vermeld, wanneer de colli van dezelfde soort zijn en goederen van één soort inhouden. 4.Voor colli, die verschillende soorten van goederen inhouden, behoeft alleen de soort te worden genoemd, die het grootste gedeelte van de inhoud uitmaakt, mits daarbij wordt vermeld: “en andere goederen”. Goederen, aan accijns onderworpen, worden echter altijd met name genoemd. Artikel33 De goederen mogen in de vrachtlijsten niet als onbekend of onder de algemene benaming van koopmanschappen worden aangegeven, tenzij de schippers de soort daarvan niet kennen en ladingspapieren geen aanwijzing daaromtrent bevatten. De ladingspapieren moeten ten bewijze daarvan aan de ambtenaren worden getoond zo dikwijls zij dit verlangen. Artikel34 1.Wanneer de goederen, waarvan de soort in de vrachtlijsten vermeld is, in de handel gewoonlijk per stuk of bij de maat verkocht worden, kan in het eerste geval het aantal stuks en in het tweede geval de hoeveelheid volgens de gebruikelijke maat worden opgegeven. 2.Ook behoeft het gewicht of de kubieke maat niet te worden opgegeven van colli, die volgens benaming, herkomst en handelsgebruik vrijwel dezelfde inhoud hebben. 3.De hoeveelheid van de goederen kan ook in vreemd gewicht of vreemde maat worden uitgedrukt. 4.Zijn de schippers niet in staat, om de hoeveelheid van de goederen volgens artikel 32, onder d, of dit artikel op te geven, dan vermelden zij dit in de vrachtlijsten. Het tweede lid van het vorige artikel is van toepassing. Artikel35 De vrachtlijsten worden naar keuze van de schippers in de Nederlandse, Spaanse, Engelse, Italiaanse, Duitse of Franse taal, doch steeds in het Nederlandse letterschrift ingevuld. Artikel36 De vrachtlijsten worden in tweevoud ingeleverd en gehecht aan de akte van inklaring. Artikel37 1.De Inspecteur kan door middel van aantekening op de akte van inklaring vergunning geven tot herstel van abuizen in de vrachtlijsten, mits de aanvraag daartoe geschiedt binnen 24 uur na de aankomst van de goederen op de losplaats en de fout naar de overtuiging van de Inspecteur niet aan frauduleuze oogmerken is toe te schrijven. 2.De vergunning wordt niet verleend, wanneer de lossing reeds is aangevangen, tenzij in geval van tijdelijke opslag volgens de volgende afdelingen gedurende of terstond na de lossing het abuis is medegedeeld aan de ambtenaren belast met de visitatie. Artikel38 De akte van inklaring wordt aangezuiverd door lossing volgens de bepalingen van de volgende afdeling van dit, of de tweede afdeling van het vierde hoofdstuk. Artikel39 Wanneer bij de lossing voor goederen in colli verschillen in meer of minder, meer dan 10% bedragen, worden vastgesteld op het bruto gewicht of de kubieke maat, in de vrachtlijsten vermeld, of wel op de hoeveelheid volgens artikel 34, eerste lid, in die lijsten opgegeven, worden de schippers geacht deze verordening te hebben overtreden, onverminderd de aansprakelijkheid van hen, die aangifte doen, overeenkomstig de vijfde afdeling van dit hoofdstuk. Artikel40 1.Bij inklaring volgens deze afdeling kan de Inspecteur in spoedeisende gevallen voor de aanzuivering van de akte van inklaring een bewijs afgeven, dat de vertrekpas vervangt, nadat zekerheid is gesteld voor de rrechten en accijnzen en de kosten, die wegens het niet-aanzuiveren van de akte van inklaring verschuldigd kunnen worden. 2.[vervallen] Artikel41 1.Voor stoomschepen in geregelde dienst van stoomvaartondernemingen, waarvan in het vaarplan het binnenland is opgenomen, die binnenkomen enkel om goederen bij te laden of passagiers te ontschepen of op te nemen en daarna weer zee te kiezen, behoeven de vrachtlijsten alleen te vermelden de soort en het getal van de colli of van de losse voorwerpen en de soort en de hoeveelheid van de gestorte goederen. 2.In de in het vorig lid bedoelde gevallen zal steeds bewaking worden toegepast en zullen de schippers gehouden zijn, zo dikwijls dit door of namens de Inspecteur wordt verlangd, de ladingspapieren te tonen. 3.Wanneer wegens averij, verandering van bestemming of andere dergelijke redenen de lading geheel of gedeeltelijk moet worden gelost, kan de Inspecteur, onder de nodige voorzieningen op kosten van de schippers, vergunning daartoe verlenen, mits voor de goederen, die niet met hetzelfde schip worden uitgevoerd, alsnog een nadere akte van inklaring worden ingeleverd, met bijvoeging van vrachtlijsten, overeenkomstig artikel
- 4.De inlevering van zodanige vrachtlijsten voor de gehele lading is verplicht wanneer deze schepen om andere dan de bedoelde redenen last breken of langer dan acht dagen verblijven en zijn alsdan de gewone regels omtrent de invoer toepasselijk. 5.De Inspecteur kan bij uitzondering toestaan, dat voor enkele colli de akte van inklaring wordt aangezuiverd door lossing overeenkomstig de bepalingen van deze verordening. Artikel42 Het bepaalde bij het vorige artikel is ook toepasselijk op schepen, die uit nood binnenvallen of om orders. Artikel43 Wanneer in een vrachtlijst goederen niet juist zijn omschreven, kan de Inspecteur machtiging verlenen, dat tot aanzuivering van de betrokken akte van inklaring of vrachtlijst, documenten worden afgegeven of aangenomen, waarin de juiste omschrijving van de goederen voorkomt, behoudens bekeuring wegens het niet overeenstemmen van de goederen met de vrachtlijst tegen degene, die voor deze overeenstemming aansprakelijk is. Verschillen tussen de goederen en de vrachtlijsten, welke blijkbaar enkel het gevolg van een schrijffout zijn, kunnen op verzoek van de belanghebbende bij de goederen, zonder bekeuring, door de Inspecteur door middel van aantekening worden hersteld. VIERDE AFDELING Lossing en tijdelijke opslag Artikel44 De goederen volgens de bepalingen van de vorige afdeling ingeklaard, kunnen zonder voorafgaande nadere aangifte door de schippers worden gelost en tijdelijk opgeslagen met inachtneming van de volgende bepalingen. Artikel45 1.De tijdelijke opslag geschiedt in lokalen of op afgesloten terreinen van een overheidsentrepot. 2.Gelijke opslag kan geschieden in een particulier lokaal of op een voor afsluiting vatbaar particulier terrein dat door de Inspecteur moet worden goedgekeurd, onder wederzijdse sluiting door de Inspecteur en de belanghebbende. Tot deze lokalen en terreinen hebben de ambtenaren te allen tijde toegang. 3.Indien zodanig lokaal of terrein niet voor behoorlijke afsluiting vatbaar is, kan niettemin de opslag aldaar met vergunning van de Inspecteur worden toegelaten onder permanente bewaking. 4.Tot de tijdelijke opslag kunnen ook worden toegelaten lichters, die volgens de voorschriften van de Inspecteur kunnen worden gesloten en verzegeld en open lichters onder bewaking van de ambtenaren; de eerste worden gelijk gesteld met de lokalen in het tweede, de anderen met die in het derde lid genoemd. 5.Wanneer de gelegenheid ontbreekt tot opslag volgens de vorige leden van dit artikel, kan de Inspecteur toestaan, dat de goederen op de wal worden opgeslagen onder bewaking van de ambtenaren; deze vergunning wordt slechts verleend voor de daarin te vermelden tijd, die niet langer mag worden gesteld dan onvermijdelijk is en worden de goederen zo spoedig mogelijk met de vrachtlijsten vergeleken. 6.Goederen, waarvan de soort of hoeveelheid niet vooraf in de vrachtlijsten is vermeld, komen voor opslag in een particulier lokaal of op een particulier terrein, die niet voor behoorlijke afsluiting vatbaar zijn, of voor opslag op de wal, niet in aanmerking. 7.Goederen van licht ontvlambare aard zullen, indien de Inspecteur het nodig acht, door belanghebbende en anders op hun kosten door de Inspecteur worden vervoerd naar de daarvoor aangewezen bijzondere bergplaatsen die voor de tijdelijke opslag worden gelijkgesteld met de lokalen in het eerste of tweede lid van dit artikel bedoeld. Artikel46 1.De tijdelijke opslag volgens het voorgaande artikel duurt in het geval van: het eerste lid hoogstens 30 dagen; het tweede lid hoogstens vijf dagen; het derde lid hoogstens twee dagen; 2.Deze termijnen kunnen in bijzondere gevallen door de Inspecteur worden verlengd. 3.Indien de vrachtlijsten, waarmee de goederen zijn opgeslagen, niet binnen de ingevolge het eerste en het tweede lid gestelde termijn zijn aangezuiverd, kunnen de douaneautoriteiten artikel 121a of artikel 195 toepassen. Artikel47 1.De schippers zorgen ervoor dat geen goederen worden vervoerd op andere wijze dan in artikel 48 is toegelaten. Wanneer een maatschappij of een andere persoon dan de schipper zich in het geval van tijdelijke opslag belast met het beheer van de goederen, vermeld in de vrachtlijsten, stelt die persoon of maatschappij vóór de lossing op een exemplaar van de akte van inklaring een ondertekende verklaring, waarin zij of hij de aansprakelijkheid voor de aanzuivering van de vrachtlijst overneemt. 2.Bij verschillen, als in artikel 39 bedoeld, tussen de voorhanden goederen en die welke volgens de vrachtlijsten aanwezig moeten zijn, worden de schippers of andere aansprakelijke personen geacht deze landsverordening te hebben overtreden, onverminderd dezelfde aansprakelijkheid als in het slot van artikel 39 bedoeld. Artikel48 1.De vrachtlijsten worden aangezuiverd: door het wegvoeren van de goederen met documenten, verkregen na aangifte volgens de bepalingen van de vijfde afdeling; door het uitvoeren van de goederen overeenkomstig de bepalingen van de tweede afdeling van het vierde hoofdstuk; door de inbewaringneming van de goederen overeenkomstig artikel 121a; op de wijze in artikel 49 bedoeld. 2.Het wegvoeren van de goederen mag slechts geschieden met voorkennis van de ambtenaren belast met de visitatie. 3.De ambtenaren stellen op de vrachtlijsten aantekeningen van de documenten, waarmee het wegvoeren plaatsvindt. Artikel49 1.De vrachtlijsten voor goederen, tijdelijk opgeslagen volgens artikel 45, eerste lid, kunnen ook worden aangezuiverd door de schriftelijke verklaring van de belanghebbende, dat hij de goederen in entrepot wil opslaan. 2.Met de inlevering van deze verklaring voor “gezien” getekend door de ambtenaren met de visitatie belast, eindigt de tijdelijke opslag van de goederen en worden deze zonder nadere aangifte gelijk gesteld met de goederen, die in entrepot zijn opgeslagen. 3.De in de accijnsverordeningen bepaalde minima voor opslag, in- en uitslag uit entrepot gelden hier niet. 4.Goederen, waarvan de soort of hoeveelheid niet in de vrachtlijsten is vermeld, komen voor toepassing van dit artikel niet in aanmerking, tenzij de vrachtlijst vooraf met die vermelding wordt aangevuld. Artikel50 1.Onverminderd de straf wegens verschillen tussen de opgeslagen goederen en de vrachtlijsten wordt bij dergelijke strafbare verschillen het volgende in acht genomen. 2.Wegens de goederen, minder bevonden dan in de vrachtlijsten vermeld, zijn de invoerders of de andere personen of maatschappijen, die zich met het beheer van de goederen belast hebben, gehouden tot voldoening van het bedrag van de volgens artikel 187 door hen gestelde zekerheid. Het aldus verschuldigde voor een gedeelte van een partij wordt berekend in verhouding tot het bedrag van de zekerheid voor de gehele partij. Verschillen op het bruto gewicht of de kubieke maat van colli blijven hier buiten aanmerking. 3.De meer bevonden colli, losse voorwerpen of gestorte goederen worden, na zekerheidstelling op de voet van artikel 187 door de Inspecteur op de vrachtlijsten ingeschreven en verder op dezelfde wijze als de overige goederen behandeld. 4.Bij weigering van de zekerheidstelling worden de meer vastgestelde goederen behandeld overeenkomstig artikel
