LANDSBESLUIT, HOUDENDE ALGEMENE MAATREGELEN, ter uitvoering van artikel 11, derde lid, van de Landsverordening funderend onderwijsArtikel1 De kerndoelen voor de educatiegebieden, genoemd in artikel 11, eerste lid, van de Landsverordening funderend onderwijs, worden vastgesteld als aangegeven in de bij dit landsbesluit behorende bijlage. Artikel2 [regelt de inwerkingtreding] Artikel3 Dit landsbesluit kan worden aangehaald als: Landsbesluit kerndoelen funderend onderwijs. Bijlage Overzicht Kerndoelen Algemene mensvormingKerndoel 1De leerling begrijpt en implementeert de principes van de vijf basiswaarden en leeft de normen na. Waarde: waarheid Waarde: liefde Waarde: vrede Waarde: juist gedrag Waarde: geweldloosheid Kerndoel 2 De leerling toont begrip en respect voor culturen, gewoonten en rituelen. Educatiegebied: Algemene mensvorming Kerndoel
- De leerling begrijpt de principes van de vijf basiswaarden, waarheid, liefde, vrede, juist gedrag, geweldloosheid en leeft de normen na Waarde: Waarheid De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) weet en begrijpt wat de beginselen zijn van waarheid geeft samenhangende en eerlijke antwoorden gebaseerd op de waarheid weet gewenst en ongewenst gedrag te onderscheiden kan het onderscheid tussen goed en kwaad / gewenst en ongewenst aangeven. begrijpt dat eerlijkheid het langst duurt kan situaties aangeven waarin eerlijkheid de sleutel is voor de oplossing begrijpt de basisprincipes van waarheid kan argumenten analyseren op hun waarheidsgehalte Cyclus 2 (tussendoelen) begrijpt dat elke individu verantwoordelijk is om de waarde van de waarheid in eer te houden vraagt: " Hoe weet je dat” in de juiste situaties. begrijpt dat normen worden vastgesteld door de gemeenschap door middel van ervaring en traditie kan normen en regels opnoemen die vastgesteld zijn door de school of de gemeenschap en kan de waarde aangeven van elke regel weet hoe je de principes van waarheid met zelfverzekerdheid moet toepassen maakt keuzes tussen waarheid (onderzoek) en onwaarheid /leugen begrijpt de basisprincipes van waarheid past de basisprincipes van waarheid toe analyseert alles dat wordt geproefd, gezien, gehoord, geroken, aangeraakt om zeker te zijn van de waarheid Educatiegebied: Algemene mensvorming Kerndoel 1.De leerling begrijpt de principes van de vijf basiswaarden, waarheid, liefde, vrede, juist gedrag, geweldloosheid en leeft de normen na Waarde: Liefde Sub-waarden: Vriendschap, oprechtheid, tolerantie, vriendelijkheid, medeleven De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) weet wat het betekent om vriendelijk te zijn onderscheidt vriendelijke daden van anderen begrijpt en ervaart dat (ware) vriendschap geluk brengt gedraagt zich als een vriendelijke persoon begrijpt de basisprincipes van vriendelijkheid past de basisprincipes toe van vriendelijkheid Cyclus 2 (tussendoelen) begrijpt de basisprincipes van vriendelijkheid past de basisprincipes toe van vriendelijk zijn en laat blijken een vriendelijke persoon te zijn. reageert op " Hoe voel jij je?" wanneer vriendelijkheid wordt getoond en beschrijft gevoelens van tevredenheid wanneer vriendelijkheid wordt getoond begrijpt en ervaart dat ware vriendschap geluk brengt. Educatiegebied: Algemene mensvorming Kerndoel
- De leerling begrijpt de principes van de vijf basiswaarden, waarheid, liefde, vrede, juist gedrag, geweldloosheid en leeft de normen na Waarde: Liefde Sub-waarden: Vriendschap, oprechtheid, tolerantie, vriendelijkheid, medeleven De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) begrijpt de basisprincipes van vriendschap beschrijft het belang van vriendschap en past de basisprincipes van vriendschap toe geeft aan hoe de waarde van vriendschap wordt toegepast en onderscheidt manieren waarop vriendschap thuis kan worden toegepast omschrijft de waarde van vriendschap weet verhalen na te vertellen waarin loyaliteit tussen vrienden op school en in de gemeenschap tot uiting komt toont oprechtheid en eerlijkheid en maakt onderscheid tussen informatie waar oprechtheid en eerlijkheid uit blijken herkent de waarde van oprechtheid, toont oprecht gedrag en uit de gevoelens die ermee gepaard gaan vergeeft anderen en vraagt de ander om vergeving geeft uiting aan gevoelens van blijdschap en geluk met vrienden, ouders enz. Educatiegebied: Algemene mensvorming Kerndoel
- De leerling begrijpt de principes van de vijf basiswaarden, waarheid, liefde, vrede, juist gedrag, geweldloosheid en leeft de normen na Waarde: Liefde Sub-waarden: Vriendschap, oprechtheid, tolerantie, vriendelijkheid, medeleven De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 2 (tussendoelen) begrijpt de basisprincipes van vriendschap onderscheidt vriendschap van vriendelijkheid kan de waarden van vriendelijkheid noemen past de basisprincipes van vriendschap toe en gaat vriendelijk om met anderen vergeeft anderen en vraagt de ander om vergeving geeft uiting aan gevoelens van blijdschap en geluk met vrienden, ouders enz vertelt eigen en andere verhalen waaruit oprechtheid tussen mensen blijkt en houdt een dagboek bij waarin ervaringen staan die gebaseerd zijn op oprechtheid Educatiegebied: Algemene mensvorming Kerndoel
- De leerling begrijpt de principes van de vijf basiswaarden, waarheid, liefde, vrede, juist gedrag, geweldloosheid en leeft de normen na. Waarde: Liefde Sub-waarden: Vriendschap, oprechtheid, tolerantie, vriendelijkheid, medeleven De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) begrijpt de basisprincipes van tolerantie legt uit hoe tolerantie helpt bij het ontwikkelen van positieve houding en past basisprincipes toe van tolerantie begrijpt dat mensen fouten maken onderkent eigen fouten en die van anderen herkent verschillende manieren van verdriet en medeleven werkt aan andermans bewustwording en tolerantie van andermans cultuur, religie en klassen kan vriendelijke daden omschrijven is vriendelijk in zijn / haar optreden Cyclus 2 (tussendoelen) begrijpt de basisprincipes van tolerantie legt uit hoe tolerantie helpt bij het ontwikkelen van positieve houding en past basisprincipes toe van tolerantie begrijpt dat elk persoon zijn sterke kanten heeft en zijn zwakheden toont respect en tolerantie ten opzichte van anderen en legt observaties betreffende tolerantie vast kent de gevoelens van anderen met betrekking tot tolerantie reageert op de vraag: "Hoe voel jij je?" als vriendelijkheid wordt getoond. onderkent de sterke kanten en zwakheden van anderen en behandelt ze toch als gelijken. ontwikkelt bewustzijn en tolerantie voor andermans cultuur, religie en klasse geeft uitdrukking aan gevoelens van vriendelijkheid in woorden en daden Educatiegebied: Algemene mensvorming Kerndoel
- De leerling begrijpt de principes van de vijf basiswaarden, waarheid, liefde, vrede, juist gedrag, geweldloosheid en leeft de normen na Waarde: Liefde Sub-waarden: Vriendschap, oprechtheid, tolerantie, vriendelijkheid, medeleven De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) begrijpt wat verdriet betekent vertelt eigen verhalen waaruit gevoelens van verdriet spreken begrijpt wat medeleven en vriendelijkheid betekenen ontwikkelt medelevende en vriendelijke gevoelens en kan medeleven en vriendelijkheid beschrijven en onderscheiden begrijpt de verschillende vormen van verdriet en sympathie vertelt eigen verhalen waaruit medeleven blijkt en beschrijft hoe het toepassen van de waarde van medeleven zijn / haar persoonlijkheid vormt kan ervaringen noemen waaruit verdriet en medeleven blijken Cyclus 2 (tussendoelen) kent de basiswaarden van verdriet en medeleven beschrijft hoe het toepassen van de waarden van medeleven zijn/haar persoonlijkheid vormt vertelt eigen en andere verhalen waaruit medeleven blijkt ontwikkelt een bewustzijn van medeleven analyseert verschillende soorten medeleven en verdriet onderscheidt de verschillende vormen van verdriet en medeleven Educatiegebied: Algemene mensvorming Kerndoel
- De leerling begrijpt de principes van de vijf basiswaarden, waarheid, liefde, vrede, juist gedrag, geweldloosheid en leeft de normen na Waarde: Vrede De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) weet dat geluk niet alleen ervaren kan worden in situaties, maar ook in gedachten past geduld en zelfdiscipline toe om een doel te bereiden toont aan dat geduld problemen oplost en een deugd is weet uiting te geven aan zijn / haar tevredenheid met wat hij/zij heeft verbindt geluk met situaties, gedachten en dromen begrijpt de basisprincipes van vrede uit goede gevoelens over zichzelf bespreekt wat rekening houden met anderen voor hem/haar betekent en houdt rekening met de gevoelens van anderen om een positieve houding te bewaren bespreekt ervaringen van vriendelijkheid en geestelijke rust die dit met zich meebrengt en laat zien dat een goed mens zijn innerlijke vrede geeft aan jezelf Educatiegebied: Algemene mensvorming Kerndoel
- De leerling begrijpt de principes van de vijf basiswaarden, waarheid, liefde, vrede, juist gedrag, geweldloosheid en leeft de normen na Waarde: Vrede De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 2 (tussendoelen) weet dat het geluk meer betekent wat je voelt dan wat je denkt analyseert gevoelens van geluk en blijdschap weet dat je tevreden moet zijn met wat je bent en niet met wat je hebt bespreekt dingen die je rijk maken behalve geld begrijpt dat de kwaliteiten van eerlijkheid je gevoel van eigenwaarde vergroot herkent eerlijke handelingen die door anderen worden verricht zowel in verhalen als ook over zichzelf in het dagelijkse leven kent de principes van juist gedrag om goede gewoonten te bewerkstelligen kan uitleggen hoe juist gedrag kan helpen in de ontwikkeling van permanente levensgewoonten begrijpt de basisprincipes van vrede past de basisprincipes van vrede toe om zich gelukkig en blij te voelen Educatiegebied: Algemene mensvorming Kerndoel
- De leerling begrijpt de principes van de vijf basiswaarden, waarheid, liefde, vrede, juist gedrag, geweldloosheid en leeft de normen na Waarde: Goed gedrag De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) begrijpt hoe hij/zij eigenwaarde kan verwezenlijken ontwikkelt een visie van zichzelf en handelt ernaar weet dat schoonheid van hart en geest belangrijk is voor het leven kan verschillen uitleggen tussen goede en kwade gevoelens begrijpt waarom het nodig is om het milieu te waarderen en te respecteren toont respect voor het milieu en handelt ernaar begrijpt waarom er geen vuile taal moet worden gebruikt kiest zijn/haar woorden en gebruikt een juist taalgebruik in communicatie met anderen helpt met taken thuis en op school en vervult eenvoudige taken en verantwoordelijkheden thuis en op school begrijpt de voordelen van erkentelijk zijn geeft uiting aan gevoelens van waardering voor anderen en voor zichzelf begrijpt wat opoffering betekent en de basisprincipes van juist gedrag doet opofferingen en uit de gevoelens hierover gedraagt zich voorbeeldig Educatiegebied: Algemene mensvorming Kerndoel
- De leerling begrijpt de principes van de vijf basiswaarden, waarheid, liefde, vrede, juist gedrag, geweldloosheid en leeft de normen na Waarde: Juist gedrag De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 2 (tussendoelen) begrijpt wat opoffering betekent en het basisprincipe van juist gedrag doet opofferingen om doelen te bereiken en geeft uiting aan de gevoelens van deze opoffering begrijpt dat mensen zich opofferingen getroosten analyseert opofferingen die anderen doen begrijpt waarom hij/zij geen vuile taal moet gebruiken gebruikt correcte taal begrijpt hoe doelen te stellen in het leven helpt met taken thuis en op school en vervult taken en verantwoordelijkheden thuis en op school accepteert verantwoordelijkheden voor gevolgen van zijn/haar gedrag met betrekking tot levenswaarden en mensenrechten begrijpt waarom het nodig is om waardering en respect te hebben voor de omgeving maakt waarde keuzes met betrekking tot het milieu maakt keuzes gericht op dienstverlening en verdedigt het recht van anderen Educatiegebied: Algemene mensvorming Kerndoel
- De leerling begrijpt de principes van de vijf basiswaarden, waarheid, liefde, vrede, juist gedrag, geweldloosheid en leeft de normen na Waarde: Geweldloosheid De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) kent eenvoudige regels erkent de waarde achter elke regel en handelt ernaar begrijpt de basisprincipes van geweldloosheid ervaart bevrediging in het oplossen van problemen en zoekt oplossingen voor problemen [door rollenspel] vertelt hoe hij/zij de medemens, de natuur en de Schepper ervaart in verschillende facetten van het dagelijkse leven; aanschouwt en ervaart de schepping toont karakter: past basisprincipes van geweldloosheid toe in zijn/haar gedrag Cyclus 2 (tussendoelen) weet dat woorden, daden en gedachten de omgeving kunnen beïnvloeden omschrijft de woorden, daden en gedachten die de omgeving kunnen beïnvloeden begrijpt de basisprincipes van geweldloosheid onderscheidt verschillen en overeenkomsten tussen mensen toont kwaliteiten van goed moreel gedrag en uitmuntende menselijke eigenschappen past de principes van geweldloosheid toe in relatie tot anderen bespreekt kwesties als broederschap, klasse, ras, geslacht en nationaliteit Educatiegebied: Algemene mensvorming Kerndoel