- Artikel51 1.De goederen op de voet van deze afdeling tijdelijk opgeslagen, mogen niet ontpakt of verpakt worden dan voor zover dat nodig is voor de visitatie of verificatie. 2.De Inspecteur kan hierop uitzondering toelaten, wanneer dit wegens beschadiging of andere reden nodig is. Artikel52 [vervallen] VIJFDE AFDELING Aangifte Eerste Onderafdeling Algemene Bepalingen Artikel53 1.De aangifte van de goederen moet, desnoods na bezichtiging, door de beheerder ervan, die in staat moet zijn deze goederen ter visitatie aan te bieden, schriftelijk worden gedaan, hetzij door de koopman, geconsigneerde, schipper, of bij de Inspectie toegelaten konvooilopers, expediteurs of cargadoors, mits zij vermelden de naam van degene, voor wie de aangifte geschiedt, of door bijzondere gemachtigde. In gevallen waarin dat overeenkomstig de navolgende bepalingen is voorgeschreven of toegestaan, wordt de aangifte elektronisch gedaan. 2.Voor accijnsgoederen en voor goederen, vrij van invoerrecht en accijns, moeten afzonderlijke aangiften geschieden. 3.In een aangifte kunnen slechts worden begrepen goederen, die met dezelfde akte van inklaring zijn ingevoerd. 4.Indien een aangifte wordt gedaan door een bijzondere gemachtigde, kan overlegging van een schriftelijke volmacht gevorderd worden. In elk geval is de lasthebber met de lastgever hoofdelijk aansprakelijk. 5.Aangiften ten invoer kunnen met inachtneming van de navolgende voorschriften door degenen die daartoe vergunning hebben gekregen, elektronisch worden gedaan. De vergunning wordt door de Inspecteur bij beschikking verleend. In de vergunning kunnen nadere voorwaarden en bepalingen worden gesteld. De vergunning is slechts geldig voor de in die vergunning aangeduide aansluiting(en) op het systeem voor het doen van elektronische aangiften. 6.Een elektronische aangifte kan niet als aangifte dienen indien in het elektronische bericht dat de aangifte inhoudt niet een persoon die vergunning heeft verkregen tot het doen van elektronische aangiften als aangever is aangeduid of indien het bericht is verzonden vanuit een aansluiting waarvoor de desbetreffende vergunning niet geldt. 7.Indien een aangifte ten invoer elektronisch wordt gedaan, moet de aangever op het tijdstip waarop die aangifte wordt gedaan, de bescheiden die ingevolge wettelijke regelingen op de in-, uit- en doorvoer en de accijnzen moeten worden overgelegd in zijn bezit hebben. De Inspecteur bepaalt waar en op welke wijze de bescheiden moeten worden overgelegd. 8.De minister kan voor de aansluiting op het systeem een vergoeding vaststellen welke overeenkomt met de normale kostprijs voor een dergelijke aansluiting. Artikel54 1.De aangifte, in de Nederlandse taal te stellen, moet inhouden: de naam van het schip, waarmee de goederen zijn vervoerd en van de schipper; de plaats of het land, vanwaar de goederen zijn aangebracht; een juiste specificatie van de goederen onder hun ware en bijzondere benaming; in geen geval mogen goederen tot verschillende rubrieken van het tarief behorende, of onder afzonderlijke volgnummers van een akte van inklaring, vracht- of doorvoerlijst voorkomende, bijelkaar worden gevoegd; het aantal en de merken van de stuks balen, pakken, vaten, manden, kisten enzovoort met onderscheiding van de halve, kwarten of andere gedeelten; het gewicht of de maat volgens het metrieke stelsel of wel het aantal stuks of andere aanduiding van de hoeveelheid, al naar gelang de goederen gewoonlijk verhandeld worden, voor elke soort met bijzondere benaming afzonderlijk; de vreemde maat of gewicht kan tevens worden vermeld; de waarde van de goederen voor iedere soort afzonderlijk, berekend volgens de bepalingen van de Landsverordening tarief van invoerrechten. 2.Voor kramerij, glas- en aardewerk en andere dergelijke artikelen, ter beoordeling van de Inspecteur, beneden NAƒ 200,- waarde, behoeft geen afzonderlijke waarde voor de verschillende onderdelen te worden opgegeven. 3.Voor opslag van goederen in entrepot, of voor zover het accijnsgoederen betreft, inslag op krediet, zal daarvan uitdrukkelijk in de aangifte moeten worden melding gemaakt. 4.De minister kan voorschriften geven omtrent de inrichting van het biljet van aangifte. 5.De Inspecteur kan overlegging van facturen en andere bewijsstukken vorderen. Artikel55 1.Omtrent de inkomende accijnsvrije goederen kan de aangever die daarvoor kiest volstaan met zich ten opzichte van de maat, het gewicht of het aantal stuks te gedragen naar de door de ambtenaren op zijn kosten vast te stellen maken hoeveelheid, waarvoor een consent tot lossing zal worden afgegeven, op de achterzijde waarvan de vastgestelde hoeveelheid zal worden vermeld, waarnaar vervolgens de betaling van de invoerrechten zal geschieden. 2.Bij het voorhanden zijn van een groot aantal vaten, kisten of balen van dezelfde zwaarte of grootte, kan worden toegestaan dat de opneming plaatsvindt bij overslag naar de vastgestelde maat of gewicht van vijf tot tien stuks per honderd, behoorlijk gevuld en door de ambtenaren aan te wijzen. 3.Gestorte goederen naar het gewicht belast, kunnen worden opgenomen volgens de maat bij overslag van de zwaarte van een zeker getal maten. 4.In geval van grondige verificatie geschiedt daarnaar de berekening van de rechten. 5.Van accijnsgoederen moet altijd grondige verificatie plaats vinden. Artikel56 [vervallen] Artikel57 In het geval van beschadiging van de goederen op de reis kan, voordat de aangever de goederen tot zich genomen heeft, een nieuw aangifte naar de waarde of van de hoeveelheid in beschadigde toestand worden toegelaten. Artikel58 Het is de aangever van accijnsvrije goederen geoorloofd zijn aangifte te veranderen, zolang op het verkregen document de visitatie door de ambtenaren nog niet is aangevangen en nog geen aanhouding of bekeuring is geschied. Tweede onderafdeling Waarde Artikel59 tot en met 83 [vervallen] Derde Onderafdeling Wegvoering van de goederen Artikel84 1.Na behoorlijke aangifte zullen aan de aangever naar de omstandigheden worden afgegeven kwitanties van betaalde rechten, paspoorten of andere documenten, waarin het aantal van de colli de maat of het gewicht, de waarde, alsmede de dag van afgifte in cijfers kunnen worden vermeld, of voor één en ander naar de aan te hechten aangiften zal worden verwezen. 2.De door de Inspecteur als geboekt of voor gezien getekende aangiften zullen de kracht hebben van documenten. 3.In alle documenten zal de tijd worden vermeld voor welke zij geldig zijn en die in redelijkheid zal worden bepaald, naarmate van het gebruik, waarvoor zij moeten dienen, behoudens in bijzondere gevallen de verlenging door de Inspecteur. 4.Geen document zal worden afgegeven, wanneer de aangifte niet voor het geheel of aangegeven gedeelte, in soort van goederen en getal van colli of losse voorwerpen, of in hoeveelheid van gestorte goederen overeenstemt met de akte van inklaring of de vrachtlijsten; de aangever zal in dat geval door de Inspecteur worden gehoord ter ontdekking van de redenen van het verschil; wanneer die voldoende worden bevonden, zal de afgifte van het document dadelijk volgen. Artikel85 De documenten hebben geen kracht vóór 06:00 uur of na 18:00 uur, noch op zaterdagen, zondagen of krachtens de Arbeidsregeling met de zondag gelijk gestelde dagen, tenzij de Inspecteur de vergunning op het document heeft gesteld. Artikel86 1.De documenten zullen moeten worden gesteld in handen van de ambtenaren met de verificatie belast, teneinde vóór de wegvoering of opslag in entrepot de verificatie te doen. 2.Kan de lossing, wegvoering of opslag niet vóór 18:00 uur worden volbracht, dan zullen de documenten naar het kantoor van de Inspecteur worden gebracht en zal de belanghebbende daarvan een bewijs worden afgegeven. Artikel87 [vervallen] ZESDE AFDELING Accijnsgoederen Artikel88 Altijd bij invoer, en verder wanneer dit bij deze landsverordening is voorgeschreven of ter verzekering van invoerrecht en accijns door de Inspecteur nodig wordt geacht, moeten de hoeveelheid en hoedanigheid van accijnsgoederen worden opgemaakt door verificatie. Daartoe wordt na de aangifte een consent tot lossing afgegeven. Artikel89 1.Bij invoer van dranken zullen de fusten moeten worden geroeid en de inhoud van alle onregelmatig vaatwerk of waarin anders de dranken zich bevinden, worden geverifieerd en de hoedanigheid van de dranken door proeving en opneming van de sterkte onderzocht. 2.De belanghebbende, die daarvoor kiest, zal de fusten, van klaarblijkelijk gelijke inhoud in tegenwoordigheid van de ambtenaren kunnen aanvullen, mits hij voorafgaand aan de aflossing een daartoe strekkende verklaring doet, in welk geval het voldoende zal zijn, dat van een zelfde partij 5 tot 10% van de fusten worden berekend. Artikel90 De ambtenaren zullen van hun bevinding verklaring plaatsen op de achterzijde van de documenten en deze verklaring zal tot grondslag strekken van de betalingen, debiteringen, zekerheidstellingen, afschrijvingen en restituties volgens deze en de bijzondere verordeningen. Artikel91 1.Wanneer de belanghebbende zich bezwaard acht met de uitslag van de verificatie van de goederen, evenals een ambtenaar zal oordelen dat de rechten van het Land zijn tekort gedaan, zal een herverificatie op kosten van de in het ongelijk gestelde kunnen worden gevorderd; doch zal alsdan de gehele partij opnieuw moeten worden geverifieerd, behalve dat gedeelte van een partij in een vrachtlijst vermeld, dat reeds vroeger is weggevoerd. 2.Deze tweede opneming zal door een andere ambtenaar dan die de eerste opneming deed worden verricht en beslissend zijn, indien er verschil komt te ontstaan in de sterkte van het gedistilleerd. 3.In het laatste geval zal een van de partijen kunnen vorderen, dat een monster van de dranken, waarover verschil bestaat, verzegeld, naar de Inspectie wordt opgezonden en dat door een deskundige, op verzoek van de Inspecteur, te benoemen door de rechter in eerste aanleg, zal worden beslist.
- Indien het verschil tussen de eerste en tweede opneming of tussen de tweede opneming en de uitslag van het onderzoek van de deskundige, in het vorige lid bedoeld, minder dan 1/25 bedraagt, komen de kosten ten laste van degene, die de aanvraag heeft gedaan. ZEVENDE AFDELING Verboden, onbekende en onbeheerde goederen Artikel92 Goederen, waarvan de invoer is verboden, doch bij de inklaring of aangifte gebracht onder hun ware en bijzondere benaming, kunnen, tenzij wettelijke regelingen zich daarentegen verzetten, dadelijk weer worden teruggevoerd of, verzegeld of bewaakt, op kosten van de belanghebbenden naar een overheidsbergplaats overgebracht. Artikel93 Binnen tweemaal 24 uur - en voor zover het goederen aan spoedig bederf onderhevig betreft, ten spoedigste - na de overbrenging worden de goederen ambtelijk en in tegenwoordigheid van de belanghebbende, indien hij zich daartoe aanmeldt, geïnventariseerd. Artikel94 1.De goederen zullen in de overheidsbergplaats mogen blijven gedurende een maand na de inventarisatie, maar die goederen die naar het oordeel van de Inspecteur aan spoedig bederf onderhevig zijn hoogstens 24 uur. 2.Binnen die tijd zullen de niet verboden goederen nader behoorlijk kunnen worden aangegeven en die, waarvan de invoer verboden is, kunnen worden teruggevoerd behoudens de bepalingen van de bijzondere verordeningen. Artikel95 1.Na afloop van de termijn, in het vorige artikel gesteld, zal de Inspecteur met autorisatie van de rechter in eerste aanleg die op schriftelijk verzoek en na summier onderzoek omtrent de inachtneming van de voorgeschreven formaliteiten zal worden verleend, doen overgaan tot de verkoop van de dan nog niet opgeëiste goederen. 2.De verkoop zal niet geschieden dan na drie opeenvolgende oproepingen van drie tot drie weken, behalve van goederen, aan spoedig bederf onderhevig, die zonder autorisatie onmiddellijk kunnen worden verkocht. 3.De verkoop moet in het openbaar volgens plaatselijk gebruik geschieden. 4.Goederen, waarvan de invoer is verboden, worden verkocht onder voorwaarden van verzekerde terugvoer. Wordt aan de gestelde voorwaarden niet voldaan, dan worden de goederen in beslag genomen en zonder rechtsvervolgingen verbeurd verklaard en vernietigd. 5.Vernietiging zal eveneens plaatsvinden van de goederen die onverkocht blijven, alsmede van accijnsgoederen waarvoor niet minstens het bedrag van de verschuldigde accijns kan verkregen worden. 6.De opbrengst van de goederen, na aftrek van alle kosten, waaronder huur van de overheidsbergplaats, en wat niet verboden goederen betreft, tevens van de verschuldigde invoerrechten en accijnzen, blijft gedurende een jaar na de verkoop ter beschikking van degenen, die bewijzen daarop recht te hebben en vervalt na die tijd aan de Landskas. Artikel96 tot en met 98 [vervallen] ACHTSTE AFDELING Bewaking en verzegeling Artikel99 [vervallen] Artikel100 1.In de gevallen, waarin de bewaking, verzegeling of plombering bij dit hoofdstuk is bevolen zal dit geschieden op kosten van het Land. 2.Hiervan zijn uitgezonderd: de kosten van bewaking die moet worden toegepast omdat de inrichting van de schepen geen plombering of verzegeling toelaat; de kosten van bewaking, verzegeling of plombering van schepen in de gevallen van de artikelen 16 en 22; de kosten van bewaking in de gevallen van de artikelen, 13, 18, 26, 41, 42, 45 en
- In deze gevallen worden die kosten ten laste van belanghebbenden berekend naar een tarief, bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, vast te stellen. Artikel101 [vervallen] Artikel102 [vervallen] NEGENDE AFDELING Verboden opslagplaatsen Artikel103 1.Behoudens bijzondere schriftelijke vergunning van de Inspecteur, is het verboden magazijnen of opslagplaatsen van goederen te hebben buiten Philipsburg. 2.De grenzen van de gemelde plaatsen zullen worden aangewezen bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen. Het terrein buiten deze grenzen wordt hierna verder aangeduid als “onvrij terrein”. Artikel104 Het bij het vorige artikel bepaalde verbod is niet van toepassing op: goederen, niet aan invoerrechtof accijns onderhevig; opslagplaatsen van zout, delfstoffen en door natuurvorming in of boven de grond aanwezige meststoffen; producten van de grond; accijnsvrije goederen, waarmee een koopman of winkelier zijn kleinhandel drijft, mits de hoeveelheid niet meer bedraagt dan gerekend kan worden voor zijn verkoop nodig te zijn; accijnsvrije verbruiksartikelen bij particulieren tot hun huiselijk gebruik aanwezig; accijnsvrije grondstoffen of producten van de op het bedoelde verboden terrein bestaande fabrieken. Artikel105 1.Het verbod van artikel 103 zal zich wat accijnsgoederen betreft niet uitstrekken tot: de goederen, die kooplieden en winkeliers voor hun handel nodig hebben, mits de inslag wordt aangetoond op de wijze en met documenten, als bij de bijzondere wettelijke regelingen betreffende de accijnzen voorgeschreven; fabrikanten en kooplieden, voor goederen, wegens welke zij krediet voor accijns genieten; goederen, bij particulieren tot huiselijk gebruik voorhanden, onder bepaling echter, dat door documenten niet ouder dan drie maanden, zal moeten worden aangetoond de inslag van gedistilleerd, wanneer de hoeveelheid groter is dan drie liter ad 50% sterkte; bij hogere sterkte een hoeveelheid, die na herleiding drie liter ad 50% bedraagt; voor eigenaars of huurders van plantages zal echter de hoeveelheid zijn 12 liter. 2.Echter wordt in elk geval als verboden opslag aangemerkt alle gedistilleerd van hogere sterkte dan 70%, niet door wettige documenten gedekt. 3.De tijd van drie maanden voor de geldigheid van de documenten kan op verzoek van de houders door de Inspecteur worden verlengd. Artikel106 1.Op het onvrije terrein zal geen fabriek of handelsbedrijf mogen worden opgericht zonder toestemming van de minister. 2.Een verleende vergunning kan door de minister worden ingetrokken in het geval van veroordeling van de fabrikant of handelaar wegens overtreding van de wettelijke regelingen op de in-, uit- en doorvoer en de accijnzen. 3.Wanneer het bedrijf niet is gestaakt binnen de tijd, daarvoor door de minister bepaald, wordt de fabriek of het handelsbedrijf geacht, zonder voorafgaande toestemming te zijn opgericht. Artikel107 [vervallen] Artikel108 [vervallen] Artikel109 [vervallen] Artikel110 1.Ieder, die op het onvrije terrein een winkel, of zaak, of andere inrichting, waarin accijnsgoederen worden verkocht, wil oprichten of hebben, moet een schriftelijk verzoek tot vergunning daarvoor indienen bij de Inspecteur, die zo spoedig mogelijk beslist. 2.Op de beslissing van de Inspecteur staat hoger beroep open bij de Raad van Beroep voor belastingzaken. 3.Artikel 106, tweede en derde lid, is overeenkomstig van toepassing. Artikel111 De kooplieden en winkeliers op het vrije terrein zullen ten aanzien van gedistilleerd, volgens artikel 105 hun inslag moeten bewijzen door documenten op hun naam afgegeven. Wanneer de uitslag in eens aan dezelfde persoon gedaan meer bedraagt dan 2 liter gedistilleerd, zal dit niet mogen geschieden zonder een behoorlijk document afgegeven door de bevoegde ambtenaar. De gemelde ambtenaar zal de documenten, in het vorige lid bedoeld, niet mogen afgeven dan op aanvraag van de koopman of winkelier, op vertoon van documenten, dienende tot staving van de inslag en op de achterzijde waarvan de ambtenaar de op de eerste bedoelde documenten vermelde hoeveelheden zal afschrijven. TIENDE AFDELING Ambtelijke bevoegdheden in het kader van toezicht Algemene Bepalingen Artikel112 1.De ambtenaren dragen bij het verrichten van werkzaamheden bij zich hun legitimatiebewijs, afgegeven door of vanwege de minister. 2.Het legitimatiebewijs wordt desverlangd aan de belanghebbende getoond. Artikel113 1.Bij alle onderzoekingen en opnemingen van goederen zijn de ambtenaren bevoegd van de goederen monsters te nemen. Op vordering van de belanghebbende zijn de ambtenaren gehouden monsters te nemen. 2.Bij geschil over de wijze van monsterneming of over de grootte van het monster beslist de Inspecteur. 3.Het monster of hetgeen daarvan is overgebleven wordt desverlangd, zodra het kan worden gemist, aan de belanghebbende teruggegeven. Artikel113a 1.De minister is bevoegd voorschriften te geven omtrent de wijze waarop een ambtelijk onderzoek of opneming van goederen of van bepaalde hoedanigheden van goederen of een monsterneming van goederen moet geschieden. 2.Hij kan ten aanzien van door hem aangewezen onderzoekingen en opnemingen bepalen dat zij zullen worden verricht door andere personen dan de ambtenaren belast met de ambtshandeling waarvoor het onderzoek of de opneming plaats heeft. Artikel114 1.De ambtenaren kunnen ter inbeslagneming de afgifte tegen ontvangstbewijs vorderen van brieven die aan enige instelling van vervoer zijn toevertrouwd. 2.Aan enige instelling van vervoer toevertrouwde brieven worden zonder goedvinden van de afzender of van de geadresseerde slechts geopend indien de rechter-commissaris daartoe, op verzoek van de Inspecteur, machtiging heeft verleend. 3.De in het eerste lid bedoelde vordering wordt slechts gedaan en de in het tweede lid bedoelde machtiging wordt slechts verleend, indien vermoeden bestaat dat zich in de brief goederen bevinden. 4.Brieven die aan enige instelling van vervoer waren toevertrouwd en waarvan de inbeslagneming niet wordt gehandhaafd, zullen onverwijld aan de vervoerder ter verzending worden teruggegeven. Artikel115 1.De ambtenaren zijn bevoegd op aangiften, op documenten en op krachtens wettelijke regelingen bijgehouden of opgemaakte registers en andere bescheiden, aantekening te stellen van hun verrichtingen en bevindingen. 2.Zij zijn bevoegd documenten die niet meer kunnen dienen voor het gebruik waarvoor zij zijn afgegeven, in te trekken. Zij geven desverlangd een bewijs van ontvangst af. Artikel115a 1.De belanghebbende of zijn vertegenwoordiger is gehouden aan de ambtenaren, bij het uitoefenen van hun taak, overeenkomstig hun aanwijzingen en onder hun toezicht de nodige medewerking te verlenen en wanneer dat gevorderd wordt de daarvoor benodigde werklieden, hulpmiddelen en bijstand kosteloos ter beschikking te stellen. Bij gebreke daarvan kunnen de ambtenaren na overleg met de Inspecteur op kosten van de belanghebbende in het nodige voorzien voor zover het verrichten van de werkzaamheden niet in het belang van de overheid is geboden, deze achterwege laten. 2.Indien de ambtenaren dit voor het deugdelijk verrichten van de werkzaamheden noodzakelijk oordelen, is de belanghebbende gehouden op daartoe gedane vordering de vervoermiddelen of andere goederen ten aanzien waarvan de werkzaamheden worden verricht op zijn kosten over te brengen naar een door de ambtenaren aangewezen plaats. 3.Het lossen van goederen, het ontpakken, het weer inpakken en alle andere handelingen die nodig zijn opdat de ambtenaren hun werkzaamheden kunnen verrichten, worden door de belanghebbende of onder zijn verantwoordelijkheid verricht. Artikel116 1.De ambtenaren zijn bevoegd van een ieder inzage te verlangen van alle boeken, bescheiden en andere informatiedragers en daarvan afschrift te nemen voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Zij kunnen zich bij de uitoefening van deze bevoegdheid doen vergezellen van door de Inspecteur aangewezen personen. 2.Hij aan wie inzage van boeken, bescheiden of andere informatiedragers wordt verzocht, wordt geacht die in zijn bezit te hebben, tenzij het tegendeel aannemelijk is. Artikel117 1.De ambtenaren zijn bevoegd in de rechtmatige uitoefening van hun werkzaamheden geweld te gebruiken tegen personen of zaken wanneer het daarmee beoogde doel dit, gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. 2.De uitoefening van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn. Alvorens tot aanwending van geweld over te gaan wordt, tenzij de omstandigheden dit niet toelaten, een duidelijke waarschuwing gegeven. 3.Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden ter zake nadere regels gesteld. Artikel117a 1.Aan lijfsvisitatie door de ambtenaren zijn onderworpen: personen die aanwezig zijn in of op het in artikel 103 bedoelde terrein; personen die zich bevinden in of op een uit het buitenland komend vervoermiddel of deze vervoermiddelen juist hebben verlaten; personen die zich bevinden in of op een naar het buitenland vertrekkend vervoermiddel of die zich in of op een zodanig vervoermiddel begeven; personen die zich bevinden in een economische zone als bedoeld in de Landsverordening economische zones, of die een economische zone juist hebben verlaten; personen die zich bevinden in een entrepot, dan wel in of op een gebouw, terrein of vervoermiddel waarin of waarop tijdelijke opslag van goederen is toegelaten, alsmede personen die een zodanig entrepot, terrein, gebouw of vervoermiddel juist hebben verlaten; personen die zich bevinden in een fabriek voor aan accijns onderworpen goederen of die zodanige fabriek juist hebben verlaten. 2.Op vordering van de ambtenaren zijn reizigers, begrepen onder de personen als bedoeld in het eerste lid, onder a, b en c, gehouden hun plaats- of vervoerbewijs te tonen. 3.Lijfsvisitatie geschiedt door ambtenaren van hetzelfde geslacht als dat van de persoon die aan visitatie wordt onderworpen. 4.Personen die aan lijfsvisitatie zijn onderworpen, zijn op eerste vordering van de ambtenaren gehouden stil te staan en deze te volgen naar een door hen aangewezen plaats. 5.[vervallen]
- Personen die zich binnen de territoriale wateren ophouden, worden voor de toepassing van dit artikel geacht zich te bevinden in een vanuit het buitenland komend vervoermiddel. Verzegeling en bewaking Artikel118 De ambtenaren zijn bevoegd: vervoermiddelen, bergingsmiddelen en verpakkingsmiddelen, of delen daarvan, waarin zich goederen bevinden waarover nog belasting verschuldigd is of kan worden, ten uitvoer aangegeven goederen, of goederen waarvan het vervoer aan beperkende bepalingen is onderworpen, door het aanbrengen van zegels of op andere wijze zodanig te sluiten dat, zonder braak, geen goederen kunnen worden onttrokken of toegevoegd; aan de onder a bedoelde vervoermiddelen, bergingsmiddelen en verpakkingsmiddelen, alsmede aan de aldaar genoemde goederen, herkenningsmerken aan te brengen. Artikel118a 1.Indien een vervoermiddel, bergingsmiddel, verpakkingsmiddel, werktuig, leiding, gebouw of terrein, of deel daarvan, moet of kan worden gesloten en de ambtenaren het voornemen tot sluiting aan de beheerder hebben te kennen gegeven, draagt deze zorg dat een deugdelijke sluiting tot stand wordt gebracht. 2.Indien een sluiting als bedoeld in het eerste lid, tot stand is gebracht, draagt de beheerder zorg dat deze in stand blijft. 3.Indien door ambtenaren zegels of merken aan een vervoermiddel, bergingsmiddel, verpakkingsmiddel, werktuig, leiding of gebouw zijn aangebracht, draagt de beheerder zorg dat deze niet worden verwijderd of geschonden. 4.Ten aanzien van de in het eerste, tweede en derde lid opgelegde verplichtingen kan voor de beheerder niet het bestaan van overmacht worden aangenomen, indien hij niet onverwijld nadat hem bekend is geworden dat geen deugdelijke sluiting is tot stand gebracht, dat de sluiting niet in stand is gebleven of dat de zegels of merken zijn verwijderd of geschonden, daarvan mededeling doet aan een ambtenaar. Artikel118b 1.De ambtenaren zijn bevoegd vervoermiddelen te bewaken, waarin of waarop zich goederen bevinden: waarvan nog belasting verschuldigd is of kan worden; waarvoor een aangifte ten uitvoer is gedaan; of waarvan het vervoer aan beperkende bepalingen is onderworpen. 2.De ambtenaren zijn tevens bevoegd goederen als in het eerste lid bedoeld te bewaken.