- De leerling toont begrip en respect voor culturen, gewoontes en rituelen De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) kent verhalen over moraal en helden waaruit de verschillende waarden naar voren komen waardeert en dramatiseert verhalen over helden en verhalen met een moraal waaruit de verschillende waarden spreken omschrijft het belang van kerken voor ouders, kinderen en de gemeenschap leest scheppingsverhalen uit de verschillende Heilige Boeken en bespreekt deze beschrijft de eigenschappen van een liefdevol gezin en geeft aan waarom mensen religieuze feestdagen vieren analyseert de geëigende rollen en sociale verantwoordelijkheden als lid van een gezin/school vertelt hoe respect getoond kan worden voor familieverhalen, overtuigingen en traditie Cyclus 2 (tussendoelen) begrijpt dat hij/zij deel is van een schepping en een missie heeft te volbrengen vertelt eigen verhalen die getuigen van liefde voor de schepping toont respect voor familiegeschiedenis, overtuigingen en tradities van anderen kent de scheppingsverhalen van de verschillende geloofsovertuigingen kan scheppingsverhalen van de verschillende geloofsovertuigingen vergelijken Proces kerndoelen De leerling: begrijpt zijn/haar eigen waarden als mens binnen de creatie begrijpt en volbrengt zijn/haar missie in het leven begrijpt dat hij/zij bewust voor waarden kiest, die hem/haar richting geven in alle fasen van het leven. ontwikkelt zijn/haar eigen visie met respect voor de levensvisie van anderen begrijpt verantwoordelijkheid te dragen voor de gevolgen van zijn/haar daden ten opzichte van het menselijke leven, de menselijke waardigheden en menselijke rechten blinkt uit in moreel gedrag De Domeinen van Cultureel Artistieke VormingDe kerndoelen van het educatiegebied Cultureel Artistieke Vorming zijn ondergebracht in vijf verschillende domeinen. Domein A is vakoverstijgend en houdt zich bezig met Oriëntatie op Kunst en Cultuur. Het tweede tot en met het vijfde domein krijgen hun invulling vanuit de disciplines Muziek, Drama, Beeldende Vorming en Dans en Beweging. Binnen elk domein is er een onderscheid gemaakt tussen productief en reflectief. De verschillende domeinen mogen niet los van elkaar gezien worden. De lessen Cultureel Artistieke Vorming zullen in het algemeen elementen uit alle domeinen in zich hebben. De structuur van het educatiegebied Cultureel Artistieke Vorming ziet er als volgt uit: domein A Oriëntatie op Kunst en Cultuur Domeinen B t/m E Domein B Domein C Domein D Domein E Muziek Drama Beeldende Vorming Dans en Beweging Uitvoeren Vormgeven Vormgeven Luisteren Beschouwen Beschouwen Integratie De wereld die ons omringt is universeel. Alles om ons heen heeft een relatie met elkaar. Het ligt dan ook voor de hand om de leerstof zoveel mogelijk geïntegreerd aan te bieden. Daarom is gekozen voor een thematische aanpak. De thema’s van het educatiegebied Cultureel Artistieke Vorming zijn ontleend aan de leerling en zijn of haar belevingswereld. Voorbeelden van zulke thema’s zijn: voeding, dieren, woonomgeving, reizen, vriendschap, pesten, Carnaval, oogstfeest, toerisme. Het domein "Oriëntatie op kunst en cultuur" loopt als een rode lijn door de thema’s heen. Vanuit de disciplines Muziek, Drama, Beeldende Vorming en Dans en Beweging, wordt een evenwichtige invulling gegeven. Richtlijn blijft dat aan het einde van elke cyclus dat de tussendoelen voor alle domeinen bereikt zijn. Een jaarprogramma voor een leerjaar in cyclus 1, 2 of 3 kan er als volgt uit zien. Domein A Domein B Domein C Domein D Domein E Oriëntatie op kunst en cultuur Muziek Drama Beeldende Vorming Dans en Beweging Thema’s Productief Reflectief Productief Reflectief Productief Reflectief Productief Reflectief Thema 1 Thema 2 Thema 3 Thema 4 Thema ….. enz. Overzicht Kerndoelen CAV Oriëntatie op Kunst en Cultuur Kerndoel 1De leerling heeft kennis van en waardering voor het culturele erfgoed, voelt zich actief betrokken in de eigen cultuur en kan elementen hieruit verwerken op een creatieve manier. Kerndoel 2De leerling kan uitgaande van thema’s uit de eigen cultuur in beeld, taal, drama, dans en muziek vormgeven aan de eigen verbeelding, gedachten en emoties. Kerndoel 3De leerling heeft kennis van en waardering voor kunst, volkskunst en kunstenaars, zowel lokaal, regionaal als mondiaal. Muziek Kerndoel 4De leerling kan een gevarieerd repertoire uit de eigen, regionale- en mondiale cultuur met of zonder gebruikmaking van notatie in groepsverband zingen. Kerndoel 5De leerling kan een eenvoudig traditioneel, populair en eigentijds repertoire spelen op muziekinstrumenten met of /en zonder notatie. Kerndoel 6 De leerling kan exploreren, improviseren, en componeren naar aanleiding van geluiden, ritme, verhaal, sfeer en stemming in de muziek. Kerndoel 7De leerling kan de vorm, betekenis en functie van verschillende muziek onderscheiden. Kerndoel 8De leerling kan muziek typeren naar geografische ligging en/of culturele herkomst. Kerndoel 9De leerling kan muzikale tegenstellingen en elementen uitbeelden in beweging. Kerndoel 10De leerling kan het verloop van een muziekstuk of een lied meelezen met het notenschrift of met andere notatievormen. Kerndoel 11De leerling heeft inzicht in de relatie tussen muziek, historie en cultuur. Kerndoel 12De leerling kan muziek evalueren. Drama Kerndoel 13De leerling kan gebruik maken van stem, taal, houding, beweging en mimiek om zowel afzonderlijk als in samenhang zijn gevoelens, ervaringen en ideeën in spel vorm te geven. Kerndoel 14De leerling kan al improviserend een spel spelen op basis van informatie over situatie en/of verhaalelementen, rollen, motieven en handelingen. Kerndoel 15De leerling kan tijdens het spelen zijn aandacht gericht houden op zichzelf, zijn rol, de medespelers, de uit te beelden situatie, het speelvlak en de toeschouwers en zo toewerken naar de afronding van de situatie. Kerndoel 16De leerling kan uitgaande van beelden, ervaringen, gevoelens, muziek, situaties, teksten, verhalen en gedichten voordragen/spelen door middel van stem, mimiek en/of handelingen Kerndoel 17De leerling kan op eenvoudige wijze gebruik maken van decor, rekwisieten, kleding, schmink, muziekinstrumenten en geluidsapparatuur. Kerndoel 18De leerling kan zijn aandacht richten op het speelvlak, de spelers, de spelsituatie/ inhoud en na afloop van het spel: terugkijken naar het eigen spel, zijn beleving/gevoelens en ideeën hierbij verwoorden. blijk geven van zijn waardering voor de medespelers relaties leggen tussen de verbeelde werkelijkheid en de dagelijkse werkelijkheid Kerndoel 19De leerling kan al of niet volgens van te voren gegeven punten reflecteren op de dramatische vormgeving in hun eigen spel het spel van de medeleerlingen het spel bij school/theater- en tv/video- voorstellingen Beeldende Vorming Kerndoel 20De leerling kan twee- en driedimensionale werkstukken maken. Kerndoel 21 De leerling kan eigen ervaringen en gevoelens op persoonlijke wijze uitdrukken. Kerndoel 22De leerling kan beeldende aspecten doelgericht gebruiken in een werkstuk. Kerndoel 23De leerling onderzoekt de beeldende mogelijkheden van materialen en past deze toe in zijn eigen werk. Kerndoel 24De leerling kan het eigen werk vergelijken met de gestelde opdracht en met de invulling van die opdracht door anderen. Kerndoel 25De leerling kan beeldende producten beschrijven en vergelijken. Kerndoel 26 De leerling weet dat mensen door middel van beeldende producten (reclame, media, kleding, kunst) verschillende opvattingen en ideeën kunnen tonen en dat deze ideeën persoons-, cultureel- en tijdgebonden zijn. DOMEIN A: ORIENTATIE OP KUNST EN CULTUUR Kerndoel 1 De leerling heeft kennis van en waardering voor het culturele erfgoed, voelt zich actief betrokken in de eigen cultuur en kan elementen hieruit verwerken op een creatieve manier. De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 heeft kennis van wat de belangrijke musea te bieden hebben kan elementen van de eigen cultuur in het aanbod van de musea herkennen, interpreteren en waarderen heeft kennis van toneel/dansvoorstellingen en concerten die in theaters of op andere plaatsen worden gegeven kan elementen van de eigen cultuur in het culturele aanbod herkennen, interpreteren en waarderen heeft kennis van de belangrijke monumenten en kunstwerken in hun directe omgeving Cyclus 2 heeft kennis van wat de belangrijke musea te bieden hebben kan elementen van de eigen cultuur in het aanbod van de musea herkennen, interpreteren en waarderen heeft kennis van toneel/dansvoorstellingen en concerten die in theaters of op andere plaatsen worden gegeven kan elementen van de eigen cultuur in het culturele aanbod herkennen, interpreteren en waarderen heeft kennis van de belangrijke monumenten en kunstwerken op zijn eigen eiland kan elementen van de eigen cultuur in het aanbod van monumenten en kunstwerken herkennen, interpreteren en waarderen weet waarom het behoud van ons culturele erfgoed zo belangrijk is kan het belang van het behoud van ons culturele erfgoed uitdrukken in beeld, drama, muziek en/of beweging heeft inzicht in de functies en betekenissen van ons cultureel erfgoed heeft inzicht in de eigen wortels en de eigen identiteit en voelt zich deel van de culturele omgeving kan de eigen identiteit laten zien in beeld, drama, muziek en/of beweging Kerndoel 2 De leerling kan uitgaande van thema’s uit de eigen cultuur in beeld, taal, drama, dans en muziek vormgeven aan de eigen verbeelding, gedachten en emoties. De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 doet d.m.v. verhalen, gedichtjes, theater, beweging, liedjes, muziek, beelden, prentenboeken, platen, film, video, foto’s elementaire kennis op van hoe mensen omgaan met hun dagelijkse realiteit kan de elementaire kennis van hoe mensen omgaan met hun dagelijkse realiteit omzetten in drama, beeld, muziek en/of beweging doet d.m.v. verhalen, gedichtjes, theater, beweging, liedjes, muziek, beelden, prentenboeken, platen, film, video, foto’s elementaire kennis op van verschillende ruimtes, zoals huis, tuin, straat, buurt, school, kerk, stad en ‘mondi’ en de manier waarop mensen met deze ruimtes omgaan kan de elementaire kennis van verschillende ruimtes, zoals huis, tuin, straat, buurt, school, kerk, stad en ‘mondi’ en de manier waarop mensen met deze ruimtes omgaan omzetten in drama, beeld, muziek en/of beweging doet d.m.v. verhalen, gedichtjes, theater, beweging, liedjes, muziek, beelden, prentenboeken, platen, film, video, foto’s elementaire kennis op van religieuze en culturele feesten, moderne en traditionele rituelen, gebeurtenissen in het leven en de familiekring en terugkerende activiteiten in het jaar kan de elementaire kennis over religieuze en culturele feesten, moderne en traditionele rituelen, gebeurtenissen in het leven en de familiekring en terugkerende activiteiten in het jaar omzetten in drama, beeld, muziek en/of beweging Cyclus 2 doet d.m.v. verhalen, gedichtjes, theater, beweging, liedjes, muziek, beelden, prentenboeken, platen, film, video, foto’s elementaire kennis op van hoe mensen omgaan met hun dagelijkse realiteit kan de elementaire kennis van hoe mensen omgaan met hun dagelijkse realiteit omzetten in drama, beeld, muziek, beweging en combinaties doet d.m.v. verhalen, gedichtjes, theater, beweging, liedjes, muziek, beelden, prentenboeken, platen, film, video, foto’s elementaire kennis op van verschillende ruimtes, zoals huis, tuin, straat, buurt, school, kerk, stad en ‘mondi’ en de manier waarop mensen met deze ruimtes omgaan kan de elementaire kennis van verschillende ruimtes, zoals huis, tuin, straat, buurt, school, kerk, stad en ‘mondi’ en de manier waarop mensen met deze ruimtes omgaan omzetten in drama, beeld, muziek, beweging en combinaties doet d.m.v. verhalen, gedichtjes, theater, beweging, liedjes, muziek, beelden, prentenboeken, platen, film, video, foto’s elementaire kennis op van religieuze en culturele feesten, moderne en traditionele rituelen, gebeurtenissen in het leven en de familiekring en terugkerende activiteiten in het jaar kan de elementaire kennis over religieuze en culturele feesten, moderne en traditionele rituelen, gebeurtenissen in het leven en de familiekring en terugkerende activiteiten in het jaar omzetten in drama, beeld, muziek, beweging en combinaties Kerndoel 3 De leerling heeft kennis van en waardering voor kunst, volkskunst en kunstenaars, zowel lokaal, regionaal als mondiaal. De leerling (kennis) De leerling (Uitvoeren) Cyclus 1 heeft elementaire kennis van wat een kunstenaar is en wat deze doet om tot een kunstvorm te komen kan onderscheid maken tussen verschillende soorten kunstenaars kent de verschillende kunstvormen. kan onderscheid maken tussen de verschillende kunstvormen kent verschillende vormen van ‘arte popular’, zoals folklore en volksmuziek Cyclus 2 heeft kennis over wat een kunstenaar is en wat deze doet om tot een kunstvorm te komen kan onderscheid maken tussen verschillende soorten kunstenaars en aangeven wat zij doen of maken kent de verschillende kunstvormen kan een idee geven van wat die kunstvorm wil zeggen kent verschillende vormen van ‘arte popular’, zoals folklore, volkstheater, artesania en volksmuziek kan aangeven waarom ‘arte popular’ belangrijk is voor de samenleving Domein B: MUZIEK UITVOEREN Kerndoel 4 De leerling kan een gevarieerd repertoire uit de eigen, regionale- en mondiale cultuur met of zonder gebruikmaking van notatie in groepsverband zingen De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 heeft kennis, inzicht en vaardigheden in het zingen kan een representatief liedrepertoire in verschillende genres en stijlen van de eigen, regionale en mondiale cultuur zingen kan door voor- en nadoen met behulp van de juiste uitspraak, articulatie, lichaamshouding, dynamiek, tempo en frasering een lied uitvoeren kan ritmische, melodische en ostinate patronen in call-respons met de stem uitvoeren kent eenvoudige symbolen voor dynamiek kan zingen met de juiste opvatting en interpretatie van symbolen voor dynamiek. Cyclus 2 heeft kennis, inzicht en vaardigheid in het zingen kan een representatief liedrepertoire in verschillende genres en stijlen van de eigen, regionale en mondiale cultuur zingen kan met de juiste uitspraak, articulatie, lichaamshouding, dynamiek, tempo, frasering en adembeheersing zelfstandig een lied uitvoeren kent de verschillen tussen ritmische, ostinate en melodische patronen kan ritmische, ostinate en melodische patronen en liederen in call-response-, partner- en rondovorm uitvoeren kent de verschillen tussen call-response, partner- en rondovormen kent de symbolen uit het traditionele notenschrift kan zingen met de juiste opvatting en interpretatie van symbolen uit het traditionele notenschrift Kerndoel 5 De leerling kan een eenvoudig traditioneel, populair en eigentijds repertoire spelen op muziekinstrumenten met of /en zonder notatie. De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 heeft kennis van en inzicht in het musiceren op muziekinstrumenten kan ritmische, melodische en ostinate patronen identificeren en imiteren herkent en voert de verschillende muzikale tegenstellingen hoog/laag; snel/ langzaam; kort/ lang, hard/zacht uit kent de begrippen melodie, ritme, maat, tempo en timbre kan muzikale elementen zoals melodie, ritme, maat, tempo, timbre herkennen en benoemen herkent en imiteert ritmische patronen gespeeld op muziekinstrumenten uit de Sint Maartense cultuur kan onderscheid maken in ritmische en melodische begeleiding uit de Sint Maartense muziek kent de verschillende muziekinstrumenten van de eigen en omgevende muziekcultuur kan de verschillende muziekinstrumenten van de eigen en omgevende muziekcultuur benoemen en aangeven hoe zij bespeeld moeten worden Cyclus 2 heeft kennis van en inzicht in het musiceren op muziekinstrumenten kan ritmische, melodische en ostinate patronen identificeren en imiteren herkent en voert de verschillende muzikale tegenstellingen hoog/laag; snel/ langzaam; kort/ lang, hard/zacht uit kent de begrippen melodie, ritme, maat, tempo, timbre en harmonie kan muzikale elementen zoals melodie, ritme, maat, tempo, timbre en harmonie herkennen en benoemen kan ritmische patronen uit de Sint Maartense cultuur uitvoeren op muziekinstrumenten kent de verschillende ritmische danspatronen en heeft inzicht in de Sint Maartense en Caribische dansen kan onderscheid maken in ritmische en melodische begeleiding uit de Sint Maartense en Caribische muziek kan de verschillende melodische en /of ritmische patronen in Sint Maartense en Caribische dansen uitvoeren