- In geval van bewaking van een schip is de schipper gehouden gedurende de tijd dat de bewakers zich aan boord bevinden, aan ten hoogste drie bewakers kosteloos het onderkomen, het onderhoud en de verzorging welke redelijkerwijs kunnen worden gevorderd, te verschaffen. Visitatie van gebouwen en terreinen Artikel119 1.De ambtenaren zijn, uitsluitend voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs noodzakelijk is bevoegd de gebouwen, erven en besloten terreinen aan visitatie te onderwerpen waar zich goederen bevinden of waar deze zich redelijkerwijs kunnen bevinden. 2.Ter surveillering van de kuststrook dient de ambtenaren op eerste vordering toegang verschaft te worden tot erven en besloten terreinen die aan de kuststrook grenzen. 3.Teneinde zich toegang te verschaffen tot de in het eerste en tweede lid vermelde gebouwen, erven en besloten terreinen kunnen de ambtenaren zo nodig de hulp van de sterke arm inroepen. 4.De bevoegdheid tot visitatie strekt zich mede uit tot de gebouwen, erven of besloten terreinen die met de in het eerste lid vermelde gebouwen, erven en besloten terreinen middellijk of onmiddellijk gemeenschap hebben. Artikel119a 1.Tot het verrichten van een visitatie van een gebouw of erf tussen 18:00 uur en 06:00 uur is vereist een bijzondere schriftelijke last van de Inspecteur. 2.Een last als in het eerste lid bedoeld, is niet vereist: tot het verrichten van een visitatie gedurende het tijdvak dat ten aanzien van het gebouw of erf een werkaangifte lopende is; tot het verrichten van een visitatie gedurende het tijdvak dat het gebouw of erf ingevolge wettelijke regelingen onder onafgebroken toezicht of bewaking van ambtenaren staat; tot het verrichten van een visitatie van een gebouw of erf waarin of waarop wordt gewerkt; bij achtervolging van personen of goederen die het gebouw of erf binnengaan of daarin worden binnengebracht. Artikel119b 1.Tot het verrichten van een visitatie van een gebouw treden de ambtenaren een woning tegen de wil van de bewoner niet binnen dan voorzien van een daartoe verstrekte bijzondere schriftelijk last van de Inspecteur. Bedoelde last wordt slechts bij dringende noodzakelijkheid verstrekt. 2.De last houdt in een aanduiding van de woning, alsmede een nauwkeurige omschrijving van het met de visitatie beoogde doel. 3.De ambtenaren dienen zich voorafgaand te legitimeren en mededeling te doen van het doel van binnentreden. 4.Van het binnentreden in een woning tegen de wil van de bewoner wordt binnen tweemaal 24 uur, onder vermelding van het tijdstip van het binnentreden en van het daarmee beoogde doel, een schriftelijk verslag opgemaakt en een afschrift daarvan aan de bewoner uitgereikt of te zijnen behoeve aan de woning bezorgd. Artikel119c Bij visitatie van een gebouw, erf of besloten terrein zijn de ambtenaren bevoegd: het gebouw, erf of besloten terrein, alsmede de daarin of daarop aanwezige voorwerpen en zelfstandigheden, aan alle onderzoekingen en opnemingen te onderwerpen welke zij nodig oordelen; zich te doen vergezellen van door hen aangewezen personen. Artikel119d 1.Bij visitatie van een gebouw, erf of besloten terrein is de gebruiker gehouden op eerste vordering van een ambtenaar deze terstond inzage te verlenen van de registers en andere bescheiden die krachtens enige wettelijk voorschrift omtrent de aldaar voorhanden, ingeslagen of uitgeslagen wordende goederen moeten worden bijgehouden of voorhanden moeten zijn.
- Hij aan wie inzage van de in het eerste lid bedoelde registers of andere bescheiden wordt verzocht, wordt geacht die in zijn bezit te hebben, tenzij hij het tegendeel aannemelijk kan maken. Visitatie en onderzoek bij vervoer Artikel120 Aan visitatie door de ambtenaren zijn te allen tijde onderworpen vervoermiddelen die zich niet bevinden in of op een gebouw, erf of besloten terrein. Zo nodig kunnen zij de hulp van de sterke arm inroepen. Artikel120a Ten behoeve van een visitatie is, op eerste vordering van een ambtenaar: de gezagvoerder van een schip dat zich bevindt binnen een afstand van twaalf internationale zeemijlen uit de kust van Sint Maarten gehouden het schip terstond vaart te doen minderen of te doen bijdraaien; de bestuurder van een ander vervoermiddel dan een schip gehouden dit terstond te doen stilhouden en, indien het vervoermiddel door mechanische kracht wordt voortbewogen, de motor buiten werking te stellen. Artikel120b Bij visitatie van een vervoermiddel zijn de ambtenaren bevoegd: het vervoermiddel, en de daarin of daarop aanwezige voorwerpen en zelfstandigheden, aan onderzoekingen en opnemingen te onderwerpen die zij nodig oordelen; zich te doen vergezellen van door hen aangewezen personen. Artikel120c 1.De ambtenaren zijn bevoegd goederen die, zonder zich in of op een vervoermiddel te bevinden, worden vervoerd, aan de onderzoekingen en opnemingen te onderwerpen die zij nodig oordelen. 2.Personen die goederen vervoeren die zich niet in of op een vervoermiddel bevinden, zijn op eerste vordering van een ambtenaar gehouden terstond stil te staan. Artikel120d 1.De ambtenaren zijn bevoegd goederen die zonder te worden verplaatst zich elders bevinden dan in of op een gebouw, erf of besloten terrein te onderwerpen aan de onderzoekingen en opnemingen, die zij nodig oordelen. 2.De persoon onder wiens beheer zich goederen bevinden als in het eerste lid bedoeld, is gehouden op vordering van de ambtenaar terstond stil te staan. Artikel120e 1.Bij de onderzoekingen en opnemingen van goederen die zich in vervoer bevinden, is de gezagvoerder of de bestuurder van het vervoermiddel of de beheerder van de goederen gehouden op eerste vordering van een ambtenaar deze inzage te verlenen van de bij het vervoermiddel of de goederen behorende vracht- of ladingspapieren, alsmede van de bescheiden welke krachtens wettelijke regelingen bij de goederen aanwezig moeten zijn. 2.Gelijke verplichting als in het eerste lid bedoeld, rust op de persoon onder wiens beheer zich goederen bevinden, die zonder te worden verplaatst, zich elders bevinden dan in of op een gebouw, erf of besloten terrein.
- Hij aan wie inzage van de in het eerste lid bedoelde papieren of bescheiden wordt verzocht, wordt geacht die in zijn bezit te hebben, tenzij het tegendeel aannemelijk is. Vervoermiddelen en voorwerpen ingericht of bestemd voor smokkel Artikel121 1.Vervoermiddelen, kennelijk ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken alsmede alle andere voorwerpen, kennelijk bestemd om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken of om een vervoermiddel tot hiervoor omschreven doeleinde in te richten of toe te rusten, worden in beslag genomen. 2.Tot inbeslagneming krachtens het eerste lid zijn, behalve de ambtenaren der Douane, bevoegd de bij of ingevolge artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren of personen. 3.Van de inbeslagneming en van de gronden daartoe doet de Inspecteur zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan degene op wie de inbeslagneming heeft plaatsgevonden en, indien dit niet de eigenaar van de goederen is en de identiteit van de eigenaar vaststaat, tevens aan de eigenaar. Ingeval van inbeslagneming op onbekende personen geschiedt die mededeling zo spoedig mogelijk in twee plaatselijk verschijnende dagbladen. 4.Krachtens het eerste lid in beslag genomen vervoermiddelen en voorwerpen vervallen zonder rechtsvervolging aan het Land tenzij bij een rechterlijke beslissing als is bedoeld in het zevende lid de inbeslagneming niet wordt gehandhaafd. 5.De eigenaar van het in beslag genomen vervoermiddel of voorwerp kan binnen een maand na de mededeling omtrent de inbeslagneming, bij het Gerecht in eerste aanleg daartegen hetzij in persoon, hetzij door een gemachtigde een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen, gegrond op de omstandigheid dat het in beslag genomen vervoermiddel of voorwerp niet beantwoordt aan de omschrijving, vervat in het eerste lid. 6.Het Gerecht in eerste aanleg beslist zo spoedig mogelijk, na de Inspecteur te hebben gehoord. 7.Het Gerecht in eerste aanleg zendt onverwijld afschrift van het bezwaarschrift en van zijn beschikking aan de Inspecteur.
- De Inspecteur is bevoegd in bijzondere gevallen de aan het Land vervallen vervoermiddelen en voorwerpen, onder door hem te stellen voorwaarden aan de eigenaar terug te geven. Inbewaringneming Artikel121a 1.Indien met betrekking tot goederen, die zich overeenkomstig wettelijke regelingen onder douaneverband bevinden of behoren te bevinden, de belanghebbende bij de goederen nalaat de voorgeschreven verplichtingen na te komen, kunnen de goederen door de ambtenaren worden in bewaring genomen. Indien de belanghebbende bij de goederen bekend is, wordt tot de inbewaringneming niet overgegaan voordat deze is aangemaand de verplichting binnen een bij de aanmaning gestelde termijn na te komen. 2.Ingeval de belanghebbende bij de goederen onbekend is, worden de goederen terstond in bewaring genomen en wordt hiervan mededeling gedaan in twee plaatselijk verschijnende dagbladen met vermelding van een omschrijving van de goederen en van de voor de goederen gebezigde verpakking. Indien de belanghebbende bij de goederen bekend is, wordt schriftelijk mededeling omtrent de inbewaringneming aan die belanghebbende gedaan. 3.De Inspecteur treedt op als bewaarnemer en draagt zorg voor de opslag en inventarisatie van die goederen. De opslag geschiedt op kosten van de belanghebbende. In geval van vermis, beschadiging of waardevermindering van de in bewaring genomen goederen kan het Land niet aansprakelijk gesteld worden tenzij zulks te wijten is aan de schuld van de ambtenaren. 4.Indien niet binnen een maand na de mededeling omtrent de inbewaringneming de verplichtingen alsnog zijn nagekomen, kunnen de goederen in het openbaar en volgens plaatselijk gebruik worden verkocht of in bijzondere gevallen worden vernietigd. Indien de goederen aan spoedige, aanmerkelijke, waardevermindering onderhevig zijn of indien de bewaring of het onderhoud ervan gevaar oplevert dan wel hoge kosten meebrengt, kunnen in afwijking van het derde lid, de goederen onmiddellijk worden verkocht, nadat van het voornemen daartoe op een door het Hoofd te bepalen wijze in het openbaar bekendheid is gegeven. 5.De opbrengst van de goederen - in geval van uitoefening van het recht van verhaal hetgeen is overgebleven - wordt, na aftrek van de rechten en de kosten, uitgekeerd aan de belanghebbende bij de goederen die binnen een jaar na de mededeling omtrent de inbewaringneming zulks vordert, bij gebreke waarvan de opbrengst of hetgeen is overgebleven aan het land vervalt. Voor zover de goederen na het verstrijken van die termijn niet zijn verkocht, vervallen de goederen aan het Land. Artikel121b 1.De Inspecteur kan een boete opleggen in de navolgende gevallen: indien de belanghebbende niet voldoet aan een hem bij artikel 115a, eerste lid, opgelegde verplichting en de ambtenaren op kosten van de belanghebbende in het nodige hebben voorzien; indien de schipper niet voldoet aan een hem bij artikel 118b, derde lid, opgelegde verplichting. 2.De boete bedraagt ten hoogste vijfhonderd gulden afhankelijk van het aantal malen dat in een periode die niet langer kan zijn dan vijf jaar dezelfde overtreding is begaan. 3.De Inspecteur legt de boete op bij beschikking, waartegen overeenkomstig artikel 128b bezwaar en beroep open staat. Artikel121c De verplichtingen die volgens deze afdeling bestaan jegens de ambtenaren, gelden mede jegens iedere door of vanwege de minister aangewezen andere ambtenaren van de belastingdienst. ELFDE AFDELING Tarief Artikel122 1.Van alle goederen die ingevoerd worden, is invoerrecht verschuldigd door de aangever behalve in de gevallen waarin goederen met vrijstelling van invoerrechten kunnen worden ingevoerd. 2.De verschuldigdheid bedoeld in het eerste lid ontstaat op het tijdstip van invoer. 3.Indien rechten waaraan goederen zijn onderworpen ten onrechte niet of tot een te laag bedrag zijn geheven, dan wel een in wettelijke regelingen op de in-, uit- en doorvoer en de accijnzen voorziene creditering van een goederenrekening ten onrechte heeft plaatsgevonden, of teruggaaf ten onrechte is verleend, kan de inspecteur bij een met redenen omklede beschikking de grondslagen vaststellen waarnaar de berekening, de creditering of de teruggaaf had moeten plaatsvinden. Navordering kan achterwege blijven in gevallen waarin dit een onbillijkheid van overwegende aard zou opleveren. 4.De inspecteur kan bij toepassing van het derde lid bij beschikking een administratieve boete vaststellen van ten hoogste viermaal het bedrag van de (meer) verschuldigde rechten. 5.Ingeval het bepaalde in het derde lid en het vierde lid toepassing vindt, dient het verschuldigde te worden voldaan uiterlijk 10 dagen nadat de beschikking van de Inspecteur is uitgereikt bij aangetekende brief of tegen gedagtekend ontvangstbewijs. 6.Ingeval blijkt, dat rechten waaraan goederen zijn onderworpen ten onrechte niet of niet volledig zijn geheven, dan wel een in wettelijke regelingen op de in-, uit- en doorvoer en de accijnzen voorziene creditering van een goederenrekening ten onrechte heeft plaatsgevonden of teruggaaf geheel of gedeeltelijk ten onrechte is verleend, door toedoen van een ander dan de belastingschuldige, is die ander eveneens hoofdelijk tot betaling van die rechten gehouden. 7.Navordering kan geschieden binnen een termijn van vijf jaar na het tijdstip waarop de verschuldigdheid is ontstaan of creditering van de goederenrekening heeft plaatsgevonden of teruggaaf is verleend. Artikel122a 1.Van binnengebrachte goederen ten aanzien waarvan de voorgeschreven aangifte ten invoer is ontgaan, zijn de rechten aan welke de goederen bij invoer zijn onderworpen, verschuldigd door degene die de goederen heeft binnengebracht of doen binnenbrengen. 2.De verschuldigdheid ontstaat op het tijdstip waarop het binnenbrengen als bedoeld in het eerste lid plaatsvindt. 