kent de verschillende muziekinstrumenten van de eigen, regionale en mondiale muziekcultuur kan de verschillende muziekinstrumenten van de eigen, regionale en mondiale muziekcultuur en hun herkomst benoemen en aangeven hoe zij bespeeld moeten worden kent grafische symbolen en van daaruit het traditionele notenschrift kan de muzikale terminologie en symbolen uit het traditionele notenschrift uitvoeren op muziekinstrumenten kan de notenwaarden hele, halve, kwart, achtste en zestiende noot met bijbehorende rusten uitvoeren Kerndoel 6 De leerling kan exploreren, improviseren, en componeren naar aanleiding van geluiden, ritme, verhaal, sfeer en stemming in de muziek. De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 weet dat je samen door te improviseren met klank en geluid muziek kan maken kan exploreren en improviseren met lichaamsgeluiden, klanken, ritme, en melodie in eenvoudig vraag-antwoord. kan enkele nieuwe woorden improviseren onder bestaande melodie of ritme kan improviseren met ostinate patronen, geluiden, klanken en/of melodieën in verschillende structuren Cyclus 2 weet dat je samen door te improviseren met klank, geluid, ritme, melodie en harmonie muziek kan maken en vastleggen kan nieuwe (geïmproviseerde) geluids- en klankeffecten, ritmen, melodieën, stukjes van liedjes creëren kan zelf tekens of symbolen bedenken bij het noteren van geluid, klank, melodie, ritme kan bij een bestaand lied een nieuwe inleiding, tussenspel of slot improviseren en componeren kan nieuwe woorden, zinnen en teksten improviseren onder bestaande melodie, ritme en harmonie, alleen en in groepsverband Domein B: MUZIEKLUISTEREN Kerndoel 7 De leerling kan de vorm, betekenis en functie van verschillende muziek onderscheiden. De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 heeft basale kennis van verschillende liedvormen in muziek kan de call-respons-vorm herkennen kan de A – B – A –vorm herkennen kan ritmische patronen en/of structuren in de SintMaartense muziek herkennen kent de muzikale tegenstellingen: kort-lang, hoog-laag, zacht-hard, langzaam-snel en tegenstellingen in timbre kan muzikale tegenstellingen herkennen en benoemen kent de muzikale elementen: melodie, ritme, maat, tempo en timbre. kan muzikale elementen melodie, ritme, maat, tempo en timbre herkennen en benoemen weet dat muziek je iets kan zeggen kan de betekenis in verhalende muziek in eigen woorden omzetten Cyclus 2 kent de liedvormen: call-respons, A – B – A en uitgebreidere liedvormen als A – B – C e.d., canon, partner- en rondovorm kan de liedvormen: call-respons, A – B – A en uitgebreidere liedvormen als A – B – C e.d., canon, partner- en rondovorm herkennen en benoemen kent de liedgedeelten: intro, coda, couplet, refrein en tussenspel. kan liedgedeelten: intro, coda, couplet, refrein en tussenspel herkennen en benoemen kent de muzikale tegenstellingen: kort-lang, hoog-laag, zacht-hard, langzaam-snel en tegenstellingen in timbre kan muzikale tegenstellingen herkennen en benoemen kent de muzikale elementen: melodie, ritme, maat, tempo, timbre en harmonie kan muzikale elementen melodie, ritme, maat, tempo, timbre en harmonie herkennen en benoemen kent de ritmische patronen van Sint Maartense en Caribische muziek kan ritmische patronen of structuren in de Sint Maartense en Caribische muziek herkennen en benoemen kent verschillende muziekstijlen uit de eigen, regionale en mondiale cultuur en hun betekenis en functie kan de betekenis en functie aangeven van verschillende muziekstijlen uit de eigen, regionale en mondiale cultuur Kerndoel 8 De leerling kan muziek typeren naar geografische ligging en/of culturele herkomst. De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 kent de muziekinstrumenten van de eigen cultuur kan (afbeeldingen van) instrumenten uit een band, ensemble, orkest en andere bezettingen behorende bij de eigen cultuur herkennen Cyclus 2 kent de muziekinstrumenten van de eigen, regionale en mondiale cultuur kan (afbeeldingen van) instrumenten uit een band, ensemble, orkest en andere bezettingen behorende bij de eigen, regionale en mondiale cultuur herkennen en benoemen kent verschillende groepen uit een band, ensemble, orkest of andere bezettingen en kan deze benoemen (strijkers, blazers, slagwerkers, toets- en tokkelinstrumenten, etc.) Kerndoel 9 De leerling kan muzikale tegenstellingen en elementen uitbeelden in beweging. De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 weet dat je kunt bewegen op muziek kan op klanken, geluiden en liederen zelfstandig en vrij bewegen kan muzikale tegenstellingen en elementen herkennen en in beweging laten zien Cyclus 2 weet dat je kunt bewegen op muziek kan op klanken, geluiden en liederen zelfstandig en vrij bewegen kan muzikale tegenstellingen en elementen herkennen en in beweging laten zien kan vanuit muziek een eenvoudige choreografie bedenken en uitvoeren in groepsverband Kerndoel 10 De leerling kan het verloop van een muziekstuk of een lied meelezen met het notenschrift of met andere notatievormen. De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 kent grafische symbolen kan aan de hand van bestaande en zelfbedachte symbolen de onderdelen klanksterkte, -hoogte-, duur-, timbre en maat noteren Cyclus 2 kent grafische symbolen en de notenwaarden: 1/1,1/2,1/4,1/8 en 1/16 noten en de bijbehorende rusten kan de notenwaarden: 1/1-,1/2-,1/4-,1/8-,1/16-noot zowel als de bijbehorende rusten herkennen in een partituur kent ritmische patronen kan ritmische patronen herkennen en benoemen in een partituur kent de traditionele notatie van ritme, melodie, maat, dynamiek en tempoaanduiding kan de notatie uit het traditionele notenschrift met betrekking tot ritme, melodie, maat, tempo en dynamiek herkennen en benoemen Kerndoel 11 De leerling heeft inzicht in de relatie tussen muziek, historie en cultuur. De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 weet dat muziek in relatie staat tot de cultuur kan elementen uit de dagelijkse omgeving in de muziek van de eigen cultuur herkennen Cyclus 2 weet dat muziek in relatie staat tot de eigen, de regionale en mondiale cultuur kan elementen uit de dagelijkse omgeving in relatie tot muziek van de eigen, de regionale- en mondiale culturen herkennen en benoemen kent historische muziekvoorbeelden uit de eigen cultuur kan verschillende gedenkwaardige liederen ten gehore brengen in de juiste culturele (historische) context kent de historische tijdslijn van de eigen cultuur kan globaal de stijlperioden herkennen en benoemen Kerndoel 12 De leerling kan muziek evalueren De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 weet dat je over muziek kunt praten kan beluisterde muziek in eigen woorden (na)bespreken kan beluisterde muziek in verhaalvorm navertellen kan een bewuste keuze maken uit het aangeleerde liedrepertoire en de keuze beargumenteren Cyclus 2 weet dat je over muziek kunt praten en in groepsverband kunt nabespreken naar aanleiding van opgestelde criteria kan beluisterde muziek in eigen woorden in de groep (na)bespreken aan de hand van vooraf gestelde criteria kan een verhaal vertellen of schrijven over- of naar aanleiding van beluisterde muziek kent muzikale terminologie/begrippen kan praten, discussiëren over composities met behulp van muzikale terminologie kent verschillende muzikale criteria, zoals: muzikale elementen, tegenstellingen, betekenis en functie in muziek kan een beluisterd of gepresenteerd muziekstuk evalueren aan de hand van vooraf gestelde criteria D RA M A DOMEIN B: VORMGEVEN Kerndoel 13 De leerling kan gebruik maken van stem, taal, houding, beweging en mimiek om zowel afzonderlijk als in samenhang zijn gevoelens, ervaringen en ideeën in spel vorm te geven. De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 kent de zintuigen en hun functies kan op prenten en platen situaties, figuren, handelingen en emoties in hun onderlinge relatie herkennen. kent het gebruik van een cassetterecorder kent de geluiden die mensen, dieren of voorwerpen maken en kan deze ook op een cassetteband herkennen kan zijn zintuiglijke ervaring onder woorden brengen. kan vanuit deze waarneming zijn verbeelding gebruiken om deze figuren, handelingen en situaties in taal, houding, mimiek en beweging uit te drukken kan geluiden produceren van mensen dieren of dingen en ze daarna combineren tot een eenvoudige geluidscollage (bandopname) kan simpele handelingen en/of situaties uitbeelden waarin deze geluiden voorkomen kan bepaalde reuk, smaak- en tastervaringen in de zintuigoefeningen associëren met handelingen en gebeurtenissen uit de eigen leefwereld beeldt reuk- smaak- en tastherinneringen uit in pantomime weet wat non-verbaal spel en non-verbale communicatie is. weet wat pantomime is. kan simpele handelingen uit het dagelijkse leven in pantomime uitbeelden kent de basisvormen en kan deze in voorwerpen uit het dagelijkse leven herkennen kent bewegingspatronen (hoekig, rond, golvend, zig zag) kan eenvoudige vormen in beweging en/of een stilstaande houding uitbeelden kan kort op muziek met bewegingspatronen experimenteren in een speelvlak Cyclus 2 kent gebeurtenissen uit de eigen ervaring, via de communicatiemedia, uit de overlevering of de geschiedenis begrijpt de essentie van deze gebeurtenissen en ook dat ze een begin, midden en eind hebben kan uitgaande van inspiratiebronnen als de eigen ervaring, emotie, een dialoog, foto/plaat, titel, bericht, voorwerp, klank/muziek/lied/gedicht komen tot een eigen verhaal/ gedicht/eenvoudig script kan deze creaties uitbeelden in taal, houding en/ of beweging (stilstaand beeld, pantomime, mime of bewegingsexpressie op muziek) weet uit observatie/ervaring vanuit de eigen leefwereld dat leeftijd, karakter en sociale status bepalend zijn voor de vormgeving van een rolfiguur laat deze kenmerken in een rolfiguur zien en houdt dit gedurende het spel vast kent rolfiguren in hun onderlinge relaties. geeft binnen de rolfiguur spelimpulsen aan de medespelers met gebruikmaking van klank, taal, mimiek, houding, beweging en handeling. kent de drie essentiële elementen bij een spelsituatie nl: wie-de rol, waar-de omgeving en wat-de inhoud-het verhaal/gegeven en weet hoe deze in een spelsituatie functioneren kan minstens drie kenmerken in zijn rol aanbrengen tijdens het spel. Hij kan elementen als rol, houding, mimiek en beweging, stem- en taalgebruik, emoties en handeling in spel deze onderlinge relaties uitdrukken. kan de elementen wie, wat en waar tijdens zijn spel geïntegreerd gebruiken kent symbolen en symbolisch taalgebruik weet dat spreekwoorden een letterlijke en een figuurlijke betekenis hebben begrijpt dat een spreekwoord/gezegde van toepassing kan zijn op situaties uit het dagelijkse leven weet het verschil tussen een realistische weergave van de werkelijkheid en het gebruik van een metafoor om naar de realiteit te verwijzen kan symbolisch taalgebruik in een gedicht of spreekwoord omzetten in zelf verzonnen situaties die betrekking hebben op de metafoor en middels spel de figuurlijke betekenis laten zien Kerndoel 14 De leerling kan al improviserend een spel spelen op basis van informatie over situatie en/of verhaalelementen, rollen, motieven en handelingen De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 weet wat een verhaal/ versje is en kan de rollen, situaties, handelingen en emoties erin herkennen. weet wat ritme inhoudt en kan dit in een versje toepassen kan al improviserend tijdens of na het luisteren naar een verhaal/versje of deze al dan niet ritmisch uitbeelden in spel, beweging, mimiek en taal kent sprookjes en fantasiefiguren uit de eigen beleving Improviseert op situaties en figuren uit de sprookjes- of de eigen fantasiewereld met beweging, mimiek of klank/taal Cyclus 2 weet wat de spelelementen wie, wat, waar, van een spelsituatie/verhaal inhouden. weet dat een verhaal een begin, midden, einde en hoogtepunt heeft Kan zelf bij situaties of gebeurtenissen een begin, midden en eind bepalen en deze uitbeelden in stem, mimiek, houding en/of beweging, rekening houdend met wie, wat en waar kent de emoties in verhalen, liedjes, gedichten en in de klankkleur van muziek en kan ze ook onderscheiden kan de emoties uit verhalen, liedjes, gedichten en de klankkleur van muziek in mimiek, houding en/of beweging uitbeelden begrijpt de motieven, oorzaak en gevolgen van de acties van rolfiguren in een verhaal of gebeurtenis kan situaties uitbeelden die het gevolg zijn van het gedrag van een rolfiguur in een verhaal/gebeurtenis Kerndoel 15 De leerling kan tijdens het spelen zijn aandacht gericht houden op zichzelf, zijn rol, de medespelers, de uit te beelden situatie, het speelvlak en de toeschouwers en zo toewerken naar de afronding van de situatie. De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 weet wat een rol/ situatie spelen betekent kan op muziek zowel levende als levenloze figuren, bestaande of fantasiefiguren in korte imaginaire situaties uitbeelden kent allerlei figuren uit de eigen leefwereld en kan een paar kenmerken van deze figuren opnoemen kan in een korte improvisatie zijn aandacht houden op één of meer kenmerken van een rol Cyclus 2 kent allerlei situaties uit het dagelijkse leven kan situaties uit het dagelijkse leven met een open einde tot een afronding brengen kent problemen/conflicten die zich in het dagelijkse leven kunnen voordoen. Hij weet dat problemen een oorzaak hebben en een mogelijke oplossing verzint een oplossing voor probleemsituaties in spel en brengt de spelsituatie tot een afronding kan aan het gedrag en de informatie die een medespeler hem geeft aflezen wie hij is en wat hij wil kan improviseren op een medespeler die inspringt in de spelsituatie en als spelend ontdekken, wie hij is en wat hij komt doen Kerndoel 16 De leerling kan uitgaande van beelden, ervaringen, gevoelens, muziek, situaties, teksten, verhalen en gedichten voordragen/spelen door middel van stem, mimiek en/of handelingen. De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 kent versjes en verhalen kent de verschillende gevoelens geeft informatie vanuit de eigen ervaring over gebeurtenissen in het jaar interpreteert de situatie op een foto draagt versjes expressief en kan stukjes uit een verhaal vertellen/verbeelden dmv stem, mimiek en/of handelingen. drukt met de mimiek de verschillende emoties uit. kan er stukjes van uitbeelden speelt er een stukje uit met stem, mimiek, houding en/of beweging Cyclus 2 kent orale en geschreven verhalen en gedichten uit de Sint Maartense literatuur kan bestaande verhalen vertellen / voordragen of dramatiseren of presenteren met een verteller kan vanuit de kennis van de rolfiguren nieuwe scènes met een totaal andere wending bij een verhaal bedenken en deze uitbeelden. kan de link maken van verhaal naar de eigen ervaring en daarover een (ritmisch) gedichtje schrijven en voordragen kent de term ‘scène en improviseren’ kan in een groep een verhaal in scènes onderverdelen en deze scènes improviserend verbeelden kan bij een lied of gedicht het onderwerp bepalen en analyseren welke situaties eraan ten grondslag liggen kan in een groep de basissituatie bij een lied of gedicht interessant/spannend maken door toevoegingen die de handeling ondersteunen Kerndoel 17 De leerling kan op eenvoudige wijze gebruik maken van decor, rekwisieten, kleding, schmink, muziekinstrumenten en geluidsapparatuur. De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 kent allerlei fantasiefiguren en hun karakters weet wat een poppenkast is kan een pop identificeren met bepaalde rolfiguren. (kind, oma, prinses, politieagent etc) creëert met decor, kleding, schmink, poppen en andere attributen zelf een fantasiewereld waarin hij in spel kan experimenteren met figuren als clowns, elfjes, kabouters, bomen poppen en andere eigen creaties reageert vanuit de identificatie met het poppenspel spontaan op de acties van de poppen kan vanuit de identificatie met een pop, deze een gesprek laten voeren met de groep weet wat er in verschillende ruimtes aan voorwerpen aanwezig is. richt de ruimte in met attributen die als impuls dienen om te creëren en te spelen in zijn eigen fantasiewereld Cyclus 2 weet dat decor. geluid, grime kleding en attributen gebruikt kunnen worden voor de vormgeving van een spel kan, rekening houdend met wie, wat en waar,. met behulp van één of meer vormgevingsmiddelen, zoals decor, geluid, grime, kleding en attributen komen tot een spelimprovisatie DOMEIN B: ·BESCHOUWEN Kerndoel 18 De leerling kan zijn aandacht richten op het speelvlak, de spelers, de spelsituatie/ inhoud en na afloop van het spel: terugkijken naar het eigen spel, zijn beleving/gevoelens en ideeën hierbij verwoorden. blijk geven van zijn waardering voor de medespelers relaties leggen tussen de verbeelde werkelijkheid en de dagelijkse werkelijkheid De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 het kind kan het gevoel over zijn ervaring tijdens het spel herkennen en benoemen kan bij het terugkijken naar het spel reflecteren over het verhaal dat is gespeeld, over de plaats van handeling[waar] de rollen en hun gevoel Cyclus 2 kent elementen als: ‘makkelijk kunnen praten, fantasie, kunnen improviseren in beweging en gebaar en jezelf kunnen redden uit onverwachte situaties’ die hij als graadmeter kan gebruiken voor de eigen reflectie kan a.d.h.v. aspecten als taal- en ruimtegebruik, beweging, creativiteit tijdens het spel tot een goed einde kunnen brengen en ook aangeven hoe hij naar zijn idee in het spel heeft gefunctioneerd kent de regels en afspraken waar hij zich aan moet houden bij het kijken naar andermans spel kijkt naar het spel van klasgenootjes en verwoordt na afloop zijn mening hierover a.d.h.v. van tevoren vastgestelde aandachtspunten zoals non-verbale of verbale uitingsmogelijkheden spelgegevens gebruik van de ruimte gebruik van kleding en attributen weet dat hij tijdens het spel in een ‘doen alsof’ situatie zit kan onderscheid maken tussen onrealistische acties van rolfiguren en in vergelijking met het gedrag van mensen in de dagelijkse realiteit kan de eigen werkelijkheid afzetten tegen de spelwerkelijkheid en daar conclusies uit trekken Kerndoel 19 De leerling kan al of niet volgens van te voren gegeven punten reflecteren op de dramatische vormgeving in hun eigen spel het spel van de medeleerlingen het spel bij school/theater- en tv/video- voorstellingen De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 kan van een dramapresentatie de figuren, de plaats van de handeling en het verhaal identificeren kan beschrijven hoe hij zich gevoeld heeft tijdens het spel en waarom een bepaalde actie leuk of niet leuk is kan een mening geven over de inhoud van de presentatie kan onderscheid maken tussen een presentatie die bijv spannend, droevig, vrolijk of grappig is kan de stemming beschrijven van de figuren uit een voorstelling; kan rollen identificeren en zijn betrokkenheid bij een bepaalde rol aangeven Cyclus 2 begrijpt hoe en waarom mensen zich zo gedragen in moeilijke situaties. kan mogelijke oplossingen/alternatieven aandragen over de in het spel gestelde probleem begrijpt waarom bepaalde acties in het verhaal of de gespeelde situaties bepaalde gevolgen hebben kan over deze acties met elkaar in overleg treden en een mening formuleren Beeldende Vorming DOMEIN D: VORMGEVEN Kerndoel 20 De leerling kan twee- en driedimensionale werkstukken maken. De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 naar de waarneming weet dat je goed moet kijken als je iets wil namaken kan kenmerken van onderwerpen, objecten uit zijn/haar directe omgeving laten zien in hun werk naar de beleving kan uitgaande van concrete gegevens of een onderwerp uit zijn/haar belevingswereld zijn/haar fantasie en verbeelding gebruiken om te komen tot beeldend werk Cyclus 2 naar de waarneming weet dat je gericht moet kijken als je iets naar de werkelijkheid wil verbeelden kan onderwerpen, objecten uit hun omgeving op een realistische manier verbeelden naar de beleving kan fantasie, geheugen en verbeelding gebruiken bij het vormgeven gericht op functie weet dat een beeld een gebruiksfunctie kan hebben kan de gebruiksfunctie toepassen in de vormgeving weet dat beeld gebruikt kan worden om te communiceren kan de communicatieve functie toepassen in de vormgeving Kerndoel 21 De leerling kan eigen ervaringen en gevoelens op persoonlijke wijze uitdrukken. De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 weet dat iedereen een eigen manier van uiten heeft kan zich op een vrije manier beeldend uiten heeft waardering voor de eigen gevoelens Cyclus 2 weet dat iedereen een eigen manier van uiten heeft toont waardering voor eigen gevoelens uitgedrukt in eigen beeldend werk en dat van anderen kan zich op een vrije en eigen manier beeldend uiten Kerndoel 22 De leerling kan beeldende aspecten doelgericht gebruiken in een werkstuk. De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 kleur kan de primaire en secundaire kleuren herkennen en benoemen kan onderscheid maken tussen lichte en donkere kleuren weet dat kleuren een bepaalde gevoelswaarde hebben kan uit de primaire kleuren de secundaire kleuren maken door te mengen kan een kleur lichter maken door te mengen met wit kan een kleur donkerder maken door te mengen met zwart kan de gevoelswaarde van kleuren herkennen, benoemen en toepassen vorm kent de basisvormen kent de volgende vormaspecten: plat, ruimtelijk, organisch, geometrisch, symmetrisch, reliëf kan de basisvormen benoemen en onderscheiden in samengestelde vormen kan verschillen en overeenkomsten in vorm onderscheiden en benoemen kan verschillende vormen toepassen in eigen beeldend werk textuur/structuur weet dat verschillende materialen verschillende texturen hebben weet dat een samengestelde ruimtelijke vorm uit meerdere onderdelen bestaat kan een ruimtelijke vorm opbouwen uit onderdelen compositie weet dat patronen ontstaan door herhaling van vormen kan patronen maken door herhaling van vormen kan vlakvullend werken. beweging kent eenvoudige beeldende constructies kan eenvoudige bewegende constructies maken zoals draaiende wielen, asconstructie, mobile ruimte weet dat een voorwerp van meerdere kanten bekeken kan worden kan de verschillende aanzichten van een voorwerp herkennen en benoemen Cyclus 2 kleur kan de spectrale kleuren herkennen weet dat kleuren een contrasterende werking kunnen hebben kent de volgende begrippen: aardkleuren, materiaalkleur, camouflagekleur, signaalkleur, kleurfamilie kan kleurverloop toepassen kan de volgende kleurcontrasten herkennen en toepassen: natuurlijk-onnatuurlijk, warm-koud kan de volgende begrippen herkennen, benoemen en toepassen: aardkleuren, materiaalkleur, camouflagekleur, signaalkleur, kleurfamilie vorm kent de begrippen vorm, restvorm, contourvorm, symmetrisch en asymmetrisch weet dat er natuurlijke en kunstmatige lichtbronnen zijn kan een onderscheid maken tussen vorm en restvorm. kan contourvormen onderscheiden en toepassen kan vorm en functie met elkaar in verband brengen kan symmetrische en asymmetrische vormen herkennen en toepassen kan vormen stileren kan natuurlijk licht en kunstmatig licht onderscheiden textuur/structuur weet dat met punten en lijnen structuren gemaakt kunnen worden kan verschillende texturen maken en toepassen in eigen beeldend werk kan punt- en lijnstructuren toepassen in het platte vlak. kan een ruimtelijke vorm opbouwen uit onderdelen compositie weet dat ritme ontstaat door herhaling kan ritme toepassen kan bewust met vlakverdeling omgaan kan een driedimensionale ruimte indelen. beweging weet dat in het platte vlak beweging gesuggereerd kan worden kent het verschil tussen statisch en dynamisch kan bewegende constructies maken, die met behulp van wind of water kunnen bewegen kan bewegingssuggestie herkennen en toepassen kan de begrippen statisch en dynamisch toepassen ruimte weet dat in het platte vlak ruimte gesuggereerd kan worden door gebruik van overlapping, groot-klein, laag-hoog, voorgrond-achtergrond kan verschillende standpunten kiezen kan ruimtesuggestie toepassen door gebruik van overlapping, groot-klein, laag-hoog, voorgrond-achtergrond kan vanuit verschillende standpunten een object of een ruimte verbeelden Kerndoel 23 De leerling onderzoekt de beeldende mogelijkheden van materialen en past deze toe in hun eigen werk De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 materialen/gereedschappen en technieken kent de 2-dimensionale technieken tekenen, schilderen, collage maken en druktechnieken kan de volgende technieken toepassen bij 2-dimensionaal werk: tekenen in lijn en kleur met behulp van krijt, wasco, (kleur)potlood, stift schilderen in toon en kleur en mengen van kleuren met behulp van plakkaatverf, vingerverf, ecoline, kwast en penseel collage maken door scheuren, knippen en plakken. stempelen en afdrukken met diverse materialen eenvoudige monodruk; werken met sjablonen kent de 3-dimensionale technieken verdelen, verbinden en boetseren kan de volgende technieken toepassen bij 3-dimensionaal werk: verdelen van materialen door te scheuren, knippen, zagen materialen verbinden door plakken met behulp van lijm, of plakband, binden, vlechten, nieten, naaien, spijkeren met behulp van hamers en spijkers boetseren in klei en papier-maché kent de aangeboden materialen en gereedschappen kan de aangeboden materialen en gereedschappen benoemen en uitleggen waarvoor ze worden gebruikt veiligheid kan op een veilige manier omgaan met de benodigde gereedschappen Cyclus 2 materialen/gereedschappen en technieken kent de 2-dimensionale technieken tekenen, schilderen, collage maken en druktechnieken kan de volgende technieken toepassen bij 2-dimensionaal werk: tekenen in lijn en kleur met behulp van krijt, wasco, (kleur)potlood, stift, houtskool en pen/inkt schilderen in toon en kleur en mengen van kleuren met behulp van plakkaatverf, vingerverf, ecoline, kwast en penseel collage maken door scheuren, knippen en plakken. stempelen en afdrukken met diverse materialen eenvoudige monodruk; werken met sjablonen; frottage met behulp van krijt, grafietstift; linodruk met behulp van gutsmes, inktroller, drukpers, glasplaat kent de 3-dimensionale technieken verdelen, verbinden en construeren en boetseren kan de volgende technieken toepassen bij 3-dimensionaal werk: verdelen van materialen door te knippen met behulp van schaar, tang; zagen met behulp van handzaag en figuurzaag; snijden met behulp van stanleymes materialen verbinden door plakken met behulp van lijm, of plakband, binden, vlechten, nieten, naaien, spijkeren met behulp van hamers en spijkers construeren van een eenvoudig geraamte met behulp van kosteloos materiaal, ijzerdraad boetseren en construeren in klei; modelleren met papier-maché op een geraamte kan de volgende technieken toepassen ter ondersteuning van het beeldend werk: diverse materialen meten en aftekenen met behulp van liniaal schetsen maken ter voorbereiding op het uitvoerend werk kent de aangeboden materialen en gereedschappen kan de aangeboden materialen en gereedschappen benoemen en uitleggen waarvoor ze worden gebruikt veiligheid kan op een veilige manier omgaan met de benodigde gereedschappen DOMEIN C: BESCHOUWEN Kerndoel 24 De leerling kan het eigen werk vergelijken met de gestelde opdracht en met de invulling van die opdracht door anderen. De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 kan gericht werken volgens eenvoudige opdrachten heeft inzicht in zijn/haar werkproces kan verwoorden hoe hij/zij te werk is gegaan Cyclus 2 kan complexere opdrachten uitvoeren heeft inzicht in zijn/haar werkproces kan uitleggen hoe hij/zij tot zijn/haar werkstuk gekomen is, met aandacht voor gemaakte keuzen in het beeldend proces kent de criteria voor het evalueren van eigen werk en dat van anderen kan aantonen in hoeverre zijn/haar werk en werk van medeleerlingen voldoet aan de vooraf gestelde criteria Kerndoel 25 De leerling kan beeldende producten beschrijven en vergelijken. De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 vormgeving kan eenvoudige beeldaspecten herkennen in beeldende producten kan beschrijven hoe beeldende producten in zijn/haar nabije omgeving eruit zien waarbij ze eenvoudige beeldaspecten hanteren kan beeldende producten categoriseren en ordenen op basis van beeldende eigenschappen betekenis kan verwoorden wat een beeldend product bij hem/haar oproept kan aangeven waar een bepaald beeldend product voor gebruikt wordt materiaal/techniek begrijpt dat er materialen nodig zijn om beeldende producten te maken kan de in een beeldend product gebruikte materialen benoemen. Cyclus 2 betekenis kent verschillende soorten beeldende producten kan een beeldend product typeren naar de aard (2-/3-dimensionaal, schilderij, poster, gebouw, keramiek, etc.) kent de verschillende functies van beeldende producten kan de functie van een beeldend product benoemen vormgeving kent de beeldende aspecten die bepalend zijn voor de vormgeving van een beeldend product kan de beeldende aspecten benoemen die bepalend zijn voor de vormgeving van een beeldend product materiaal/techniek kent de materialen en technieken die gebruikt worden bij het maken van een beeldend product herkent de materialen en technieken die gebruikt zijn bij het maken van een beeldend product context begrijpt dat de context belangrijk is bij het bespreken van een beeldend product betrekt de context bij het bespreken van een beeldend product Kerndoel 26 De leerling weet dat mensen door middel van beeldende producten (reclame, media, kleding, kunst) verschillende opvattingen en ideeën kunnen tonen en dat deze ideeën persoons-, cultureel- en tijdgebonden zijn. De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 2 weet dat beeldende producten verschillende visies en ideeën kunnen uitdrukken laat zien aan de hand van beeldende producten dat mensen verschillende visies en ideeën hebben