3.Indien het tijdstip waarop de verschuldigdheid is ontstaan niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, worden de rechten berekend naar het tarief geldend op het vroegste tijdstip waarvan wordt vastgesteld dat de verschuldigdheid ontstond. Ingeval geen verificatie kan geschieden, vindt de berekening van rechten plaats overeenkomstig gegevens die op een andere wijze, zonodig bij wijze van schatting, worden vastgesteld. 4.Tot betaling van de in het eerste lid bedoelde rechten zijn eveneens hoofdelijk gehouden zij die goederen gebruiken, bewaren, verbergen, lossen, laden, vervoeren, in enig gebouw, erf of besloten terrein inslaan, voor handen hebben of daaruit uitslaan, kopen, verkopen, te koop aanbieden, te leveren of als geschenk aannemen, terwijl zij redelijkerwijs kunnen weten of vermoeden dat daarvan de rechten niet zijn voldaan, noch de heffing daarvan overeenkomstig wettelijke bepalingen is verzekerd. Artikel122b 1.Van goederen, ingevoerd dan wel uitgeslagen met vrijstelling van rechten die zijn gebruikt op een wijze of voor doeleinden waarvoor de vrijstelling niet geldt, zijn de rechten tot het bedrag aan rechten van welke de goederen zijn vrijgesteld, verschuldigd door de vrijstelling genietende. 2.De verschuldigdheid ontstaat op het tijdstip waarop de in het eerste lid genoemde omstandigheid zich voordoet. De rechten worden berekend naar het tarief of de douanewaarde geldend op het tijdstip waarop de goederen met vrijstelling zijn ingevoerd dan wel uitgeslagen. 3.Tot betaling van de rechten verschuldigd ingevolge het eerste lid, zijn eveneens hoofdelijk gehouden zij die de aldaar bedoelde goederen gebruiken, bewaren, verbergen, lossen, laden, vervoeren, in enig gebouw, erf of besloten terrein inslaan, voorhanden hebben of daaruit uitslaan, kopen, verkopen, te koop aanbieden te leveren of als geschenk aannemen, terwijl zij redelijkerwijs kunnen weten of vermoeden dat daarvan de rechten niet zijn voldaan, noch de heffing daarvan overeenkomstig wettelijke bepalingen is verzekerd. Artikel122c 1.Rechten, administratieve boetes, kosten, alsmede de ter zake verschuldigde interest kunnen worden verhaald op de goederen waarop de rechten, administratieve boetes, kosten of interest betrekking hebben, onverschillig wie de rechthebbenden op de goederen zijn, voor zover met die goederen in strijd met wettelijke regelingen op de in-, uit- en doorvoer en de accijnzen is gehandeld. 2.Het recht van verhaal, als bedoeld in het eerste lid, heeft mede betrekking op de goederen die tot verpakking of berging van de aldaar vermelde goederen dienen. 3.Ieder die goederen als bedoeld in het eerste lid onder zich heeft, geeft de goederen aan de Ontvanger op diens vordering af. Artikel122d Rechten, administratieve boetes, kosten en interest zijn van de schuldenaar terstond invorderbaar indien: de schuldenaar in staat van faillissement is verklaard; er gegronde vrees bestaat dat goederen van de schuldenaar zullen worden verduisterd; de schuldenaar naar het buitenland wil vertrekken, dan wel zijn plaats van vestiging wil overbrengen naar het buitenland, tenzij hij aannemelijk maakt dat de rechten, kosten en interest kunnen worden verhaald; de schuldenaar in het buitenland woont of gevestigd is dan wel in het buitenland geen vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft en er gegronde vrees bestaat dat de rechten, kosten en interest niet kunnen worden verhaald; op goederen waarop, door de schuldenaar verschuldigde rechten, kosten en interest kunnen worden verhaald, beslag is gelegd voor door hem verschuldigde rechten, kosten en interest, dan wel voor door hem verschuldigde andere belastingen die ten bate van de Landskas worden geheven; goederen van de schuldenaar worden verkocht ten gevolge van een beslaglegging namens derden; een vordering wordt gedaan als bedoeld in artikel 10 van de Landsverordening op de invordering van directe belastingen. Artikel122e 1.De Ontvanger is belast met de invordering van rechten, administratieve boetes, interest en kosten. 2.De Ontvanger verleent voor elke betaling, die op zijn kantoor dient te geschieden, kwijting. 3.Naast de bevoegdheden die de Ontvanger heeft ingevolge deze verordening, beschikt hij ook over de bevoegdheden die een schuldeiser heeft op grond van enige andere wettelijke bepaling. 4.In alle rechtsgedingen voortvloeiende uit de uitoefening van zijn taak, treedt de Ontvanger als zodanig in rechte op. 5.De minister is bevoegd bepalingen vast te stellen krachtens welke door hem aangewezen betalingen aan een andere ambtenaar dan de Ontvanger zullen of kunnen geschieden. Artikel122f 1.De Ontvanger kan op een daartoe strekkend verzoek onder door hem te stellen voorwaarden aan een schuldenaar voor een bepaalde tijd, bij een met redenen omklede beslissing, hetzij uitstel van betaling hetzij gemakkelijker betalingsvoorwaarden verlenen. Op een verzoek om uitstel van betaling wordt zo spoedig mogelijk beslist. Gedurende het uitstel vangt de invordering door middel van dwangschriften niet aan, dan wel wordt deze geschorst. 2.Indien de Ontvanger uitstel heeft verleend, is door de schuldenaar interest verschuldigd. Het percentage van de interest is gelijk aan dat van de wettelijke interesten. De termijn waarover de interest wordt berekend loopt vanaf de dag waarop de betalingsverplichting is ontstaan. 3.Het uitstel bedoeld in het eerste lid kan tussentijds schriftelijk worden beëindigd. 4.Uitstel van betaling of gemakkelijker betalingsvoorwaarden doet niets af aan het bepaalde in artikel 122h. Artikel122g 1.De toerekening van de betalingen geschiedt achtereenvolgens aan: de kosten; de interest; de verschuldigde rechten of accijnzen; de administratieve boetes. 2.Bij betaling van krediettermijnen van invoerrechten of accijnzen geschiedt de toerekening op de oudste van de vervallen termijnen. Artikel122h 1.Indien de schuldenaar door hem verschuldigde rechten, administratieve boetes, interest of kosten niet binnen de gestelde termijn betaalt, maant de Ontvanger hem schriftelijk aan om alsnog binnen een maand na de dagtekening van de aanmaning te betalen, onder kennisgeving dat de schuldenaar anders door de middelen bij de wet bepaald tot betaling zal worden gedwongen. De aanmaning kan betrekking hebben op verschillende in te vorderen belastingschulden. 2.Voor het verzenden van de aanmaning, brengt de Ontvanger de nalatige ten behoeve van de Landskas aanmaningskosten in rekening. De aanmaningskosten worden bij ministeriële regeling vastgesteld. 3.Tegen het in rekening brengen van aanmaningskosten kan de schuldenaar binnen één maand na de dagtekening van de aanmaning een bezwaarschrift indienen bij de Ontvanger, die daarop beslist. 4.Indien de schuldenaar na de aanmaning in gebreke blijft, kan de invordering van de rechten, administratieve boetes, interest en kosten geschieden door middel van dwangschriften overeenkomstig de regels van de Landsverordening houdende regeling van de invordering van belastingen, bijdragen en vergoedingen door middel van dwangschriften, alsmede van de rechtspleging inzake van belastingen, bijdragen en vergoedingen. Artikel122i 1.Het recht tot invordering door middel van dwangschriften verjaart door verloop van vijf jaar sinds de dag van de opeisbaarheid van rechten, administratieve boetes, interest en kosten dan wel, indien dit tot een later tijdstip leidt, vijf jaar na de aanvang van de dag volgende op die waarop de laatste akte van vervolging ter zake van die rechten, administratieve boetes, interest en kosten is betekend. 2.De verjaringstermijn wordt verlengd met de tijd gedurende welke na aanvang van die termijn: de schuldenaar uitstel van betaling heeft; de invordering door middel van dwangschriften is geschorst ingevolge een lopend rechtsgeding, met dien verstande dat de termijn waarmee de verjaringstermijn wordt verlengd een aanvang neemt op de dag waarop het rechtsgeding door middel van dagvaarding aanhangig wordt gemaakt; de schuldenaar surseance van betaling heeft; de schuldenaar in staat van faillissement verkeert. 3.Voor de verjaring telt niet mee de tijd, waarin de schuldenaar zich metterwoon buiten Sint Maarten bevindt. Artikel122j 1.Al degenen, die gelden aan schuldenaren toekomende, onder zich hebben alsmede allen, die schuldenaar zijn van opeisbare vorderingen van deze, zijn verplicht op schriftelijke vordering van de Ontvanger, voor zover de gelden onder hen berustende of door hen verschuldigd strekken voor rekening van de belastingschuldige, de door dezen verschuldigde sommen te betalen zonder daartoe een rangregeling, verificatie of rechterlijk bevel af te wachten, tenzij onder hen beslag is gelegd of verzet is gedaan ter zake van vorderingen waaraan voorrang boven de vorderingen van de Landskas is toegekend. De Ontvanger deelt de schuldenaar schriftelijk mee dat hij een vordering heeft gedaan. Voldoening aan de vordering geldt als betaling aan de belastingschuldige. Zij zijn zelfs bevoegd de betaling uit eigen beweging te doen, voordat zij tot afgifte van de gelden of tot voldoening van het door hen verschuldigde overgaan. 2.Het bepaalde in het eerste lid is voorts van toepassing op werkgevers die loon verschuldigd zijn aan een belastingschuldige, onder de beperking in artikel 1614g van het Burgerlijk Wetboek. Zolang het in de vordering genoemd bedrag niet ten volle is gekweten zullen de werkgevers met de betaling moeten doorgaan naar gelang zij loon verschuldigd worden. 3.De Ontvanger vervolgt degene die in gebreke blijft aan de vordering te voldoen bij executoriaal beslag volgens de regels van het tweede boek, tweede titel, tweede afdeling, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De kosten van vervolging komen voor rekening van degene die in gebreke blijft zonder dat hij deze kan verhalen op de schuldenaar. Artikel122k De verplichting tot betaling van de rechten, administratieve boetes, interest en kosten wordt niet geschorst door de indiening van een bezwaarschrift, door verkrijging van surseance van betaling voor zover volgens het Faillissementsbesluit 1931 de surseance ten aanzien van de verplichting tot betaling niet werkt, door het voorbehouden recht van beraad of door aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving. Artikel122l 1.De Landskas heeft wat rechten, verhogingen, interest en kosten aangaat het recht van voorrang op al de roerende en onroerende goederen van de belastingschuldige. 2.Het recht van voorrang geldt boven alle andere schulden, met uitzondering van de bevoorrechte schulden in de artikelen 1165, onder 1°, en 1175, onder 1°, van het Burgerlijk Wetboek, opgenoemd en van door hypotheek gedekte schulden. Artikel122m Voor de toepassing van de bepalingen in deze landsverordening omtrent de invordering en de voorrang, wordt onder kosten mede begrepen de kosten van vervolging van de nalatige schuldenaar. Artikel122n 1.Hoofdelijk aansprakelijk voor rechten, administratieve boetes, interest en kosten, verschuldigd door een rechtspersoon of een niet rechtspersoonlijkheid bezittende vennootschap of vereniging zijn ieder van de bestuurders en beherende vennoten, alsmede de vertegenwoordigers binnen Sint Maarten. Bij ontbinding of vereffening zijn bovendien de met de vereffening belaste personen en hun vertegenwoordigers binnen Sint Maarten hoofdelijk daarvoor aansprakelijk. 2.Voor de toepassing van dit artikel wordt, ingeval een lichaam als bedoeld in het eerste lid, zelf bestuurder is, onder bestuurder mede verstaan ieder van de bestuurders van laatstbedoeld lichaam. 3.Onder bestuurders, beherende vennoten, vereffenaren en vertegenwoordigers zijn begrepen allen, die bij of na het ontstaan van de verschuldigdheid bestuurders, beherende vennoten, vereffenaren en vertegenwoordigers waren, ook voorzover zij zijn af- of uitgetreden, rekening hebben gedaan of decharge hebben verkregen. Artikel122o De Ontvanger is ten aanzien van de belastingschuldige, bevoegd, aan hem uit te betalen en van hem te innen bedragen ter zake van rechten, met elkaar te verrekenen. Artikel123 1.Het invoerrecht moet betaald worden bij de aangifte ten invoer, zoals het door de Inspecteur is berekend. 2.De minister kan de Ontvanger machtigen uitstel van betaling te verlenen aan in Sint Maarten gevestigde kooplieden, wanneer het invoerrecht meer dan NAƒ 50,- bedraagt. 3.In de gevallen bedoeld in het tweede lid moet binnen acht dagen na afloop van elke kalendermaand, het over die maand verschuldigde invoerrecht door betaling worden aangezuiverd. 4.Betalingen buiten de kantooruren of aan onbevoegde personen gedaan, komen niet in aanmerking evenmin als de beweerde vernietiging of het in het ongerede geraken van bewijzen van betalingen. Artikelen124 tot en met 128a [vervallen] Artikel128b 1.Degene, die bezwaar heeft tegen: de toepassing van het tarief van invoerrechten op door hem ten invoer aangegeven goederen; de berekening van accijnzen of bijzondere invoerrechten; of een beschikking te zijnen ingevolge deze landsverordening of de Landsverordening tarief van invoerrechten, kan binnen zes weken na verzending van de beschikking, een bezwaarschrift indienen bij de douaneautoriteiten. 2.Met een beschikking wordt gelijkgesteld de weigering een beschikking te geven. 3.Alvorens een beslissing te nemen op het bezwaarschrift stellen de douaneautoriteiten de belanghebbende in de gelegenheid zijn bezwaarschrift mondeling toe te lichten. 4.De douaneautoriteiten brengen de beslissing op het bezwaarschrift in afschrift ter kennis van de belanghebbende bij aangetekende brief of tegen gedagtekend ontvangstbewijs. De beslissing is met redenen omkleed. 5.Tegen de beslissing van de douaneautoriteiten staat binnen zes weken na bekendmaking aan de belanghebbende, beroep open bij de Raad van Beroep voor belastingzaken. De Raad van Beroep voor belastingzaken beslist in hoogste instantie. 6.De douaneautoriteiten zijn belast met de uitvoering van de beslissing van de Raad van Beroep voor belastingzaken. Artikel128c [vervallen] HOOFDSTUKIIIBinnenlands Vervoer en Vervoer over Zee EERSTE AFDELING Algemene bepalingen Artikel129 1.De bepalingen van de tweede afdeling van dit hoofdstuk zijn alleen toepasselijk op accijnsvrije goederen. 