weet hoe culturele elementen vertegenwoordigd kunnen zijn in beeldende producten herkent elementen van de eigen cultuur in het beeldend werk van anderen begrijpt hoe kunstenaars verschillende beeldende middelen gebruiken om te communiceren kan aangeven wat de maker met een beeld wil uitdrukken en welke middelen daarvoor gebruikt zijn Overzicht Kerndoelen Gezonde LevensstijlKerndoel 1Leerlingen kunnen regels voor de preventie van ongevallen en veiligheid toepassen Kerndoel 2De leerling kan gezonde voedingsgewoonte toepassen Kerndoel 3De leerling kan omgaan met het proces en de gevolgen van groei en ontwikkeling Kerndoel 4De leerling kan effectief gebruik maken van gezondheidsdiensten, - producten en –informatie Kerndoel 5De leerling kan verantwoorde en bewuste keuzes maken met betrekking tot mogelijk verslavende middelen Kerndoel 6De leerling vertoont bewust gezondheidsbevorderend gedrag in onderscheid van ziektepreventie of ziekte herstel Kerndoel 7De leerling kan omgaan met de effecten van milieu en leefomgeving op zijn/haar gezondheid, zorg voor het milieu Educatiegebied: Gezonde Levensstijl Domein: Ongevallen preventie en veiligheid: Veilig gedrag in het verkeer Kerndoel 1 Leerlingen kunnen regels voor de preventie van ongevallen en veiligheid toepassen De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) begrijpt de betekenis van het woord verkeer en basis verkeersregels herkent eenvoudige verkeerssymbolen en hun betekenis (kleur, vorm) benoemt eenvoudige verkeerssymbolen en hun betekenis (kleur, vorm) kent basis verkeersregels kan basis verkeersregels toepassen Cyclus 2 (tussendoelen) begrijpt de eigen rol en verantwoordelijkheid in het verkeer en herkent complexe verkeerssymbolen en hun betekenis vertoont verantwoordelijk gedrag in het verkeer kent complexe verkeersregels past complexe verkeersregels toe weet wat onveilige verkeerssituaties zijn kan onveilige verkeerssituaties identificeren en kan hierover communiceren Educatiegebied: Gezonde Levensstijl Domein: Ongevallenpreventie en veiligheid: Veilig gedrag (preventie van ongevallen thuis, op school, bij sportbeoefening en in de wijk en EHBO/voorzieningen De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) kent de begrippen ongeval en veiligheid en is bekend met basis veiligheidsvoorschriften (brandpreventie, veiligheid in en rondom water, vrije tijd en sport) en maatregelen in voorkomende situaties (orkanen) kan basis veiligheidsvoorschriften (brandpreventie, veiligheid in en rondom water, vrije tijd en sport) toepassen herkent een ongeval of gevaarlijke (nood) situaties kan adequaat handelen bij ongevallen en onveilige (nood)situaties, communiceert hierover met anderen (volwassenen) en kan hulp bieden kent hulpverleningsinstanties en hun functie kan hulp inroepen bij een noodgeval of indien hij/zij zich in bepaalde situaties niet veilig voelt (fysiek, emotioneel, seksueel misbruik, pesten) Cyclus 2 (tussendoelen) kent uitgebreide veiligheidsvoorschriften thuis, op school, bij sport en in de wijk (alleen thuis zijn, blessures, geweld) kan uitgebreide veiligheidsvoorschriften thuis, op school, bij sport en in de wijk (alleen thuis zijn, blessures, geweld) toepassen kent basis EHBO technieken kan basis EHBO technieken toepassen herkent conflict situaties en kent verschillende manieren om conflicten op te lossen past passieve interventies toe om conflicten op te lossen Educatiegebied: Gezonde levensstijl Kerndoel 2 De leerling kan gezonde voedingsgewoonten toepassen Domein: a. Kwaliteit van voedsel (warenwet, productie en bewerking, toevoegingen, bestrijdingsmiddelen) De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) kent het verschil tussen gezonde en ongezonde voedingsproducten kiest in verschillende situaties voor gezonde voedingsproducten (ontbijt, verjaardag, carnaval) kent de schijf van 5 kan verschillende voedingsproducten indelen volgens de schijf van 5 Cyclus 2 (tussendoelen) kent de verschillende voedingsgroepen en hun belang voor het menselijk lichaam benoemt de verschillende voedingsgroepen en hun belang voor het menselijk lichaam kent factoren die de kwaliteit van voedsel bepalen (herkomst, toevoegingen, productie, bestrijdingsmiddelen) identificeert factoren die de kwaliteit van voedsel bepalen Domein: b. Voedingspatronen (voedingsmiddelen, individuele dagelijkse behoefte, ideaal gewicht) De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) kent het belang van voedsel voor het menselijk lichaam (groei en ontwikkeling, activiteit, ideaal gewicht, leerprestatie) Cyclus 2 (tussendoelen) kent eenvoudige voedingswaarden van verschillende voedingsproducten kan een gezonde maaltijd samenstellen Domein: c. Voedingshygiëne en veiligheid (handen wassen, het adequaat bewaren en bereiden van voedsel) De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) kent de beginselen van voedselhygiëne en -veiligheid (handen wassen, op de juiste manier bewaren en bereiden van voedsel) past de beginselen van voedselhygiëne en -veiligheid (handen wassen, op de juiste manier bewaren en bereiden van voedsel) toe Cyclus 2 (tussendoelen) kent de regels op het gebied van voedselhygiëne en- veiligheid (etikettering, uiterste houdbaarheid/uiterste verkoop datum, hygiënische voorschriften) benoemt de regels op het gebied van voedselhygiëne en - veiligheid begrijpt de mogelijke gevolgen als regels op het gebied van voedselhygiëne en -veiligheid niet worden toegepast past de regels op het gebied van voedselhygiëne en -veiligheid toe Educatiegebied: Gezonde levensstijl Domein d: Voeding De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) kent verschillende soorten voedsel en het belang ervan voor zijn/haar gezondheid kiest in verschillende situaties voor gezonde voedingsproducten (ontbijt, verjaardag, carnaval) kent de factoren die de kwaliteit van voeding bepalen (herkomst, productie, bewerking, toevoegingen) kent het verschil tussen gezonde en ongezonde voedingsproducten kan het verschil aangeven tussen gezonde en ongezonde voedingsproducten Cyclus 2 (tussendoelen) begrijpt de schijf van 5 (gebalanceerde maaltijd samenstellen, regelmatig eten, individuele voedingsbehoefte, gevarieerd eten) gebruikt de schijf van 5 in zijn/haar dagelijks dieet begrijpt het belang van voeding voor het menselijk lichaam (groei, activiteit, ideaal gewicht, leerprestaties) begrijpt dat er regels zijn om de kwaliteit van voedsel te waarborgen (warenwet, hygiënische voorschriften, bewaren en bereiden van voedsel) begrijpt dat er factoren zijn die een rol spelen bij het kiezen van voedsel en dat zij hierdoor in hun keuze beïnvloed kunnen worden maakt bewuste keuzes aangaande voeding Educatiegebied: Gezonde levensstijl Kerndoel 3 De leerling kan omgaan met het proces en de gevolgen van groei en ontwikkeling Domein a: handicaps (lichamelijke, geestelijke en emotionele aspecten) De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) kent het begrip handicap kent verschillende vormen van lichamelijke handicap kent verschillende vormen van geestelijke en emotionele handicap Cyclus 2 (tussendoelen) begrijpt wat het betekent om gehandicapt te zijn kent het verschil tussen een persoon die in staat is alle lichaamsfuncties ‘normaal’ uit te oefenen en een gehandicapte persoon begrijpt de beperkingen van lichamelijke handicaps begrijpt de beperkingen van geestelijke en emotionele handicaps begrijpt het verschil tussen lichamelijke, geestelijke en emotionele handicaps kan het verschil aangeven tussen lichamelijke, geestelijke en emotionele handicaps Domein b: seksualiteit en opvoeding (lichamelijke, geestelijke, emotionele en sociale aspecten, gewenste en ongewenste intimiteiten) De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) kent het begrip gezin benoemt verschillende gezinsvormen kent de leden van /in een gezin identificeert leden van een gezin begrijpt de rol van elk lid van het gezin benoemt en identificeert de rol van elk gezinslid Cyclus 2 (tussendoelen) beschouwt het gezin als een eenheid herkent en benoemt verschillende gevoelens en de gevolgen ervan op de gezinsleden kent de structuur van gezinnen (extended family = grote gezinnen: vader, moeder, kinderen, grootouder(s), etc., eenoudergezinnen, etc.) identificeert de structuur (extended family = grote gezinnen: vader, moeder, kinderen, grootouder(s), etc., eenoudergezinnen, etc.) van het eigen gezin kent de ontwikkelingsfasen die gezinsleden meemaken (kind, puber, adolescent, volwassene, bejaarde) benoemt de ontwikkelingsfasen die gezinsleden meemaken (kind, puber, adolescent, volwassene, bejaarde) Domein c: Veranderingen in anatomie en fysiologie De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) kent de persoonskenmerken (gewicht, huidskleur, man, vrouw, jongen, meisje etc.) herkent en benoemt verschillende persoonskenmerken kent zijn/haar lichaam en de lichaamsdelen benoemt verschillende lichaamsdelen kent de functie van verschillende lichaamsdelen demonstreert hoe verschillende lichaamsdelen functioneren (bewegen) Cyclus 2 (tussendoelen) kent de ontwikkelingsfasen benoemt de verschillende ontwikkelingsfasen kent de veranderingen die in het lichaam plaatsvinden (fysiek, geestelijk, emotioneel) herkent en benoemt de veranderingen die in het lichaam plaatsvinden (fysiek, geestelijk, emotioneel) kent de belangrijkste organen en hun functies kan de verschillende organen aanduiden en hun functies benoemen Educatiegebied: Gezonde Levensstijl Kerndoel 4 De leerling kan effectief gebruik maken van gezondheidsdiensten, -producten en -informatie Domein a: Producten (voorgeschreven en niet voorgeschreven, supplementen en gezondheidsmiddelen) De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) kent het verschil tussen voorgeschreven en niet voorgeschreven medicijnen weet wat de mogelijke gevolgen zijn van het ongecontroleerd innemen van voorgeschreven en niet voorgeschreven medicamenten kent middelen die de functie van het lichaam en de geest beïnvloeden Cyclus 2 (tussendoelen) kent het verschil tussen gebruik en misbruik van voorgeschreven en niet voorgeschreven medicamenten onderscheidt gebruik en misbruik van voorgeschreven en niet voorgeschreven medicamenten begrijpt hoe de verschillende factoren (media, gezin, maatschappij, vrienden, commercie) het gebruik en misbruik van voorgeschreven en niet-voorgeschreven medicamenten beïnvloeden toont dat hij/zij in staat is om te gaan met de factoren (media, gezin, maatschappij, vrienden, commercie) die het gebruik en misbruik van voorgeschreven en niet-voorgeschreven medicamenten beïnvloeden Domein b: Informatie over gezondheid en bronnen van informatie De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) kent verschillende bronnen van informatie betreffende gezondheid benoemt bronnen van informatie over gezondheid begrijpt hoe de media de keuze van informatie over gezondheid beïnvloeden kan de invloed van de media op de keuze van informatie over gezondheid uitleggen weet hoe de school en het gezin de bronnen voor informatie over gezondheid kunnen beïnvloeden kan de invloed van school en gezin op informatie over de gezondheid uitleggen kent de eigenschappen van goede informatie over gezondheid en goede bronnen van informatie kan de eigenschappen van goede informatie en goede bronnen van informatie over gezondheid aanduiden Cyclus 2 (tussendoelen) weet hoe aan goede informatie en bronnen van informatie over gezondheid te komen kan de waarde aangeven van de verschillende bronnen van informatie over de gezondheid kent de bronnen van goede informatie over gezondheid van thuis, school en van de gemeenschap. laat zien dat hij/zij gebruik weet te maken van de goede bronnen van informatie over gezondheid thuis, op school en van de gemeenschap weet hoe de media de keuze van informatie over de gezondheid beïnvloeden kan aangeven hoe de media de keuze van informatie over gezondheid kan beïnvloeden. weet hoe de school, de kerk, de gemeenschap en het gezin de keuze van informatie over de gezondheid kunnen beïnvloeden. kan aangeven hoe de school, de kerk, de gemeenschap en het gezin de keuze van informatie over de gezondheid kunnen beïnvloeden Domein c: Gezondheidsdiensten, werkers in de gezondheid en hun rollen De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) weet welke gezondheidsdiensten er beschikbaar zijn kan de gezondheidsdiensten noemen en aanduiden kent de rollen en namen van werkers in de gezondheid kan bepaalde werkers in de gezondheid noemen en hun werk uitleggen weet hoe belangrijk werkers in de gezondheid zijn voor ons Cyclus 2 (tussendoelen) kent de kenmerken van goede (erkende) gezondheids diensten kan eigenschappen noemen van goede (erkende) gezondheidsdiensten weet de ligging en weet hoe in contact te komen met de school en werkers in de gezondheid laat zien dat hij/zij weet waar de school is en waar de werkers in de gezondheid te vinden zijn. weet de bereikbaarheid en de functie van gezondheidsdiensten en van werkers in de gezondheid weet in welke omstandigheden de hulp van werkers in de gezondheid nodig is kan omstandigheden aangeven waarin de hulp van werkers in de gezondheid nodig is Educatiegebied: Gezonde Levensstijl Kerndoel 5 De leerling kan verantwoorde en bewuste keuzes maken met betrekking tot mogelijk verslavende middelen Subdomeinen: verslaving algemeen werking en effecten van diverse verslavende stoffen groepsdruk, sociale, maatschappelijke invloeden De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) weet wat verslavend gedrag is en waaraan je verslaafd kunt raken. Kent de uitingsvormen van een aantal verslavende middelen (roken, veel eten, tv-kijken, nagels bijten) begrijpt het onderscheid tussen schadelijke en niet schadelijke stoffen/middelen kent de invloed op de fysieke, sociale en geestelijke gezondheid van een aantal verslavende middelen (medicijnen, alcohol, roken, tv-kijken, zoetigheid) Begrijpt dat de geestelijke component van verslaving de meeste invloed heeft op het toenemende gebruik van schadelijke stoffen. Begrijpt het begrip 'ontwenningsverschijnselen' ervaart de effecten van een tijdje niet toegeven aan een verslavende gewoonte (wie veel snoept laat dat een tijdje staan, wie veel tv-kijkt/computert doet dat een tijdje niet) weet hoe het gebruik beïnvloed wordt door diverse factoren (reclame, familie, vrienden, verkrijgbaarheid, image-building) weet welke invloed zij zelf kunnen hebben op het voorkomen van ‘t gebruik van verslavende producten kan voor een aantal passende situaties aangeven wat ze zelf zullen doen om misbruik te voorkomen. kan voor een aantal passende situaties omgaan met negatief beïnvloedende factoren Cyclus 2 (tussendoelen) begrijpt het onderscheid tussen legale en illegale drugs. begrijpt dat er ook schadelijke legale drugs zijn weet wat 'gedoogd' worden betekent begrijpt waarom er in verschillende landen op verschillende manieren met verslavingsbestrijding wordt omgegaan vormt een eigen mening over het gebruik van verslavende producten en over het voorkomen van verslaving kent de fysieke en geestelijke verschijnselen van afhankelijkheid van zwaardere verslavende middelen (gokken, alcohol, drugs) kent de korte en lange termijn effecten (fysiek, geestelijk, sociaal) van het gebruik van verschillende verslavende middelen ervaart door een persoonlijke situatie de effecten van een tijdje niet toegeven aan verslavende gewoonten kan ondersteunende alternatieven bedenken om de verslavende gewoonte af te leren begrijpt welke factoren (pers., sociale, maatsch.) het gebruik van verslavende middelen kunnen beïnvloeden en wat het effect hiervan op hen zelf is begrijpt dat experimenteren tot negatieve gevolgen kan leiden kan in een aantal passende situaties weerstand bieden aan groepsdruk en aan de druk van uit de commerciële hoek Educatiegebied: Gezonde Levensstijl Kerndoel 6 De leerling vertoont bewust gezondheidsbevorderend gedrag in onderscheid van ziektepreventie of ziekte herstel. Subdomeinen: bevordering van de gezondheid preventie van ziekte genezing van ziekte De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) begrijpt dat je op verschillende manieren gezondheid kunt benaderen (gezond zijn, niet ziek zijn) kent een aantal voorbeelden van gezondheidsbevorderings-activiteiten uit zijn/haar eigen leefwereld begrijpt het waarom en het belang van goede voorlichting in relatie tot gezondheidsbevordering voert een aantal gezondheidsbevorderende activiteiten uit (regelmatig eten, goed slapen, recht zitten in de stoel) begrijpt wat preventie van ziekten inhoudt kent een aantal preventieve activiteiten uit hun eigen leefwereld voert een aantal preventieve activiteiten uit om ziek worden te voorkomen (bij verkouden worden, veel vitamine innemen) begrijpt in welke situaties je van genezen of herstel van ziekte spreekt Cyclus 2 (tussendoelen) begrijpt wat de persoonlijke, sociale en maatschappelijke voordelen zijn van gezondheidsbevordering tegenover herstel van ziekte (fysiek, psychisch, emotioneel) begrijpt dat hij/zij zelf een belangrijke rol heeft in het behoud dan wel noodzakelijke herstel van ziektes begrijpt dat gezondheidsbevordering een balans is tussen fysieke, sociale, emotionele en mentale activiteiten van de mens vormt een mening ten aanzien van zijn/haar persoonlijke houding tegenover gezondheidsbevordering resp. preventie resp. herstel. maakt voor een aantal gezondheidssituaties een verantwoorde keuze t.a.v. zijn/haar eigen houding en gezondheidsgedrag Kent de doelen van een aantal (locale, internationale) preventie programma's. Weet welke organisaties (locaal, Caribisch, internationaal) zich bezig houden met gezondheidsbevordering en preventie van ziekten. Begrijpt dat de mogelijkheid om aan gezondheidsbevordering te doen samenhangt met maatschappelijk-economische en politieke factoren (geld, verkrijgbaarheid, kennis, opvattingen). Educatiegebied: Gezonde Levensstijl Domein: directe leefomgeving, natuur en milieu, milieu organisaties Kerndoel 7 De Leerling kan omgaan met de effecten van milieu en leefomgeving op zijn/haar gezondheid, zorg voor het milieu De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) kent de bronnen en oorzaken van milieu vervuiling in zijn/haar omgeving weet hoe hij/ zij zijn/haar omgeving schoon moet houden om milieuvervuiling te vermijden toont verantwoordelijk gedrag om zijn/haar omgeving schoon te houden en vervuiling te voorkomen kent locale instanties die verantwoordelijk zijn voor het voorkomen van vervuiling kan lokale instanties benoemen die zich bezighouden met het voorkomen en beperken van milieuvervuiling Cyclus 2 (tussendoelen) weet hoe de natuur zijn/haar gezondheid kan beïnvloeden toont respect voor zijn/haar omgeving en het milieu weet hoe de mens, de gemeenschap en de overheid samenwerken om vervuiling van het milieu te beperken en een gezonde omgeving te behouden weet dat zijn/haar gezondheid beïnvloed wordt door de gemeenschap (school, gezin, vrienden, wijk) kent internationale organisaties die zich bezig houden met het voorkomen en beperken van milieuvervuiling kan internationale organisaties benoemen die zich bezig houden met het voorkomen en beperken van milieuvervuiling Overzicht Kerndoelen BewegingsonderwijsKerndoel 1De leerling is in staat om succes te beleven in de actuele speelwereld, zodat hij een positieve bewegingsattitude aankweekt en op een gezonde wijze gaat bewegen/blijft bewegen Kerndoel 2De leerling heeft inzicht in het bewegen en bewegingsvormen, het torpassen van spelregels en het omgaan met anderen op motorisch gebied Kerndoel 3De leerling is in staat specifieke motorische vaardigheden uit te voeren Kerndoel 4De leerling is in staat om te gaan met eigen bewegingstalenten en tekorten en die ook van anderen Educatiegebied: Bewegingsonderwijs (Affectief) Kerndoel 1 De leerling is in staat om succes te beleven in de actuele speelwereld, zodat het een positieve bewegingsattitude aankweekt en op een gezonde wijze gaat bewegen/ blijft bewegen . De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) weet waartoe hij/zij in staat is (eigen kunnen) bij het uitvoeren van bewegingsvormen voert de bewegingsvormen uit op eigen niveau en heeft er plezier in weet dat bij bewegingsvormen die spierkracht en uithoudingsvermogen vergen, hartritme en ademhaling sneller gaan kan in een groep werken weet dat goede beweging bevorderend is voor een goede gezondheid kan aangeven dat training nodig is voor snelheid en lenigheid Cyclus 2 (tussendoelen) weet hoe de hartslag op te nemen in rust en bij inspanning kan eenvoudige gezondheidsmetingen verrichten zoals hartslag opnemen weet dat bij spierbeweging energie nodig is kan sprinten en een duurloop uitvoeren weet het belang van een eenvoudig trainingsschema kan zich houden aan een eenvoudig trainingsschema kan eenvoudige spierversterkende oefeningen uitvoeren (push-ups, sit-ups) weet hoe sportblessures ontstaan (spierkramp, spierkneuzing, blaren en verzwikking ) kan op de juiste manier handelen bij eenvoudige sportblessures weet dat een gezond gewicht verband houdt met energieopname (voeding) en energieverbruik (activiteit). kan de regels voor goede/gezonde voeding toepassen weet dat er verschillende vormen van sportbeoefening zijn (recreatie, wedstrijd etc.) kan de verschillende soorten sport die in de maatschappij voorkomen opnoemen en met elkaar vergelijken. weet wat doping ( stimulerende middelen) is en wat de gevolgen hiervan zijn kan enkele stimulerende middelen opnoemen die in de sportwereld gebruikt worden en de gevolgen hiervan voor de gezondheid. weet wat van hem verwacht wordt bij teamsport (sportief zijn, tegen verlies kunnen, samen naar een doel streven) neemt deel aan sportactiviteiten buiten schooltijd (schoolsport etc.) Educatiegebied: Bewegingsonderwijs (cognitief) Kerndoel 2 De leerling heeft inzicht in het bewegen en bewegingsvormen, het toepassen van spelregels en het omgaan met anderen op motorisch gebied. De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) weet dat er verschillende basis bewegingsoefeningen zijn ( balanceren, klimmen, zwaaien, springen, hardlopen, mikken etc.) kan de verschillende basis bewegingsoefeningen uitvoeren. weet dat beweging door omstandigheden makkelijk of moeilijk kan zijn kan met hulp, indien nodig, tot een goed bewegingsresultaat komen Cyclus 2 (tussendoelen) weet dat warming-up nodig is kan warming-up vormen uitvoeren weet dat differentiëren bij spelsituaties nodig is kan spelsituaties aanpassen aan zijn eigen niveau weet hoe met de verschillende materialen en gereedschappen op een veilige manier om te gaan. kan in samenwerking met medeleerlingen een veilige situatie inrichten voor spel of oefening weet effectief hulp te bieden aan een medeleerling. ( b.v. coachen etc.) kan effectief hulp verlenen op basis van eigen kunnen weet wat fair play is kan winnen en verliezen verwerken Educatiegebied: Bewegingsonderwijs (Motorisch) Kerndoel 3 De leerling is in staat specifieke motorische vaardigheden uit te voeren De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) weet dat gymnastiek, atletiek en spel bepaalde specifieke motorische vaardigheden vereisen kan bij gymnastiek, met of zonder toestellen, de verschillende specifieke motorische vaardigheden gebruiken: balanceren op stabiele, brede grondvlakken en met verschillende materialen. vrije sprongen verschillende vormen van rollen en duikelen voorover en achterover, op, aan en om toestellen. klauteren en klimmen op en aan toestellen. zwaaien op en aan toestellen kan bij atletiek, met of zonder materiaal, de verschillende specifieke motorische vaardigheden gebruiken: hoog en verspringen -hardlopen als sprint -ver werpen en gericht werpen met werpmateriaal kan bij Spel (vormen) de verschillende specifieke motorische vaardigheden gebruiken: tik- en afgooispelen -voortbewegen met een bal of andere voorwerpen weet dat specifieke motorische vaardigheden horen bij bepaalde ritmes of muziek kan bij verschillende muzikale ritmes de juiste beweging/ specifieke motorische vaardigheden gebruiken Cyclus 2 (tussendoelen) weet dat gymnastiek, atletiek en spel (vormen) bepaalde specifieke motorische vaardigheden vereisen kan bij gymnastiek, met of zonder toestellen, de verschillende specifieke motorische vaardigheden gebruiken: balanceren op stabiele, brede grondvlakken en met verschillende materialen. b) vrije sprongen steunsprongen vanaf en over toestellen. c) verschillende vormen van rollen en duikelen voorover en achterover, op, aan en om toestellen. klauteren en klimmen op en aan toestellen. zwaaien op en aan toestellen kan bij atletiek, met of zonder materiaal, de verschillende specifieke motorische vaardigheden gebruiken: -hoog en verspringen -hardlopen als sprint -de leerling kan nu de duurloop uitvoeren -ver werpen en gericht werpen met werpmateriaal kan bij spel (vormen) de verschillende specifieke motorische vaardigheden gebruiken: -tik- en afgooispelen -voortbewegen met een bal of andere voorwerpen -deelnemen aan de volgende spelvormen: netspelen, doelspelen slag- en loopspelen, stoeispelen de leerlingen beheersen basisvaardigheden als werpen, vangen, slaan, mikken, jongleren en voortbewegen met een bal of andere voorwerpen weet dat specifieke motorische vaardigheden horen bij bepaalde ritmes of muziek en dat deze individueel of samen kunnen worden uitgevoerd kan bij verschillende muzikale ritmes de juiste beweging/ specifieke motorische vaardigheden gebruiken kan ruimtelijke patronen en danspassen uitvoeren, en inspelen op het bewegen van anderen Educatiegebied: Bewegingsonderwijs (Socio-Motorisch) Kerndoel 4 De leerling is in staat om te gaan met eigen bewegingstalenten en tekorten en met die van anderen. De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) kent zijn eigen mogelijkheden en tekortkomingen en die van anderen weet dat hij zich aan regels moet houden (b.v. op zijn beurt wacht en samen met de ander een bewegingsprobleem moet oplossen) kan zelfstandig werken met medeleerlingen kan samenwerken met andere kinderen weet zichzelf en de ander positief te waarderen kan de ander helpen en kan de andere stimuleren Cyclus 2 (tussendoelen) kent zijn eigen mogelijkheden en tekortkomingen en die van anderen voert de bewegingsvormen uit op zijn niveau weet dat hij zich aan regels moet houden (b.v. op zijn beurt wacht en samen met de ander een bewegingsprobleem moet oplossen). kan samenwerken met andere kinderen weet zichzelf en de ander positief te waarderen kan de andere helpen en kan de andere stimuleren weet een prettige sfeer in de klas te brengen kan een minder goede leerling stimuleren en coachen. weet dat hij open moet staan voor ideeën en argumenten van medeleerlingen kan een zwakke leerling helpen bij de uitvoering van een beweging weet dat samenwerking belangrijk is voor het bereiken van een gemeenschappelijk doel kan met medeleerlingen samenwerken om een gemeenschappelijk doel te bereiken Overzicht kerndoelen Mens en MaatschappijKerndoel 1De leerling kan perioden en gebeurtenissen uit eigen leven op een tijdsbalk plaatsen en daarbij aanduidingen van tijd en tijdsindeling hanteren Kerndoel 2De leerling kan historische bronnen raadplegen Kerndoel 3De leerling kent zijn rechten, plichten en verantwoordelijkheden Kerndoel 4De leerling kan enkele aspecten van groepen en instituties in onze samenleving beschrijven en analyseren Kerndoel 5De leerling begrijpt de natuur, verspreiding en migratie van bevolking Kerndoel 6De leerling heeft inzicht in het belang van waarden en normen van de gemeenschap Kerndoel 7De leerling begrijpt dat allerlei maatschappelijke verschijnselen gevolgen hebben voor de omgeving Kerndoel 8De leerling kan ruimtelijke verschijnselen aangeven op een kaart en het spreidingspatroon benoemen Kerndoel 9De leerling kan de elementaire beginselen van de geologie van zijn eiland en de overige eilanden in de regio benoemen en verklaren Kerndoel 10De leerling kan de inrichtingselementen in zijn omgeving waarnemen, beschrijven, verklaren en waarderen Kerndoel 11De leerling kan de spreiding van de belangrijke klimaten op aarde beschrijven Kerndoel 12De leerling kan de kaart van zijn eigen eiland, de regio en andere landen die voor ons belangrijk zijn Kerndoel 13De leerling begrijpt dat cultuur en multiculturaliteit in Sint Maarten niet op zichzelf staan, maar zijn ingebed in een breder verband Kerndoel 14De leerling kan multiculturaliteit in Sint Maarten herkennen en verklaren Kerndoel 15De leerling kan hoofdzaken en belangrijke ontwikkelingen van de economie beschrijven en verklaren Kerndoel 16De leerling kan enkele aspecten van het verschijnsel arbeid beschrijven en verklaren Kerndoel 17De leerling kan de waarde van democratie en democratische grondrechten zowel algemeen als voor het vigerende politieke systeem kritisch beoordelen Kerndoel 18De leerling kent enkele hoofdzaken van staatsinrichting Kerndoel 19De leerling kan een aantal technische producten uit de eigen leefwereld onderzoeken en verklaren Kerndoel 20De leerling begrijpt mondiale ontwikkelingen, technologische en omgevingsvraagstukken Kerndoel 21De leerling begrijpt en kan verklaren dat door moderne communicatiemiddelen, transportmiddelen en technologie de interactie tussen landen vergroot is en de wereld steeds meer een mondiale samenleving wordt Kerndoel 22De leerling kent in grote lijnen de belangrijkste historische en hedendaagse ontwikkelingen van onze eilanden Kerndoel 23De leerling begrijpt dat historische bronnen tegenstrijdig kunnen zijn of van elkaar kunnen afwijken Kerndoel 24De leerling kan perioden en gebeurtenissen uit de geschiedenis op een tijdbalk plaatsen en daarbij aanduidingen van tijd en tijdsindeling hanteren Kerndoel 25De leerling kan de wisselwerking tussen mens en milieu beschrijven en verklaren Kerndoel 26De leerling kan met zorg omgaan met de natuur en het milieu Educatiegebied: Mens en Maatschappij