2.Voor het binnenlands vervoer van accijnsgoederen gelden de bijzondere deswege bestaande bepalingen. Artikel130 1.Het binnenlandse vervoer is vrij, behalve dat op het terrein, aangewezen bij artikel 103, hierna te noemen: onvrij terrein. 2.Voor het vervoer buiten het onvrije terrein worden generlei documenten gevorderd. Artikel131 Het vervoer op het onvrije terrein naar de plaatsen in artikel 103 genoemd, is verboden met uitzondering van: goederen, vrij van invoerrecht; goederen, waarvan de invoerrechten voor de vervoerd wordende partij niet meer dan NAƒ 10,- zouden bedragen; kleine partijen levensmiddelen voor huiselijk gebruik en dagelijkse behoefte; producten van de binnenlandse landbouw, tuinbouw, fruittteelt en binnenlands vee, paarden en ezels; in het binnenland gewonnen zout; in het binnenland gewonnen delfstoffen en door natuurvorming in of boven de grond aanwezige meststoffen; fabrikanten van de in het binnenland gevestigde fabrieken, onder de voorwaarden voor elk bijzonder geval door de Inspecteur te stellen; goederen in geval van verhuizing onder dezelfde beperking als onder g gemeld; strandgoederen, onder gelijke beperking als onder g gemeld. Artikel132 Geen vervoerbiljet wordt afgegeven wanneer niet blijkt van het wettig aanwezig zijn van de goederen in het binnenland. Artikel133 Voor het vervoer op het onvrije terrein, uit de plaatsen, in artikel 103 genoemd, gelden de bepalingen van de tweede afdeling en voor het vervoer over zee die van de derde afdeling van dit hoofdstuk. Artikel134 De in de tweede en derde afdelingen van dit hoofdstuk voorgeschreven documenten tot vervoer hebben geen kracht tussen 20:00 uur en 06:00 uur, noch op zaterdagen, zondagen en krachtens de Arbeidsregeling met de zondag gelijkgestelde dagen, tenzij door de Inspecteur, in bijzondere gevallen, anders wordt beslist. TWEEDE AFDELING Binnenlands Vervoer Artikel135 Het vervoer moet geschieden met vervoerbiljet na aangifte op het kantoor van: de naam, het beroep en de woonplaats van de afzenders en de aanduiding van het perceel, waaruit de afzending zal plaats hebben; de naam en het beroep van hem, voor wie de goederen bestemd zijn, en de plaats van bestemming; ten aanzien van de goederen, de bijzonderheden, bedoeld in artikel 54, onder c tot en met f; de naam van de vervoerder en de omschrijving van het middel van vervoer. Artikel136 1.In de vervoerbiljetten zal, behalve het in artikel 135 vermelde, worden vermeld: de te volgen weg; de tijd voor het vervoer toegestaan en wanneer die ingaat; ter beoordeling van de ambtenaar, die het vervoerbiljet afgeeft, de posten waar het vervoerbiljet ter aftekening moet worden aangeboden. 2.Het vervoerbiljet moet worden afgetekend bij de afzending en desnoods ter plaatse van bestemming. Artikel137 Geen vervoerbiljet wordt vereist voor het vervoer van de goederen genoemd in artikel 131, onder a tot en met h; in de gevallen onder g en h, onder de daar genoemde beperking. Artikel138 Vervoerbiljetten, die niet voldoen aan de bepalingen van dit hoofdstuk, niet met de goederen of de tijd of de plaats en de wijze van vervoer overeenstemmen, of niet zijn afgetekend, waar dit is voorgeschreven, zijn krachteloos en het vervoer wordt geacht zonder vervoerbiljet plaats te hebben. DERDE AFDELING Vervoer over zee Artikel139 1.Het vervoer onder de bepalingen van deze afdeling kan slechts betreffen goederen uit het vrije verkeer. 2.[vervallen] 3.De invoer geschiedt overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk II. Artikel140 [vervallen] Artikel141 1.De schepen, laadruimen of goederen moeten zo goed mogelijk door de ambtenaren worden verzegeld of geplombeerd. 2.Is de verzegeling of plombering bij aankomst op de plaats van bestemming niet ongeschonden, dan wordt de binnenlandse herkomst van de goederen niet erkend; hetzelfde geldt voor zover de goederen niet overeenstemmen met het vervoerbiljet. Artikel142 1.Bij het vertrek en bij de aankomst op de plaats van bestemming worden de documenten door de ambtenaren, na vergelijking met de goederen, afgetekend en op de laatst gemelde plaats door hen ingetrokken. 2.Door de afgetekende documenten wordt de akte van inklaring, voor zover het de in deze afdeling bedoelde goederen betreft, aangezuiverd. Artikel143 De bepalingen van deze afdeling zijn mede toepasselijk op het vervoer over zee, uit een van de plaatsen in artikel 11 genoemd, naar een andere plaats, zonder dat enig ander gebied wordt aangedaan en zonder dat gemeenschap plaats heeft met vaartuigen van het buitenland komende of daarheen gaande, behoudens dat voor het uitoefenen van deze kustvaart, de schippers moeten zijn voorzien van een schriftelijke vergunning daartoe van de Inspecteur. HOOFDSTUKIVDoorvoer EERSTE AFDELING Algemene bepalingen Artikelen 144 Onder doorvoer wordt verstaan aanbrenging van goederen in Sint Maarten, gevolgd door uitvoer naar het buitenland, zonder dat zij ten invoer zijn aangegeven. Artikel145 De doorvoer is vrij van rechten. Artikel146 1.De doorvoer mag slechts geschieden van goederen, waarvan de invoer niet is verboden en langs de plaatsen in artikel 11 genoemd, behoudens bij landsverordeningen, onder daarbij gestelde voorwaarden, bepaalde uitzonderingen. 2.De doorvoer met vaartuigen, luchtvaartuigen daaronder begrepen, die niet volgens een geregeld vaarplan een dienst onderhouden tussen het binnenland en de plaats van bestemming van de goederen, is onderworpen aan een vergunning te verlenen door de Inspecteur. Door de Inspecteur zal worden beoordeeld of een dienst wordt onderhouden volgens een geregeld vaarplan als bedoeld in de voorgaande zin. 3.Omtrent goederen die worden doorgevoerd is verder in het algemeen toepasselijk al hetgeen in hoofdstuk II omtrent inklaring, aangifte, lossing, bewaking en verzegeling, verificatie, visitatie en verboden goederen, en in hoofdstuk V omtrent uitvoer en uitklaring is vastgesteld, behoudens de bepalingen van dit hoofdstuk. Artikel147 1.De aangifte volgens artikel 54, moet luiden voor doorvoer. 2.De voor doorvoer aangegeven goederen zullen bij of dadelijk na de lossing en verificatie of visitatie worden verzegeld of geplombeerd, voor zover de aard het vereist en toelaat, of anders onder bewaking gesteld, in welk laatste geval de kosten berekend naar een tarief, bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, vast te stellen, komen ten laste van de belanghebbenden. 3.Wanneer goederen worden doorgevoerd met hetzelfde schip waarmee ze zijn aangebracht, behoeven zij niet te worden gelost, dan wanneer en voor zover de Inspecteur bij vermoeden van fraude de lossing voor de visitatie nodig mocht achten. Artikel148 1.Na aangifte wordt een transitopaspoort afgegeven, waarin de tijd wordt vermeld, binnen welke de uitvoer moet plaatsvinden. 2.De doorvoer moet geschieden zonder opslag bij of vanwege de belanghebbenden en zonder verwerking van den goederen, bij gebreke waarvan de goederen worden beschouwd als ingevoerd. 3.Echter mogen goederen, die blijkens doorvoerlijsten of andere documenten binnen een bepaalde tijd moeten worden uitgevoerd, met vergunning van de Inspecteur, in afwachting van de inlading tijdelijk worden opgeslagen in door de belanghebbende te verschaffen, door de Inspecteur goed te keuren bergplaatsen, onder wederzijdse sluiting vanwege de Inspecteur en de belanghebbende; de goederen mogen niet in dezelfde bergplaatsen, bedoeld in artikel 45, worden opgeslagen, tenzij ten genoegen van de Inspecteur een voldoende afscheiding worde gemaakt. In bijzondere gevallen kan de termijn tot uitvoer op het document door de Inspecteur worden verlengd. Zijn de goederen niet binnen de bepaalde tijd uitgevoerd, dan verliest het document zijn kracht en worden, ingeval van opslag met doorvoerlijst, de goederen behandeld overeenkomstig artikel
- 4.Bij het uitvoeren van de goederen zal de identiteit daarvan worden nagegaan en het transitopaspoort na aftekening door de ambtenaren worden ingetrokken. 5.De aftekening moet de verklaring behelzen, dat de goederen conform en de plombes of zegels ongeschonden zijn bevonden. Artikel149 Accijnsgoederen moeten, wanneer ze doorgevoerd worden, geladen zijn in de gewone laadruimen, tenzij uit een verklaring, door de ambtenaren op de documenten te stellen blijkt, dat die goederen met hun voorkennis zijn geladen in een ander met name aangewezen gedeelte van het schip. Artikel150 De belanghebbende bij de goederen kan binnen de tijd, in het transitopaspoort gesteld, van de doorvoer afzien en het paspoort op het kantoor terugbezorgen, mits tegelijkertijd een aangifte ten invoer wordt gedaan, waarop, in het geval dat de goederen naar de waarde zijn belast, de bepalingen van de vijfde afdeling van hoofdstuk II toepasselijk zijn. TWEEDE AFDELING Utvoer met doorvoerlijsten Artikel151 Voor goederen, volgens de derde afdeling van hoofdstuk II ingeklaard, kunnen vóór de lossing of na tijdelijke opslag overeenkomstig de vierde afdeling van dat hoofdstuk, doorvoerlijsten tot uitvoer naar het buitensland worden ingeleverd, met inachtneming van de bepalingen van de volgende artikelen. Artikel152 1.De doorvoerlijsten moeten aanwijzen het land waarheen de goederen worden uitgevoerd, de vervoerder, de naam van het schip en dezelfde omschrijving als in de vrachtlijsten. 2.De doorvoerlijsten worden opgemaakt door de beheerders van de goederen. 3.In de doorvoerlijsten moeten echter steeds de soort van de goederen en de hoeveelheid volgens de artikelen 32 en 34 worden opgegeven. 4.Alleen de Nederlandse taal mag worden gebezigd. Artikel153 1.De doorvoerlijsten worden in tweevoud ingeleverd bij de Inspecteur op de plaats van verzending, die daarvan aantekening houdt in een register en de lijsten waarmerkt. 2.Een exemplaar van de lijsten wordt aan de belanghebbende uitgereikt tot begeleiding van de goederen, nadat de Inspecteur daarop heeft vermeld de tijd, waarbinnen de uitvoer moet plaats hebben. 3.Dit laatste exemplaar wordt bij de inlading of ingeval van doorvoer met hetzelfde schip, waarmee de goederen zijn aangebracht, bij het vertrek van het schip, afgetekend door de ambtenaren, belast met de visitatie, onder vermelding van de toegepaste maatregelen van plombering, verzegeling of bewaking en bij het vertrek door hen ingetrokken. Artikel154 1.Degenen, die doorvoerlijsten hebben ingeleverd moeten die lijsten binnen de volgens artikel 153 bepaalde tijd aanzuiveren door uitvoer van de goederen met inachtneming van de bepaling van de vorige artikelen.
- De artikelen 43 en 50 zijn op doorvoerlijsten van toepassing. Artikel155 Het bepaalde in artikel 150 is hier niet toepasselijk, doch de Inspecteur kan in bijzondere gevallen toestaan, dat doorvoerlijsten worden aangezuiverd door lossing van de goederen met documenten verkregen na aangifte volgens de vijfde afdeling van hoofdstuk II. DERDE AFDELING Rechtsreekse doorvoer Artikel156 Onder rechtstreekse doorvoer wordt verstaan doorvoer van goederen zonder overlading, alsmede doorvoer, waarbij de inkomende goederen zonder tussenvervoer worden overgeladen in het schip, waarmee zij naar het buitensland zullen worden gebracht. Artikel157 1.De voorschriften van de derde afdeling van het tweede hoofdstuk omtrent de inklaring van de daarbij bedoelde goederen, zijn van toepassing voor de inklaring van goederen, bestemd ten doorvoer op de voet van deze afdeling, behoudens hetgeen hierna is bepaald. 2.Op de schepen wordt door de ambtenaren zo mogelijk plombering of verzegeling, en anders bewaking toegepast; in het laatste geval komen de kosten, berekend naar een door bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, vast te stellen tarief, ten laste van de schipper. Artikel158 Indien in het schip, behalve de ten doorvoer bestemde goederen, ook andere goederen geladen zijn, worden voor ieder van de twee categorieën van goederen, afzonderlijke vrachtlijsten en afzonderlijke akten van inklaring ingeleverd. Artikel159 1.De ten doorvoer bestemde goederen mogen in geen geval als onbekend, onder de algemene benaming van koopmanschappen of zonder opgaaf van hoeveelheid in de vrachtlijsten vermeld worden. 2.Aan stoomvaartondernemingen, in het vaarplan waarvan Sint Maarten is opgenomen en geregeld wordt aangedaan, kan door de Inspecteur een doorlopende vergunning worden verleend om de voor doorvoer zonder overlading bestemde goederen op de vrachtlijsten slechts te omschrijven op de wijze als in artikel 41, eerste lid, bepaald. 3.In deze gevallen zal steeds bewaking op kosten van de belanghebbenden worden toegepast en zullen de schippers gehouden zijn, zo vaak als dat door of namens de Inspecteur wordt verlangd, de ladingspapieren te tonen. Artikel160 1.De goederen worden niet uit de schepen gelost, dan voor zover dit door de Inspecteur voor de visitatie gevorderd wordt of nodig is voor de in artikel 156 bedoelde overlading. Deze overlading geschiedt in tegenwoordigheid van de ambtenaren. 2.De doorvoer moet zoveel mogelijk zonder oponthoud plaatsvinden. De tijd voor de uitvoer en de plaats van de overlading worden op de akte van inklaring vermeld door de Inspecteur. Artikel161 1.De invoerders moeten de akten van inklaring en de vrachtlijsten binnen de voor het vervoer bepaalde tijd aanzuiveren door uitvoer van de goederen met inachtneming van het bepaalde in de voorgaande artikelen en zonder van de doorvoer te mogen afzien op de voet van artikel
- 2.Tot bewijze hiervan wordt het duplicaat van de akte van inklaring bij de uitvoer van de goederen aan de ambtenaren ter afrekening aangeboden en door deze met de vrachtlijsten ingetrokken. Artikel162 1.De Inspecteur kan toestaan dat de akte van inklaring tot doorvoer wordt veranderd in een akte van inklaring tot invoer, mits in het geval van artikel 159, tweede lid, de vrachtlijsten vooraf worden aangevuld met de opgaven, volgens artikel 157, eerste lid, vereist.