Domein A: Individu, ontwikkeling en identiteit Kerndoel 1 De leerling kan perioden en gebeurtenissen uit eigen leven op een tijdsbalk plaatsen en daarbij aanduidingen van tijd en tijdsindeling hanteren De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) heeft kennis van tijdsbegrippen kent het systeem van een kalender lezen weet hoe het systeem van klok kijken in elkaar zit kan op de juiste wijze een kalender lezen kan op de juiste wijze klok kijken stelt eenvoudige grafieken op betreffende de tijdsindeling. benoemt en beheerst een jaarverdeling kan bronnen raadplegen, die te maken hebben met de historische ontwikkeling van hun familie Cyclus 2 (tussendoelen) weet dat het jaar verdeeld kan worden in jaargetijden, jaren, eeuwen, jaartellingen en tijdsperioden kan voorbeelden geven van jaargetijden en de kenmerken van de jaargetijden weet dat in de geschiedenis verschillende periodes zijn te onderscheiden kan onderzoek verrichten naar historische gebeurtenissen. Educatiegebied: Mens en Maatschappij Domein A: Individu, ontwikkeling en identiteit Kerndoel 2 De leerling kan historische bronnen raadplegen De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) kan zijn eigen generatie –opbouw a.d.h.v. fotomateriaal uitleggen weet dat er veel mensen zijn geweest die op verschillende terreinen zeer belangrijk werk hebben verricht kan voorbeelden geven van belangrijke personen en aangeven wat voor belangrijk werk ze verricht hebben Cyclus 2 (tussendoelen) weet aan de hand van voorbeelden wat een stamboom is kan stambomen maken kan historische kaarten, teksten en illustraties, wandplaten, jeugdliteratuur en audiovisuele middelen interpreteren Educatiegebied: Mens en Maatschappij Domein A: Individu , ontwikkeling en identiteit Kerndoel 3 De leerling kent zijn rechten, plichten en verantwoordelijkheden De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) heeft kennis van rechten, plichten en verantwoordelijkheden van het kind t.o.v. ouders kan inventariseren wat zijn verantwoordelijkheden zijn heeft kennis van rechten, plichten en verantwoordelijkheden van het kind t.o.v. andere kinderen kan met een medeleerling een inventaris maken van hun verantwoordelijkheden thuis en op school heeft kennis van rechten, plichten en verantwoordelijkheden van het kind t.o.v. andere volwassenen Cyclus 2 (tussendoelen) weet wat rechten, plichten en verantwoordelijkheden zijn in diverse situaties kan uitzoeken welke regels van toepassing zijn op school en in andere maatschappelijke verbanden weet dat er regels en wetten zijn weet wat sancties en straffen, ordehandhaving door de politie inhoudt heeft kennis van de basisbeginselen van de rechtsorde Educatiegebied: Mens en Maatschappij Domein B Groepen en Instituties Kerndoel 4 De leerling kan enkele aspecten van groepen en instituties in onze samenleving beschrijven en analyseren De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) weet wat de kenmerken zijn van leefeenheden, begrijpt de overeenkomsten en verschillen tussen leefeenheden kan informatie verzamelen over diverse leefeenheden met behulp van eenvoudige interviews en fotomateriaal Cyclus 2 (tussendoelen) begrijpt dat er verschillende vormen van groepsgedrag zijn kan informatie verzamelen over diverse beroepsgroepen met behulp van interviews, fotomateriaal en enquêtes kent de overeenkomsten en verschillen tussen groepen kan de overeenkomsten en verschillen tussen groepen verklaren weet dat er verschillende beroepsgroepen en sociale lagen in de maatschappij zijn kan verschillen in beroepsgroepen en de lagen van de maatschappelijke ladder met elkaar in verband brengen. kan verband leggen tussen de verschillende lagen van de maatschappelijke ladder Educatiegebied: Mens en Maatschappij Domein B: Groepen en Instituties Kerndoel 5 De leerling begrijpt de natuur, verspreiding en migratie van bevolkingsgroepen De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 weet waarom mensen zich in verschillende landen vestigen weet waarom mensen uit verschillende landen zich op ons eiland of land gevestigd hebben weet dat er diverse familie- en/of samenlevingsstructuren bestaan Cyclus 2 kent het begrip migratie begrijpt wat vrijwillige en gedwongen migratie inhoudt. kan eenvoudige verslagen schrijven en spreekbeurten houden over slavernij kent de oorzaken en gevolgen van menselijke migratie kan verslagen schrijven over de komst van nieuwe migranten kan zijn eigen afkomst onderzoeken met behulp van stamboom, interviews en fotomateriaal Educatiegebied: Mens en Maatschappij Domein B: Groepen en Instituties Kerndoel 6 De leerling heeft inzicht in het belang van waarden en normen van de gemeenschap. De leerling (Kennis) De leerling (Uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) weet wat de belangrijkste omgangsnormen zijn kan de belangrijkste omgangsvormen op de juiste manier toepassen Cyclus 2 (tussendoelen) kent de gedragsregels voor verschillende situaties zoals op het werk, op straat, in de vergadering en in de kerk. kan de gedragsregels voor verschillende situaties zoals op het werk, op straat, in de vergadering en in de kerk toepassen weet hoe zich te gedragen tegenover gezagdragers en autoriteiten kan de regels hoe zich te gedragen tegenover gezagdragers en autoriteiten toepassen weet het belang van respect te tonen voor zichzelf en zijn medemens kan de regels van respect voor zichzelf en zijn medemens op de juiste wijze toepassen Educatiegebied: Mens en Maatschappij Domein C: Mens en omgeving Kerndoel 7 De leerling begrijpt dat allerlei maatschappelijke verschijnselen gevolgen hebben voor de omgeving De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) begrijpt dat veranderingen in de leefomgeving gevolgen voor de wijk hebben vergelijkt oude en nieuwe woonwijken met elkaar begrijpt welke invloed maatschappelijke ontwikkelingen hebben op wijken Cyclus 2 (tussendoelen) begrijpt hoe gebeurtenissen en veranderingen binnen de leefomgeving in relatie staan tot ontwikkelingen op het eiland en daarbuiten kan door middel van onderzoek nagaan welke veranderingen er de laatste tijd plaatsvinden binnen zijn leefomgeving en zoeken naar de oorzaken hiervan kan een verklaring geven voor de veranderingen in zijn eigen leefomgeving Educatiegebied: Mens en Maatschappij Domein C: Mens en omgeving Kerndoel 8 De leerling kan ruimtelijke verschijnselen aangeven op een kaart en het spreidingspatroon benoemen De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) kan met blokken lego of waardevol materiaal een maquette maken Cyclus 2 (tussendoelen) weet wat een atlas is kan kaart lezen en de atlas hanteren. kent de begrippen: schaal, legenda, coördinaten, register, windrichting en afstand kan de begrippen: schaal, legenda, coördinaten, register, windrichting en afstand bij kaartlezen toepassen Educatiegebied: Mens en Maatschappij Domein C: Mens en omgeving Kerndoel 9 De leerling kan de elementaire beginselen van de geologie van zijn eiland en de overige eilanden van de voormalige Nederlandse Antillen en Aruba benoemen en verklaren De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) weet dat er verschillende gesteenten zijn verzamelt verschillende stenen op vorm, kleur en grootte Cyclus 2 (tussendoelen) kent de belangrijkste gesteenten op het eiland verzamelt en vergelijkt verschillende soorten stenen en hun afkomst begrijpt het ontstaan van verschillende soorten gesteenten Educatiegebied: Mens en Maatschappij Domein C: Mens en omgeving Kerndoel 10 De leerling kan de inrichtingselementen in zijn eigen omgeving waarnemen, beschrijven verklaren en waarderen De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) Cyclus 2 (tussendoelen) begrijpt de veranderingen die hebben plaatsgevonden in hun eigen omgeving, zowel historisch als ruimtelijk kan zijn woonomgeving in kaart brengen weet welke de inrichtingselementen zijn Kan relaties leggen tussen de inrichtingselementen binnen het woongebied Educatiegebied: Mens en Maatschappij Domein C: Mens en omgeving Kerndoel 11 De leerling kan de spreiding van de belangrijkste klimaten op aarde beschrijven De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) Cyclus 2 (tussendoelen) kent de verschillende klimaten begrijpt de relatie tussen klimaten en breedteligging, hoogteligging en de ligging t.o.v. de oceanen kan met behulp van de atlas relaties leggen tussen klimaat en vegetatie kent het onderscheid tussen klimaten, inclusief bergklimaten en hun invloed op vegetatiegordels kan met behulp van de atlas relaties leggen tussen klimaat en vegetatie weet wat vegetatiegordels betekenen voor mens, plant en dier kan aangeven wat de betekenis is van een bepaalde vegetatie voor een groep mensen Educatiegebied: Mens en Maatschappij Domein C: Mens en omgeving Kerndoel 12 De leerling kan de kaart lezen van zijn eigen eiland, de regio en andere landen die voor ons belangrijk zijn De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) kan op de kaart de bekende plaatsen en wijken van hun eiland aanwijzen en benoemen Cyclus 2 (tussendoelen) kan de kaarten lezen van de eilanden van de voormalige Nederlandse Antillen en Aruba, de rest van het Caribische Gebied, Zuid- en Noord-Amerika, Nederland en de rest van de wereld Educatiegebied: Mens en Maatschappij Domein D: Cultuur en Multiculturaliteit Kerndoel 13 De leerling begrijpt dat cultuur en multiculturaliteit in Sint Maarten niet op zichzelf staan, maar zijn ingebed in een breder verband De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) weet dat de cultuur van Sint Maarten is samengesteld uit culturen van verschillende landen kan bepaalde simpele of eenvoudige culturele kenmerken of gebruiken van verschillende bevolkingsgroepen op ons eiland onderscheiden Cyclus 2 (tussendoelen) kent de begrippen cultuur en multiculturaliteit verzamelt materiaal betreffende migratie en migrantengroepen Educatiegebied: Mens en Maatschappij Domein D : Cultuur en Multiculturaliteit Kerndoel 14 De leerling kan multiculturaliteit in Sint Maarten herkennen en verklaren De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) begrijpt de culturele verschillen en overeenkomsten van leefeenheden en van etnische groeperingen kan een fotoverzameling aanleggen, eetgewoontes onderzoeken en gebruiksvoorwerpen verzamelen van de verschillende etnische groeperingen op onze eilanden Cyclus 2 (tussendoelen/benchmarks) weet dat er verschillen en overeenkomsten tussen etnische groepen bestaan. kan een eenvoudig verslag maken over de verschillen en overeenkomsten van etnische groepen kent de begrippen; discriminatie, tolerantie en emancipatie kan uitleggen waarom dat discriminatie uitgebannen dient te worden. kan binnen een projectvorm de begrippen tolerantie en emancipatie uitwerken Educatiegebied: Mens en Maatschappij Domein E. Economische processen en structuren Kerndoel 15 De leerling kan hoofdzaken en belangrijke ontwikkelingen van de economie beschrijven en verklaren De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) kent de verschillende bestaansmiddelen van Sint Maarten verzamelt producten van Sint Maarten op het gebied van landbouw en industrie Cyclus 2 (tussendoelen) kent de belangrijkste bestaansmiddelen in de regio kan een verslag maken van een bepaald soort bestaansmiddel in zijn omgeving en daarbuiten Educatiegebied: Mens en Maatschappij Domein E: Economische processen en structuren Kerndoel 16 De leerling kan enkele aspecten van het verschijnsel arbeid beschrijven en verklaren De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) weet wat werken is: thuis, op school en buitenshuis kan inventariseren waar en hoe enkele mensen uit hun directe omgeving werken kent een aantal veel voorkomende beroepen Cyclus 2 (tussendoelen) begrijpt de betekenis van werken voor de mens kent diverse beroepen en beroepsmogelijkheden in relatie tot opleiding en ervaring kan beroepen in sectoren groeperen en onderzoekt welke opleiding bij de verschillende beroepen behoort weet dat er verschillende arbeidssectoren zijn kan de relatie tussen de verschillende arbeidssectoren verklaren kent het onderscheid tussen betaalde arbeid en vrijetijdsbesteding Kent het belang van sociale voorzieningen Educatiegebied: Mens en Maatschappij Domein F Democratische structuren en processen Kerndoel 17 De leerling kan de waarde van democratie en democratische grondrechten zowel algemeen als voor het vigerende politieke systeem kritisch beoordelen De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) begrijpt dat iedereen rechten en plichten heeft kan onderzoeken welke rechten en plichten hij thuis heeft en op school Cyclus 2 (tussendoelen) weet wat het begrip democratie inhoudt weet dat er verschillen zijn tussen democratische systemen kan voorbeelden geven van landen met democratische en niet democratische systemen kan met zijn medeleerlingen een schoolparlement opzetten en verkiezingen houden kent enige punten uit VN- declaratie van de rechten van het kind onderzoekt bepaalde rechten van het kind, bijv. bij kindermishandeling weet wat de meerderheid van stemmen betekent, vertegenwoordiging van het volk kan mogelijkheden aangeven om op te komen voor zijn rechten, bijv. in gezin en op school Educatiegebied: Mens en Maatschappij Domein F. Democratische structuren en processen Kerndoel 18 De leerling kent enkele hoofdzaken van staatsinrichting De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) begrijpt dat er mensen zijn die leiding hebben op het eiland en anderen die leiding moeten accepteren ervaart het verschil tussen leiding geven en leiding accepteren a.d.h.v. concrete voorbeelden Cyclus 2 (tussendoelen) kent de bestuursvormen op eilandelijk, landelijk en koninkrijksniveau brengt een bezoek aan een statenvergadering en maakt een verslag erover kent de bestuursvormen van de Caribische ei- landen en andere voor ons belangrijke landen in de wereld kan een statenvergadering simuleren kent enkele overkoepelende, internationale organisaties, zoals Caricom, Europese Unie en de Verenigde Naties kan aangeven wat de betekenis is van deze organisaties voor de landen in de wereld Educatiegebied: Mens en Maatschappij Domein G. Technologie en globalisering Kerndoel 19 De leerling kan een aantal technische producten uit de eigen leefwereld onderzoeken en verklaren De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) weet dat er verschillen zijn tussen moderne apparaten en apparaten van vroeger verzamelt apparatuur van vroeger en nu met dezelfde functies Cyclus 2 (tussendoelen) Begrijpt welke veranderingen hebben plaatsgevonden op het gebied van media en communicatiemiddelen organiseert een tentoonstelling met apparatuur van vroeger en nu en vergelijkt deze op snelheid en gecompliceerdheid weet de betekenis van productie, productiemiddelen: machines, automatisering en informatiesystemen brengt een bezoek aan telecommunicatiemusea en schrijft een verslag erover weet dat er veranderingen zijn opgetreden in zee-, land-, lucht- en ruimteverkeer kan de veranderingen verklaren die zijn opgetreden in zee-, land-, lucht-, en ruimteverkeer weet wat de begrippen transnationale industrieën , telecommunicatie, internet en globalisering en internationalisering inhouden kan gebruik maken van internet en telecommunicatie kan onderzoeken wat een transnationale industrie inhoudt Educatiegebied: Mens en Maatschappij Domein G: Technologie en Globalisering Kerndoel 20 De leerling begrijpt mondiale ontwikkelingen, technologische en omgevingsvraagstukken De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) weet dat door internetgebruik informatie over de hele wereld nu binnen handbereik is kan het nut van internet aangeven aan de hand van eenvoudige voorbeelden Cyclus 2 (tussendoelen) weet hoe op verantwoordelijke wijze om te gaan met hulpbronnen bezoekt en maakt een verslag over bedrijven die gebruik maken van moderne apparatuur en telecommunicatiesystemen weet dat technologische ontwikkelingen ook effect hebben op maatschappelijke ontwikkelingen doet een onderzoek naar technologische ontwikkelingen en de gevolgen ervan voor het dagelijkse leven Educatiegebied: Mens en Maatschappij Domein G: Technologie en Globalisering Kerndoel 21 De leerling begrijpt en kan verklaren dat door moderne communicatiemiddelen, transportmiddelen en technologie de interactie tussen landen vergroot is en de wereld steeds meer een mondiale samenleving wordt De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) begrijpt dat door het moderne en snelle transport over land en zee en via lucht, mensen en goederen uit verschillende landen dichter bij elkaar komen kan het belang en de snelheid van telecommunicatie verklaren Cyclus 2 (tussendoelen/benchmarks) kan snelheid van overbrugging van afstanden beschrijven en benoemen, als ook voorbeelden aangeven Educatiegebied: Mens en Maatschappij Domein H. Tijd, continuïteit en verandering Kerndoel 22 De leerling kent in grote lijnen de belangrijkste historische en hedendaagse ontwikkelingen van onze eilanden De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) Cyclus 2 (tussendoelen) begrijpt dat bepaalde beslissingen en gebeurtenissen een belangrijke invloed hebben gehad op het verleden en heden kan voorbeelden geven van gebeurtenissen die van invloed zijn geweest op het heden begrijpt dat bepaalde persoonlijkheden een grote rol hebben gespeeld op de geschiedenis van de eilanden en daar buiten kan voorbeelden geven van belangrijke mensen in Sint Maarten en aangeven wat hun rol is geweest begrijpt dat bepaalde ideeën in het verleden en heden van grote betekenis zijn voor de geschiedenis van de eilanden en daar buiten kan voorbeelden geven van belangrijke ideeën voor de geschiedenis van de mensheid Educatiegebied: Mens en Maatschappij Domein H: Tijd, continuïteit en verandering Kerndoel 23 De leerling begrijpt dat historische bronnen tegenstrijdig kunnen zijn of van elkaar kunnen afwijken De leerling / (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) Cyclus 2 (tussendoelen) Begrijpt dat het denkpatroon van iedereen afhankelijk is van de tijd waarin hij leeft, de plaats waar hij leeft en de economische positie die hij inneemt kan aan de hand van een verslag aangeven dat het denken van mensen gebonden is aan tijd en plaats (bijv. man-vrouw relaties en raciale verhoudingen) Educatiegebied: Mens en Maatschappij Domein H: Tijd, continuïteit en verandering Kerndoel 24 De leerling kan perioden en gebeurtenissen uit de geschiedenis op een tijdsbalk plaatsen en daarbij aanduidingen van tijd en tijdsindeling hanteren De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) Cyclus 2 (tussendoelen) begrijpt m.b.v. de tijdsbalk de historische ontwikkeling van de eilanden en landen binnen en buiten de regio kan verschillende gebeurtenissen op een tijdsbalk plaatsen Educatiegebied: Mens en Maatschappij Domein I Milieu Kerndoel 25 De leerling kan de wisselwerking tussen mens en milieu beschrijven en verklaren De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) weet dat hij zichzelf en zijn directe omgeving schoon moet houden en waarom observeert en verklaart wat vuil en wat schoon milieu is Cyclus 2 (tussendoelen/benchmarks) weet de betekenis van het milieu voor de mensen in Sint Maarten en de rest van de wereld kan een onderzoek doen in de eigen omgeving en daarbuiten betreffende de vervuiling van het milieu begrijpt dat de wisselwerking tussen mens en milieu kan leiden tot milieuproblemen zoals: vervuiling, aantasting en uitputting weet waarom hergebruik van afval belangrijk is. kan een recyclingproces weergeven Educatiegebied: Mens en Maatschappij Domein I : Milieu Kerndoel 26 De leerling kan met zorg omgaan met de natuur en het milieu De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) kent zijn eigen leefgewoonten en weet wat milieuvriendelijk gedrag inhoudt kan een eenvoudig onderzoekje doen naar eigen leefgewoontes en kan aangeven waarom bepaald gedrag milieuvriendelijk is of niet toont bereidheid om in de klas en op school zorgvuldig om te gaan met voedsel, papier, water, energie en afval Cyclus 2 (tussendoelen) kan illustreren hoe mensen op negatieve wijze, maar ook op positieve wijze omgaan met water, lucht, bodem en energie Overzicht educatiegebied Mens, Natuur en TechnologieDOMEIN KERNDOEL 1 Aarde en Heelal De leerling kan onderscheid maken tussen weersverschijnselen en de kringloop van water. De leerling kan aangeven uit welke stoffen en samenstellingen de aarde bestaat . De leerling kan de samenstelling en structuur van het heelal uitleggen en de plaats van de aarde daarin. 2 Levensverschijnselen De leerling begrijpt de structuur en werking van cellen en organismen. De leerling begrijpt de relatie tussen organismen en hun fysieke milieu. De leerling kan eenvoudige uitleg geven over wat biologische evolutie betekent en verschillen in levensvormen. 3 Natuurverschijnselen De leerling herkent eigenschappen van natuurlijke stoffen. De leerling kan bronnen en eigenschappen van energie noemen. De leerling herkent de verschijnselen ‘kracht’ en ‘beweging’. 4 Technologie De leerling herkent de basis van technologie. De leerling herkent de functie van technologie. De leerling herkent de invloed van technologie. 5 Basisvaardigheden De leerling kan stappen in eenvoudig onderzoek volgen en uitvoeren. De leerling herkent de functie van onderzoek. De leerling kan eenvoudige onderzoeksvaardigheden toepassen. KERNDOEL:
- De leerling kan onderscheid maken tussen weersverschijnselen en de kringloop van water* De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) weet dat weersomstandigheden, zoals temperatuur/ regenen zon, dagelijks of door seizoenen kunnen veranderen kan eigenschappen van weers-omstandigheden tekenen of aanwijzen.(mooi weer/slecht weer) weet dat ‘water’ als drinkbaar(vloeistof) en ook als ijs(vaste stof) voorkomt en kan veranderen kan met vormen van water werken als die gepresenteerd worden Cyclus 2 (tussendoelen) weet dat ‘lucht’ een gas is dat om ons heen is, ruimte inneemt en beweegt kan aantonen dat ‘lucht’ aanwezig is en kan worden waargenomen weet dat de zon voor licht en warmte zorgt en nodig is voor het op temperatuur houden van de aarde kan aantonen door praktijkvoorbeelden hoe licht en warmte hun omgeving beïnvloeden weet dat weersomstandigheden dagelijks maar ook per seizoen kunnen veranderen kan eigenschappen van weersomstandigheden tekenen of aanwijzen in eigen omgeving weet dat het grootste deel van de aarde bestaat uit ‘water’, dat het meeste zout water is in zeeën, en dat zoet water voorkomt in rivier/meren/bergen en ondergronds weet dat water voorkomt in de lucht als wolken, regen en als mist kan in eigen omgeving door onderzoek verschil in water aantonen KERNDOEL:
- De leerling kan aangeven uit welke stoffen en samenstellingen de aarde bestaat * De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) weet dat de aarde bestaat uit vast gesteente, zand, vloeistoffen en gassen in de atmosfeer kan verschillende stoffen herkennen/benoemen weet dat gesteente in verschillende vormen en maten voorkomt kan door vorm en grootte ordenen weet dat de aarde een deel is van het zonnestelsel kan aan de hand van een model de aarde herkennen/aanwijzen Cyclus 2 (tussendoelen) weet dat het aardoppervlak steeds verandert door een combinatie van langzame en snelle processen(door wind, water en golven) kan verschillen benoemen/aanwijzen in bodemgesteldheid voor/tijdens/na onderzoek weet dat kleine gesteenten door verwering ontstaan uit grote gesteenten kent verschillende samenstellingen (gesteente/ organismen/product van plant-dier) en eigenschappen van bodemsoorten herkent verschillende samenstellingen en eigenschappen weet dat fossiele resten bewijsstukken zijn van de prehistorische natuur herkent fossiele bewijsstukken KERNDOEL:
- De leerling kan de samenstelling en structuur van het heelal uitleggen en de plaats van de aarde daarin De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) weet dat er verschillende hemellichamen zijn zoals; zon, maan en sterren en hun baanbeweging kan hemellichamen herkennen/benoemen en hun positie/ bewegingsrichting aanwijzen weet dat door de beweging van de aarde, zon en maan er dag- en nachtritmen zijn kan dag en nacht vergelijkingen tekenen/op model voordoen weet dat er planeten in ons zonnestelsel zijn kan de planeten van ons zonnestelsel opnoemen Cyclus 2 (tussendoelen) weet hoe sterren, planeten en kometen verschillen kan verschillen in hemellichamen onderzoeken en aanwijzen adv. wandkaart/computersimulaties weet dat natuurverschijnselen in verband staan met de positie van zon/ aarde en maan weet dat hemellichamen in de ruimte met een telescoop of andere technologische instrumenten bekeken kunnen worden kan een eenvoudige telescoop hanteren kan uitleggen waarom de aarde een dag en nachtcyclus heeft kan een model construeren die het dag/nachtritme simuleert KERNDOEL:
- De leerling begrijpt de structuur en werking van cellen en organismen* De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) weet welke eigenschappen levende en niet-levende dingen van elkaar onderscheiden (beweging/voeding/voortplanting, etc) kan levende van niet-levende dingen onderscheiden weet welke verzorging planten en dieren nodig hebben om te overleven(voeding of licht/lucht/bescherming) weet dat planten en dieren eigenschappen hebben om in verschillende omgevingen te kunnen bestaan kan legpuzzels in elkaar zetten over levenscycli van organismen kan zoogdieren van andere diersoorten onderscheiden als deze op kaarten worden getoond kan delen van planten en dieren benoemen De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 2 (tussendoelen) weet dat alle organismen bestaan uit cellen die elk onderdeel vormen van een levensvorm. De meeste organismen zijn eencellig maar andere organismen (inclusief mensen) zijn meercellig weet dat planten en dieren een levenscyclus doorlopen kent de eigenschappen die zoogdieren onderscheiden van andere dieren weet hoe je bij planten en dieren, onderscheid en vergelijking kan maken kan mbv. voorbeeldkaarten eencellige van meercellige organismen onderscheiden. kan legpuzzels in elkaar zetten over levenscycli van organismen kan dieren/ planten classificeren op grond van hun leefomgeving kan verschillende typische lokale planten/ dieren beschrijven op grond van hun eigenschappen kan delen van de levensvormen benoemen weet dat dieren in groepen geordend kunnen worden op grond van hun leefomgeving kan dieren classificeren op grond van hun voeding (plant/vlees- alles eter) weet dat levende organismen uitgesproken vormen en lichaamssystemen hebben die zorgen voor taken zoals groei, overleving en voortplanting kan organismen, orgaanstelsels en organen identificeren mbv een kaart of een model KERNDOEL:
- De leerling begrijpt de relatie tussen organismen en hun fysieke milieu. * De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) weet dat planten en dieren bepaalde levensbronnen nodig hebben voor hun eigen energie en groeiprocessen weet dat planten en dieren verschillende verdedigingsmechanismen hebben om te kunnen overleven kan voor basislevensbehoeften zorgen voor plant en dier kan door waarnemingen omschrijven hoe bepaalde organismen zich beschermen om te overleven. (bijv. wegvliegen voor vogels kan overleving betekenen) weet dat levensvormen bijna overal ter wereld gevonden worden en dat een bepaald milieu bepaalde levenskansen biedt weet dat verschillende dieren hun voedsel op verschillende plaatsen (op land /in water) vinden kan vertellen wat vogels eten bij of in het water. kan verschillende lokale vogels/reptielen// insecten noemen die hun voedsel op land vinden. weet dat sommige dieren/planten in water leven, en andere niet identificeert lokale dieren/planten die uitsluitend in water bestaan weet dat planten/ dieren er anders uitzien bij droge/ natte seizoenen, lokaal en in de rest van de wereld noemt uiterlijke veranderingen waarneembaar bij zowel locale als buitenlandse planten /dieren De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 2 (tussendoelen) kent voorbeelden van huisdieren en cultuur-gewassen, waarvan de leefomstandigheden door mensen worden beheerst weet dat alle organismen(inclusief de mens) veranderingen veroorzaken in hun omgeving, zowel in het voordeel als nadeel. kent de rol van roofdier ten opzichte van hun prooi kan in de school voorkomende planten en dieren de juiste verzorging geven herkent eigenschappen die een roofdier gebruikt voor het jagen op zijn prooi herkent veranderingen in veldsituaties veroorzaakt door organismen weet dat door overdracht van energie (door verbruik van voedsel) essentieel is voor alle levende organismen. weet dat verandering in het milieu invloed kan hebben op verschillende organismen kan rapporteren door waarnemingen hoe organismen energierijk voedsel consumeren weet dat dieren, van de dezelfde soort, andere leefgewoonten kunnen hebben in een ander milieu kan door waarnemingen verschil in gedrag aangeven van lokale organismen KERNDOEL: 6 De leerling kan eenvoudig uitleg geven over wat biologische evolutie betekent en verschillen in levensvormen* De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) weet dat sommige plant - /diersoorten die ooit op aarde hebben geleefd, niet meer voorkomen weet dat planten en dieren oud kunnen worden kan uitgestorven levensvormen noemen en herkennen op tekeningen/wandplaat/modellen (Dinosaurus, reuze-varen, mammoet) kan verschillen aanwijzen in jonge en oude planten weet dat voortplanting bij sommige dieren levendbarend gebeurt en bij sommige door het leggen van een ei kan dieren opnoemen die hun jong levend baren en dieren die een ei leggen weet dat er een verschil is tussen organismen die hebben geleefd en nu dood zijn kan een onderscheid maken tussen een levende en dode plant weet dat planten en dieren veel op hun ouders lijken kan overeenkomsten aanwijzen tu