- In het geval van artikel 159, tweede lid, kan de Inspecteur ook toestaan dat voor enkele colli de akte van inklaring wordt aangezuiverd door lossing volgens de tweede afdeling van hoofdstuk II. HOOFDSTUKVUitvoer en uitklaring EERSTE AFDELING Uitvoer Artikel163 De inlading en uitvoer van goederen mag slechts geschieden op de plaatsen in artikel 24 genoemd, behoudens de vergunning en met dezelfde uitzondering als bij dat artikel bepaald. Artikel164 Het verbod van uitvoer van bepaalde goederen wordt beheerst door de bijzondere wettelijke regelingen daaromtrent. Artikel165 Behoudens de bijzondere bepalingen omtrent de uitvoer van delfstoffen en door natuurvorming in of boven de grond aanwezige meststoffen, alsmede de bijzondere wettelijke regelingen omtrent sommige andere goederen, is de uitvoer vrij van rechten. Artikel166 Voor goederen die uitgevoerd worden, die vrij van uitvoerrecht zijn, moet vóór de inlading een door de belanghebbende ondertekende aangifte op het kantoor worden ingeleverd, vermeldende: de naam van het schip; de hoeveelheid en soort van de goederen volgens de algemene handelsbenaming; de waarde van de goederen. Artikel167 [vervallen] TWEEDE AFDELING Uitklaring Artikel168 Geen schip, behalve die, welke krachtens de artikelen 17 of 18 van inklaring zijn vrijgesteld, mag van Sint Maarten vertrekken zonder, na zo nodig gevisiteerd te zijn, op verzoek van de schipper door de Inspecteur te zijn uitgeklaard. Artikel169 1.Wanneer aan alle bepalingen van deze landsverordening en van die op de uitvoerrechten, accijnzen, loodsgelden en zeebrieven alsmede aan die van de uitvoeringsvoorschriften van deze verordeningen is voldaan, en zo nodig de visitatie heeft plaats gehad, zal de Inspecteur op het verzoek het schip uitklaren, en zo spoedig mogelijk een vertrekpas afgeven. 2.De vertrekpas wordt door de gezagvoerder van het schip vóór het vertrek afgegeven aan een ambtenaar of aan de politie, die het stuk zo spoedig mogelijk op het kantoor van de Inspecteur bezorgt. 3.Indien aan de schipper op zijn verzoek een duplicaat vertrekpas is uitgereikt, zal hij een exemplaar behouden. 4.Indien een schip niet aan uitklaring is onderworpen, wordt aan de schipper, op zijn verzoek, door de Inspecteur een verklaring uitgereikt, gelijk luidende als een duplicaat vertrekpas. Artikel170 Wanneer de uitklaring van een schip buiten de kantooruren, of op krachtens de Arbeidsregeling met de zondag gelijkgestelde dagen wordt verlangd, zal aan dat verzoek worden voldaan. Artikel171 Schippers, die na gedane visitatie en uitklaring enige goederen innemen zullen daarvan opnieuw aangifte moeten doen, waarop nadere uitklaring, zo nodig na visitatie, moet geschieden. Artikel172 De loodsen zullen geen schip mogen buiten brengen zonder zich de vertrekpas te hebben doen tonen. HOOFDSTUKVIIn-, uit-, en doorvoer van postpakketten Artikel173 Omtrent de voorwerpen van de pakketpost, die door de postdienst in- , uit- en doorgevoerd worden en die in de volgende artikelen onder de naam "pakketten" worden aangeduid, gelden de regels bij deze landsverordening vastgesteld, behoudens de bepalingen van de volgende artikelen. Artikel174 In-, uit-, en doorvoer van pakketten geschiedt op de plaatsen in artikel 11 vermeld. Artikel175 1.Bij de toepassing van de regels, in Hoofdstuk II en Hoofdstuk IV, derde afdeling, gesteld omtrent de invoer met vrachtlijsten worden de vrachtlijsten voor de pakketten vervangen door douaneverklaringen, die volgens de voorschriften van de postdienst de pakketten moeten vergezellen. 2.Deze verklaringen mogen in elke taal zijn opgemaakt, mits het de taal is van het land, waar het pakket is afgezonden. Artikel176 1.Tot de in-, uit- en doorvoer van pakketten wordt slechts één exemplaar van de douaneverklaringen gevorderd. 2.De exemplaren, die op dezelfde akte van inklaring betrekking hebben, worden vóór de inlevering van een doorlopend volgnummer voorzien en gehecht aan het duplicaat van de akte van inklaring. Artikel177 In het geval van tijdelijke opslag van pakketten geschiedt deze in een bergplaats van de postdienst. Opslag in een bergplaats van de postdienst, in afwachting van de uitvoer, wordt voor de toepassing van artikel 156 niet beschouwd als tussenvervoer. Artikel178 De inschrijving van meer bevonden goederen, bedoeld in artikel 50, derde lid, geschiedt voor de pakketten op het duplicaat van de akte van inklaring. Artikel179 1.De aangifte, bedoeld in artikel 54, wordt voor de pakketten in tweevoud ingeleverd, met uitzondering van die voor goederen, vrij van invoerrecht en accijns, die in enkelvoud geschiedt. 2.De ambtenaar geeft een exemplaar aan de ambtenaar van de postdienst terug, na daarop een ondertekende opgave van het bedrag van de verschuldigde belasting gesteld te hebben. 3.Dit exemplaar van de aangifte vervangt de kwitantie van betaald invoerrecht en de accijnskwitantie. Artikel180 1.Wanneer de douaneverklaring ten opzichte van de soort of van de hoeveelheid van de goederen niet alle gegevens bevat voor het opmaken van de aangifte, bedoeld in het vorige artikel, zijn de ambtenaren van de postdienst, belast met het beheer van de pakketten, bevoegd om deze zonder bijzondere vergunning, doch in tegenwoordigheid van een ambtenaar te openen. 2.Wanneer niet op dezelfde tijd aangifte, visitatie en verificatie geschieden, worden de pakketten terstond na het onderzoek weer gesloten. 3.Het bedrag van de invoerrechten en accijnzen, verschuldigd wegens pakketten, wordt niet telkens bij iedere aangifte, maar op bepaalde tijden door de Administratie van de Postdienst met de Administratie der Douane vereffend en aan haar betaald volgens regels, door de minister vast te stellen. Artikel181 Het bedrag van de invoerrechten en accijnzen, verschuldigd wegens pakketten, wordt door de Administratie van de Postdienst in haar maandstaat verantwoord. Artikel182 De Administratie van de Postdienst is ontheven van het stellen van zekerheid voor de betaling van hetgeen wegens het niet aanzuiveren van de akten van inklaring of andere documenten voor de pakketten verschuldigd kan worden. Artikel183 Bij uitvoer van pakketten wordt de aangifte, bedoeld in artikel 166, niet gevorderd. Artikel184 [vervallen] HOOFDSTUKVIIZekerheidstellingen Artikel185 1.Voor het verkrijgen van documenten, die niet strekken tot kwitantie voor invoerrecht of accijns of vervoer van goederen, waarvan de rechten zijn betaald, moeten de belanghebbenden wanneer dat gevorderd wordt ten genoegen van de Inspecteur zekerheid hebben gesteld voor het bedrag van de rechten en accijnzen, dat verschuldigd kan worden. 2.Van de beslissing van de Inspecteur is beroep toegelaten bij de Raad van Beroep voor belastingzaken. Artikel186 Zekerheidstelling voor de betaling van kosten kan gevorderd worden in alle gevallen, waarin volgens deze landsverordening of andere wettelijke regelingen op de in-, uit- en doorvoer deze ten laste van belanghebbenden komen. Artikel187 1.Alvorens te worden toegelaten tot tijdelijke opslag volgens Hoofdstuk II moeten de belanghebbenden wanneer dat gevorderd wordt zekerheid hebben gesteld ten bedrage van NAƒ 5,- voor ieder collo of iedere 100 kilogram gestorte goederen of losse voorwerpen, gedeelten van 100 kg voor 100 kg gerekend. 2.Komt dit bedrag de Inspecteur niet voldoende voor dan kan hij het bij benadering bepalen op de som die aan invoerrecht en accijns bij aangifte tot invoer verschuldigd zou zijn. 3.De zekerheid wordt niet vereist: wegens gestorte goederen en losse voorwerpen, waarvoor bij invoer tot verbruik geen belasting is verschuldigd, mits dit uit hun omschrijving in de vrachtlijst blijkt; wegens lossing tot tijdelijke opslag in lokalen of op de terreinen van een overheidsentrepot, voor zover deze lossing in die lokalen of op die terreinen zelf plaatsvindt. Is de opslag elders geschied, dan wordt de zekerheid dadelijk na de opslag in gemelde lokalen of op gemelde terreinen opgeheven. 4.Van de beslissing van de Inspecteur is beroep toegelaten bij de Raad van Beroep voor belastingzaken. Artikel188 1.[vervallen] 2.[vervallen] 3.[vervallen] 4.[vervallen] Artikel189 De bepalingen van dit hoofdstuk hebben geen betrekking op de zekerheid wegens krediet voor invoerrechten of accijnzen, in welke vorm ook verleend. Artikel190 1.Zekerheid kan worden gesteld door: storting van een bepaalde som geld; borgtocht; pand; hypotheek. 2.De kosten van de zekerheidstelling komen ten laste van belanghebbenden. 3.De wijzen van zekerheidstelling onder c en d komen niet in aanmerking, wanneer de zekerheidstelling wordt gevorderd voor een op zichzelf staande handeling. Artikel191 1.Bij zekerheidstelling door storting van een bepaalde som geld zal deze gestort worden op het kantoor van de Ontvanger. 2.Bij een doorlopende zekerheidstelling op deze voet zal op verzoek van de belanghebbende de som in de Landskas kunnen worden gestort onder genot van een interest, bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, te bepalen, doch die niet kan zijn beneden 2 noch boven 2,64% per jaar. 3.De interest gaat in met ingang van de dag na die van de storting en wordt op 1 juni en 1 december aan de belanghebbende uitgekeerd. 4.De zekerheidstellingen in geld worden ingeschreven in een register; een bewijs van die inschrijving wordt aan de belanghebbende en aan de Inspecteur uitgereikt. Artikel192 1.Borgtocht voor een beloop van niet meer dan NAƒ 300,- kan worden gesteld bij onderhandse akte in tweevoud. 2.Bij borgtocht boven NAƒ 300,- moet een notariële akte worden opgemaakt, moet de borg in het Land domicilie hebben en geen ambt bekleden, waarvoor hij rekenplichtig is aan het Land, noch een beroep uitoefenen, waarvoor hij een openstaande rekening met het Land heeft. 3.Van het laatste kan door de Inspecteur ontheffing worden verleend, mits dezelfde personen niet wederkerig borgen voor elkaar zijn. 4.Of iemand als borg zal worden aangenomen, staat uitsluitend ter beslissing van de Inspecteur. 5.Een borgtocht kan worden opgezegd, doch niet anders dan bij deurwaardersexploot en op geen kortere termijn dan een maand na de betekening. 6.Ingeval van overlijden eindigt de borgtocht op de dertigste dag, nadat de erfgenamen de Inspecteur van het overlijden hebben kennis gegeven. 7.Ingeval van overbrenging van het domicilie buiten Sint Maarten blijft de aansprakelijkheid van zodanige borg voortduren, totdat de borgtocht door de Inspecteur is opgezegd. Artikel193 1.In pandgeving kan geschieden van effecten of obligaties aan toonder en koopmanschappen, alles ter beoordeling van de Inspecteur. 2.Het bij het vorig artikel bepaalde omtrent onderhandse of notariële akte is ook ten opzichte van de akte van in pandgeving toepasselijk. 3.De in pand gegeven zaken worden in de akte nauwkeurig omschreven. 4.De in pand gegeven koopmanschappen zullen in een overheidsbergplaats worden geborgen, de effecten door de Inspectie bewaard. 5.De waarde van de onderpanden wordt bepaald door een of meer deskundigen, door de Inspecteur aangewezen. 6.De waarde moet het beloop van de zekerheid met 25% daarvan overtreffen. Bij waardevermindering, ter beoordeling van de Inspecteur kan aanvulling van de zekerheid gevorderd worden. Artikel194 Bij zekerheidstelling door middel van hypotheek gelden de volgende regels: de onroerende goederen moeten in Sint Maarten gelegen zijn; zij moeten vooraf worden geschat door deskundigen, door de Inspecteur aangewezen; de waarde moet het beloop van de zekerheid met de helft daarvan te boven gaan; de goederen moeten onbezwaard zijn, behoudens uitzondering voor bijzondere gevallen, door de Inspecteur toe te staan; in dat geval geldt onder c voor de onbezwaarde waarde; de gebouwen moeten tegen brandschade verzekerd zijn, ten name van het Land; bij daling in waarde met 20% of meer, ter beoordeling van de Inspecteur, kan aanvulling van de zekerheid gevorderd worden. Artikel195 1.Indien een vrachtlijst met tijdelijke opslag of enig afgegeven document, waarvoor zekerheidstelling is of kan worden gevorderd, niet of niet volledig gezuiverd en voorzien van de vereiste aftekening, dat aan de inhoud is voldaan, binnen de tijd van twee weken na de tijd, tot het gebruik daarvan daarin bepaald, op het kantoor van de inlevering of afgifte is teruggekomen, zal tot invordering van het bedrag, ten belope waarvan de zekerheid is gesteld of kan worden gevorderd, worden overgegaan. 2.Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kan ten aanzien van accijnsgoederen en sigaretten worden bepaald, dat na tijdelijke opslag of na overlading in zeilschepen binnen een door de Inspecteur te bepalen tijd het bewijs moet worden overgelegd, dat de goederen hun bestemming behoorlijk hebben bereikt; in dat geval zal verzuim om daaraan te voldoen hetzelfde gevolg hebben als in het slot van het vorig lid bepaald. HOOFDSTUKVIIIEntrepots Artikel196 1.Entrepots zijn opslagplaatsen van goederen in daartoe aangewezen bergplaatsen. 2.Het doel van de entrepots is om aan de eigenaren of geconsigneerden van inkomende, niet ten invoer verboden, goederen, de gelegenheid te geven, om de goederen tot verblijf in het binnenland of tot doorvoer, voor zover die niet verboden is, te bestemmen en aan te geven, tegen betaling in het eerste geval van de verschuldigde rechten. Artikel197 Van de gunst van overheidsentrepots zijn uitgesloten zodanige goederen, ten aanzien waarvan dat wegens hun omvang of aard door de Inspecteur bij voortduring of tijdelijk wordt bepaald. Artikel197A 1.Open entrepots zijn entrepots die niet ambtelijk worden gesloten of bewaakt en die bestemd zijn tot opslag voor onbepaalde tijd door de beheerder van het entrepot van bij invoer al dan niet aan invoerrecht onderworpen accijnsvrije goederen van een of meer bepaalde daartoe door de Inspecteur aangewezen soorten. 2.Voor het oprichten van een open entrepot is een schriftelijke vergunning van de Inspecteur vereist. 3.Voor goederen in open entrepot opgeslagen wordt ten genoegen van de Inspecteur zekerheid gesteld voor de invoerrechten. 4.De opneming van goederen in een open entrepot geschiedt zo vaak als de Inspecteur dit nodig oordeelt, voor het afsluiten van de rekening als bedoeld in artikel
- 5.De artikelen 210, 214 en 215 zijn mede van toepassing op de in het eerste lid bedoelde entrepots. Artikel198 1.De gunst van entrepot wordt, wat particuliere entrepots aangaat, genoten voor onbepaalde tijd en, wat overheidsentrepots betreft, voor de tijd van een jaar na de dag van de lossing, welke termijn in bijzondere gevallen door de Inspecteur kan worden verlengd. 2.Ten aanzien van accijnsgoederen wordt de gunst van overheidsentrepot ook voor invoerrechten genoten voor onbepaalde tijd en op de voet van de bijzondere bepalingen daaromtrent. Wanneer deze goederen uit de entrepots ten invoer worden aangegeven, moeten de rechten terstond worden betaald, behoudens in gevallen van verleend uitstel van betaling. 3.De hier bepaalde termijnen gelden niet bij tijdelijke opslag op de voet van Hoofdstuk II. Artikel199 1.In Sint Maarten is een overheidsentrepot onder toezicht van de Inspecteur en wederzijdse sluiting, zowel aan die kant als aan de kant van de handel. 2.Opslag in overheidsentrepot kan slechts plaatsvinden, voor zover er ruimte beschikbaar is. 3.Ook particuliere bergplaatsen, die geen gemeenschap hebben met andere lokalen en voor doeltreffende afsluiting vatbaar zijn, kunnen onder wederzijdse sluiting bedoeld in het eerste lid, door de Inspecteur als entrepot worden toegelaten. 4.In deze particuliere entrepots mogen geen andere dan geëntreposeerde goederen geborgen zijn. Artikel200 Bij gebleken misbruik van de gunst van particulier of open entrepot is de Inspecteur bevoegd deze gunst in te trekken met gevolg, dat binnen drie dagen de in het entrepot aanwezige goederen ten invoer moeten worden aangegeven of wel moeten worden overgebracht naar een overheidsentrepot, bij gebreke waarvan de rechten terstond zullen verhaalbaar zijn volgens schatting van de goederen door de Inspecteur. Artikel201 De overheids- en particuliere entrepots zijn onder toezicht vanwege de Inspectie voor de belanghebbenden toegankelijk op alle kantoordagen gedurende de kantooruren en in bijzondere gevallen, ter beoordeling van de Inspecteur, ook op ander dagen en uren, doch nimmer tussen 18:00 uur en 06:00 uur. Artikel202 1.Sint Maarten is geheel niet verantwoordelijk voor de goederen, die in overheids- of particulier entrepot worden geborgen, tenzij die in overheidsentrepot door schuld van de ambtenaren mochten zijn bedorven of in waarde verminderd. 2.Het ontbreken van goederen, anders dan door brand, overstroming of andere buitengewone gebeurtenissen, geeft geen recht tot vermindering van rechten op de hoeveelheid, bij de opslag aangegeven of bevonden, blijvende het aanwezige aansprakelijk voor het vermiste. 3.Voor alle goederen in overheidsentrepot zullen bij uitslag het invoerrecht en de accijns worden berekend naar de hoeveelheid, die uitgeslagen wordt. Artikel203 Geen inkomende goederen zullen in entrepot worden opgenomen dan die vóór de afgifte van het consent tot lossing op entrepot zijn aangegeven; de aangifte van de te entreposeren goederen zal moeten geschieden op dezelfde wijze als voor inkomende goederen in Hoofdstuk II, vijfde afdeling, is bepaald, doch aan de opgegeven waarde zal men bij de aangifte tot uitslag niet zijn gebonden; een en ander behoudens het bepaalde in de artikelen 49 en
- Artikel204 Accijnsgoederen worden steeds vóór de opslag in en bij de uitslag uit entrepot aan verificatie onderworpen. Artikel205 1.Onverminderd hetgeen in Hoofdstuk II is bepaald omtrent tijdelijke opslag van goederen, kunnen de akten van inklaring en vrachtlijsten in Hoofdstuk II bedoeld, op schriftelijke verklaring van de belanghebbende, zonder nadere aangifte en zonder tijdelijke opslag, terstond worden aangezuiverd door entreposering van de goederen in entrepot. 2.Goederen, waarvan de soort of de hoeveelheid niet in de vrachtlijsten vermeld is, komen voor de toepassing van dit artikel niet in aanmerking, tenzij de lijst vooraf met die vermelding wordt aangevuld. Artikel206 Om een gedeelte van in een akte van inklaring begrepen goederen op de losplaats in overheidsentrepot op te slaan op de voet van het vorige artikel, levert de belanghebbende bij de Inspectie een uittreksel van de betrokken vrachtlijsten in dat na aftekening door de ambtenaren met de visitatie bij de lossing belast dient ten geleide van de goederen naar het entrepot. Artikel207 [vervallen] Artikel208 1.De goederen, opgenomen in entrepot, mogen daarin onder toezicht van de ambtenaren worden verpakt, gesorteerd of verwerkt. 2.De belanghebbende vraagt daartoe telkens vooraf schriftelijke vergunning aan de Inspecteur. 3.Het bij dit artikel bepaalde geldt niet bij tijdelijke opslag op de voet van Hoofdstuk II. Artikel209 Overeenkomstig de regels, door de minister te stellen, kunnen van de goederen, in entrepot opgeslagen, monsters genomen worden. Artikel210 1.Geëntreposeerde goederen kunnen in hetzelfde overheidsentrepot op naam van een ander worden overgeboekt. 2.Zij kunnen, voor zover particulier entrepot voor de goederen is toegelaten, van het overheidsentrepot naar een particulier entrepot, of wel van het een naar het andere particulierentrepot in Sint Maarten worden vervoerd, hetzij op naam van de entrepositaris of van de nieuwe verkrijger. 3.In al deze gevallen zijn schriftelijke verklaringen van de entrepositaris en de nieuwe verkrijger nodig en geschiedt in de gevallen in het tweede lid bedoeld, het vervoer op consentbiljet onder toezicht van de ambtenaren. Het consentbiljet wordt na aftekening door de ambtenaren ingetrokken. Artikel211 De heruitvoer uit entrepot naar het buitenland, ook van accijnsgoederen, moet plaats vinden in alles met inachtneming van de formaliteiten, bij hoofdstuk IV voorgeschreven omtrent de doorvoer. Artikel212 1.Dadelijk na het verloop van de tijd, in artikel 198 voor het verblijf van accijnsvrije goederen in overheidsentrepot bepaald, zal aangifte ten invoer moeten worden gedaan en zullen de goederen het entrepot moeten verlaten. 2.Bij nalatigheid zullen de goederen naar een overheidsbergplaats worden overgebracht om behandeld te worden als in de zevende afdeling van Hoofdstuk II omtrent onbekende en onbeheerde goederen is bepaald, met dien verstande, dat verder geen aangifte anders dan ten invoer zal kunnen geschieden. Artikel213 1.Met iedere entrepositaris wordt door de Inspecteur, voor elk entrepot afzonderlijk, een rekening gehouden. 2.Op die rekening worden als debet gebracht de goederen: volgens de laatste opneming; daarna opgeslagen blijkens de afgetekende documenten; in overheidsentrepot op naam van de entrepositaris overgeboekt; en in het credit: de uitslagen met betaling van rechten; die met bestemming tot opslag in een ander entrepot; die met bestemming tot heruitvoer; de hoeveelheden, in overheidsentrepot op naam van een ander overgeboekt; het bij opneming in entrepot bevonden tekort, nadat voor zoverhet particulier entrepot betreft, de rechten ter zake zijn voldaan; het op de nieuwe rekening over te brengen saldo. Artikel214 1.In de maand januari van elk jaar en verder zo dikwijls als de Inspecteur nodig acht, zal hij de geëntreposeerde goederen doen opnemen. 2.Ingeval een tekort in de particuliere entrepots wordt vastgesteld, zal de rekening moeten worden aangezuiverd door betaling van het verschuldigde wegens het vastgestelde tekort. 3.De vastgestelde goederen zullen op nieuwe rekeningen worden overgebracht en binnen tien dagen na de opneming zullen de entrepositarissen of hun gemachtigden op het kantoor van de Inspecteur moeten verschijnen, teneinde hun rekening te vereffenen en om de bewijzen van vroegere entreposering om te wisselen tegen nieuwe. 4.Bij nalatigheid hierin zullen de goederen uit een particulier entrepot worden overgebracht naar een overheidsbergplaats om behandeld te worden als onbekende en onbeheerde goederen op de voet van de zevende afdeling van Hoofdstuk II. Artikel215 1.De in het vorig artikel bedoelde opneming kan, indien de Inspecteur dit niet nodig acht, worden nagelaten. 2.Heeft er geen opneming plaats, dan wordt voor de vereffening van de rekening en het afgeven van nieuwe bewijzen van entreposering volgens het vorige artikel de voorraad goederen geacht gelijk te zijn aan die, welke er volgens rekening moet zijn. Artikel216 Een tarief van huur van overheidsentrepot, van kosten wegens opening en sluiting van en toezicht in entrepots en van huur van overheidsbergplaatsen wordt vastgesteld bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen. HOOFDSTUKIXVervolging en straffen EERSTE AFDELING Algemene Bepalingen Artikel217 1.Met het opsporen van de in deze landsverordening strafbaar gestelde feiten zijn belast de in artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren of personen, de ambtenaren der Douane, alsmede de in artikel 121c bedoelde ambtenaren van de belastingdienst. 2.Bij het opsporen van bij wettelijke regelingen strafbaar gestelde feiten gelden de opsporingsbevoegdheden en procedures van het Wetboek van Strafvordering, tenzij in dit hoofdstuk hiervan afwijkende bepalingen zijn opgenomen. 3.Alle processen-verbaal, opgemaakt door de ambtenaren, betreffende de bij deze verordening strafbaar gestelde feiten worden ingezonden aan het Hoofd. Het Hoofd doet de processen-verbaal betreffende strafbare feiten, ter zake waarvan inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis is toegepast dan wel een woning tegen de wil van de bewoner is binnengetreden, met de in beslag genomen voorwerpen onverwijld toekomen aan de officier van justitie. De overige processen-verbaal doet het Hoofd, met de in beslag genomen voorwerpen, toekomen aan de officier van justitie, indien hij een vervolging wenselijk acht. 4.De officier van justitie is bevoegd, de zaak ter afdoening weer in handen van het Hoofd te stellen, die daarmee alsdan kan handelen overeenkomstig artikel 219a. 5.Het bepaalde in artikel 14, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is niet van toepassing in zaken waarin het Hoofd het proces-verbaal niet aan de officier van justitie heeft doen toekomen. Artikel218 1.De ambtenaren belast met de opsporing van de in deze landsverordening strafbaar gestelde feiten, zijn te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van de ingevolge het Wetboek van Strafvordering voor inbeslagneming vatbare voorwerpen. Zij kunnen daartoe hun afgifte vorderen. 2.Zij hebben te allen tijde toegang tot alle plaatsen, waarv